Ds. W. Harinck - Job 14 : 14a

Drie levensvragen van Job

Job 14
1. De geboortedag
2. De laatste dag
3. De jongste dag

Job 14 : 14a

14a Als een man gestorven is, zal hij weder leven?

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 19: 5
Zingen : Psalm 119: 84
Lezen : Job 14
Zingen : Psalm 73: 1, 6 en 8
Zingen : Psalm 103: 8
Zingen : Psalm 73: 13

Gemeente,

In deze dienst luisteren we naar de woorden van God uit het Bijbelboek Job, en wel hoofdstuk 14, daarvan vers 14a:

 

Als een man gestorven is, zal hij weder leven?

 

We letten op drie levensvragen van Job. Zijn vragen hebben te maken met:

  1. De geboortedag;
  2. De laatste dag;
  3. De jongste dag.

 

Het gaat dus over Jobs levensvragen. Zijn eerste vraag gaat over de geboortedag: Wie zal een reine geven uit de onreine? Niet één.

Zijn tweede vraag gaat over de laatste dag: Maar een man sterft als hij verzwakt is, en de mens geeft den geest; waar is hij dan?

Zijn derde vraag gaat over de jongste dag, de dag van de wederopstanding: Als een man gestorven is, zal hij weder leven? Ik zou al de dagen mijns strijds hopen, totdat mijn verandering komen zou.

Na het overdenken van deze drie vragen sluiten we af met de toepassing voor ons.

 

  1. De geboortedag

Een kind loopt met vader door een drukke winkelstraat: ‘Papa, waarom draagt die meneer een hoed? Waarom gaan we hier naar binnen? Waarom kopen we nu geen ijsje? En… waarom gaan we nu al naar huis?’ Kinderen hebben periodes waarin ze vol zitten met die waarom-vragen. Sommige van die vragen kun je heel eenvoudig beantwoorden met ‘daarom.' Andere waarom-vragen zijn moeilijk of zelfs onmogelijk te beantwoorden.

Er is geen Bijbelboek waarin de waarom-vraag vaker wordt gesteld dan in het Bijbelboek Job.

 

Wat is eigenlijk de bedoeling van dit Bijbelboek? Velen hebben gezegd dat het in het boek Job gaat over de zin, over de betekenis van het lijden. Ik denk dat dit nog steeds een passend antwoord is. Tegelijkertijd is het moeilijk om in één zin de bedoeling van dit Bijbelboek samen te vatten. Wat het in ieder geval wel is: het is het levensverhaal van een man die we kennen als Job. Al lezend in dit Bijbelboek leren we Job kennen in de tijd waarin hij leeft en de wereld waarin hij woont en werkt. Maar vooral, gemeente, zien we hoe Job tegenover het goed en tegenover het kwaad staat. Anders gezegd: God en satan hebben belang bij deze man.

Maar we zien nog meer. We zien Job ook in relatie tot zijn vrouw, tot zijn kinderen, tot zijn groep vrienden. Ook horen we zijdelings van bekenden, maar die verdwijnen al spoedig uit beeld als Job in moeilijke levensomstandigheden terecht komt. Uiteindelijk blijft Job alleen over. Alleen voor het aangezicht van God.

 

Er worden mooie dingen van Job gezegd. Hij was oprecht, vroom, godvrezend, wijkend van het kwaad. Het bijzondere is dat de Heere God Zelf dit van Job zegt. Het zijn niet de mensen die dat zeggen. God geeft Zelf dit getuigenis van Zijn kind en knecht Job.

De Heere heeft Job rijk gezegend. Zeven zonen en drie dochters ontving hij. Hij bezat een grote hoeveelheid schapen, kamelen, ossen en ezelinnen. Hij had heel veel personeel. Allerlei mensen om zijn land, zijn vee, ja om heel zijn bedrijf te runnen.

Hij was de rijkste en machtigste man van die tijd in het Oosten. En deze man, jongens en meisjes, ontmoeten we in dit Bijbelboek van heel dichtbij. Een man die eerlijk is, die betrouwbaar is. Een man die met de Heere leeft. Een man die een afkeer heeft van het kwade, hoe en wanneer dat zich ook aandient.

 

En juist déze man wordt door satan aangepakt!

 

Job wordt door het ene na het andere onheil getroffen: zijn bedrijf gaat failliet, alle tien zijn kinderen komen om bij een natuurramp, hij verliest zijn gezondheid en is nog maar een schim van wat hij vroeger was. En in zekere zin raakt Job ook zijn vrouw kwijt als ze tegen hem zegt: Zegen God en sterf (Job2:9). Maar pas op, laten we voorzichtig zijn met onze kritiek. Oók met kritiek op de vrouw van Job. Want je moet het allemaal maar eens meemaken, aanzien hoe je man lijdt en heel zijn levenswerk te gronde gaat.

We moeten ons vooral eens proberen in te denken wat het voor Job betekende. Zijn bedrijf is weg. Zijn gezondheid is weg. Zijn kinderen zijn weg. Er zijn alleen nog tien graven.

En Jobs vrouw zíet al die nood. Ze ziet al het lijden van haar lieve man en zegt: ‘Man, dit is toch geen leven meer? Ik zou er beter mee kunnen leven als je er niet meer was, dan je zo te moeten zien lijden.’ Ze heeft Job tot hiertoe altijd bijgestaan. Maar dan scheurt ze zich van hem los. Ze scheurt zich geestelijk van hem los als ze zegt: ‘Neem afscheid van God en sterf.’

 

Dat proces zet zich door in het leven van Job. Want niet alleen verliest hij op die manier zijn vrouw, maar ook zijn vrienden Elifaz, Bildad en Zofar. Jobs vrienden zijn gekomen. Ze hebben gehoord van zijn grote leed. Ze zoeken hun bedroefde en beproefde vriend op.

Mooi is dat. Sympathiek. De vele bekenden – Job zal een man geweest zijn met veel relaties – vergeten hem in zijn lijden. We horen niet dat ze er voor hem zijn. Maar zijn vrienden niet, die zoeken hem op.

Natuurlijk weten we uit het vervolg wat die vrienden van Job doen, maar het is nuttig om het nog eens te herhalen. Ze zitten in stilte bij hem. Zeven dagen lang. Ze zeggen niets. Ik weet niet wat u, wat jij daarvan denkt, maar zou je dat niet moeten zien als een bewijs van grote verbondenheid en van diepe vriendschap? Dat je in stilte meeleeft en zo je leedwezen betuigt? Dat deden die vrienden, zeven dagen lang.

Na die zeven dagen gingen ze spreken. En met dat spreken doen ze iets goeds, want ze spreken tot Job. Ze doen niet wat veel andere mensen wel doen. Die praten óver Job en niet mét Job. Wat is het enige verkeerde wat die vrienden doen? Ze spreken goede en ware woorden, maar de tóépassing is fout. De woorden die ze zeggen, passen niet bij de omstandigheden van hun vriend Job. Het is waar wat ze zeggen, maar voor Job klopt het niet.

 

Job zal zeker blij geweest zijn met de komst van zijn vrienden. Dat is hem tot steun geweest. Hij begon zijn hart voor hen uit te storten. Wat moet het daarom voor Job bitter geweest zijn, toen hij merkte dat ze hem niet begrepen. Wat is het erg als mensen waar je hartelijk aan verbonden bent, je geliefden, je vrienden, je niet begrijpen. Dat doet zeer.

Het wordt nog erger: ze trekken Jobs oprechtheid in twijfel. Dat brengt Job in grote nood. Hij zit daar uiteindelijk als een verlaten ziel, met een ziek lichaam, met een gebroken hart op de ashoop.

En dan vervloekt Job zijn geboortedag. Ik had beter maar niet geboren kunnen worden. Waarom ben ik toch in deze wereld gekomen? Zo raakt deze man zichzelf kwijt en hij raakt ook het zicht op de Heere, zijn God kwijt. Want kijk, gemeente, Job is zich niet bewust geweest van de geestelijke strijd, die er gaande was. Wíj weten dat wél, maar Job wist dat niet. Job is, als het ware, het slagveld geworden waarop God en satan een grote strijd voeren. Een strijd tussen hemel en hel. De oude strijd over wat nu waarheid en wat leugen is. Ten diepste de strijd van het vrouwenzaad en het slangenzaad. Job is het slagveld van die strijd geworden.

 

God had gezegd: ‘Ga je gang, satan, tast Job maar aan. Neem hem alles maar af.' Want satan had God gelasterd door te zeggen dat Job God diende, omdat hij er beter van werd. Dat is altijd weer hetzelfde oude liedje dat satan zingt: ‘Je bent gelovig, je bent christen uit eigen belang.' Uit eigenbelang komen mensen naar de evangelisatiepost voor de koffie en de gratis maaltijd. Daarom zit een jongere nog in de kerk, want daar hebben ze de club en daar hebben ze hun vrienden. Die weduwe? Die vindt er gezelschap en zo nodig wat ondersteuning. En de dominee? Die preekt zo, omdat het van hem wordt verwacht en dat mensen dan tegen hem zullen zeggen dat het weer een mooie preek was. Eigenbelang dus.

Maar weet u wat het leven van Job ons laat zien? Dat er heilige bedoelingen zijn. Bedenken we wel eens dat die er ook in ons leven zijn? Heilige bedoelingen met de voorspoed, die de Heere geeft. Heilige bedoelingen met tegenspoeden die God zendt. Met vreugde én met verdriet. Er zijn heilige bedoelingen, vergeet dat toch niet! Het Bijbelboek Job laat je zien dat beproeving en verdrukking waarde heeft. Dat er in het leven van Godskinderen een geestelijke strijd gaande is. Een strijd waarin uit  zal komen dat de waarheid het wint van de leugen, dat Christus het wint van de satan.

 

We luisteren in deze preek naar Jobs vragen. Vragend is Job zijn weg gegaan. In dit veertiende hoofdstuk lees je drie vragen, drie levensvragen van Job.

Ze horen bij het lange antwoord dat Job gegeven heeft, nadat zijn vriend Zofar tot hem gesproken heeft. Dan barst Job los in een woordenstroom. Je leest het in de hoofdstukken 12, 13 en 14. Zofar heeft het standpunt onderstreept, dat het toch echt wel zo móét zijn, dat de aanleiding van Jobs lijden te vinden is in zijn eigen zonden. Er moeten zonden, verborgen zonden in Jobs leven zijn. Dáárom hebben deze tegenslagen hem zo hard getroffen. Zofar heeft dat onomwonden tegen Job gezegd.

 

En dan gaat Job spreken. In die reactie van Job beluisteren we zijn vragen. De vragen die Job hier stelt hebben alles te maken met de strijd die hij levert. Zijn levensvragen, hier in hoofdstuk 14, stelt Job niet met zijn armen over elkaar, achteroverleunend in een makkelijke stoel. Nee, hij zit daar op de vuilnisbelt, op de ashoop. En hij heeft een potscherf in zijn handen. Met die scherf krabt hij zijn huid, zijn jeukende, pijnlijke zweren.

Job doet niet wat veel mensen vandaag wél doen. Veel mensen gaan het bestaan van God ontkennen als ze zien op het lijden, op de tegenslagen en de grote vragen in de wereld en in het leven van mensen. Dat zult u om u heen wel herkennen. Job doet dat niet. Hij gaat het bestaan van God niet ontkennen. Iets anders doet hij ook niet: hij gaat ook niet mee in het denkschema van zijn vrienden. Daar kán hij niet in mee, daar mág hij niet in mee. Maar hij zoekt, voor Gods aangezicht, zijn weg te overzien. En zo komt Job tot zijn vragen.

 

Aan het begin van dit veertiende hoofdstuk, begint Job te zeggen: Kijk nu eens wat een méns is. Jullie kijken naar míj, maar het gaat niet alleen over mij. Kijk eens wat een méns is. De mens, van een vrouw geboren, is kort van dagen, en zat van onrust. Job bedoelt daarmee het zwakke, het breekbare van ons als mensen. Hoe vergankelijk ons leven is, en hoe onrustig. Maar ook hoe onzeker een mensenleven is.

Job gebruikt er twee voorbeelden bij: het voorbeeld van een bloem en dat van een schaduw. Die twee aansprekende voorbeelden gebruikt Job om te zeggen: Kijk, dit is nu een mens, van een vrouw geboren, u, jij en ik: als een bloem, als een schaduw.

Heb je wel eens geprobeerd om een bloem níét te laten verwelken? Heb je wel eens geprobeerd om je schaduw níét te laten verdwijnen?  Dat is de gedachtegang van Job. Is het dan niet bijzonder, zegt Job, dat God Zijn ogen open heeft over mensen die zo broos zijn? Dat de Eeuwige Zijn ogen opent om op zulke broze, zwakke mensen te zien?

 

Dan gaat Job verder in het derde vers: En deze God betrekt míj – mensje van een vrouw geboren, vergankelijk als een verwelkende bloem en als een schaduw die verdwijnt – in het gericht. Wat betekent dat? Dat betekent dat Job er diep van overtuigd is dat hij, in alles wat er gebeurt in zijn leven, met God te doen heeft. En áls God dat doet, als God Zijn oog slaat op óns, mensen, en als God ons in Zijn gericht gaat betrekken, dan zal God zeker bij ieder mens zonde en schuld vinden.

En daarmee kom je bij de eerste vraag in vers 4: Wie zal een reine geven uit de onreine? Wat kun je dan van een zondig mens verwachten? Job heeft gelijk als hij antwoordt: Niet één. Want er is niemand die goed doet, er is niemand die God zoekt. Geen enkel Adamskind is rein voor God, is zonder zonde. U niet, jij niet en ik niet. Want het kwaad van de zonde, het onreine komt niet van buitenaf tot ons. Nee, het zit ín ons. De zonde is niet een tweede natuur van de mens, het is je éérste natuur. Het is aangrijpend wat Job hier zegt. Hij zegt: We zijn allen als een onreine. Als God ons doorzoekt dan zijn we allemaal onrein. Want wie zal een reine geven uit een onreine? Niet één.

De zonde zit erin vanaf ons eerste begin. In de theologie zijn we dat de ‘erfzonde’ gaan noemen. Zonde die zo lelijk en gruwelijk is voor God, dat het genoeg is om het menselijk geslacht te verdoemen, zegt artikel 15 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Het leert ons hoe rampzalig verloren een mens is. Dat je het zondigen niet laten kunt. Dat je, zonder het ingrijpen van God, reddeloos verloren bent. Onrein, verloren, vanaf je geboortedag, vanaf het allereerste, prilste begin

 

  1. De laatste dag

We gaan naar Jobs tweede vraag. Hij maakt een grote stap naar vers 10: Maar een man sterft als hij verzwakt is, en de mens geeft den geest; waar is hij dan?

Van Jobs vraag over de geboortedag in vers 4, gaat het naar een vraag over de stérfdag in vers 10. Wat daartussen ligt zijn onze levensjaren. Als je sterk bent zeventig, als je zeer sterk bent misschien tachtig jaar. Geboortedag en sterfdag, daar ligt je levensweg tussen.

Maar wat doet Job? Hij spreekt niet over jaren, maar hij heeft het in vers 5 over dagen en maanden, die God bepaald heeft.

 

God bepaalt hoe oud ik word. ‘Mijn dagen zijn bij U geteld’, zegt de psalmdichter. Geen mens kan die door God bepaalde tijd, zijn levenstijd, overschrijden. Zo zien we hoe Job leeft voor Gods aangezicht. Zijn geboortedag en zijn sterfdag: God bepaalt al deze dingen. ‘Denk eens aan een omgehakte boom’, zegt Job. Tegen alle verwachting in kan zo’n omgehakte boom weer uitlopen. Als de regen komt, kunnen die verdroogde wortels toch weer een nieuwe scheut voortbrengen. Maar als een méns sterft, als het de van God bepaalde tijd is, als de dagen en maanden van je leven die God bepaald heeft bereikt zijn, dan is het voorbij. Dan sterft de mens.

Je leven is als een leeggelopen rivier. De rivier is drooggevallen. Het leven is eruit weggestroomd. Een droge bedding blijft achter. Als een mens sterft, verdwijnt hij uit het leven en hij staat niet meer op.

 

Als een mens sterft, waar is hij dan? Wat een indringende vraag stelt Job hier. Waar is hij dan? En we weten het: het einde kan er zo spoedig, zo onverwachts zijn. Sterven… en dan? Is het dan voorbij? Ben je dan een sterretje aan de hemel? Kapitaalkrachtige mensen – de voorbeelden zijn er – hebben zich na hun sterven in laten vriezen. In de hoop dat de wetenschap zover komt, dat ze een middel uitdenken, om hem of haar in de toekomst te laten herleven.

Als een mens sterft, waar is hij dan? De boeddhist zegt: Je reïncarneert. Je komt terug in een ander leven, totdat je, net als Boeddha zelf, die wel 500 keer reïncarneerde, eindigt in het nirwana, in het niets. Wat gebeurt er na je sterven? Houdt het dan allemaal op? En als een ongelovige sterft? Waar is hij dan? We kennen die vragen. Als je bij je geliefde overledene staat… waar is hij of zij dan?

 

De Bijbel geeft antwoorden, gemeente. En gelijk het den mensen gezet is, eenmaal te sterven, en daarna het oordeel (Hebr.9:27). Dan ligt je bestemming eeuwig vast, wat ze ook doen op je begrafenis. De wereld applaudisseert soms bij een begrafenis, maar de kerk bidt op een begrafenis. Maar wát men ook doet op een begrafenis, je bestemming ligt bij het sterven eeuwig vast en… waar ben je dan?

 

 

 

3. De jongste dag

Met die vragen liep Job. Met vragen rond de geboortedag en rond de sterfdag. Maar dan heeft Job nog een derde vraag: over de jóngste dag, over de dag van de wederopstanding. In vers 14 staat: Als een man gestorven is, zal hij weder leven? ‘Voor een afgehakte boom’, zegt Job, ‘is er nog verwachting. Als de wortels diep in de grond weer water ruiken, komt er weer leven in  zo’n afgehakte tronk. Maar als een mens gestorven is, is er dan voor die mens nog verwachting? Zal hij weer leven?’ Job zegt verder: ‘Als dat zo zou zijn, dan zou ik nu, in de dagen van mijn strijd, daarop hopen.’ Hij zegt: ‘Dat zou een lichtpuntje zijn in mijn lijden, als er hierna een ander leven, een tweede leven mag zijn.'

Het is net alsof er even een klein lichtje schijnt in de duisternis van Job. Maar het dooft bijna gelijk weer uit. Want Job zegt: ‘Maar God? God let op elke stap. En al mijn zonden verzamelt Hij, ze zijn door God in een bundel verzegeld.’ Dat doe je met bewijslast. Je verzamelt al de aanklachten, een heel dossier. Dat wordt verzegeld. In het dossier staat hoe schuldig je bent en welke oordelen en straffen je hebt verdiend.

 

Jobs derde levensvraag luidt: Als een man gestorven is, zal hij weder leven? We pakken ons psalmboek erbij en gaan samen zingen: Psalm 103: 8

 

Gelijk het gras is ons kortstondig leven,
Gelijk een bloem, die, op het veld verheven,
Wel sierlijk pronkt, maar kracht'loos is en teer;
Wanneer de wind zich over 't land laat horen,
Dan knakt haar steel, haar schoonheid gaat verloren;
Men kent en vindt haar standplaats zelfs niet meer.

 

We zagen Job zitten, gemeente, op de puinhoop van zijn leven. En we luisterden naar de vragen van Job over de geboortedag van een mens en over zijn laatste dag. Het is alsof Job vraagt: ‘Is dit dan alles? Is dit het dan, dat je rijkdom eindigt in armoede? Dat je eindigt in eenzaamheid, in onbegrip en verlatenheid? Zou er dan hoop zijn op de jongste dag?’ Als een man gestorven is, zal hij weder leven?

 

Helaas lijkt het er vandaag de dag op, dat weinig mensen die vragen van Job nog hebben. We eten, we drinken, we werken, verdienen ons geld en geven het weer uit. We gaan helemaal op in alles van het lichamelijke, tijdelijke leven. Het lijkt erop dat mensen de vragen van Job niet meer stellen. We gedragen ons alsof we hier altijd zullen blijven. O, mensen sterven wel, de dood is er wel, maar de moderne mens heeft de dood geëmancipeerd. Wij, mensen van deze tijd, zijn geëmancipeerd en dat hebben we ook geprobeerd met de dood te doen. Die willen we onschadelijk maken.

Je ziet hóé mensen dat doen. Sterven – doodgaan, zeggen ze dan – hoort erbij. Bij de zomer hoort nu eenmaal ook de winter, en bij de dag hoort ook de nacht. Zo hoort sterven bij het leven. Het is het slot van je levensboek.

Maar weet u: de dood is ontluisterend. De dood is een vernedering, ook voor de mens van de 21e eeuw. Want wat moet de mens met al zijn kennen, met al zijn kunnen, met zijn eer, zijn rijkdom, met zijn ontdekkingen, zijn prestaties, met zijn medailles, ja met heel zijn bestaan? Hij moet eindigen in het stof van de dood. En het hoort er níét bij.

 

God schiep ons om te leven. Om God, onze Schepper, te loven en te prijzen. De dood? Dat is de straf op de zonde, op de overtreding van Adam. God schiep de dood niet. In het paradijs – je kunt het je niet meer voorstellen – was zo’n levensharmonie, zo’n levensvrede. Daar was geen ziekte, geen dood, geen graf. Er was vrede met God, vrede met jezelf, vrede met elkaar, vrede met heel de schepping. Maar wij zijn afvallig geworden. We wilden als God zijn. Zelf uitmaken wat kan en wat niet kan.

Door de zonde zijn we aan allerhande ellende, de dood, de verdoemenis zelf, onderworpen. En als u vraagt waarom dat nu steeds weer gepreekt moet worden, is het antwoord: Om te leren dat de schuld niet bij God ligt, maar bij ons. Om te leren dat die levensvragen van Job er echt wel toe doen. Want de mens, van een vrouw geboren, dat zijn wij en onze kinderen. Wij zijn onreinen, onheiligen. Zoals we geboren zijn, kunnen we voor God niet bestaan. En als je sterft, waar ben je dan? Is er dan verwachting?

 

Kijk, als Job deze vragen stelt, is hij teruggeworpen op zijn naakte, ellendige, verloren bestaan. Wij mensen hebben dikwijls iets nodig wat ons dwingt om over deze dingen na te gaan denken. Een roepstem, een Goddelijk ‘halt’ in je leven. Een beproeving die de Heere zendt, zodat je gaat nadenken over je geboortedag, over je laatste dag en over de jongste dag. Over je begin en over je einde. Je gaat nadenken over je eeuwige bestemming, opdat de levensernst zich vast gaat hechten in je binnenste. Dan is de jongste dag, de oordeelsdag niet meer ver weg. Om zondaren tot zich te brengen, legt God de eeuwige dingen met overtuiging en ernst in ons hart.

Jongens en meisjes, daar hoef je echt niet oud voor te zijn. Je hoeft ook helemaal niet mee te maken wat Job moest meemaken. Want zo jong als je bent, wat kun je veel vragen hebben. Bijvoorbeeld: Als je sterft, waar ben je dan? Wat is de hemel? En de hel? En als de Heere Jezus terugkomt, gaan alle mensen dan weer leven? En ik, waar ben ik dan als ik sterven moet, of als de Heere terugkomt? Wat kun je die vragen ook in je eigen jonge hart hebben.

 

Job worstelde met zijn vragen. Als een man gestorven is, zal hij weder leven? Zijn vragen kwamen voort uit de kwellingen van de strijd waarin hij zich bevond. En het antwoord?

Het antwoord komt tenslotte op een dag in Bethanië. Op een dag van onbegrepen, diepe rouw en verdriet. Het antwoord op Jobs vragen komt van Jezus. Als een mens sterft, zal hij dan leven? ‘Ja,’ zegt Jezus: ‘Die in Mij gelooft, zal leven, al ware hij ook gestorven’ (Joh.11:25).

Want Jezus, Hij is de enige Reine, die uit een onreine geboren is. Zijn bloed is rein en heilig.  Dat bloed wast je van al je onreinheid. Jezus is gekomen om heel dat dossier, die grote bundel van je zonden en schuld, alles wat opgetekend staat voor God, óp Zich te nemen en een eeuwige verlossing aan te brengen. O, Hij is de Man van smarten, Die niet alleen gekomen is om onze ongeréchtigheden te dragen, maar Die ook gekomen is om onze krankheden, onze levensvragen te dragen. In Hem is de ware rust voor onrustige mensen. Komt herwaarts tot Mij, zegt Jezus, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven (Matt.11:28).

 

Wat is het groot om in je levensnood en met al je levensvragen stil te worden. Ook Job is uiteindelijk stil geworden. In een ware Godsontmoeting werd zijn ziel getroost. Zo worden wíj stil en gaat Gód spreken. Zalig is het te luisteren naar Jezus’ stem, want Hij is meer dan ‘een mens van een vrouw geboren’. Hij kan zeggen: Ik ben de Opstanding en het Leven; die in Mij gelooft, zal leven, al ware hij ook gestorven; en een iegelijk die leeft en in Mij gelooft, zal niet sterven in der eeuwigheid (Joh.11:25-26).

 

Het zijn de woorden, gemeente, die Jezus tot Martha sprak, bedroefd als ze was om het overlijden van haar broer Lázarus. Die in Mij gelooft… Dat is het antwoord. Daar gaat het om. Bij al die moeilijke vragen is hier het eenvoudige Evangelie-antwoord: Die in Mij gelooft zal niet sterven, maar leven. Leven in eeuwigheid. Die in Mij gelooft... Het geloof grijpt Jézus aan. Het geloof komt met alle nood en verlorenheid tot Hem. Het geloof zoekt die ene Reine, omdat je jezelf zo’n onreine weet.  Kent u dat?

Geloof worstelt op leven en dood met de vraag: Is er een weg, is er een middel om de verdiende straf te ontgaan als God met mij in het gericht treedt? Geloof leert alle hoop aan onze kant verliezen. Geloof ziet gepastheid en dierbaarheid in de lijdende en stervende Jezus. En zeker, er kan vrees in je hart zijn. Er kunnen veel vragen in je hart zijn. Wat kan satan je benauwen! Het sterven, de dood kan je verschrikken. Maar nooit, nooit zal een ziel verloren gaan die tot Jezus vlucht! Want het is waar, eeuwig waar: Die in Mij gelooft, zegt Jezus, zal niet sterven maar leven. Dan zul je leven, zelfs al ben je gestorven.

 

Neem dit mee: Geloof beslist bij al de vragen van het leven. Geloof is beslissend in de zaak van leven en dood. De bekende evangelist en prediker in Chicago, Moody, werkte samen met de zanger Sankey. Moody zei eens: ‘Lieve mensen, op een dag zul je in de krant lezen: D.L. Moody is gestorven. Geloof het niet, geloof het niet, want ik zal die dag meer leven dan ooit daarvoor.’

 

Amen.

 

De slotzang is psalm 73: 13.

 

Wien heb ik nevens U omhoog?
Wat zou mijn hart, wat zou mijn oog,
Op aarde nevens U toch lusten?
Niets is er, waar ik in kan rusten.
Bezwijkt dan ooit, in bitt're smart
Of bangen nood, mijn vlees en hart,
Zo zult Gij zijn voor mijn gemoed
Mijn rots, mijn deel, mijn eeuwig goed.