Ds. J.S. van der Net - Lukas 24 : 34b

Christus gezien door Petrus

Lukas 24
1. Het wonder van deze ontmoeting
2. De zegen van deze ontmoeting

Lukas 24 : 34b

34b …en is van Simon gezien.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 72:2
Zingen : Psalm 93:4
Lezen : Lukas 24:13-35
Zingen : Psalm 130:1, 2 en 3
Zingen : Psalm 103:2
Zingen : Psalm 66:8

Gemeente,

Onze tekstwoorden voor de bediening van Gods Woord kunt u vinden in het gedeelte dat we samen gelezen hebben. Het Evangelie naar de beschrijving van Lukas, hoofdstuk 24 vers 34, daarvan de laatste woorden:

 

…en is van Simon gezien.

 

Deze Schriftwoorden preken ons: Christus gezien door Petrus.

Twee hoofdpunten:

  1. Het wonder van deze ontmoeting;
  2. De zegen van deze ontmoeting.

 

  1. Het wonder van deze ontmoeting

Gemeente, op de dag van de opstanding is de Heere Jezus vijf keer aan de discipelen verschenen. En nu hebben we in deze dienst vooral aandacht voor de verschijning van de Heere Jezus aan Petrus. Het zijn de woorden van de Emmaüsgangers, die zeggen: De Heere is waarlijk opgestaan en is van Simon gezien. Ja, de Heere Jezus is gezien door Simon Petrus. Het was een wonderlijke ontmoeting.

Jongens en meisjes, jullie kunnen je wel indenken dat Simon Petrus moeilijke dagen achter de rug heeft. Hij moet maar steeds weer terugdenken aan datgene wat er gebeurd is in de nacht van donderdag op vrijdag. Wat was er dan gebeurd? Wel, Simon Petrus had de Heere in de steek gelaten. Ja, later was hij wel stilletjes, samen met Johannes het paleis van Kájafas ingelopen, maar toen had hij zijn Meester zelfs drie keer verloochend. Petrus was zó ver gegaan dat hij gezegd had: ‘Ik ken de Mens niet.’

 

Hij was nóg verdergegaan. Hij had gezegd dat zijn plaats in de hel mocht zijn als hij Jezus zou kennen. Want we lezen: Toen begon hij zich te vervloeken… (Matth.26:74). We zien hier bij Petrus dat een kind van God diep kan vallen. Een kind van God kan zelfs in een zonde vallen die een onbekeerd mens niet doen kan. Judas kon de Heere Jezus wel verraden, maar hij kon Hem niet verloochenen. Want om de Heere Jezus te verloochenen moet er met Hem een liefdeband zijn. Die was er bij Judas niet. Daarom: een kind van God kan in een zonde vallen die een onbekeerd mens niet doen kan.

 

Toen Petrus de Heere Jezus verloochend had, heeft de haan drie keer gekraaid. Toen heeft de Heere Jezus, de lijdende Zaligmaker, Petrus aangekeken met een blik vol liefde. En in de ogen van de Heere Jezus stond geschreven: Petrus, ken jij Mij niet? Die liefde van de Heere Jezus Christus had zijn hart gebroken. Toen was Petrus naar buiten gegaan en had bitter gehuild. Jullie snappen wel, meisjes en jongens, dat de dagen na de verloochening verschrikkelijke dagen zijn geweest voor Petrus.

Hij moest er steeds maar aan denken hoe de Zaligmaker hem aankeek. Met die blik van gewonde liefde. O, dat hij de Heere Jezus zo’n verdriet had aangedaan. Hij kon het nooit meer goedmaken. Want de Heere Jezus was toch aan het kruis gespijkerd? Hij was toch gestorven? Hij kon het nooit meer goedmaken. Daardoor moest Petrus zeggen: Het is kwijt. Ik heb zélf de band met Jezus doorgesneden.’ In die dagen is het voor Petrus werkelijkheid geworden: Want mijn ongerechtigheden gaan over mijn hoofd; als een zware last zijn zij mij te zwaar geworden (Ps.38:5).

 

Gemeente, er was nog meer. Als Petrus terugdacht aan het verleden, sprak dat allemaal van de liefde van de Heere Jezus tot hem. De Heere Jezus had hem gezocht. Hij had hem gevonden. Toen Petrus beleden had: En wij hebben geloofd en bekend, dat Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God (Joh.6:69, Matt.16:16), toen had Jezus gezegd: Zalig zijt gij, Simon Bar Jona; want vlees en bloed heeft u dat niet geopenbaard, maar Mijn Vader, Die in de hemelen is (Matt.16:17).

Maar dat was allemaal vóór de verloochening. En nu, ná de verloochening, moet hij steeds maar denken aan een ander woord: Maar zo wie Mij verloochend zal hebben voor de mensen, die zal Ik ook verloochenen voor Mijn Vader, Die in de hemelen is (Matth.10:33). Begrijpen jullie dat, jongens en meisjes? Daarom moet Simon Petrus zeggen: Er is geen hoop meer. Het is kwijt.

 

Misschien zit hier in deze dienst wel een man of een vrouw in de kerk, of een jongere die wat heeft ervaren van de liefde van de Heere. Die liefde heeft je hart gebroken en ingenomen. Toen kon het niet anders dan dat in dat brekende hart een keuze is geboren: Uw volk is mijn volk en uw God mijn God (Ruth 1:16). Wat is er een tijd gekomen in je leven, dat je net als Petrus onderwezen werd in het Woord.

Als je de Bijbel opendeed was er altijd wel een tekst bij voor jou. In de kerk hoorde je vaak een preek die voor jou bedoeld was. Het Woord was je eten en drinken. We hebben zo dichtbij ervaren dat de Heere er was... Is het zo wel eens geweest in je leven? En nu? Hoe is het nu, op dit moment? Is het allemaal even donker? Moeten we dan ook zeggen dat het allemaal onze eigen schuld is? Het zijn mijn zonden, ik heb de gemeenschap met de Heere verbroken…

 

Laten we maar eerlijk zijn. Wat kunnen ook wij Hem verloochenen. Verloochenen met onze woorden. Of door ons leven en onze levensstijl. Wat kunnen we Hem verloochenen met onze daden.

Zitten hier nu ook mensen die dat begrijpen? Die misschien wel net zoals Petrus moeten zeggen: Met mij kan de Heere niet meer van doen hebben. Ik heb gezondigd tegen Zijn genade en liefde. Nu is het afgesneden. Nu is het voor eeuwig kwijt. Zitten die mensen in de kerk? Mensen die de Paaskoning niets anders kunnen aanbieden dan hun verloochening, hun ontrouw, duisternis en schuld. Is het zo bij u?

Gemeente, dan moet u goed luisteren. Want nu hebben we steeds naar Petrus gekeken. Maar we moeten niet op hem blijven letten. We gaan nu ons oog slaan op de Meester van Simon Petrus, de Heere Jezus. Toen Hij op die donderdag met Zijn discipelen uit de Paaszaal wandelde naar Gethsemané, had Hij tegen Petrus gezegd: Simon, Simon, zie, de satan heeft u zeer begeerd om te ziften als de tarwe. Maar Ik heb voor u gebeden… (Luk.22:31-32). Daarin ligt voor Petrus de behoudenis: het gebed van de Heere Jezus.

 

Christus heeft Petrus vastgehouden, ook toen Petrus in die nacht de Heere Jezus losliet. Daarom is de Heere Jezus ook aan het kruis gebleven, totdat Hij alles volbracht had. Want hoe je het ook beziet, Petrus moest naar de hel. Hij had gezegd dat hij Christus niet kende. Buiten Christus kom je in de hel. Nu is er maar één oplossing: de Heere Jezus moest als Borg voor hem naar de hel. En dat heeft de Heere Jezus nu voor hem willen doen.

Uit gadeloze liefde is Hij als Borg voor Petrus naar de hel gegaan en heeft uitgeroepen: Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? (Mark.15:34). Daarin ligt nu de behoudenis van Petrus, dat Jezus zegt: Mijn Petrus. Die Petrus, die Mij van eeuwigheid door de Vader is gegeven. Petrus, je val is groot, maar de kracht van Mijn borgwerk en de kracht van Mijn opstanding is groter dan jouw val. Zie hier de behoudenis van Petrus. Ik heb voor u gebeden...

 

Wat gebeurt er dan? Wel, na deze bange dagen wordt het zondag, de opstandingsdag. De vrouwen gaan naar het graf om het lichaam van de Heere Jezus te balsemen. Maar als ze in de buurt van het graf komen, zien ze het: het graf is open. De zegels zijn verbroken en de steen is weggerold van het graf. Eén van die vrouwen, Maria Magdaléna, denkt dat ze het lichaam van de Heere hebben gestolen. Ze rent heel impulsief terug naar Jeruzalem om het Johannes en Petrus te vertellen.

Zij zijn gaan kijken en Petrus had het gezien: Inderdaad, het graf was leeg! De lijkwaden van de Heere Jezus lagen netjes opgevouwen. Petrus zag het. Toch kon hij niet geloven dat de Heere Jezus was opgestaan. Johannes, die ook in dat graf was, geloofde het wél. Maar Petrus niet. Toen kwam kort daarop de boodschap van de andere vrouwen. Zij zeiden dat de Heere Jezus was opgestaan. De engel had de boodschap doorgegeven: ...zegt Zijn discipelen én Petrus… (Mark.16:7).

 

Toen werden de gedachten van Petrus vermenigvuldigd. Zijn naam was genoemd. …zegt Zijn discipelen én Petrus... Daarin herkende Petrus de liefde van de Heere Jezus. Als die engel zijn naam er niet bij had genoemd, had Petrus zichzelf afgeschreven. Maar zowel het ongeloof van zijn verstand als de onrust van zijn geweten verhinderden hem om zich onbelemmerd over te geven aan de overtuiging, die deze boodschap aan de vrouwen door de engel in zijn hart had moeten wekken.

Petrus denkt: zou dat mogelijk zijn? Zouden de vrouwen zich dit niet verbeeld hebben? En als de Heere Jezus opgestaan was, zou Hij dan nog aan hem willen denken? Met zulke gedachten en overleggingen zwerft Petrus op die zondag in de eenzaamheid rond. En dan wordt vervuld wat er in onze tekstwoorden staat: …en is van Simon gezien. Ja, de Heere Jezus is door Simon Petrus gezien.

 

Wat weten we nu van deze ontmoeting? Over deze ontmoeting tussen de Heere Jezus en Simon na de opstanding wordt geen uitvoerig verslag gedaan. Er staat alleen maar: …en is van Simon gezien. Later, in de brief aan de Korinthiërs is het Paulus die het noemt. Hij zegt daar: En dat Hij is van Céfas gezien… (1 Kor.15:5). Kinderen, ‘Céfas’ is een andere naam voor Simon Petrus. Meer niet. Petrus heeft kennelijk aan zijn broeders geen uitgebreid verslag gegeven van wat er tijdens die ontmoeting besproken is tussen de Heere Jezus en hem.

Hij heeft er niet zoveel van verteld. Waarom niet? We zouden toch zeggen dat genade mededeelzaam maakt? Dan wil je er toch graag tegen anderen over praten? Dan wil je dat toch graag vertellen: ‘Komt, luistert toe, gij Godgezinden, gij die de Heer’ van harte vreest, hoort wat mij God deed ondervinden.’ Genade maakt toch mededeelzaam? Dat is waar.

 

En toch, gemeente, er zijn ook zielservaringen die geheim moeten blijven. Ze raken de verborgen omgang tussen ons en de Heere. Het is ook zo dat genade wel eens sprakeloos maakt. Sprakeloos vanwege de goedheid, liefde en majesteit van de Heere. Daarom staat er zo weinig over die ontmoeting tussen Petrus en de Heere Jezus. Er staat alleen maar …en is van Simon gezien. Meer niet. Historisch gezien kunnen we van deze ontmoeting tussen de Heere Jezus en Petrus alleen maar zeggen dat het de derde verschijning van de Heere Jezus is.

Ná de verschijning aan Maria Magdaléna en vóór die aan de Emmaüsgangers, waarschijnlijk in de late morgen. Waarschijnlijk ook in de buurt van het lege graf. Dat is alles wat we historisch gezien ervan kunnen zeggen. Maar gemeente, geestelijk gesproken weten we veel meer. In de eerste plaats dit: het is toch veelzeggend dat Petrus de eerste discipel geweest is aan wie de Heere Jezus Zich na Zijn opstanding heeft geopenbaard? De andere discipelen moeten allemaal wachten tot de avond. Toen waren ze allemaal bij elkaar. Jezus is toen onverwacht verschenen. Maar Petrus was de eerste.

 

Dat is heel bijzonder. We kunnen toch vragen wie het het minste waard was om de Heere Jezus als eerste te zien. Dan was dat toch Petrus? Het zou toch veel begrijpelijker geweest zijn als de Heere Jezus eerst aan Johannes en Jacobus was verschenen? Petrus was het helemaal niet waard. Inderdaad. Hij was het werkelijk het minste waard om de Heere Jezus als eerste te ontmoeten. Hij had zichzelf ook al geschrapt van de apostellijst. Maar nu is dit het wonder. Nu is dit de troost: de Heere Jezus vraagt niet naar waardigheid. Hij vraagt naar behoefte. Waar Hij de diepste behoefte aan genade vindt, daar snelt Hij als eerste heen. Hij draagt in Zijn hand de grote schat van Gods alles vergevende ontferming. Hij wendt Zijn hand tot het kleine.

Wie was er nu kleiner en behoeftiger op dat ogenblik dan juist deze Simon Petrus? Immers, hij kende zijn ongerechtigheid niet alleen; hij had ze ook met bittere tranen beweend. Hij had de plaats van het berouw gevonden. Daarin had hij al zijn smart en kleinheid en onwaardigheid uitgeschreeuwd en gehuild. Hij kende de plaats van berouw. Mag ik het u vragen? Heeft u of hebben jullie, meisjes en jongens, de plaats van het berouw al mogen vinden? Voor het eerst of opnieuw?

Die wordt gevonden als ons hart wordt gebroken door Zijn goedheid. Als we verbrijzeld worden door Zijn liefde. Dat gebeurde bij Petrus toen de Heere Jezus hem aankeek.

 

Gemeente, hebben we zó al de plaats van berouw gevonden? Hebben we onze zonden beweend? Zijn we gebroken en verbrijzeld door Zijn goedheid en liefde? Luister dan. Daar snelt de Heere Jezus nu het eerste heen. Want alzo zegt de Hoge en Verhevene, Die in de eeuwigheid woont en Wiens Naam heilig is: Ik woon in de hoogte en in het heilige, en bij dien, die van een verbrijzelden en nederigen geest is, opdat Ik levend make den geest der nederigen, en opdat Ik levend make het hart der verbrijzelden (Jes. 57:15).

Daar snelt Hij heen in opzoekende liefde. Die liefde herstelt in vergevende genade. Als een Herder wil Hij het schaap in de woestijn achternagaan. De goede Herder richt Zijn voetstappen het eerst naar het verst afgedwaalde schaap. Hij doet ons niet naar onze zonden. Want Hij weet wat maaksel wij zijn, gedachtig zijnde, dat wij stof zijn (Ps.103:14).

 

Zo mocht Petrus als eerste de Heere Jezus ontmoeten. Hij vraagt niet naar waardigheid, maar naar behoefte. Hij kon in Zijn liefde niet tot de avond wachten. Dus gemeente, als we geestelijk kijken naar de ontmoeting tussen Petrus en de Heere Jezus, zien we in de eerste plaats dat Petrus de eerste is. En vervolgens: die ontmoeting vond plaats in de stilte van de eenzaamheid. Ze waren samen, onder vier ogen. Niemand was daarbij. Daarom kon de Heere Jezus ook niet wachten tot de avond, want dan waren de anderen erbij.

Nee, die ontmoeting vond plaats in de stilte van de eenzaamheid. Waarom? Alleen de eenzaamheid was er getuige van geweest hoe diep Petrus zich verachtte. Hoe diep hij zichzelf wegwierp vanwege zijn misdaad en schuld. En nu zou ook alleen de eenzaamheid getuige mogen zijn van zijn tranen van dankbaarheid. Daarom is die ontmoeting méér geweest dan alleen maar even een vluchtige ontmoeting. Zonder twijfel is er wat besproken daar in die eenzaamheid tussen de Heere en Petrus.

 

Zeg, meisjes en jongens, kinderen, wat zou de Heere Jezus tegen Petrus gezegd hebben? Zou de Heere Jezus verwijten hebben gemaakt over zijn zonde? Zou de Heere Jezus tegen Simon Petrus gezegd hebben: Petrus, Ik heb het helemaal gehad met je. Wat ben jij Mij bitter tegen gevallen. Jij was toch de eerste die met Mij wilde sterven? Terwijl Ik zo leed, heb jij de band doorgesneden. Wat ben jij Mij tegengevallen. Zou de Heere dát gezegd hebben? Zou Hij verwijten gemaakt hebben? Nee.

Gemeente, dan vraag ik u, als u dit weet uit uw eigen leven, heeft de Heere Jezus ooit één zondaar die in schuldbesef aan Zijn voeten kwam in zelfveroordeling, zijn zonden verweten? Integendeel! Dan heeft Hij altijd nog doen ervaren dat een verbroken hart en verslagen geest Hem welbehaaglijk is. Nog nooit heeft de Heere een mishagen gehad aan een mens die zichzelf veroordeelde.

 

Christus heeft Petrus zijn zonden niet verweten. Weet u wat de Heere Jezus wél gedaan heeft? Hij heeft in die geslagen wond in het binnenste van Petrus de balsem van de vertroosting gegoten. Hij heeft Petrus aangekeken met ogen vol liefde. Hij heeft Zijn doorboorde hand gelegd op het gebroken hart van Petrus. En toen heeft Hij gesproken over de vergeving van de zonden door Zijn borgwerk. Dat heeft Hij toegepast aan het hart van Petrus door de Heilige Geest. Toen is het voor Petrus waar geworden:

 

Gij hebt mijn ziel, door angst beroerd,

Als uit het graf weer opgevoerd;

Gij hebt het leven mij geschonken:

Ik ben niet in den kuil gezonken.

 

Gemeente, ik hoop zo dat u daar wat van weet. Want dat wordt toch gekend in het leven van de genade – dat een schuldverslagen ziel mag ingeleid worden in het borgwerk van de Heere Jezus. Dat Hij ons aanziet met het oog van vergevende liefde. Dat Hij Zijn doorboorde handen legt op ons gebroken hart. Dat we leven mogen ontvangen uit Zijn dood. Dat we genezing mogen krijgen uit Zijn striemen. Vreugde uit Zijn smart. Ja, dat Hij de kracht van Zijn opstandingsleven door onze ziel doet stromen. Dat Hij de vrede doet ervaren in Zijn bloed door de toepassing van de Heilige Geest en we ingeleid mogen worden in Zijn getrouwheid.

Tegenover al onze ontrouw is Hij getrouw. In de stille eeuwigheid ligt het anker van de hoop vast. Dan komt er vrede en blijdschap in het hart. Dan wordt het waar: Gij hebt mijn weeklacht en geschrei, veranderd in een blijde rei.

 

Zo is het ook gegaan in deze ontmoeting tussen de Heere Jezus en Petrus. Nee, geen verwijten. Geen bitse woorden. Maar de Heere Jezus heeft hem Zijn vrede en opstandingsleven geschonken. Gemeente, het is Pasen. Weet u nu van die ontmoetingen met de Heere Jezus? Weten jullie daarvan, meisjes en jongens? Van dat ingeleid worden in Zijn borgwerk? Weet u van het ervaren van Zijn liefde en vrede voor een schuldig mens? Misschien wil je niet dat ik zulke vragen stel, en vindt u dat ik te grote zaken aan de orde stel.

Weet je wat ik dan doe? Dan doe ik een stapje terug. Kent u dan iets van wat we bij Petrus vonden: een gebroken hart onder Zijn liefde en goedheid? Meisjes en jongens, heb je wel eens een hekel aan jezelf gekregen, omdat er zoveel zonde in je hart zit? Van nature zijn we zelfbehagers. Van nature zijn we door de zondeval mensen die met onszelf zo zijn ingenomen. En dan zijn we als kerkmens wel slim genoeg om dat zelfbehagen toe te dekken met een kleed van schijnbare nederigheid.

 

Maar als de Heere Jezus met Zijn goedheid en Zijn liefde je hart aanraakt, wordt het anders. Dan mishaag je jezelf. Dan krijg je een hekel aan jezelf vanwege je zonde. Dan ga je als een Petrus naar buiten, bitter huilend. Dan wordt het bij de aanvang en voortgang steeds meer waar: Ik ellendig mens... (Rom. 7:24). Voor zulke mensen mag het waar worden wat hier van Petrus staat, …. en is van …. gezien. Vul uw eigen naam daar maar in. Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt... (Matth.11:28).

Naar Hem gaat toch ook het hart uit van degenen die zichzelf mishagen. Denk maar aan Petrus. Al moest hij wenen vanwege de zonde, toch was er dat heimwee en verlangen naar de Heere Jezus.

 

Zo mocht Petrus de Heere Jezus ontmoeten, als eerste. Ik denk ook dat de Heere Jezus in de stilte van die ontmoeting Petrus ook onderwezen heeft in het gevaar van zelfvertrouwen. Dat was zo’n struikelblok voor Petrus. Hij heeft hem gewezen op het gevaar van het leven uit je bekeerd-zijn. Hij heeft hem geleerd dat het zo nodig is om te leven uit Christus alléén.

 

We gaan eerst zingen van Psalm 103, het tweede vers:

 

            Loof Hem, die u, al wat gij hebt misdreven,

            Hoeveel het zij, genadig wil vergeven;

            Uw krankheên kent en liefderijk geneest;

            Die van ’t verderf uw leven wil verschonen,

            Met goedheid en barmhartigheên u kronen;

            Die in den nood uw Redder is geweest.

 

  1. De zegen van deze ontmoeting

We hebben een ogenblik stilgestaan bij de ontmoeting tussen de Heere Jezus en Petrus. We hebben ook gehoord wat dat inhield. En nu kom ik tot u met een vraag. Zit hier nu een Petrus in de kerk? Dat kan ook een meisje of een jongen zijn. Zit jij in de kerk als een Petrus? Een Petrus die iets verstaat van wat we bij hem vonden: onwaardigheid, kleinheid, de plaats van berouw en een gebroken hart. Zit hier een Petrus? Want, gemeente, anders heeft die opgestane Levensvorst geen waarde voor u. Dan heb je ook geen behoefte aan een ontmoeting met Hem.

En toch zal je buiten Hem voor eeuwig omkomen. Het is nodig dat we zó arm en zó nederig worden dat het Paasfeest mogelijk wordt. Het is nodig dat we zondaar voor God worden. Dat we als grote zondaren van de dood tot het leven gebracht worden door de reddende Levensvorst. Hij is dood geweest, maar leeft nu voor eeuwig. En dan mag ik u preken, dat de weg voor u open staat. O, beken toch dat het conflict in uzelf een dodelijk conflict is waaruit u uzelf niet kunt verlossen. Leg dan nu toch de wapens neer aan Zijn voeten! O God, wees mij zondaar genadig (Luk.18:13).

 

Gemeente, dan preek ik u: Hij leeft! Hij leeft om u ook het leven te geven, om niet. Volkomen. En daarom zeg ik met al de liefde van mijn hart: Sta deze boodschap niet langer tegen. Dan zeg ik met al de liefde van mijn hart: Ga dan, ga zoals u bent tot de Levensvorst, Die nu voor ons staat in het gewaad van Zijn Woord. Zoek het aan Zijn voeten, en u zult niet teleurgesteld uitkomen. Waar zit hier die Petrus? O, daar zie ik iemand zitten die zegt: Ja, hier zit een Petrus. Ik hoor niet bij al die verachters van Zijn geboden. Ik leef netjes, heel stipt. Ik ben trouw in mijn kerkgang. Ik houd me ver van allerlei zonden.’

Gemeente, dat is mooi. Maar dan vraag ik er wel achteraan: Is dat alles wat u te zeggen hebt? Dan ben je geen Petrus. Dan ben je een rijke jongeling. Dan zegt de Heere Jezus ook tegen u: Bekeert u!

Een ander zegt: Ik leef onder het verbond. Het zaad van Abraham, dat ben ik. Ja, inderdaad. Maar dan vraag ik: Begint uw leven bij Abraham, bij het verbond der genade? Of hebt u al beseft dat uw levensgeschiedenis bij Adam begint? Hebt u nog nooit uw zonden uitgeschreeuwd voor de Heere: Heere, wilt u mijn hart breken? Heb je dat nog nooit gevraagd? Dan ben je Petrus niet. Dan moet je veel bidden of je van bekeerd in jezelf onbekeerd mag worden. Klop dan maar aan de genadepoort.

 

Bent u Petrus? ‘Nou’, zegt iemand, ‘dat durf ik niet zo direct te zeggen, hoor. Ik hoor niet tot die oppervlakkige mensen die denken dat het wel zonder tranen gaat en die met zevenmijlslaarzen over het stuk van de ellende heenstappen. Zij willen niet weten van ontdekking. Zo makkelijk zal het niet gaan…’ Gemeente, dan bent u inderdaad Petrus niet. Want dan zegt Hij tegen u: ...Scheurt uw hart en niet uw klederen… (Joël 2:13). Met zwaar praten en degelijk redeneren ben je ook geen Petrus.

 

Zit hier nu tóch een Petrus? Zeg, dan leg ik mijn oor aan het hart van dat meisje, die jongen, die man of vrouw. Dan hoor ik daar iemand huilen: Genade, o Heere, hoor hoe een boeteling pleit. Dan wil ik met u weleens verder praten. Heet u, heet jij soms Petrus? Ik heb geen naam, zegt u. Bij de wereld voel ik me diepongelukkig, maar bij Gods kinderen durf ik me ook niet te rekenen. Ik ben waard dat de Heere nooit meer naar me omziet.

 

Gemeente, dan zeg ik u: U bent niet alleen geschikt om verloren te gaan, maar u bent ook geschikt voor Jezus. U bent geschikt voor deze opgestane Levensvorst. U bent Petrus. Met u wil Hij het Paasfeest bereiden. Want al die zonden waar u over huilt, heeft Hij gedragen aan het vloekhout. Al die schuld die zich maar opstapelt heeft Hij begraven. Hij is opgestaan uit de dood om u de betaalde kwitantie van uw schuld toe te reiken.

Ik luister nóg een keer. O, daar hoor ik zachtjes zingen: Gun leven aan mijn ziel… O, dat is er een die geleerd heeft wat het betekent om het leven te missen, en dat het bezit van het leven een geschenk is van vrije genade. Het lied gaat verder: ‘Gelijk een schaap heb ik gedwaald in het rond. Dat onbedacht Zijn herder heeft verloren.’ Nu weet ik het zeker: dat is Petrus! Met u, met jou wil de Heere Jezus Paasfeest vieren.

 

U, jou wil de Heere ontmoeten, zoals Hij Petrus ontmoette. En ieder van Gods kinderen, hoe lang ze ook op de weg zijn, moet zeggen: Ik ben als Petrus. Heere Jezus, ik heb u verloochend en het zal nog lang niet de laatste keer zijn. Zou het nog Pasen kunnen worden…?

Ja, het kan nog voor die Petrus-sen. Zeker, de zonden hebben Hem op het diepst verwond, maar …het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde (1 Joh.1:7). Hij wil de kracht van Zijn opstanding juist verheerlijken in die Petrus. … en is van Simon gezien. Ik hoop dat we straks naar huis zullen gaan met een gebroken hart en een verslagen geest. En dat het ook op deze Paasdag mag zijn: …en is van mij gezien… Vul dan uw eigen naam maar in.

 

Amen.

 

Slotzang: Psalm 66 vers 8:

 

Komt, luistert toe, gij Godgezinden,

            Gij, die den Heer’ van harte vreest,

            Hoort, wat mij God deed ondervinden,

            Wat Hij gedaan heeft aan mijn geest.

            ‘k Sloeg heilbegerig ’t oog naar boven,

            Ik riep den Heer’ ootmoedig aan;

            Ik mocht met mond en hart Hem loven,

            Hem, die alleen mij bij kon staan.