Ds. R. Kattenberg - Lukas 23 : 35a en 42

Het zien op Jezus, als toeschouwer of als getuige

Lukas 23
1. Het zien op Jezus door het volk
2. Het zien op Jezus door de moordenaars

Lukas 23 : 35a en 42

35a En het volk stond en zag het aan. 42 En hij – dat is de moordenaar, rechts van Jezus – zeide tot Jezus: Heere, gedenk mijner als Gij in Uw Koninkrijk zult gekomen zijn.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 54: 1 en 2
Lezen : Lukas 23: 26 - 33
Zingen : Psalm 69: 4 en 5
Zingen : Psalm 22: 4
Zingen : Psalm 95: 4 en 5
Zingen : Psalm 9: 11

Gemeente,

 

Met de hulp van de Heere bedien ik u het Woord van God uit Lukas 23 vers 35a en 42.

 

En het volk stond en zag het aan.

En hij – dat is de moordenaar, rechts van Jezus – zeide tot Jezus: Heere, gedenk mijner als Gij in Uw Koninkrijk zult gekomen zijn.

 

Het thema is: het zien op Jezus, als toeschouwer of als getuige. Dat bezien we van twee kanten:   

 

  1. Het zien op Jezus door het volk. 
  2. Het zien op Jezus door de moordenaars.

 

 

1. Het zien op Jezus door het volk

Wat is een toeschouwer, gemeente? Een toeschouwer is iemand die zich op afstand houdt. Hij blijft op de vlakte. Hij staat er wel bij, maar doet niet mee. Als er iets ergs gebeurt, pas je ervoor op risico te lopen. Als er een grote brand is, lees je in de krant: er waren veel toeschouwers. Allemaal mensen op afstand. Kinderen, jullie snappen dat wel. Als je te dichtbij komt en de vlammen raken je, kan je je branden en dat wil je natuurlijk niet. Dus, toeschouwer: op afstand.  Een ander voorbeeld: kinderen hebben op het plein ruzie. Jongens vechten met elkaar. Jij staat erbij en kijkt ernaar. Je bent dan toeschouwer. Je vecht niet mee, maar je loopt ook niet weg. Je blijft op afstand

 

Nergens is het zo ingrijpend toeschouwer te zijn als op Golgotha. U ziet het voor u. Jullie ook jongens en meisjes. Een stoet nadert uit Jeruzalem met in het midden Iemand met een gebogen gestalte. Hij is veroordeeld tot de dood: de Heere Jezus. De Heere Jezus, de Koning der Joden. Als je tot de dood veroordeeld bent, moet je een plankje om je nek dragen waarop staat wat je gedaan hebt. Die moordenaars op Golgotha hebben ook zo’n plankje. En Jezus? Pilatus heeft gezegd: Jezus? Deze is Jezus, de Koning der Joden (Matth.27:37). Dat staat op Zijn plankje. Straks, als ze op Golgotha aangekomen zijn, zal dat plankje boven Zijn hoofd hangen. Dat is nu de Zaligmaker der wereld, de Zoon van God. Soldaten drijven Hem voort en achter Hem aan komt de schare. Het volk, volgens de tekst. Ze komen aan op de plaats van executie. Het volk kijkt in spanning toe. Wat gaat er nu gebeuren? En het volk stond en zag het aan. Wat zien ze? We kunnen dat niet precies weergeven, maar we kunnen wel zeggen: het is heel ingrijpend. De ter dood veroordeelde komt aan handen en voeten te hangen op het vloekhout der schande. Het gefolterde lichaam van de Heere Jezus wordt nog verder uiteen getrokken en uiteen gescheurd door de spijkers waarmee Hij wordt opgehangen aan het kruis. Is er een smart zoals Zijn smart? Is er zoiets aangrijpends als wat Hem overkomt? Golgotha is de plek waar alle nood en dood zich samentrekken in één ogenblik.

 

Alle nood en dood. Hoeveel is dat? Dat weet ik niet. Dat weet alleen de Heere Jezus. Wat Hem overkomt, is uniek. Dat is eenmalig. Wat is dat dan, gemeente? Het is de volle openbaring van de toorn van God over de zonde. De volle openbaring van Gods toorn. Weet u wat dat is? Nee. Hij weet het alleen. Eindigen we dan in zo’n dieptepunt? Ja en nee. Kan dat: ja en nee? Dat kan. Enerzijds is er de volle openbaring van de toorn van God, tegelijkertijd is het de grote openbaring van de liefde van God. De genade van God, Die Zijn eigen Zoon geeft, Zijn Eniggeborene. Christus Jezus geeft Zichzelf tot het uiterste, tot in de diepte van de dood. Hij is Borg. Ik voor u, anders zou u de eeuwige dood moeten sterven. Dat speelt in deze ogenblikken op Golgotha. Daar is het volk getuige van. Hoe reageert het volk? Het staat erbij en kijkt ernaar. Meer niet. Dat is alles wat de Schrift ons aanreikt. Geen woord van protest. Niemand spreekt een gebed uit. Er is ook geen vloek. Nee, alleen maar: erbij staan. Alleen maar toeschouwer zijn op Golgotha.

 

Gemeente, waar gaat het nu over? Over Golgotha, over de Heere Jezus Christus op Golgotha. We lezen: Het volk stond, en zag het aan. Meisjes en jongens, of je wilt of niet: je wordt meegenomen naar Golgotha. Hoe ben jij daar en hoe bent u daar? Wat zegt het ons hier in de kerk in deze lijdenstijd? Waarom zijn we er? Om toeschouwer te zijn? Om naar dit alles te kijken? Echt? Moeten we niet schrikken van onszelf? Je kunt trouw zijn in je kerkgang en je kunt meelevend zijn. Je kunt het nodige geven voor de Heere en Zijn dienst. Maar de grote vraag is of het Woord van God, het Evangelie van Gods genade, ons gegrepen heeft, geboeid heeft. Zijn we erdoor geraakt? Je moet antwoord geven op de vraag: Wie is de Gekruisigde voor u? Wie is Hij voor jullie, meisjes en jongens? Voor de kinderen: Wie is de Heere Jezus voor jou, aan Wie je altijd vraagt: ‘Schoon mijn zonden vele zijn, maak om Jezus’ wil mij rein.’ Heeft Hij je jonge hart? Heeft Hij uw oude hart?

 

Wat gaat er om in onze gedachten als we op Golgotha staan? Als we al wat ouder zijn, hoe vaak bent u er al geweest? Hoeveel jaren hebt u de lijdenstijd meegemaakt? Wat heeft het uitgewerkt? Sommigen zeggen: ‘Ja, ik ben nog onbekeerd.’ Dus, alleen maar toeschouwer? Alleen maar op afstand toegekeken? Hoe groot is het gevaar dat we met een onverbroken hart en met een koud gemoed het lijden van de Heere Jezus aanhoren. Als we het ons door Hem niet laten gezeggen in ons leven: Die in den Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven; maar die den Zoon ongehoorzaam is, (...) de toorn van God blijft op hem (Joh.3:36).

 

Wat een pijn voor Jezus. Wat een diep ingrijpende smart. Aan de buitenkant van Zijn leven: wat zal het voor Hem – en ook voor die moordenaars – geweest zijn zo te worden opgehangen. Wat een pijn en moeite. Maar voor de Heere Jezus geldt dit niet alleen het lichaam, maar ook de ziel. Wat maakt het voor Hem zo bitter? De volle toorn van God over de zonde van de mensheid. Hoe diep grijpt de zonde in en hoe zwaar weegt de ongerechtigheid. De dichter zingt daar ook van: ‘Mijn God, hoe zwaar, hoe smartelijk valt dit lijden voor mijn gemoed.’ Dat zong een mens, David. Maar de grote Davidszoon zingt dat tot op de bodem van Zijn bestaan.

 

Is dat niet het aangrijpende van het leven van zoveel mensen dat ze niet verder komen dan toeschouwer zijn? Als we deze lijdenstijd afsluiten en moeten zeggen: ‘Ja, we stonden erbij en keken ernaar.’ Een leven, zo vlak als een spiegel. Een leven, waar misschien geen vinger op te leggen is. Een leven, voorbeeldig naar alle kanten. Een leven, zonder dat er enige golfbeweging in te onderkennen is. Maar niet een wederom geboren leven. Geen bekeerd leven, geen gelovig leven. Staan we erbij en zien we het aan? Moet het ons niet raken als we uit het Woord horen: Eer God de zonde ongestraft liet blijven, heeft Hij ze gestraft aan Zijn eigen lieve Zoon?  Wat Hij doorstaat, hebben wij verdiend. Daarom, lees uw schuld en jouw straf en zie de vloekwaardigheid van je zonden.

 

Wat is dat ‘zonde’? Wat gebeurt er dan? Je ziet het in het leven van de Heere Jezus. Daar zie je de diepte van ons zondaar zijn. Je moet je zonden niet kleineren. Ook moet je er niet koud onder blijven. Hoe word je er dan warm van? Dan moet je in de kerk zijn. Waarom moet je in de kerk zijn, buiten is het toch ook mooi? Vanbinnen vind je het misschien saai. Maar gelukkig, je bént er wel. Waarom is dat zo belangrijk? Hier ligt de Bijbel. Hier is het Woord van God. Is dat genoeg? Dat is niet genoeg, maar de Heilige Geest gebruikt het Woord. De Heilige Geest is hier. Hoeveel onheilige geesten er ook zijn in deze wereld en als je je ogen niet dicht hebt, kun je ze overal zien en ontdekken. Maar hier is de Heilige Geest tot heil en tot zaligheid, levenwekkend en wederbarend. Het Woord zegt: lieve kinderen, hier moet je zijn voor een nieuw hart. Hier moet je zijn om de Heere Jezus te leren kennen. Hij wil dat ook zo graag. Daartoe geeft de Heere Jezus Zijn hartenbloed en daartoe gaat Hij de diepste weg, opdat in de weg van bekering en van geloof in Zijn Naam er warmte komt in onze harten. Dat is die omkeer in het leven van een mensenkind. Je blijft niet als toeschouwer op afstand staan. Je wordt een belijder.

 

Weet u waar dat gebeurt? Daar, waar de zonde hoogtij viert. Je kunt nauwelijks een plaats noemen, waar de zonde zo samengebald is als op Golgotha. Heilige Geest – heel menselijk gezegd – hoe komt U daar doorheen? Dat is echter voor de Heilige Geest geen probleem. Hij is overal en Hij kan overal Zijn werk openbaren. Ook in uw hart? Ook in jouw hart?

Er kunnen mensen zijn die denken: Ach, het kan voor mij toch niet. Je gelooft dat het voor anderen kan en je ziet dat in het leven van anderen, maar voor u, voor jou kan het niet. Satan jaagt je op. Jij, een belijder? Hoe oud ben je? Zestien, achttien en dan een kind van God zijn? Wat heb je gedaan in je jonge leven? Wat staat er niet in je levensboek? Jij, een belijder van de genade van God in de Heere Jezus Christus? Of U? Dat zal niet gebeuren.

 

Maar Paulus heeft gezegd over Golgotha: Hij heeft de machten en de overheden uitgetogen. Christus Jezus is de grote Overwinnaar over duivel, hel en graf. De Heilige Geest neemt het uit Jezus, juist op Golgotha.  Dat is de vervulling van het Oude Testament: En het welbehagen des Heeren zal door Zijn hand gelukkiglijk (dat is: voorspoedig) voortgaan (Jes.53:10). Dat Woord is krachtig in zondarenland. Dat blijkt ook uit onze tweede gedachte: het zien op Jezus als getuige door die twee moordenaars.

We zingen eerst Psalm 22 vers vier:

 

Al wie Mij ziet, bespot Mij, boos te moê;

Men schudt het hoofd, men steekt de lip Mij toe.

Daar Ik ‘t gebed tot God vertrouwend doe,

Moet Ik nog horen:

‘Dat God, op Wie Hij steunt, Hem gunstig’ oren

Verleen’, Hem redd’;

Dat Die nu hulp doe komen,

En Hem, in Wien Hij heeft Zijn lust genomen,

In ruimte zet.’     

 

2. Het zien op Jezus door de moordenaars

De terechtstelling van de Heere Jezus Christus op Golgotha is de meest ingrijpende gebeurtenis in de geschiedenis. We komen dichterbij en overzien het geheel. Naast het kruis van de Heere Jezus staan nog twee kruisen opgesteld. Het ene kruis links en het andere kruis rechts van Hem. Van elk geldt: ook hier hangt een ter dood veroordeelde. Hier hangt op dit moment een stervende. Twee politieke oproermakers – moordenaars worden ze genoemd in het Evangelie – die het leven van anderen hebben uitgeblust en nu wordt het licht van hun eigen leven gedoofd. De ene, zo meldt Lukas ons, wil terug in het leven zoals dat achter hem ligt. Er staat in het negenendertigste vers: En een van de kwaaddoeners, die gehangen waren, lasterde Hem, zeggende: Indien Gij de Christus zijt, verlos Uzelven en ons. Het opschrift boven het hoofd van de Heere Jezus, de Koning der Joden, prikkelt hem tot in het diepst van zijn bestaan. Ongelooflijk, als dat waar is. Als Degene Die naast hem hangt de Koning der Joden is, laat Hij dat eens bewijzen, zodat wij er ook baat bij hebben. Verlos Uzelf én óns. Laat Hij ons het leven teruggeven.

 

Met de ander, die rechts van de Heere Jezus hangt, is het heel anders. Hij komt tot zichzelf. Tot jezelf komen... dat heb jij ook weleens, dat hebt u ook weleens. Dat er dingen zijn waarvan je denkt: wat heb ik nu toch gedaan? Waarom heb ik het gedaan? Dan komt alles op je af. Zo ook op deze indrukwekkende plaats, Golgotha. Eindelijk, voor het eerst van zijn leven wellicht, is het voor die moordenaar werkelijkheid: hij is alleen. Hij staat alleen voor God.

 

Gemeente, het is zo erg dat een mens zo vaak alleen met God is als het vlak voor de dood is. Het leven is voorbijgegaan zonder dat iemand alleen was met God. U ook? Jij? Ik? Altijd druk. We hebben altijd nog meer te doen. Altijd dingen die op onze weg geplaatst worden. Ben je weleens alleen met God? Probeer je het, meisje, jongen? Dat is niet zo simpel als een bladzij omslaan en dan denken: nu ben ik alleen met God. Zo komt het er niet van. We proberen het wel, maar doen het tóch niet. Waarom doe je het niet: alleen met God zijn? Als je straks thuiskomt, voordat je naar bed gaat, doe het dan eens. Ik durf eigenlijk niet. Nee, want als je alleen bent met God, kan het zo zijn dat je denkt aan de eeuwigheid. Daar ben je veel te jong voor. Of je denkt aan de dood. Je weet, je hoeft niet oud te worden om te kunnen sterven. Jonge mensen kunnen sterven, oude mensen moeten sterven, en zelfs kinderen. Je denkt aan je schuld en dan alleen met God zijn?  Waar is een mens nog alleen met God? Waar is het stil? Stil voor God.

Ooit hoorde ik – het is al jaren geleden – dat je in Amerika een plaat kon aanvragen op de radio. Wat stond daarop? Niets, een paar minuten stilte. Kijk, in die trend moet je het zoeken: alleen zijn met jezelf. Alleen zijn met God.

 

Op Golgotha is het bepaald niet stil. Veel mensen praten. En het volk stond en zag het aan. Er zijn ook hogepriesters en anderen. Die andere moordenaar, rechts van Jezus, heeft de korte preek van de Heere Jezus gehoord: Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen (Luk.23:34). Hij weet wat er op dat plankje staat: Jezus, de Koning der Joden. En dan zie je dat de Heilige Geest aan het werk is waar de zonde de hoogste triomf viert, waar de overwinning door de zonde wordt geproclameerd tot aan de einden der aarde. Maar de Heilige Geest – heel menselijk gezegd – trekt Zich daar niets van aan. Hier moet Hij zijn en Zijn werk doen. Hier, op Golgotha, is de echo van het kerstfeest. Waarvan? Van die bekende woorden: in de ménsen een welbehagen (Luk.2:14). Een welbehagen in ménsen.

 

Kennelijk is deze moordenaar tot zichzelf gekomen, zoals de verloren zoon. Daar staat zo mooi: En tot zichzelf gekomen zijnde, zei hij: Hoeveel huurlingen van mijn vader hebben het beter dan ik? Ik zal opstaan...  Ik zal opstaan. Wat ga je dan doen? Ik zal tot mijn vader gaan. En ik zal zeggen: Vader, ik heb gezondigd tegen den Hemel en voor u (Luk.15:17,18). Nu deze moordenaar tot zichzelf komt, kan hij het niet verdragen dat zijn kameraad zulke vreselijke dingen over de Heere Jezus zegt. In vers 40 staat: Maar de andere – de andere moordenaar – bestrafte hem, zeggende: Vreest gij ook God niet, daar gij in hetzelfde oordeel zijt? Moet u zich voorstellen, jullie ook meisjes en jongens. Ze hangen allebei aan het kruis. Ze kunnen geen van tweeën een kant op. Toch zegt die ene iets tegen die ander. Hoe stel je je dat voor? Vóór de Heere Jezus langs, maar speelruimte heeft hij niet. Zijn hoofd is niet vastgespijkerd, dus hij zal geprobeerd hebben om zijn hoofd wat naar voren te tillen, en zo, langs Jezus heen zijn medebroeder die in hetzelfde oordeel hangt, aan te spreken.

 

Als we daarop letten, word je stil. Het is een gesprek tussen twee stervenden. Twee mensen die aan het einde van hun leven zijn, spreken met elkaar. Het gebeurt niet veel dat twee stervenden met elkaar spreken. Hebt u dat weleens meegemaakt? Ik niet. Jullie ook niet, denk ik, meisjes en jongens. Het is heel indringend. Die tweede zegt nog meer. Hij vergelijkt zichzelf en zijn vriend met de Heere Jezus. Alle drie ondergaan ze hetzelfde lot. Alle drie hangen ze aan het vloekhout der schande. Geen verschil. Toch ontdekt die ene moordenaar tussen zichzelf en de Heere Jezus een oneindige afstand. Hij erkent dat ook, vers 41: En wij toch rechtvaardiglijk, want wij ontvangen straf, waardig hetgeen wij gedaan hebben; maar Deze heeft niets onbehoorlijks gedaan.

 

Hoe komt hij daartoe, gemeente? Dat is de bediening van de Heilige Geest, de dieptewerking van de Heilige Geest juist daar waar de zonde heerst, waar de zonde samengebald is, waar iedereen zich afzet tegen de Heere Jezus. Wie verwacht zo’n woord uit de mond van de moordenaar rechts van Jezus, die sterft en de laatste adem uitblaast? De man aanvaardt het bankroet van zijn leven. Hij is failliet. Hij heeft niets meer voorhanden en niets meer te zeggen. En toch, links van hem zie je iets anders. Daar hangt Eén, Die wél rechtvaardig is en Die níet bankroet is en Die niet failliet is. Ook al hangt Hij daar.


Zo zijn hier twee dingen op te merken. Het eerste is: in elk mensenleven, vroeg of laat, komt het ogenblik dat je geen toeschouwer kunt blijven. Het is onbestaanbaar toeschouwer te blijven ten opzichte van de Heere Jezus Christus. Voor kijken is bij het kruis geen plaats. Hoort u dat: bij het kruis geen plaats om te kijken. Beter dat je je dat nu realiseert dan dat je daarmee wacht tot je misschien zeventig of tachtig jaar wordt. Het gaat om je jonge leven, om vandaag. Nu spitst het zich toe, heel kort door de bocht: bent u vóór Jezus of bent u tégen Jezus? Je kunt het op allerhande manieren invullen: ben je bekeerd of niet bekeerd, vóór of tégen Hem? Dat is beslissend. Net als die man links van Jezus die het leven wil. Hij wil wel graag het leven weer in, de oude draad weer oppakken. Maar om door het kruis van Christus gered te worden: dan zegt hij: ik niet. Hij handhaaft zichzelf. Hij is tegen Jezus. De andere kant, dat is mét Jezus. Zo is het bij de moordenaar rechts. Die man is eerlijk tegenover God en zichzelf. Hij belijdt immers: ik hang hier verdiend. Ik sterf verdiend. Wij toch rechtvaardiglijk. Die man is ook eerlijk tegenover de Heere Jezus: U hangt hier wel, maar dat is niet verdiend.

 

Bent u vóór of tégen Jezus? U zoekt het ergens in het midden? Dat kan niet! U moet bij verkiezingen één vakje rood maken, Zo is het ook nu, gemeente. Het gaat ons allemaal aan. Niemand kan op Golgotha neutraal blijven. Niemand kan op afstand blijven en toeschouwer zijn. Er is méér aan de hand. Ik zei zo-even wat er speelt, enerzijds. Er is nog meer, een anderzijds. Daarbij staan we stil, nadat we gezongen hebben. Psalm 95 vers 4 en 5:  

 

Want Hij is onze God, en wij

Zijn ’t volk van Zijne heerschappij,

De schapen, die Zijn hand wil leiden;

Zo gij Zijn stem dan heden hoort,

Gelooft Zijn heil- en troostrijk woord;

Verhardt u niet, maar laat u leiden.

 

Verhardt u niet, neemt Zijn genâ

Ootmoedig aan; laat Meriba,

Laat Massa u ten afschrik wezen;

Waar ‘k door uw vaders ben verzocht,

Toen alles, wat Mijn almacht wrocht,

Hen niet bewoog om Mij te vrezen.

 

Ten slotte nog twee dingen, gemeente. Het eerste was: vóór of tégen? Er is geen tussenweg: of het één of het ander. Het tweede is: als het erop aankomt, speelt het verleden geen rol. Daar moet je wel even over nadenken. Als je dat hoort, ben je geneigd je ertegen te verzetten. Al luisterend echter hoop ik dat je het ermee eens bent. Of je nu een moordenaar of toeschouwer was op Golgotha. En vandaag: of je nu rechtzinnig bent, maar nog onbekeerd. Of je méér zonden hebt dan wie ook maar. Alles wat er tot nu toe geweest is in je leven valt op Golgotha weg bij de vraag: vóór of tégen? Ja of nee? Dat is heel indringend. Aan de ene kant: ik wil niet dat Deze Koning over mij zal zijn, de moordenaar links. De man rechts: geef mij Jezus of ik sterf. Eén van de twee.

 

Dat laatste horen we uit de mond van die ene moordenaar, beter nog, uit het hart van die man: geef mij Jezus of ik sterf. Maar man, wat heb je niet uitgespookt in je leven? Kijk eens naar je handen. Bloed aan je handen. Kijk nog eens naar je handen. Je hebt er een ander mee gewurgd, gedood. Durf jij dan? Wat staat er niet in je levensboek. Als het erop aankomt – ik zeg niet dat het niet meespeelt – is heel je leven niet doorslaggevend. Net zomin als je zou kunnen zeggen in het gericht: Heere, ik heb altijd netjes geleefd. Ik heb iedereen het zijne gegeven en ik heb mijn best gedaan. Ik heb diploma’s gehaald. Ik heb mijn werk goed verricht. De ene kant en de andere kant.  

 

Dat is toch ongehoord wat de moordenaar rechts van de Heere Jezus laat horen. Wat een aangrijpend woord. Wat bijzonder dat je een moordenaar – dat wordt gezegd van de Heere Jezus – zo aanroept. Wat een aangrijpende ommekeer bij die man. Wat een verschil met die ander. Je ziet drie kruisen: in het midden de Heere Jezus, links de ene moordenaar, rechts de andere moordenaar. Op dit moment doen die twee moordenaars hetzelfde. Wat laten wij ze doen? Allebei een kwartslag draaien met hun hoofd naar links. Een kwartslag, naar links. Die ene moordenaar kijkt de wereld in en zegt: ‘Ja, geef mij de wereld en houd Jezus maar. Ik wil graag dat leven weer terug.’ De moordenaar rechts van de Heere Jezus doet zijn hoofd ook een kwartslag naar links en hij ziet… Jezus. Leven van mijn leven, dood van mijn dood. Hij voor mij, opdat ik niet de eeuwige dood zou moeten ondergaan.

 

In die twee moordenaars vind je heel de wereld getekend: vóór of tégen. De werkelijkheid voor de groten van de aarde, maar ook de werkelijkheid voor u, voor jou, voor mij. Waar hang je, meisje, jongen? Wat is getekend in je leven? Wat komt dan het werk van de Heilige Geest openbaar. Wat is de vrucht ervan? Die man, de moordenaar rechts, doet schuldbelijdenis en geloofsbelijdenis. Hellenbroek schrijft in zijn vragenboekje, de ouderen weten dat nog wel: dan leer je God kennen in Zijn algenoegzaamheid, dat is één. Dan leer je Jezus kennen in Zijn dierbaarheid, dat is twee.  En je leert jezelf kennen in je vloekwaardigheid, dat is drie. God, Jezus en jezelf. Alles in het leven van deze mens is uit de verdiensten van die middelste Kruiseling, van Hem Die naast hem hangt.

 

Gemeente, wat een vreugde in het lijden van de Heere Jezus. Het bitterste lijden en dan nu ineens vreugde? Ja, wat dacht u. Vreugde voor de Heere Jezus in Zijn lijden. Wat een vervulling van de belofte: Als Zijn ziel Zich tot een schuldoffer gesteld zal hebben, zo zal Hij zaad zien (Jes.53:10). Hij zal kinderen hebben. Zo dadelijk zal Hij op het dieptepunt van het lijden het uitroepen: Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? (Matth.27:46). Maar nu, vlak daarvoor, gaat de hemel open en komt de Vader met de versterking in het laatste gedeelte van het lijden van Zijn Zoon: hier is er één voor U, Mijn Zoon. Hier is die moordenaar die rechts van U hangt. Het zwaarste lijden ondergaat Hij, maar de glorie krijgt Hij van de hemel aangereikt. Hier is er één voor Hém, die Hem heeft aangeroepen.

 

Wat een ootmoedig beroep doet de moordenaar op de genade van God in Jezus Christus: Heere, gedenk mijner – denk aan mij – als Gij in Uw Koninkrijk zult gekomen zijn. Dan ben je geen toeschouwer meer. Dan blijf je niet op afstand. Het is zo heel persoonlijk. Hoe dan? Er staat: Gedenk míjner. Gedenk aan míj. Wie zegt dat? Dat kun je alleen zélf maar zeggen. Dat kan een ander niet voor je zeggen. Anderen kunnen zeggen: ‘Heere, gedenk aan… , onze kinderen, ouders, kennissen.’ Gedenk onzer. Je bent er zelf wel bij betrokken, maar in een groep. Of: ‘Gedenk aan hen’ – anderen. Of: ‘Gedenk aan hem, haar’ – dan bid je voor een ander. Voor dat ‘mijner’ echter moet je er zelf hangen, in het laatst van het leven, in de uiterste nood. Gedenk míjner. De schuld is persoonlijk, de straf is persoonlijk. Met de genade is het niet anders.

 

Zie dan het wonder, onbegrijpelijk en ondoorgrondelijk: hier gaat de kruiseling met een kleine ‘k’ de Kruiseling met een hoofdletter, met een grote ‘K’ aanroepen. En de ‘stervende met een kleine ‘s’ gaat de Stervende met een grote ‘S’ aanroepen. Dat is wat je noemt: geloven in de Gekruiste. Hier is alle opsmuk verdwenen, alle vermomming, alle franje. Hoe authentiek is dit. Als je het héél kort samenvat, twee woorden: één Naam en één woord: Jezus alleen. Gedenk mijner.

 

De man hoeft niet lang op antwoord te wachten. De stervende Koning geeft aan deze ten dode opgeschreven moordenaar grote en heerlijke vrijspraak: En Jezus zeide tot hem: Voorwaar zeg Ik u: Heden zult gij met Mij in het Paradijs zijn. Horen we dat? Heden met Míj. Ook Jezus gebruikt dat woordje ‘Mij’. Dat kan ook geen ander voor Hem zeggen, want Hij is de Middelaar Gods en der mensen. De moordenaar rechts van Jezus ziet Hem  in Zijn Koninkrijk komen. Hij mag mee, want Jezus heeft gezegd: ‘Met Mij’. Jezus heeft niet gezegd: ‘Heden zult gij in het Koninkrijk zijn.’ Dat is ook geweldig. Dat moge zo zijn... Maar daar gaat het de moordenaar niet om. Het gaat om Hém; om met U, Heere Jezus te zijn, de Koning der Joden.

 

Kohlbrugge maakt een vergelijking met Jozua en Kaleb. Oudere kinderen weten dat wel: Jozua en Kaleb waren degenen die meetrokken met het volk Israël het beloofde land in. Jozua betekent Jezus. Samen gaan ze het beloofde land binnen.  Nu hier, op een veel hoger plan: Jezus en de moordenaar gaan het eeuwig Koninkrijk binnen.  Jozua en Kaleb – Jezus en de moordenaar. Kaleb betekent hond. Ziet u hen gaan? Jezus en de hond gaan het Koninkrijk binnen.

 

Amen.

 

Psalm 9 vers 11:

 

Zingt, zingt den Heer’, Die eeuwig leeft,

Die Sion tot Zijn woning heeft;

En laat voor aller volken oren,

Met psalmgezang, Zijn daden horen.