Ds. G.J. Baan - Johannes 21 : 1-7a

Jezus en de vissende discipelen

1. De Onveranderlijke tegenover ongestadigen
2. De Onderwijzende ten opzichte van onwetenden
3. De Opgestane ten opzichte van onmachtigen

Johannes 21 : 1-7a

Johannes 21 Vers 1-7a: ‘En na deze openbaarde Jezus Zichzelven wederom den discipelen aan de Zee van Tiberias. En Hij openbaarde Zich aldus: Er waren tezamen Simon Petrus en Thomas, gezegd Didymus en Nathanaël die van Kana in Galilea was en de zonen van Zebedeüs en twee anderen van Zijn discipelen. Simon Petrus zeide tot hen: Ik ga vissen. Zij zeiden tot hem: Wij gaan ook met u. Zij gingen uit en traden terstond in het schip en in dien nacht vingen zij niets. En als het nu morgenstond geworden was stond Jezus op den oever doch de discipelen wisten niet dat het Jezus was. Jezus dan zeide tot hen: Kinderkens, hebt gij niet enige toespijs? Zij antwoordden Hem: Neen. En Hij zeide tot hen: Werpt het net aan de rechterzijde van het schip en gij zult vinden. Zij wierpen het dan en konden hetzelve niet meer trekken vanwege de menigte der vissen. De discipel dan welken Jezus liefhad zeide tot Petrus: Het is de Heere’.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 66: 5 en 6
Lezen : Johannes 21: 1 - 14
Zingen : Psalm 18: 7
Zingen : Psalm 94: 8,9,10,12
Zingen : Psalm 120: 1
Zingen : Psalm 17: 4
Zingen : Psalm 96: 5 en 6

Gemeente, jongens en meisjes, we kennen allemaal wel de geschiedenis van Jona, de profeet uit het Oude Testament. De Heere riep hem om te gaan preken in de geweldig grote stad Ninevé, waar wel meer dan honderdduizend mensen woonden. De Heere zei tegen hem: Jona, maak u op, ga naar de grote stad Ninevé en predik tegen haar. Die stad moest het Woord ontvangen. Het Woord moest daar gepreekt worden, want er woonden daar heel veel mensen die God niet dienden en God zelfs niet kenden. Die zomaar voor het vaderland weg leefden, zoals u, of jij dat misschien vandaag ook wel doet: leven zonder God.
Er was nog een reden dat Jona moest gaan preken. In het tweede vers van Jona 1 lezen we dat de Heere zegt: Want hunlieder boosheid is opgeklommen voor Mijn aangezicht. Als ik het in mijn eigen woorden zeg: de Heere was het zat geworden. God wilde dat die zonden zouden stoppen. Daarom moest Jona het Woord van de Heere gaan preken. Hij moest een visser van mensen worden.

Als de Heere hem roept, dan zal hij ook wel gaan, zou je denken. Maar Jona gaat níet; hij is het bevel van de Heere ongehoorzaam. Er staat in vers 3 dat hij zich opmaakte om te vluchten naar Tarsis, wég van het aangezicht van de Heere. Jona wil niet naar Ninevé, maar naar Tarsis, helemaal de andere kant op. Hij neemt een schip om daar naartoe te gaan. Maar dan lezen we in vers 4: ‘De Heere wierp een grote wind op de zee en er werd een grote storm in de zee, zodat het schip dacht te breken.
We weten wat er gebeurde. Jona werd uiteindelijk overboord geworpen en de zee kalmeerde. En wat wij als mensen niet voor mogelijk houden, gebeurde toch: God spaart het leven van Jona: een grote vis slokt hem op en spuugt Jona na drie dagen uit op het droge. Op Gods bevel gaat Jona nu wél naar Ninevé. Uiteindelijk preekt hij in de stad waar hij eerst niet naartoe wilde. Het is nog een wonder dat hij tot inkeer kwam.
God volvoert Zijn plan: Zijn Woord wordt ook in Ninevé gebracht en er waren mensen die zich bekeerden. Het Woord droeg uiterlijke vrucht. We weten niet in hoeverre het hart van de mensen in Ninevé werd geraakt - dat staat er niet bij - maar het gepredikte Woord had in ieder geval wél invloed.

Gemeente, zo weet de Heere Jona precies op díe plaats te brengen waar Hij hem hebben wil. Jona vaart nu als het ware in het schip van de dienst aan God. Hij gaat naar de stad waar de Heere moet worden gepredikt. Hij brengt er het Woord van God en er komt vrucht op zijn prediking.

Welnu, zoals God met Jona handelde, zo handelde Jezus ook met Zijn discipelen. We letten daarop aan de hand van de verzen 1 t/m 7a uit Johannes 21.
‘De verschijning van Jezus aan de zee van Tiberias’ staat erboven. We lezen deze verzen nog een keer met elkaar om het verband van de tekst te zien.

Johannes 21 Vers 1-7a: ‘En na deze openbaarde Jezus Zichzelven wederom den discipelen aan de Zee van Tiberias. En Hij openbaarde Zich aldus: Er waren tezamen Simon Petrus en Thomas, gezegd Didymus en Nathanaël die van Kana in Galilea was en de zonen van Zebedeüs en twee anderen van Zijn discipelen. Simon Petrus zeide tot hen: Ik ga vissen. Zij zeiden tot hem: Wij gaan ook met u. Zij gingen uit en traden terstond in het schip en in dien nacht vingen zij niets. En als het nu morgenstond geworden was stond Jezus op den oever doch de discipelen wisten niet dat het Jezus was. Jezus dan zeide tot hen: Kinderkens, hebt gij niet enige toespijs? Zij antwoordden Hem: Neen. En Hij zeide tot hen: Werpt het net aan de rechterzijde van het schip en gij zult vinden. Zij wierpen het dan en konden hetzelve niet meer trekken vanwege de menigte der vissen. De discipel dan welken Jezus liefhad zeide tot Petrus: Het is de Heere’.
Tot zover.

Gemeente, we staan stil bij:

Jezus en de vissende discipelen

en we letten dan op drie gedachten, waarin ook drie tegenstellingen naar voren komen:

  1. De Onveranderlijke tegenover ongestadigen (vers 1-3a en 4a).
  2. De Onderwijzende ten opzichte van onwetenden (vers 3b, 4b, 5).
  3. De Opgestane ten opzichte van onmachtigen (vers 6, 7a).

 

Gemeente, jongens en meisjes, de Heere Jezus heeft het graf verlaten. We noemen dat heel eenvoudig de ‘opstanding’. Dat wijst op wat Jezus gedaan heeft: Hij stond op uit de doden. ‘Hij is opgestaan’ lezen we in Markus 16 vers 6. Het Griekse woord, dat daar gebruikt wordt, kan zowel betekenen ‘opgewekt worden’ als ook ‘opgestaan’. Hij is én opgewekt door Zijn Vader én Hij is opgestaan uit de doden. ‘En Hij is opgestaan’ is de actieve vorm. Dat wijst ons erop dat Jezus als de almachtige Koning, in eigen kracht de banden van het graf en alles wat daaraan vastzat, heeft verbroken. Hij toont Zijn macht en heerlijkheid in de opstanding, dat ondeelbare ogenblik waarin Jezus het graf verliet. Géén mens op aarde was daar getuige van.

Daarentegen zijn velen getuige geweest van Jezus macht en heerlijkheid die Hij toonde in Zijn verschijningen. Zeker dertienmaal heeft Jezus Zich geopenbaard aan verschillende mensen, soms ook aan meerderen tegelijk. Aan de vrouwen, aan Maria Magdalena, aan Petrus, aan de Emmaüsgangers, aan twee mannen in het veld, aan de discipelen zónder Thomas en later aan de discipelen mét Thomas. En nu opnieuw aan de discipelen bij het meer van Tiberias, waar we vandaag bij stilstaan. Zeer waarschijnlijk was dat de achtste verschijning.

Gemeente, in alle verschijningen van Jezus na Zijn opstanding, zien we zo duidelijk Zijn trouw, Zijn wijsheid en Zijn almacht. Op die drie dingen letten we vanmorgen. Hij is de Onveranderlijke, Hij is de Onderwijzende, Hij is de Opgestane; en dat voor niet-standvastigen, voor dwazen, voor onmachtigen.

Er staat in vers 1: na dezen - dus na alles wat er gebeurd was op de opstandingsdag en in de weken daarna - openbaarde Jezus Zichzelven wederom, ‘opnieuw’ zouden we zeggen. ‘Openbaarde Zich’ heeft in de Griekse grondtaal de betekenis van ‘Hij maakte Zich zíchtbaar’.
Jezus maakte zich in de eerste plaats letterlijk zichtbaar: de discipelen zagen Hem met hun eigen ogen. Maar, gemeente, Jezus maakte Zich ook zichtbaar in Zijn heerlijkheid. Hij toonde hen Zijn heerlijkheid. De discipelen zagen Hem in het hart en Jezus zag ook hen in het hart. Dat is een heel bekende Bijbelse uitdrukking. De Heere Jezus maakt de heerlijkheid die in Zijn hart zit, aan mensen bekend. Na Zijn opstanding deed Hij dat alleen nog aan Zijn kinderen; met twee uitzonderingen: Jakobus, Jezus’ eigen broer, die toen bekeerd werd, en Paulus op weg naar Damascus, al was dat meer een geestelijke openbaring, als in een visioen.

Gemeente, hoe nodig is het om bij die mensen te behoren aan wie Jezus Zich bekend maakt. Zoals bij de discipelen in onze tekst. De namen staan er uitdrukkelijk bij: Simon Petrus, we kennen hem. Thomas, de twijfelaar, zijn bijnaam wordt ook nog genoemd: Didymus. Nathanaël, die we kennen van onder de vijgenboom. De twee zonen van Zebedeüs: Johannes en Jakobus, de zonen des donders, Boanerges werden ze genoemd. Zij hadden de plaats aan Jezus rechter- en linkerhand verlangd, misschien wel ten koste van anderen. En nog twee andere discipelen die niet bij naam worden genoemd. In ieder geval waren er zeven van de elf aanwezig; het merendeel van de discipelen dus. Je zou kunnen zeggen dat de discipelenkring was vertegenwoordigd.
Wat was het voor hen nodig om Jezus opnieuw te ontmoeten. Maar wat is het vandaag ook voor u, voor jou, voor mij nodig om Hem opnieuw te zien; in Zijn heerlijkheid, schoonheid, zondaarsliefde, trouw en genade.

Is het u opgevallen, gemeente, hoe vaak de naam Jezus wordt genoemd in ons tekstgedeelte? Negen keer staat de naam ‘Jezus’ in de verzen 1 t/m 14 genoemd; en alle keren als het onderwerp van de zin. ‘Jezus openbaarde Zich’ lezen we in vers 1. En in vers 4: ‘Jezus stond op de oever’ en ‘De discipelen wisten niet dat het Jezus was’. Vervolgens in vers 5: ‘Jezus zei tot hen’. En zo gaat het verder. Telkens is Jezus in deze zinnen het onderwerp. Taalkundig noemen we dit ‘onderwerp, derde persoon enkelvoud’, maar voor de gelovige is Jezus het grote onderwerp van geestelijk leven, de éérste Persoon, de grote Ik, de Eerste en de Laatste, de Onveranderlijke.

Er is nog iets opmerkelijks, gemeente, namelijk dat hier het woord ‘openbaren’ wordt gebruikt. Jezus openbaarde Zich bij alle heilsfeiten. Al vóór Zijn geboorte openbaarde Hij Zich, in geestelijke zin, aan Maria; en dat deed haar zingen “Mijn geest verheugt zich in God mijn Zaligmaker”. Ná Zijn geboorte door middel van de Engel die aan de herders verschijnt: U is geboren de Zaligmaker; en het engelenlegioen dat zong tot lof van God. Hij openbaart Zich zelfs in Zijn lijden als Hij tegen de discipelen zegt: Mijn ziel is geheel bedroefd tot de dood toe; blijft hier en waakt. Telkens opnieuw, bij alle heilsfeiten, was de openbaring, de bekendmaking van Jezus nodig. Zo ook nu bij de opstanding.
Laat het uw bede zijn dat Jezus Zijn heil ook aan u wil openbaren. Mozes bad tot de Heere: ‘Toon mij Uw heerlijkheid’. Welnu, dat we dat vanmorgen ook zouden mogen zeggen: ‘Jezus, toon Mij Uw heerlijkheid’. Dan zul je, zoals de bruid, Hem zien; blank en rood en Hij draagt de banier boven tienduizend. Jezus openbaart Zich in Zijn heerlijkheid; Hij laat zien wie Hij wil zijn voor u, voor jou en voor mij.

‘Openbaren’ wijst ook nog op iets anders, namelijk dat de discipelen Hem niet zagen. Hun ogen moesten geopend worden. Hoe kwam dat? Jongens en meisjes, dat is niet zo moeilijk. De discipelen waren gaan vissen. ‘Ik ga vissen’, had Petrus gezegd. Hij was alweer de eerste, degene die bepaalde waar de hele groep naartoe ging. Je leest niets over een reactie van de anderen. Collectief zeggen ze: ‘wij gaan ook met u’. Geen discussie, nee, ze gaan gewoon mee. Mag dat dan niet? Mogen ze niet weer de vissersboot in? Het waren toch ervaren vissersmannen? Dat was toch hun dagelijkse werk, voordat Jezus hen riep? Ja gemeente, dát was het nu net. In plaats dat ze het evangelie gingen verkondigen, die grote en heerlijke boodschap: ‘Jezus is opgestaan, komt, hoort toe en ik zal u vertellen wat Hij gedaan heeft aan mijn hart’, gaan zij vissen.

Sommigen duiden het als invulling van verveling: ze wisten niet wat ze anders moesten gaan doen. Anderen leggen het uit in de zin van ongelovigheid: ze geloofden het allemaal niet meer; ze konden het niet meer bekijken; ‘nou ja, dan gaan we die vissersboot maar weer in’. Andere verklaarders zien het meer als recalcitrant gedrag: het niet met Gods weg eens zijn. Weer anderen duiden het als moedeloosheid.
Eén ding is vanmorgen duidelijk: het was hun eigen gekozen, dwaze weg. En deze dwaasheid was trouwens door de Heere Jezus Christus ook voorzegd: ‘De ure komt dat gij verstrooid zult worden en Mij alleen zult laten’. Toen en ook nu weer.
Want u moet bedenken, gemeente, dat het niet de eerste keer is dat Jezus Zich openbaart. Op de eerste dag van de opstanding was Hij er al. Hij verscheen in hun midden, dwars door de gesloten deuren kwam Hij en sprak: ‘Ik ben het. Vrede zij ulieden.’ En op de achtste dag kwam Hij opnieuw en hebben ze gezien wat er met Thomas gebeurde, hoe hij het beleed: ‘Mijn Heere en mijn God’. Meerdere keren is Jezus hen en anderen verschenen. En dan nu toch weer zo’n eigen gekozen weg? Toch weer Jezus uit het oog verloren? Net als Jona gevlucht? Als geroepen en gezonden ambtsdragers, het toch niet verwachten van de Koning? Ja inderdaad, gemeente, de discipelen kiezen hun eigen weg, een doodlopende weg, die gedoemd is te mislukken. En dat is eigenlijk ook maar gelukkig.

We lezen in het vervolg van vers 3: Ze gingen uit, en traden terstond in het schip. Er zat blijkbaar grote haast bij. Dachten ze misschien dat Jezus misschien zou komen om hen tegen te houden? Wilden ze maar gauw de boot in, doen wat we zelf wilden en snel vergeten waartoe ze eigenlijk geroepen waren, namelijk om het evangelie te verkondigen?
En vervolgens lezen we: En in die nacht vingen zij niets. Alle eigen gekozen wegen, zei ik al, zijn gedoemd te mislukken. Wat denkt u dat ze in die nacht hebben gedacht? Als de afgrond tot de afgrond roept en het gedruis van de watergoten wordt gehoord en al Uw baren en golven over hen heen gegaan zijn. En dan ’s morgens om vijf uur begint de ochtend te gloren, de eerste lichtstralen van de opkomende zon verschijnen, totdat het om zes uur helemaal licht is geworden. Wat een contrast met de zieletoestand van de discipelen; het is nog donker in hun ziel, zonder Jezus. Die ongestadige, veranderlijke discipelen zijn te vergelijken de golven op het meer van Galilea, waar het heel erg kon stormen. Ten opzichte van hun ongestadigheid, hun onvastheid, hun veranderlijkheid, stond Jezus op de oever als het morgenstond geworden was.

Jezus stáát. Het Griekse woord voor ‘staan’ duidt erop dat Hij vast, stabiel, staat. Hij staat op recht en waarheid pal, net zoals Gods trouw. Hij staat stabiel, te midden van de stormen in hun leven, te midden van de ongestadigheid van hun hart.
Jezus stond op de oever; dáár waar Hij Zijn discipelen verwacht; als de Opgestane bij Wie veiligheid is.
Hij staat er opnieuw! Jezus openbaarde Zichzelf wederom, lezen we in vers 1. Ja, de discipelen zien daar wel iemand op de oever staan, maar herkennen Hem niet. Hoe dat komt weten we niet. Misschien door wat mist. Misschien omdat de afstand nog te groot was. En misschien hadden ze er niet eens aan gedacht dat ze Hem zouden kunnen ontmoeten. Het had niet direct te maken met het verheerlijkte lichaam van de Heere Jezus, want Hij was nog herkenbaar, maar het hing veel meer samen met hun ongeloof.

Doch de discipelen wisten niet dat het Jezus was, lezen we. Je kunt zo heel dichtbij zijn en Hem toch nog niet zien. Maar wat doet Jezus dan? Hij openbaart Zich aan die ongestadige en ontrouwe discipelen als de Onveranderlijke.
Gemeente, inmiddels is Zijn naam al drie keer genoemd. ‘Jezus’ openbaarde Zich weer, vers 1, en dan: ‘Jezus stond’, vers 4, gevolgd door: ‘doch de discipelen wisten niet dat het Jezus was’, in verband met hun ongeloof. Die twee dingen komen vanmorgen samen: ongelovige discipelen en de Onveranderlijke getrouwe Koning.
Als zij dan omringd zijn door allerlei tegenspoed, heffen ze toch hun hoofden op naar boven en roepen tot de Oorsprong aller dingen, tot God in hun bekommeringen en Hij verhoorde hun gebeden, naar Zijne goedertierenheden. We zingen het samen uit Psalm 120 vers 1:

‘k Riep tot den Oorsprong aller dingen,
            Tot God, in mijn bekommeringen,
            En Hij verhoorde mijn gebeden,
            Naar Zijne goedertierenheden.
            O HEER’, doe mij den strik ontslippen
            Der veinzerij en valse lippen;
            Behoed mij voor de bitse tong,
            Die mij met leugentaal besprong.

 

2. Jezus is ook de Onderwijzende ten opzichte van onwetenden

We letten nog wat uitvoeriger, op vers 3b: En in die nacht vingen zij niets. In die nacht, de nacht van hun eigen gekozen weg, de nacht van hun ongeloof, de nacht van hun zonden, de nacht van hun bij Jezus vandaan gaan. In die nacht vingen zij niets.
Vul het vanmorgen maar in: in al je wegen buiten Jezus is er geen resultaat. Dat geldt voor u, voor jou, die nog zonder de Heere leeft. Dan kun je heel rijk zijn, heel belangrijk, heel verstandig, heel behulpzaam en noem alle kwaliteiten en goede eigenschappen maar op, maar uiteindelijk: géén resultaat; en zeker niet voor de eeuwigheid.
Maar dat geldt natuurlijk ook voor het leven van de genade. Het gaat hier over de discipelen, die de Heere dienen. Je zou denken: ze hebben toch heel veel geleerd. Jezus heeft Zichzelf al twee keer – en aan Petrus zelfs driemaal – geopenbaard.
Dat moet nu toch wel goed gaan? Ze zullen toch wel heel snel zijn teruggegaan, nadat ze tot de conclusie waren gekomen dat er geen vis was, dat ze niets vingen? Terug met smeking en geween, met tranen en gebeden, met berouw en de verzuchting ‘Heere Jezus vergeef ons. We zijn onze eigen gekozen weg gegaan. We hebben niet gedaan wat we hadden moeten doen. Wilt u ons opnieuw aannemen in Uw trouw?’

Nee. Ze volharden in hun ongelovigheid.
Dat is dan weer zo’n les, nietwaar? Wanneer de Heere in je leven werkt, dan gaat het wel goed zolang je dicht bij God bent. ‘Het is mij goed nabij God te wezen’, zingt Asaf en ‘Ik stel mijn betrouwen op de Heere Heere om al Uw werken te vertellen’. Dan gaat het nog wel.
Spreek je goed over God, dan is de Heere Jezus dichtbij. Je ziet Hem met je geloofsoog. Anderen worden jaloers. Je spreekt over Hem. Je vertrouwt op Hem. Maar, o wee als we Hem uit het oog verliezen.
Misschien zijn er ook nu kinderen van God – gelovigen – in de kerk, die hun Koning uit het oog zijn verloren. Misschien een dag geleden, of misschien al wel tien jaar geleden. Dat zou zomaar kunnen, maar dan ben je wel heel ver van je plaats af.

Het eerste onderwijs dat de discipelen ontvangen, is dat ze niets vangen. Dat werd natuurlijk door Jezus zo bestuurd. Maar het was een les voor de discipelen dat ze niets vingen, ondanks al hun inspanningen. En ja, het waren echt wel gekwalificeerde vissers. Ze hadden als het ware het certificaat van bekwaamheid bij zich. Er moest heel wat gebeuren wilden Petrus, Johannes, Jakobus en de anderen geen vis vangen. Ze wisten precies waar de beste vissen zaten, op welke plek je moest zijn en wat de beste tijd in de nacht was om vis te vangen. We lezen ook niets over een storm of andere storingen, waardoor de vis naar een andere plaats zou kunnen verdwijnen.

Nee, zij vingen niets. In de Griekse grondtaal gebruikt Johannes voor ‘vangen’ een woordje dat eigenlijk ‘vastgrijpen’ of ‘houvast hebben’ betekent. Wat vrijer vertaald zouden we kunnen zeggen dat de discipelen nergens houvast aan kregen.
Dat geldt ook voor het ongeloof: dan heb je nergens houvast aan. Niet aan wat er in je leven is gebeurd, niet aan alle mooie verhalen van Jezus.
De discipelen misten alle houvast aan drieënhalf jaar omgang met Jezus tijdens Zijn omwandeling op aarde. Ze hebben dat ‘houvast’ wel geprobeerd te vangen, vast te grijpen, maar het lukte niet. Ondanks de beste tijd, de beste ervaring en de geweldigste inspanning, kregen ze nergens houvast aan. Geschud, geslingerd werden ze in die nacht op de zeef van satan.
Wanneer u uw eigen hart enigszins kent, kunt u zich voorstellen dat bange vragen het hart van de discipelen vervulden. Hoe moet dat toch? Alles lijkt gedoemd te mislukken. Hun ambtsvervulling lukte niet. Hun geloofsleven konden ze niet op peil houden. En nu lukt zelfs het vangen van wat vis met een vissersboot nog niet.
Heeft u dat ook weleens, dat alles je ontglipt, dat je nergens meer houvast aan hebt?

Nu wil ik het ongeloof niet de handen opleggen. En ook wil ik de discipelen niet zó voorstellen, dat u zegt: ‘ja, nu kan ik er ook wel bij, want bij mij is het ook zo vaak ongelovig’.
Gemeente, dan vinden we nog houvast aan ons ongeloof. Maar dan wil ik u, jou en mijzelf er toch heel duidelijk op wijzen dat er buiten Jezus geen enkel houvast is. Niet in de boot van je eigen inspanningen, ervaringen en bevindingen. Niet op het meer van Galilea, al is het er nog zo prachtig en stil, en al kun je er nog zoveel gelegenheid hebben om te doen wat je maar wilt. Nee, dat alles biedt geen houvast. De discipelen – en ook wij –moeten leren wat Jezus een paar weken daarvoor had gezegd: Zonder Mij kunt gij niets doen.

Dan is er nog een tweede zonde. Niet alleen waren de discipelen de zee van Tiberias opgegaan en verzaakten ze daarmee hun ambt, ook is er bij hen sprake van ongelovigheid.
Jezus stond op de oever en ze wisten niet dat het Jezus was. Nu gebruikt Johannes hier niet het woordje voor ‘concluderend weten’. Zo van: je ziet iemand, je herkent hem en je besluit dat is die-en-die persoon. Dat is ‘concluderend weten’. Maar Johannes gebruikt hier een ander woord, namelijk een heel actief woord in de zin van: ‘verstaan’ of ‘begrijpen’. Gemeente, uit dit woord blijkt dat hun verstand opnieuw moet worden verlicht. Jezus staat er en toch verstaan ze het niet, ze begrijpen het niet. Hun ogen moeten opnieuw voor Hem opengaan. En dat dóet Jezus; voor de onwetende discipelen is Hij daar als de Onderwijzende.

Na Jezus’ opstanding dwalen Zijn discipelen nog. En ook de Kerk dwaalt nog zo vaak na alle ontvangen genade. En wat doet Jezus dan? Hij komt naar hen toe. Terwijl zij niets vangen, denkt Hij aan hen. Terwijl ze kijken en Hem niet herkennen, herkent Hij hen wél en kijkt Hij naar hen. Terwijl zij liever uit Zijn handen blijven, komt Hij met Zijn voeten naar hen toe.
Jezus dan zeide tot hen. Ondanks al dat ongeloof en die eigen gekozen wegen, spreekt Hij tot hen. Hij spreekt opnieuw tot hen. Ziet u het, gemeente? Hij wordt Zijn kinderen nooit zat. Wat er ook gebeurt. Hoe zondig, hoe ongelovig, hoe afgeweken. Jezus spréékt tot hen.

Luister! Hij spreekt nu ook weer tot u, tot jou, tot mezelf door middel van de verkondiging van het Evangelie. Ook tot jóu, jonge vriend of vriendin, die Hem nog niet kent. Jezus komt naar je toe en spreekt tot je.

Jezus staat daar op een afstand van de discipelen, kijkt naar hen en zegt iets. Blijkbaar waren ze al zo dichtbij gekomen, dat Hij – misschien roepend – hen kon bereiken. De discipelen waren op gehoorafstand, hoewel de afstand nog te groot was voor een duidelijk zicht. Ze konden Hem niet goed onderscheiden, maar Hem wel horen en verstaan.

Op gehoorafstand. Zo is het ook nu, gemeente. Opdat doden Zijn stem zouden horen, komt Jezus heel dicht naar u en naar jou toe. Hij kijkt je doordringend aan en zegt: ‘Mijn zoon, geef aan Mij je hart en laat je hart Mijn wegen bewaren’.
Jezus dan zeide tot hen. Tot Petrus, Thomas, Nathanaël, Johannes, Jakobus, twee naamlozen en… vul je naam maar in. Tot u, tot jou, tot mij spreekt Hij. Wat zegt Hij dan?

Hij begint heel teer: kinderkens. Kindertjes staat er, een verkleinwoord voor kinderen. Wij zouden in onze taal zeggen: jongens, vrienden, vriendinnen. De meest tere benaming, heel dichtbij. Geen spoor van verwijt, zo van: ‘Wat hebben jullie toch gedaan? Wat wilde je me toch ontlopen. Wat heb je mij weer niet nodig gehad…’ Nee, Jezus spreekt hen aan met ‘kinderkens’. En dan volgt een heel opmerkelijke vraag: Hebt gij niet enige toespijs? U moet de Griekse taal kunnen lezen om te begrijpen wat hier eigenlijk staat. Het is taalkundig wat lastig uit te leggen. Jezus gaat in Zijn vraag al uit van een negatieve reactie; Hij zegt eigenlijk: ‘Jullie hebben zeker niet enige toespijs?‘ Het is niet zozeer een vraag, maar meer een conclusie. In de vraag ligt al besloten dat dat Hij een ontkennend antwoord verwacht. ‘Jullie hebben zeker niet enige toespijs? Nee, inderdaad, dat had Ik al verwacht.’

Hierin laat Jezus zien dat Hij hun ongelovige hart kent; tot in de wortels van hun bestaan. Het kan troostend zijn dat Hij mijn strijd en mijn moeiten kent, maar het is ook beschamend, nietwaar? Hij kent mijn ongeloof, Hij weet hoe weinig ik soms met Jezus wandel, hoe weinig ik op Hem zie. Wanneer was het voor het laatst dat u Hem zag? Vanmorgen, gisteravond, vannacht, gisteren. ‘U zoekt mijn hart’, zingt David, ‘mijn oog blijft op U staren’.
‘Nou discipelen, het is zeker weer niks geworden met jullie? Jullie hebben zeker niet enige toespijs?’ Toespijs in de zin van eten, iets wat ik kan gebruiken om te eten. Jezus had dat niet meer nodig, maar Hij stelt die vraag bewust om de pijnplek aan te raken, de zenuw van hun ongeloof. Zelfs het vissen was mislukt en eigenlijk zegt Jezus hier: ‘wat een stelletje mislukkelingen zijn jullie toch’. Maar dan meer als liefdevol onderwijs dan als verwijt, want Jezus spreekt hen aan met het tere ‘kinderkens’.

Gemeente, dan krijgt genade zoveel waarde. Jezus die me in alle bewogenheid aankijkt en zegt: ‘je hebt toch niets buiten Mij?’ Inderdaad een leeg hart, lege handen, lege ogen, lege oren. We kunnen niet zien, niet horen, niet begrijpen, niet aangrijpen, we kunnen ook niet naar U toe.
En het antwoord is dan ook heel kort, vier letters: neen! Vanaf de boot geven die zeven vissers collectief één antwoord, dat echoot over het meer van Galilea: ‘nee!’
Ze hadden het uit kunnen leggen: er was geen vis, maar die was er wel. Of: we hebben het fout gedaan; ja dat klopt. Maar, gemeente, ze voelen wel waar het aan ligt: aan gebrek aan geloof, aan vertrouwen, aan hoop en liefde. Het Brood des Levens vergeten en het Levende Water niet nodig gehad. Er blijft dan niet veel meer over dan een heel kort en eenvoudig antwoord: ‘nee!’. Maar dan toch ook een gebed, dat we samen zingen uit Psalm 17: 4:

Maak Uwe weldaân wonderbaar,

Gij, die Uw kind’ren wilt behoeden,

Voor ‘s vijands macht en vrees’lijk woeden,

En hen beschermt in ‘t grootst gevaar.

Wil mij Uw bijstand niet onttrekken;

Uw zorg bewaak’ mij van omhoog;

Bewaar m’ als d’ appel van het oog;

Wil mij met Uwe vleuglen dekken.

 

  1. De Opgestane ten opzichte van onmachtigen

Jezus’ onderwijs is nog niet klaar. Hij onderwijst tot het einde van hun leven. Daar hebt u een prachtig kenmerk van genade. De Heere Jezus komt altijd weer terug. Sommige mensen kunnen het doen met wat geweest is. Maar als het nu echt is in je leven, dan heb je Jezus dagelijks nodig. Ook al lijkt er soms een tijd te komen dat je Hem niet meer kunt vinden: Jezus kómt terug.
En dan stelt Hij niet alleen zo’n beschamende vraag: ‘Zeg, is er nu niet iets wat je als eten hebt meegenomen, al is het maar heel weinig, wat toespijs?’ Maar Hij spreekt nog verder en geeft hen een opdracht: ‘Jullie moeten het net aan de rechterkant van het schip in het water gooien, uitwerpen, en je zult vinden’. Het is maar een korte zin van een paar woorden: Als je het net aan de andere kant van de boot uitgooit, komt er wel vrucht, of letterlijk: ‘eten’, ‘vis’.
Gemeente, wat komen Jezus’ opstandingskracht en majesteit tot uiting in dit bevel. Hij vertelt deze ervaren vissers wat ze moeten doen, zonder dat Hij enige tegenspraak duldt. Zijn macht blijkt uit Zijn spreken. Als Hij spreekt, dan ís het er, en als Hij gebiedt, dan staat het er. Hij roept hier de vissen, die er niet lijken te zijn, alsof ze er altijd al waren. Uit het spreken van Jezus blijkt Zijn almacht. De bruid zingt ervan in Hooglied 2: 8: Dat is de stem mijns Liefsten, ziet Hem, Hij komt, springende op de bergen, huppelende op de heuvelen!

Niet alleen Zijn almacht, ook Zijn alwetendheid blijkt uit Jezus’ spreken. Want Hij wist precies waar die vissen zaten. En als de Almachtige kon Hij ook die vissen besturen.
Tegelijkertijd lijkt het ook wel een beetje een dwaas bevel. Want iedere visser wist dat als je aan de éne kant van die anderhalve meter brede boot niets vangt, je dat dan aan de andere kant ook niet doet. Die paar tussenliggende meters maken de netten niet vol. Een dwaas bevel en toch: ze volgen het op. Ook daaruit blijkt Zijn opstandingskracht. Want Zijn volk is zeer gewillig op de dag van Zijn heirkracht. Als Jezus spreekt, dan doet u het ook; dan volgt u Hem, door bezaaid en onbezaaid land, door alle onmogelijkheden en door alle mogelijkheden heen.
Zij wierpen het dan. Dat is de echo van hun geloofsgehoorzaamheid. Als Jezus wat tegen je zegt: ‘Kom maar naar Mij’, dan moet je dat ook doen, dan moet je het niet nalaten. Want dan zou het zomaar kunnen dat Hij weer vertrekt.
Zij wierpen het. Het Griekse werkwoord wijst op een kortdurende daad, de daad van het geloof. In één keer samen veertien handen aan de netten. Zeven mannen die dezelfde geloofsdaad verrichten. Vanuit hun professie, vanuit hun ervaring kunnen ze niet geloven dat de netten nu volraken, maar vanuit Jezus’ woorden wel. En ze hebben het nog niet uitgegooid of er zitten zoveel vissen in – honderd drieënvijftig vissen – dat ze het niet meer op de kant kunnen trekken vanwege al die vissen die erin zaten. Gróte vissen. Zeker een paar honderd kilo vis. Ga er maar aanstaan; je zou de netten kapottrekken.

Zoveel voorspoed, zoveel vrucht, letterlijk ook: zoveel eten. Zoveel zegen ook in het tijdelijk leven wanneer wij God mogen volgen. ‘Volheid’ en ‘overvloed’ zijn twee woorden die deze zegen het beste omschrijven. Volheid en overvloed.
En die Vreemdeling aan de oever van het meer blijft voor hen nog steeds een Vreemdeling. Ze hebben Zijn bevel opgevolgd en het geeft hun heel veel zegen.

En dan in één keer, gemeente, lezen we in vers 7 dat het geloof doorbreekt in het hart van Johannes. De discipel dan, welken Jezus liefhad. Johannes werd door Jezus geliefd, niet meer dan de anderen, maar wel met een bijzondere band. Johannes was door een bijzondere liefdesband aan Jezus verbonden en vooral – zoals het er hier staat – was Jezus aan Johannes verbonden. ‘God is genadig’ betekent de naam Johannes of ook: ‘welke God genade heeft gegeven’.
In één keer ziet Johannes dat het Jezus is. Hoe? Hij heeft Hem herkend, zegt een verklaarder, want ze kwamen wat dichterbij. Ja, het zou kunnen. Maar gemeente, de verklaringen die wijzen op de kracht van het geloof, vond ik de mooiste. In één keer ziet Johannes wat Jezus nu doet en hoe Hij is. Zijn woorden worden vervuld. Zijn beloften komen tot werkelijkheid. Zijn wijsheid wordt opgevolgd.

Het is de Heere! Kijk Petrus, je naam betekent wel rots, Simon zoon van Jona, maar je hebt ook nu gewankeld. Het is Jezus! Johannes gebruikt een ander woord: Heere! De Kurios, die alles bestuurt, die de netten vol maakte, die ons troost, die ons leidt, die ons voorgaat. Het geloof komt bij Johannes terug, nadat hij het wonder heeft gezien. Moeten we dan altijd eerst een wonder zien om te geloven? In zekere zin wel. Is het geen wonder, gemeente, dat de Heere vandaag weer naar u en naar mij komt? En dat Hij het woord van Zijn genade aan onze harten legt? Wat een wonder, Heere! U bent dezelfde.
Jezus staat op dit moment ook voor u, voor jou. Van Hem mag ik tegen u of jou zeggen: het is de Heere! Het is niet een dominee in de eerste plaats, het is Christus Zélf.

En dan in die woelige baren, daar op het meer van Galilea, nog op een flinke afstand van Jezus, geeft Johannes zich in zijn hart al aan Jezus over.
De Almachtige Koning is genadig en geduldig ten aanzien van mijn ongeloof. En als de Alles-bezittende neemt Hij bezit van mijn lege hart. O, wat heeft dát het hart van Johannes en Petrus en ook later de anderen, doen smelten van berouw; en vooral ook van verwondering, aanbidding en gehoorzaamheid. De opgestane Almachtige betoont genade aan onmachtigen.

Gemeente, ik kom aan het einde van de behandeling van dit tekstgedeelte. Ik heb het voortdurend geprobeerd toe te passen op Gods kinderen, maar ook op hen die de Heere nog niet kennen. Neem eens één woord van deze dienst mee, het woordje ‘Jezus’! Verschillende malen kwamen we Zijn naam tegen. Vier keer al in de tekstwoorden van deze morgen:
Jezus openbaarde Zich. Hij staat vanmorgen ook voor u.
Jezus stond op de oever. Het was Jezus.
Jezus zei tot hen.
En nu nog een keer in vers 7: Jezus had Johannes lief.
Welke boodschap moet u nog meer hebben dan het woord ‘Jezus’? Want wie bent u, wie ben jij? Nog een vijand van God? Kun je net als de discipelen – of nog als een onbekeerde – jezelf nog handhaven en maak je je voor de Heere uit de voeten?
Jezus komt ook vanmorgen ook naar jou en zegt: Ik wil jouw Heil zijn, je Zaligmaker, je Redder, je Heiland, je Verlosser. En als je nu ziet hoe trouw Hij voor Zijn discipelen is, zou Hij dat ook niet voor jóu kunnen zijn? Het waren zondige mannen, mannen van vlees en bloed. Het waren vaak ongelovige discipelen – in de stand van hun leven, zeg maar – ontrouw en met eigen gekozen wegen. Maar toch blijft Jezus getrouw; Hij blijft onveranderlijk. Hij is de Opgestane en de Onderwijzende.
O, kom dan vanmorgen naar de oever van het genadeleven! Naar de oever bij Jezus. Hij staat er. Hij nodigt je. Hij vraagt het zo vriendelijk: geef je hart aan Mij.

De belofte van de Heere Jezus aan de vrouwen wordt hier inmiddels vervuld: Toen zeide Jezus tot haar: Vreest niet; gaat henen, boodschapt Mijn broederen, dat ze heengaan naar Galilea en aldaar zullen zij Mij zien (Matth.28:10). Hier wordt het waar, Hij heeft Zich aan hen geopenbaard.

Verlangt u naar Jezus? Hij zal Zich ook aan uw hart openbaren. Hij openbaart zich en zegt: Ik ben de Opstanding en het Leven; die in Mij gelooft zal leven, al ware hij ook gestorven. Gelooft u dat? Er waren discipelen van wie je geen reactie leest: Thomas, Nathanaël, Jakobus en die twee anderen. Vijf discipelen die nog niets deden. Maar Jezus komt ook naar hen. En ze mogen het samen met Petrus zeggen, zoals we het in een ander tekstgedeelte lezen: Tot wie zullen we heengaan, U heeft de woorden van het eeuwige leven. En dan mag het ook persoonlijk en ambtelijk zijn: Heere, op Uw woord zal ik het net uitwerpen.

Amen

 

            Psalm 96: 5 en 6

Geeft d' eer aan 't eeuwig Opperwezen;
Zijn naam wordt nooit genoeg geprezen;
Verheft Zijn deugden, blij te moê;
Brengt in Zijn huis Hem offer toe,
Hem, Die de volken moeten vrezen.

Aanbidt Hem need'rig al uw leven,
Hem, die, in 't heiligdom verheven,
Een Godd'lijk licht van zich verspreidt;
Leer, aarde, voor Zijn majesteit,
Leer voor Zijn aangezichte beven.