Ds. J. Driessen - Markus 16 : 9 - 11

De blijde tijding van de opstanding

Markus 16
1. door Jezus bevestigd
2. door Maria geboodschapt
3. door de discipelen niet geloofd

Markus 16 : 9 - 11

Markus 16
9
En als Jezus opgestaan was, des morgens vroeg, op den eersten dag der week, verscheen Hij eerst aan Maria Magdalena, uit welke Hij zeven duivelen uitgeworpen had.
10
Deze, heengaande, boodschapte het dengenen, die met Hem geweest waren, welke treurden en weenden.
11
En als dezen hoorden, dat Hij leefde, en van haar gezien was, geloofden zij het niet.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 69:14
Lezen : Markus 16: 9-20
Zingen : Psalm 145: 2, 4 en 6
Zingen : Psalm 43: 5
Zingen : Psalm 138: 4

Gemeente,

Het Schriftwoord dat we met de hulp van de Heere overdenken, vindt u in Markus 16 vers 9 tot 11. We lezen daar het Woord van God:

 

En als Jezus opgestaan was des morgens vroeg op den eersten dag der week, verscheen Hij eerst aan Maria Magdalena, uit dewelke Hij zeven duivelen uitgeworpen had.

Deze heengaande boodschapte het dengenen die met Hem geweest waren, welke treurden en weenden.

En als dezen hoorden dat Hij leefde en van haar gezien was, geloofden zij het niet.

 

De blijde tijding van de opstanding wordt:

  1. door Jezus bevestigd (vers 9);
  2. door Maria geboodschapt (vers 10);
  3. door de discipelen niet geloofd (vers 11).

 

  1. De blijde tijding wordt door Jezus bevestigd

Gemeente, nadat de evangelist Markus ons in de eerste acht verzen van dit hoofdstuk het evangelie van de opstanding heeft verkondigd, zet hij in de tweede helft van dit hoofdstuk kort en zakelijk enkele verschijningen van de Heere Jezus op een rij.

Waar gaat het de evangelist om? Om de waarheid van Jezus’ opstanding uit de doden, want wat de engel tegen de vrouwen heeft gezegd, wordt nu door Christus Zelf in Zijn verschijning aan Maria, aan de Emmaüsgangers en aan de discipelen heerlijk bevestigd.

Het is opmerkelijk dat Christus na Zijn opstanding uit de doden aan ieder van Zijn discipelen op een verschillende wijze verschijnt. Hij gaat immers met ieder van de Zijnen ook een eigen weg. Daarin blijkt iets van Zijn grote wijsheid, van Zijn ontferming. Je zou kunnen zeggen: De levende Heere geeft ieder van Zijn kinderen precies wat voor hem of voor haar het heilzaamst is. Hij weet dat in Zijn wijsheid heel nauwkeurig te bepalen.

 

En als Jezus opgestaan was des morgens vroeg op den eersten dag der week, verscheen Hij eerst aan Maria Magdalena, uit dewelke Hij zeven duivelen uitgeworpen had. De naam van de Opgestane wordt niet genoemd. In uw Bijbeltje staat ‘Jezus’ schuin gedrukt. Dat betekent dat in de oorspronkelijke tekst die naam er niet staat. Maar Wie Markus bedoelt, is duidelijk genoeg. Over Wie heeft hij het anders dan over Hem Die gestorven, Die begraven was? Maar de dood kon Hem niet houden en het graf niet binden. Hij is opgestaan. ’s Morgens vroeg op de eerste dag van de week, zegt het evangelie. Wat denkt u, is dat zomaar een tijdsaanduiding? Nee. Hij Die de dood overwonnen heeft, gaat een nieuw begin maken en Hij is de nieuwe werkdag al vroeg begonnen. Het is immers, ook nu Hij Zijn verzoenend werk volbracht heeft, Zijn spijze om te doen de wil van Degene Die Hem gezonden heeft?

 

Al vóór de vrouwen héél vroeg naar de Hof van Jozef van Arimathéa komen, heeft Hij betoond de Eerste te zijn. Hij kan naar waarheid zeggen: Ik ben de Eerste en de Laatste. En Die leef, en Ik ben dood geweest; en zie, Ik ben levend in alle eeuwigheid (Openb.1:17b, 18a). Hij leeft. Nu gaat Hij Zich, als de Levende, openbaren. Niet aan mensen die het hebben, niet aan mensen die er zijn, maar aan mensen die het maar niet kúnnen geloven.

 

En als Jezus opgestaan was des morgens vroeg op den eersten dag der week, verscheen Hij eerst aan Maria Magdalena, uit dewelke Hij zeven duivelen uitgeworpen had. Door sommigen wordt deze verschijning aan Maria Magdalena de heerlijkste van alle verschijningen van Jezus genoemd. Ik denk dat wij dat niet kunnen uitmaken, want voor iedereen aan wie de Heere Jezus verschenen is, is het een groot en heerlijk wonder geweest dat de Zaligmaker toch naar hém of naar háár wilde omzien? Wel kunnen we het erover eens zijn dat deze verschijning aan Maria Magdalena vol van heerlijkheid is.

 

Maria Magdalena, een vrouw in een hof. Eens liet een vrouw in een hof zich tot zonde verleiden. Daar is al de ellende in de wereld mee begonnen. Hier is weer een vrouw in een hof, maar hier is ook Híj Die de satan, die Eva verleid heeft in de hof van Eden, de kop heeft vermorzeld. Hij, Die de werken van de duivel heeft verbroken. Weer een vrouw, en wat voor een vrouw. Net als alle andere mensen is ook Maria van God afgevallen. Ook zij is een mens die zich heeft onttrokken aan de heerschappij van God en die zichzelf onderworpen heeft aan de macht van de satan. Bij haar is het wel heel erg geweest. Zij was in de macht van zeven duivelen. Een volheid van duivelse machten had haar in zijn greep. Vreselijk moet dat geweest zijn. Aan welke angsten viel zij ten prooi? Welke godslasterlijke gedachten zullen er in haar opgekomen zijn? Tot welke duistere daden is ze in staat geweest?

 

Wat moet het verschrikkelijk geweest zijn. Welke demonisch begeerten hadden haar hart in beslag genomen? Volledig in de macht van de satan. Een willoos werktuig in zijn hand. Een leven van zonde ligt achter haar. Wat er bij ieder van ons in zit, is er bij haar uit gekomen. Maar wat zij niet kon, en wat niemand van ons kan, dat heeft Híj gedaan. Hij heeft haar uit de macht van de duivel verlost. Hoe dat gebeurd is, weten we niet. Dat is niet het belangrijkste. Veel belangrijker is dát het gebeurd is door de Heere Jezus. Wie zou het anders gedaan moeten hebben? Want de duivel houd je wel vast, de duivel houd je wel in slaap. Daarom kunnen we alleen verlost worden door Hem, Die gekomen is om de werken van de duivel te verbreken. Alleen Hij kan verlossen van de toekomende toorn. In priesterlijke bewogenheid, met koninklijke macht en in profetische kracht heeft Hij de boze geesten bevolen om van Maria uit te gaan. Hij heeft haar willen bevrijden.

Wie zo uit de macht van de satan en de boze verlost is, gaat nu toch van stap tot stap vooruit? Die wordt toch steeds sterker in het geloof en leeft natuurlijk ook steeds dichter bij de Heere. Denkt u dat werkelijk? Dan moet u maar eens naar deze Maria kijken.

 

Nu is haar Heere opgestaan uit de doden. Wat zal ze blij zijn. Wat zal haar hart van vreugde opspringen. Maar nee, ze zit gevangen in de strikken van het ongeloof. Als er toch één kan vertellen wat in haar leven gebeurd is, dan is het Maria wel. En nu is het Pasen. Jezus is opgestaan, maar alles is verder weg dan ooit. Ze is Jezus kwijt. Haar hoop is vergaan. Er is voor haar niets meer om op te hopen. Jezus is gestorven, Hij is begraven. En toch, haar liefde is gebleven. Het is bij Maria Magdalena zoals we dat lezen in het Hooglied: Want de liefde is sterk als de dood (...) haar kolen zijn vurige kolen, vlammen des Heeren. Vele wateren zouden deze liefde niet kunnen uitblussen (Hoogl.8: 6,7). De vlam van de liefde tot de Heere Jezus en de dankbaarheid tot Hem Die haar verlost heeft uit zo’n diepe nood, brandt nog even sterk – ja, nog sterker haast – dan voorheen. Nu voelt ze het dieper dan ooit, Wie de vijanden gedood hebben. Ze hebben haar Heere, ze hebben haar Koning gekruisigd. Te midden van alle duisternis in haar hart is Hij toch haar Redder gebleven. Ze zegt immers tegen de engelen: Zij hebben mijn Heere weggenomen. Al is Jezus dan gekruisigd en begraven, Hij is toch haar Heere.

 

Gemeente, zo leeft dat toch in het hart van allen die de Heere in hun leven ontmoet hebben? Al moeten ze Hem missen, Hij blijft toch hun Heere, Hij blijft toch hun Koning. Ze kunnen Hem niet vergeten, al moeten ze naar hun gevoel Zijn zoete en troostrijke tegenwoordigheid missen. In de nood van hun zonden en in de beleving van hun strafwaardigheid heeft Hij Zich aan hen geopenbaard als de Weg, de Waarheid en het Leven. Ze hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, Zijn liefde gesmaakt, Zijn stem gehoord en Zijn gemeenschap ervaren. Allen die Jezus hebben leren kennen, weten dat Zijn goedertierenheid beter is dan het leven. Ze weten dat het missen van Hem bitterder is dan de dood. Hun ziel lijdt onder Zijn afwezigheid. Met de bruid uit het Hooglied gaan ze uit om Christus te zoeken. Ze zeggen: Hebt gij Dien gezien, Dien mijn ziel liefheeft? (Hoogl.3:3).

 

Maria zoekt een dode Jezus. Het ongeloof heeft de woorden van de Heere uit haar hart en gedachten verdreven. De Heere Jezus had immers duidelijk gezegd dat Hij ten derde dage uit de doden zou opstaan? Maar Maria is die woorden vergeten. Ze geloofde ten diepste de woorden van Jezus nooit, als Hij erover sprak dat Hij overgeleverd zou worden in de handen van de onrechtvaardigen, en dat Hij gekruisigd en gedood zou worden. Dat zou God nooit toelaten! Jezus was de beloofde Messias. Hij was voor een troon geboren, en niet voor een kruis.

Maria zag ook de noodzaak van dat kruis niet in. Ze begreep niet dat Christus Zijn ziel tot een schuldoffer moest geven om ook haar zonden te verzoenen. Toen Jezus aan het kruis stierf, dacht ze niet aan het woord dat Hij zou opstaan. Maar ondanks de zwakheid van haar geloof, zoekt ze Hem van ganser harte. Haar liefde is oprecht. Hem kan ze niet missen. Daarom wil ze aan Zijn dode lichaam haar laatste liefde bewijzen. Maar als ze bij het graf komt, ziet ze dat de steen weg is. Volgens Maria kan dat maar één ding betekenen: het lichaam van Jezus is gestolen. Als ze dichterbij komt, ziet ze het ook: het graf is leeg. Nu is zelfs Zijn lichaam er niet meer. Dat lege graf zou haar met blijdschap vervuld moeten hebben, maar in plaats daarvan kan ze alleen maar aan diefstal denken. Nu is ze alles kwijt. Het is voorgoed nacht in haar leven. Van Jezus is voor haar niets meer overgebleven. Ze is nu door alles en iedereen verlaten.

 

Gemeente, hier laat de Schrift ons zien hoe het kan zijn in het hart van hen die de Heere Jezus oprecht liefhebben. Ze komen soms in zulke diepe dalen van Godsverlating, dat ze met Job zeggen: Zie, ga ik voorwaarts, zo is Hij er niet, of achterwaarts, zo verneem ik Hem niet (Job 23:8). Het is alsof de Heere hun gebed niet meer hoort en hun tranen niet ziet. Hij heeft Zich als het ware in een heel donkere wolk gehuld. Jezus ís er niet meer. Het schijnt dat Hij hen helemaal verlaten heeft. Ze hoorden Zijn stem bij het lezen in de Bijbel, bij het luisteren naar de prediking van het evangelie. Ze mochten Hem zien in de boodschap van het evangelie als Hij verkondigd werd als Degene Die kwam in de wereld om te zoeken en zalig te maken dat verloren was. Ze mochten ook Zijn gedachtenis vieren, de gedachtenis aan Zijn verzoenend lijden en sterven in het avondmaal. En soms, soms was het zo goed en zo ruim voor hun ziel, dat ze niemand zagen dan Jezus alleen.

 

Maar nu? Nu schijnt Hij helemaal uit hun hart en leven verdwenen te zijn. Hij verdreef hun duisternis. Hij was voor hen als een Zon der gerechtigheid, onder Wiens vleugels ze genezing vonden voor al hun vrees, voor al hun verslagenheid. Hij was voor hen als de balsem van Gilead. Hij nam de last van de zonde van hun schouders af. Hij bevrijdde hen van de vrees voor de toorn van God. Hij troostte hen met de boodschap van het evangelie en riep hen toe: Ik ben om uw overtredingen verwond en vanwege uw ongerechtigheden ben Ik verbrijzeld. Zijn dragen van de straf schonk hun vrede. Zijn striemen brachten genezing voor hun ziel. Maar nu? Nu moeten ze met Maria zeggen: ‘Zij hebben mijn Heere weggenomen, en ik weet niet, waar ze Hem gelegd hebben.’

 

Gemeente, wij mogen ons vandaag wel afvragen of ook wij weten wat het betekent om Christus te missen. Wanneer we dat niet weten, hoe komt dat? Omdat wij Zijn zoete nabijheid nog nimmer gesmaakt, nog nooit ondervonden hebben? Komt dat, omdat ons hart nooit naar Hem heeft leren uitgaan? Omdat we nog nooit leerden hongeren en dorsten naar Zijn gerechtigheid? Maar Gods kinderen kunnen het begrijpen. Ze weten het verschil tussen licht en duisternis. Ze kunnen begrijpen wat er omgegaan moet zijn in het hart van Maria Magdalena. Uit zo’n grote nood verlost... En nu? Nu zo verloren, zo eenzaam.

 

We begrijpen een beetje waarom Markus het met zoveel nadruk vertelt: Maria Magdalena, uit dewelke Hij zeven duivelen uitgeworpen had. Dat zegt hij niet om Maria nog een trap na te geven of om het duistere verleden van deze vrouw nog eens op te halen. Hij zegt dat om te laten zien dat we, ook als we Hem mogen kennen en Hem ontmoet hebben in ons leven, zonder Hem nog nergens zijn. Als Hij Zijn werk niet in stand houdt, zou er niets, helemaal niets van ons overblijven. Er zou niets van ons terecht komen.

Ook Maria is gestruikeld over de ergernis van het kruis. Ze heeft de woorden van de Heere Jezus niet serieus genomen. In het ongeloof zien we alles verkeerd. Want van de veronderstelling dat Zijn lichaam gestolen is, maakt Maria nu een feit. Er is niets tegenin te brengen. In het ongeloof geloven we alles en iedereen, behalve de Heere.

 

Maar wat een wonder. En als Jezus opgestaan was des morgens vroeg op den eersten dag der week, verscheen Hij eerst aan Maria Magdalena, uit dewelke Hij zeven duivelen uitgeworpen had. Maria wordt, hoewel ze eerst weggegaan is, als door een onzichtbare hand weer teruggetrokken naar de hof van Jozef van Arimathéa. Door een onzichtbare hand? Nee. Als door de doorboorde handen van de Levensvorst. De Herder der schapen, Die dit schaap van zeven duivelen verlost heeft, gaat het schaap nu wéér verlossen van de duivel van het ongeloof. Wat er in de hof van Jozef gebeurd is, vertelt Markus ons niet. We weten het uit het evangelie van Johannes. Maria is in de hof gekomen als iemand die alles kwijt is en ze is weggegaan als iemand die alles gevonden heeft. Jezus openbaart Zich aan haar als de Levende.

 

Hoe doet Hij dat? Hij spreekt slechts één woord tot haar: Maria. Hij noemt alleen haar naam, meer niet. Dat opent haar ogen. We lezen daarvan in het evangelie van Johannes: Jezus zeide tot haar: Maria (Joh.20:16). Eén enkel woord van Jezus is genoeg om het licht te laten doorbreken en te openbaren dat Hij uit de doden is opgestaan. Christus zegt niet meer dan: Maria. Hij zegt niet: ‘Ik ben Jezus.’ Hij zegt niet: ‘Ik, Ik ben de Meester, Die je zoekt.’ Nee, Hij spreekt slechts haar naam uit: ‘Maria.’ Maar in dat ene woord legt Jezus Zijn gehele hart, al Zijn liefde, al Zijn ontferming open. Dat ene woord - Maria - brengt de door de dood verloren Jezus tot Maria terug.

 

Zoals ze zich nú bij haar naam hoort noemen, heeft de Heere haar dikwijls aangesproken en getroost. Maria herkent die stem uit duizenden. Zij kan zeggen: Dat is de stem mijns Liefsten (Hoogl.5:2). Het moet Jezus zijn! Haar Heere, haar Koning. Hij spreekt haar naam uit in het Aramees, haar moedertaal. Hij doet dat met teerheid, liefde en ontferming, zoals zelfs een moeder dat niet doen kan. Dat ene woord – Maria - klinkt als een echo in haar hart. De Heilige Geest gebruikt het om haar hart en ogen te openen voor de werkelijkheid van de opstanding van Christus. De schellen vallen van haar ogen. Ze ziet dat het niet de hovenier is, maar haar Heere en Heiland. Het is Jezus. De hele wereld verandert voor Maria. Haar Meester leeft! In verwondering roept ze uit: ‘Rabbouni!’

 

Jezus roept Zijn schapen bij name. Hij kan soms lang wachten om ons gebed te verhoren en het verlangen van ons hart te vervullen en Zichzelf aan zoekende zielen te openbaren. Maar Hij weet Zijn tijd. Dat is altijd de enige, juiste tijd. Waarom dóet Hij nu zó? Hij leert ons eerst door Zijn Geest dat wij niet bestaan kunnen voor het gericht van God. Het brengt ons tot een beschamende kennis van ons eigen hart. Hij doet dat, opdat we met Petrus zullen zeggen: Heere, ga uit van mij, want ik ben een zondig mens (Luk.5:8). Hij doet ons teleurgesteld uitkomen met al onze zelfverlossingspogingen en Hij leert ons grondig dat het aan onze kant kwijt is en absoluut verloren. Hij doet dat alles om Zich daarna door een enkel woord van Zijn gezegende lippen aan ons te openbaren als een gewillige, algenoegzame en volkomen Redder en Zaligmaker.

 

Zoals het Maria vergaat, is het toch veel wachtende zielen vergaan? Alles is in uw hart, net als bij Maria, duisternis, verwarring, schuld, onmogelijkheid, aanklacht en veroordeling. Tot Jezus het gordijn scheurt en in één ogenblik Zichzelf aan ons bekendmaakt in de heerlijkheid en lieflijkheid van Zijn Persoon, in de oneindige kracht van Zijn bloed en in Zijn gewilligheid om zondaren te redden en zalig te maken. Hij noemt ons bij onze naam. Hij zegt als het ware: ‘Maria.' Mijn duive, zijnde in de kloven der steenrots, in het verborgene ener steile plaats, toon Mij uw gedaante, doe Mij uw stem horen; want uw stem is zoet en uw gedaante is lieflijk (Hoogl.2:14). Hij weet ons zo aan te spreken door het evangelie dat wij het heel persoonlijk mogen horen: De Meester is daar en Hij roept u (Joh.11:28).

Als Jezus vraagt: Vrouw, wat weent gij? Wien zoekt gij? (Joh.20:15), denkt Maria dat het de hovenier s. Toch zijn dat woorden van Christus; ook dat is al de stem van de goede Herder. Die woorden raken haar hart niet. Maar als Jezus haar bij haar naam noemt en ‘Maria’ zegt, breekt het licht door.

 

Gemeente, de stem van de goede Herder klinkt overal in de Schrift. Hij roept immers in het evangelie: Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven (Matth.11:28). De prediking van het evangelie is niet anders dan heenwijzen naar Jezus Christus. Steeds weer brengt het evangelie de boodschap: Zie, het Lam Gods. Dat de zonde der wereld wegneemt (Joh.1:29). Toch bewerkt dit alles op zichzelf genomen voor zoekende zielen geen oplossing. Maar één woord van Jezus’ eigen mond, één woord door de Heilige Geest in je hart gesproken – dát maakt alles anders. Het opent je ogen en je hoort hoe Hij je bij name tot Zich roept. Hij openbaart Zichzelf in dat Evangeliewoord. Het vergaat u dan als Maria.

 

Mistroostig en verstrikt in het net van het ongeloof kwam u misschien de kerk binnen. U was besloten en kon niet uitkomen. En dan, daar is het evangelie. Hij is er Zelf. U ziet niemand meer, de mensen niet, de dominee niet; u ziet niemand dan Jezus alleen. Het Woord, Zíjn Woord – het is er voor ú, het is er voor jou alleen. Uw naam, jouw naam, wordt genoemd. Nee, die naam die klinkt niet in de kerk, maar die naam klinkt in uw hart, in jouw hart, door het Evangelie. U, jij, kunt niet anders meer dan jezelf overgeven aan de Heere: ‘Rabbouni, mijn Heere.’  Zo kan de Heere van het ene ogenblik op het andere een totale verandering in ons leven brengen. Dan kunnen we ons alleen nog maar verwonderen over Zijn opzoekende liefde, over Zijn oneindig grote ontferming.

 

Als Jezus opgestaan was des morgens vroeg op den eersten dag der week, verscheen Hij eerst aan Maria Magdalena. Dit staat in de Bijbel, opdat alle treurende Maria’s moed zullen scheppen. Al bent u, al ben jij nog zover afgedwaald, Hij weet ons te vinden. Al zitten we nog zo gevangen in de strikken van het ongeloof, Hij kan bevrijden. En Hij kan ons ook gebruiken om de blijde tijding van de opstanding te boodschappen. We zien dat in de tweede gedachte.

 

  1. De blijde tijding wordt door Maria geboodschapt

Na de ontmoeting met Christus loopt Maria haastig naar de discipelen. Daar heeft ze trouwens opdracht voor gekregen: ‘Ga heen, boodschapt het aan Mijn broeders.’ Ook zonder deze opdracht zou de eerste gang van Maria wel naar de discipelen geweest zijn. Waar het hart vol van is, loopt de mond immers van over? Zingt de dichter daar niet van: ‘Ik zal Uw Naam aan mijn broeders vertellen’?

De andere vrouwen hebben deze opdracht ook van de engel gekregen. Maar ze zijn weggelopen van het graf en ze vertellen niemand iets, want ze zijn bang. Maria kan er echter niet meer van zwijgen. Ze heeft het zelf uit Zijn mond gehoord en ze móet spreken. U denkt: ja maar, ik heb zo weinig vrijmoedigheid. U durft zo slecht voor Zijn Naam uit te komen. Hoe komt dat? Komt dat misschien door een gebrek aan gemeenschap met de levende Heere? Is het misschien al heel erg lang geleden dat u Hem ontmoet hebt? Zomaar een paar vragen als zelfonderzoek.

 

Maria gaat naar de discipelen. Ze gaat naar hen die met Hem geweest waren, zegt
Markus. In die woorden ligt eigenlijk een stil verwijt. Mensen die met Hem geweest zijn, kunnen toch beter weten? Nu treuren en wenen ze. Maar, discipelen, het is toch Pasen? Jullie moeten blij zijn!

Ach, wees maar eens blij, als je Jezus mist…! Daar komt nog bij: het is eigen schuld. Ze hebben het er allemaal even slecht van afgebracht. Ze hebben Hem allen in de steek gelaten. Ze hebben zich van Hem afgewend. Zijn weg was voor hen een aanstoot. Ze zijn overal heen gevlucht en er was niemand om Hem te ondersteunen. Hij ging Zijn weg van lijden en sterven alleen. En nu zitten ze daar, treurend en wenend; de Heere kwijt.

 

En toch, gemeente, laten wij de discipelen daarover maar niet te hard vallen. Als deze jongeren van de Heere al zoveel tijd en zorg van de Heere nodig hadden om aan de boodschap van Pasen houvast te krijgen, hoe zal het dan met óns wel niet zijn? Wie van hen die vandaag op weg naar Sion zijn, kent dit treuren en wenen niet? Misschien zit u, misschien zit jij er vandaag wel middenin.

Als we aan de discipelen zouden kunnen vragen: ‘Heeft Jezus u ooit bedrogen?’ – zouden ze uit één mond gezegd hebben: ‘Nee, nooit!’ En u? Jij? Wat zeggen wij op deze vraag? Wat zou het een zegen zijn, als vandaag velen van ons óm en náár de Heere Jezus bedroefd zijn. Weet u wat dat is? Kent u dat? Bedroefd te zijn naar Jezus? Wel, dan mist u Hem. U kunt niet meer buiten Hem. U wordt radeloos als Hij Zich niet te Zijner tijd aan u openbaart. U zegt: ‘Als ik Hem niet leer kennen, is het met mij verloren.’ Kortom, Hij gaat u boven alles.

 

De discipelen treuren en wenen, omdat ze Jezus missen. Kunt u het, kun jij het begrijpen? U zegt: ‘Als ik Hem toch vandaag ontmoeten mag, dan ga ik leven midden in mijn dood.’ Men zegt weleens: ‘Kerkmensen, gelovigen, discipelen van Jezus moesten er een beetje blijer uitzien.’ Misschien hebben die mensen wel gelijk. Het lijkt toch nergens op dat zij die met Hem geweest zijn, treuren en wenen?

Maar treuren en wenen met Pasen – daar zit ondanks alles toch iets in dat al de blijdschap en al het vermaak van deze wereld je niet geven kan. De liefde treurt en huilt liever over het gemis van Jezus, dan dat zij zich met de dingen van deze wereld laat vertroosten. De liefde kan immers alleen met Hem Zelf voldaan zijn. Hij die hoog staat met zichzelf, begrijpt dit treuren en wenen niet. Maar wanneer we onszelf leren kennen als dwaalzieke schapen, gaan we er toch iets van begrijpen.

Tot zulke treurende en huilende mensen komt de boodschap dat Jezus met de Heilige Geest gezalfd is om treurigen te troosten, opdat die treurigen zouden zeggen: ‘Mij ziel, hoe treurt ge dus verslagen? Wat zijt ge onrustig in uw lot?’ We willen het samen zingen: Psalm 43, het vijfde vers:

 

Mijn ziel, hoe treurt ge dus verslagen?

            Wat zijt g’ onrustig in uw lot?

Berust in ’s Heeren welbehagen;

Hij doet welhaast uw heilzon dagen.

Uw hoop herleev’, naar Zijn gebod;

Mijn Redder is mijn God.

 

  1. De blijde tijding wordt door de discipelen niet geloofd

En als dezen hoorden dat Hij leefde… sprongen ze zeker op van vreugde? Nee. Toen geloofden zij het niet. Ziet u dat er niets zo taai is als het ongeloof? Maria kan dat ongeloof bij haar broeders niet breken. Zelfs een engel uit de hemel krijgt het niet stuk. De Heere moet het Zelf doen. En Gode zij dank, Hij dóet het ook! Dat weet u toch wel? U, die met Jezus bent en bij Jezus hoort? Als je gevangen zit in het ongeloof, gaat alles aan je voorbij. Je doet je Bijbeltje dicht zoals je het opengeslagen hebt. Je gaat naar de kerk en de krachtigste preek doet je niets. Zó sterk is het ongeloof. Daarom moeten we niet vergoelijkend over het ongeloof spreken of het in bescherming nemen. Het geloof is inderdaad een gave van God, maar dat is geen verontschuldiging voor het ongeloof.

 

Hebben deze discipelen dan geen geloof? Jawel, maar het functioneert niet. Als de Heilige Geest het geloof in je hart gewerkt heeft, gaat het nooit meer weg. Maar dat tere plantje van het geloof heeft zoveel te lijden van de stormen van het ongeloof. Soms lijkt het wel alsof het plantje dood is. De plant van het geloof heeft het licht van de Zon der gerechtigheid nodig en de dauw van de Heilige Geest. Daarom is de opgestane Christus ook voortdurend bezig om Zijn discipelen te onderwijzen in de Schriften. Alleen de Vorst van Pasen – Hij alleen kan ons van dat ongeloof afhelpen. Hij rust niet voor Hij door Woord en Geest de kracht van dat ongeloof heeft gebroken. Hij heeft de dood overwonnen in het graf. De dood van onze zonden en onze misdaden, waarin we vanwege onze diepe afval van God liggen verzonken. Maar nu gaat Hij ook de dood overwinnen in de harten van Zijn volk. De dood van twijfel, ongeloof, moedeloosheid en angst.

 

We zien Hem gaan, gemeente. Hij is uit de doden opgestaan. Steeds is Hij bezig de vrouwen, de discipelen en de Emmaüsgangers te onderwijzen. Moest de Christus niet deze dingen lijden en alzo in Zijn heerlijkheid ingaan? (Luk.24:26) Wat een rijkdom voor de discipelen. Wat een rijkdom voor zondaren en zondaressen vandaag, die zichzelf maar niet kunnen verlossen van dat ongeloof. Misschien zit u of zit jij op dit moment ook wel gevangen in de strikken van het ongeloof. U bent de Heere kwijt, en u denkt Hem nooit meer te zullen vinden. Alles is onmogelijk geworden voor u en voor jou. En toch, toch leeft het ook in uw hart:

 

Wien heb ik nevens U omhoog?

Wat zou mijn hart, wat zou mijn oog

Op aarde nevens U toch lusten?

Niets is er waar ik in kan rusten.

 

Zie, daar is Hij voor opgestaan – om zulke mensen te onderwijzen en Zich aan zulke mensen te openbaren. Aan mensen die Hem missen en die Hem toch niet kunnen missen. En daarom:

 

Wacht op den Heer’, godvruchte schaar, houd moed;

Hij is getrouw, de Bron van alle goed.

 

Maar, als u Hem niet kent en geen last hebt van dat verschrikkelijke ongeloof, hoe kunt u dan verder leven? Geeft het leven buiten God werkelijke vreugde? Nee toch? Als het allemaal voor de wind gaat in je leven, gaat het nog wel. Dan kunnen we onszelf nog wel op de been houden. We genieten van het leven of we verdrinken misschien wel in ons werk. Maar als er slagen vallen en beproevingen komen, is er geen uitzicht en verwachting. Dan blijkt hoezeer ons leven staat in het teken van de dood. Als dat zo blijft, zullen we straks wegzinken in de eeuwige dood, omdat we de boodschap van de eeuwig Levende naast ons neergelegd hebben. Het gaat erom hoe wij tegenover de Levensvorst Zelf staan. Dat is beslissend voor de tijd en voor de eeuwigheid.

 

Hebt u leren beven voor Zijn Majesteit en heerlijkheid? Heeft het Leven het gewonnen van de dood in uw leven? Als je werkelijk leert zien, Wie God is en wie jezelf bent, zul je verstaan dat je voor de Heere niet kunt bestaan zoals je bent van jezelf. Dat te leren is nu nog mogelijk. De Heere Jezus Christus heeft de dood overwonnen. Zal Hij ook in uw leven, in jouw leven de dood niet kunnen breken?

Hier ligt een hele Bijbel vóór u, die zegt dat Jezus Overwinnaar is over zonde, hel, dood en graf. Er is doen aan voor de grootste van de zondaren! Hij heeft gezegd: Die Mijn Woord hoort, en gelooft Hem Die Mij gezonden heeft, die heeft het eeuwige leven, en komt niet in de verdoemenis, maar is uit den dood overgegaan in het leven. Want doden zullen horen de stem des Zoons Gods; en die ze gehoord hebben, zullen leven (Joh.5:24,25).

 

Gemeente, weet dat Jezus leeft om treurenden en wenenden te troosten! Hij leeft om zoekers te doen vinden. Hij, de grote Koning, is opgestaan. Hij kent ook hier de mannen en de vrouwen, de meisjes en de jongens en de kinderen die naar Hem zoeken, die het erom gaat Hem te kennen en in Zijn gemeenschap te mogen leven.

Daarom, u die met Hem bent, en jij die weet dat Hij leeft, zeg het voort! Hij leeft in de verkondiging van Zijn Woord. Hij leeft in de openbaring van Zijn levenskracht, die Hij toepast in de harten van verloren mensen. Daarin horen ze Zijn stem. Daarin zien ze Zijn heerlijkheid. Hoe zoet is dat, hoe zalig is dat voor je hart om Hem te ontmoeten in de weg van het geloof.

Hij Die leeft en eerst verschenen is aan Maria Magdalena, is ook verschenen aan de anderen. Hij verschijnt nóg aan treurenden en wenenden. En luister: er zijn van uw kant of jouw kant geen waardigheden voor nodig. U hoeft geen verdiensten mee te brengen. Het is enkel genade. Daarom kan het! Daarom kan het ook voor u en voor jou wáár worden: Zie, de Meester is daar en Hij roept u (Joh.11:28).

Amen.

 

Psalm 138 vers 4:

 

Als ik, omringd door tegenspoed,

Bezwijken moet,

Schenkt Gij mij leven;

Is ‘t dat mijns vijands gramschap brandt,

Uw rechterhand

Zal redding geven.

De Heer’ is zo getrouw als sterk;

Hij zal Zijn werk

Voor mijn volenden;

Verlaat niet wat Uw hand begon,

O Levensbron,

Wil bijstand zenden.