Ds. D. Rietdijk - Richteren 14 : 5b-6

Simsons eerste heldendaad

1. De strijd tussen vlees en Geest
2. De overwinning door de Geest
3. Simson als type van Christus

Richteren 14 : 5b-6

Als zij nu kwamen tot aan de wijngaarden van Thimnath, ziedaar een jonge leeuw, brullende hem tegemoet. Toen werd de Geest des HEEREN vaardig over hem, dat hij hem vaneenscheurde gelijk men een bokje vaneenscheurt, en er was niets in zijn hand; doch hij gaf zijn vader en zijn moeder niet te kennen wat hij gedaan had.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 99: 1
Lezen : Richteren 13: 24-14:7
Zingen : Psalm 84: 3, 6
Zingen : Psalm 35: 13
Zingen : Psalm 3: 4

Gemeente,

De tekst voor de prediking kunt u vinden in Richteren 14 de verzen 5b en 6:

 

Als zij nu kwamen tot aan de wijngaarden van Thimnath, ziedaar een jonge leeuw, brullende hem tegemoet.

Toen werd de Geest des HEEREN vaardig over hem, dat hij hem vaneenscheurde gelijk men een bokje vaneenscheurt, en er was niets in zijn hand; doch hij gaf zijn vader en zijn moeder niet te kennen wat hij gedaan had.

 

In deze tekst vinden wij Simsons eerste heldendaad. We gaan op drie dingen letten:

 

  1. De strijd tussen vlees en Geest.
  2. De overwinning door de Geest.
  3. Simson als type van Christus.

 

  1. De strijd tussen vlees en Geest.

Simson is geboren. Daarmee begint de geschiedenis die in onze tekst plaatsvindt. De geboorte van Simson heeft grote blijdschap gegeven in het huis van Manóach. Hun eersteling, ongedacht en nooit meer op gerekend, is geboren. Waar zou géén blijdschap zijn als er een kind geboren wordt? Het is altijd weer een wonder van God, Die leven schept en leven geeft.

In het huis van Manóach is er, naast de blijdschap over de geboorte van het kind, ook geestelijke vreugde in God te vinden. Want de Heere heeft de belofte die Hij gegeven had, op een heerlijke wijze vervuld. God is de Waarmaker van Zijn Woord. Hij vervult genadig, op wonderlijke wijze – altijd maar weer – de beloften die Hij gegeven heeft, ondanks onze onmogelijkheden. God is getrouw aan Zijn woord. Zo blijkt dat ook in het huis van Manóach. Het geloof van Manóach en zijn vrouw wordt niet beschaamd.

 

In vreugde heeft de moeder haar zoon een naam gegeven. Het moet ons opvallen dat niet de vader, maar de moeder aan dit kind een naam geeft. Want het loopt in de Heilige Schrift altijd weer uit op de maagd die zwanger zal worden, die een Zoon zal baren en Zijn Naam Immanuël zal heten. Zo geeft ook deze vrouw aan haar kind een naam: Simson noemt ze hem. Simson betekent: zonnekind, of ook zonneheld. In Israël is de zon het beeld van de overwinnaar. Als u Psalm 19 leest, dan wordt daarin de zonnekracht en zijn heerlijkheid bezongen. In de berijmde Psalm 19 vers 3 staat:

 

Z' is vrolijk, als een held,
Die in 't bestemde veld
Zijn vuur en vaart doet blijken;
Zij heeft haar zwaai en spoor
De ganse hemel door;
Niets kan haar gloed ontwijken.

 

De zon is dus de overwinnaar. Onweerstaanbaar komt zij op in haar kracht en heerlijkheid. Manóachs vrouw heeft bij de naamgeving gedacht aan de róéping van haar zoon. Hij zal richter zijn in Israël. Hij zal beginnen het volk te verlossen van de Filistijnen. De nacht, waarin Israël verkeert, zal moeten wijken. De dag van Gods gunst zal de donkerheid van die nacht verbreken. De machten van de duisternis zullen door deze jongen worden verslagen.

Simsons moeder heeft diep geluisterd naar de boodschap die de Engel aan haar heeft gebracht. Ze heeft de belofte vernomen; ze heeft dat woord in haar hart opgeborgen. En als het kind geboren wordt, getuigt ze van haar geloof in de beloften Gods, door de naam die ze aan haar kind geeft: Simson – zonnekind, zonneheld.

Toch beseft deze moeder dat haar kind de zon zélf niet zal zijn. Hij is kind van de Zon. Door de grote Zon der gerechtigheid zal hij stralen uitzenden. De grote Zon der gerechtigheid zal Israël, door dit kind, wat licht geven. Maar de Heere Zelf is en blijft dé Zon der gerechtigheid.

Zo gaat dit kind leven als een jongen die gaat heenwijzen naar de grote Zon der gerechtigheid, Die eenmaal komen zal. De Zon Die de heerschappij van de vorst der duisternis zal verbreken. Die mensen van de duisternis zal verlossen en zal zetten in het licht van Zijn Koninkrijk.

 

Nevels blijven echter dit zonnekind omhullen. Simson gaat naar Christus toe, maar loopt ook telkens weer bij Hem vandaan. Van de jeugd van Simson weten we niets. Daar staat weinig van in de Bijbel beschreven. Er staat alleen dat het knechtje groot werd en dat de Heere het zegende. Dat ‘groot’ worden wil heel eenvoudig zeggen dat hij opgroeide en tot de jaren van zijn verstand kwam; hij werd een man. Ook daarin kwam de zegen van de Heere openbaar.

Het is opmerkelijk dat we dat bericht ook van al de andere Nazireeërs lezen in de Bijbel: dat ze ‘groot’ werden. We lezen het bij Samuël, bij Johannes de Doper, maar bovenal lezen we het van de Heere Jezus.

 

Het is steeds weer de bevestiging van Gods trouw aan het woord van Zijn belofte. Ook het opgroeien en de ontwikkeling van dit kind is door de Geest des Heeren. Niets is vanzelfsprekend in ons verbroken en aan de dood onderworpen leven. Dat onze kinderen opgroeien, dat ze zich ontwikkelen, dat ze groot worden, is geen minder groot wonder dan de geboorte zelf. Ook dáárvoor is de Geest des Heeren nodig.

Dat ‘groot’ worden wil niet zeggen dat Simson, zoals het wel eens wordt voorgesteld, een geweldig groot en sterk figuur werd. De kracht van Simson is niet de natuurlijke kracht van een geweldig grote, bijzonder sterke man. Zijn kracht is niet te verklaren vanuit zijn lichaamsbouw. Nee, het is een kracht door de Geest des Heeren. Simson is een gewoon mens. Gewoon in zijn ontwikkeling, opgegroeid onder de zegen van de Heere en de genade van de Heilige Geest, maar toch: een gewoon mens. Al de kracht die hij ontwikkelt, is een kracht die hij door de genade van God ontvangt, door de werking van de Heilige Geest.

 

Van de jaren bij zijn vader weten we niets. Dat weten we ook van Johannes de Doper en van de Heere Jezus niet. Het ogenblik komt echter dat Simson groot geworden is en dat de Geest hem af en toe gaat aandrijven. In hoofdstuk 13:25 kunt u het lezen: En de Geest des Heeren begon hem bijwijlen te drijven in het leger van Dan tussen Zora en tussen Estháol.

Het is net als bij de profeten uit het Oude Testament; die werden ook telkens door de Geest van de Heere aangedreven. Het is als met een trompet die alleen geluid geeft wanneer erop geblazen wordt. Zo drijft de adem van de Geest Simson als een instrument aan. Door diezelfde Geest werden de profeten aangedreven om de woorden van God te spreken.

 

Zo drijft de Geest Simson van tijd tot tijd aan tot kracht. Dat wil zeggen dat Simson een beséf gaat krijgen van de roeping die hij van God ontvangen heeft. De Heilige Geest drijft hem nu en dan aan, zodat het huis van Manóach hem te klein en te benauwd wordt. Hij moet eropuit. Zoals de profeten niet konden leven als ze niet zouden kunnen spreken, zo kan Simson niet leven als hij er niet opuit zou kunnen gaan. Simson wordt zich van zijn roeping bewust.

Zo is het met jonge mensen die de Heere gebruiken wil in Zijn dienst en in Zijn wijngaard. Die worden bijwijlen (let op dat woord bijwijlen: af en toe) aangedreven door de Heilige Geest, zó dat zij, gedrongen door die Geest en de liefde, niet meer kunnen zwijgen. Ze móéten dan spreken.

 

Zo gaat Simson naar Zora; zo gaat Simson naar Estháol. Hij wordt gedreven naar de steden van de Filistijnen om daar zijn roeping uit te oefenen, zijn roeping om een begin te maken met de verlossing van Israël. Zo drijft de Heere jonge mensen aan door Zijn Geest om in Zijn wijngaard te werken, om daar te mógen dienen.

Wat is het groot als de Heere dat doet; wat is het wonderlijk als de Heere dat geeft. Dat Hij jonge mensen roept in Zijn dienst. Ik vraag me wel eens af of jongens daar wel eens over nadenken wat het zou zijn als de Heere ze zou roepen tot Zijn heilige dienst. Ben je daar wel eens in het gebed mee bezig? Ben je er wel eens over aan het piekeren? Heb je misschien wel eens die aandrijving in je hart gevoeld zodat je zegt: Ja, dat is van de Heere?

 

Simson gaat van tijd tot tijd, aangedreven door de Geest, naar het volk van de Filistijnen. Dat is voor Simson niet zo geweldig moeilijk: de grenzen liggen open, want de Filistijnen heersen over Israël. Het is dus niet heel verwonderlijk dat die jongeman uit Israël zomaar de grens passeert en dán eens naar Zora en dan weer naar Estháol gaat.

Zo komt hij ook in Thimnath. Het is een plaats die oorspronkelijk aan Israël toebehoorde; het hoort nu bij de Filistijnen. Daar ziet Simson een meisje, een meisje dat zijn hart inneemt. Simson gaat dadelijk terug naar zijn ouders. Hij zegt: ‘Vader, moeder, ik heb in Thimnath een meisje gezien en daarmee wil ik trouwen.’

 

We kunnen ons voorstellen dat die woorden een schok hebben gegeven bij Manóach en zijn vrouw. Want zij hebben hoge verwachtingen gehad van de zoon die God hun geschonken had. Het was een voorspoedige jongen geweest, een jongen die het

Nazireeërschap zou gaan dragen. Wat valt het dan toch tegen als hij met het bericht komt dat hij wil gaan trouwen met een Filistijns meisje. Wat is het een bittere boodschap voor Simsons ouders. Het was in Israël namelijk verboden om te huwen met iemand uit een ander volk; om met een heidin te trouwen.

Nadrukkelijk heeft de Heere dat gezegd in Exodus 34 en in Deuteronomium 7:  Gij zult u ook met hen (de heidense volken) niet vermaagschappen; gij zult uw dochters niet geven aan hun zonen, en hun dochters niet nemen voor uw zonen. Want zij zouden uw zonen van Mij doen afwijken, dat zij andere goden zouden dienen; en de toorn des Heeren zou tegen ulieden ontsteken en u haast verdelgen.

In het Nieuwe Testament zegt Paulus: Trekt niet een ander juk aan met de ongelovigen; want wat mededeel heeft de gerechtigheid met de ongerechtigheid? (2 Kor.6:14). Er liggen daar vermaningen van de Heere. Er liggen daar lessen voor ons allen.

 

Simson heeft het van zijn ouders moeten horen: ‘Is er geen meisje voor je in Israël? Waarom zou je nu per se trouwen met een meisje uit de Filistijnen, uit die onbesnedenen?’

De Filistijnen worden met voorrang ‘onbesnedenen’ genoemd. Want bij veel heidenvolken rondom Israël was de besnijdenis als zodanig wel bekend. Maar zelfs dát was bij de Filistijnen niet het geval. Dus: andere heidenen kenden wel de besnijdenis, hoewel niet als teken en zegel van Gods verbond, maar als een gebruik. Maar de Filistijnen kenden zelfs dát gebruik niet. En daarom: ‘Jongen, wil je nu écht een meisje nemen uit dat volk?’

 

Maar Simson zet door. Hij wil per se naar Thimnath. Hij wil dat meisje hebben en daarmee trouwen: Neem mij die, want zij is bevallig in mijn ogen (vers 3). Vervolgens laat de Bijbel ons een woord horen dat heel wonderlijk is. Want dan zegt de geschiedenis: Zijn vader en zijn moeder wisten niet, dat dit van den Heere was, dat hij gelegenheid zocht van de Filistijnen (vers 4).

Nu moeten we toch wel verwonderd staan. Betekent dit, dat het huwelijk van Simson met dat meisje uit Thimnath van de Heere is? Zou deze Nazireeër, die aan Israël moest tonen dat hij geheel aan God gewijd behoorde te zijn, moeten trouwen met een Filistijnse? Nee, dat bedoelt de tekst niet wanneer er staat dat het van de Heere was, en dat de ouders van Simson dat niet begrepen.

Er spelen twee dingen in het leven van Simson en dat begint hier al: het conflict tussen zijn roeping door God én de lust van het vlees. Aan de ene kant roept Gód hem naar de Filistijnen om een begin te maken met de verlossing van Israël. Aan de andere kant trekt de lust van het vléés hem naar de Filistijnen om met dat meisje te trouwen. Als ambtsdrager van God moet hij de Filistijnen bestrijden; als persoon gaat hij zich met de vijand vermengen. Het is de tweespalt in Simsons leven.

 

Simson zet hier voor de eerste keer zijn voet op het glibberige pad búíten het spoor van de Heere. Dat glibberige pad heeft Simson daarna dikwijls betreden. Simson stapt zo vaak naast het pad van God; hij zet zo vaak zijn voet naast de weg die God hem gewezen heeft. Het zal hem uiteindelijk zijn beide ogen gaan kosten. Dat Simson met dit meisje trouwen wil, is zijn éígen verantwoordelijkheid en de Heere keurt dat níét goed. Hij laat het wel tóé.

 

Hier staan we voor het grote raadsel dat we vaak in de Bijbel tegenkomen. Dat God zo groot en zo goed is, dat Hij zelfs het kwaad besturen wil tot een groter doel. Toen de broers Jozef als slaaf naar Egypte verkochten, heeft de Heere dat bestuurd. Jozef zegt het: Gijlieden wel, gij hebt kwaad tegen mij gedacht, doch God heeft dat ten goede gedacht; (Gen. 50:20). God gaat de zonde, het kwaad van die broers, gebruiken om Israël tijdens de hongersnood te behouden, omdat Jozef inmiddels onderkoning van Egypte is. Door Jozefs handelen is er brood in overvloed.

En zo gaat God ook hier met een kromme stok – het huwelijk van Simson – een rechte slag toebrengen. Dát is van de Heere. Dat Simson een richter is, is een wonder van de genade van Christus. Want niet de daad van Simson is goed te keuren, maar wel het doel van God. Gods doel om Israël te verlossen van al zijn vijanden.

 

Wij zien hier dat Simson een nazaat is en blijft van de stam van Dan: een dubbelhartige stam. U weet het wel: de stam van Dan, die tenslotte niet meer voorkomt in het boek Openbaringen. Die niet meer wordt genoemd als de poorten van Jeruzalem worden beschreven. Twaalf poorten, maar Efraïm neemt de plaats in van de stam van Dan. Van de stam van Dan is daar niets meer te vinden. Voor Dan is er geen plaats in het nieuwe Jeruzalem.

Het is in Simson niet te prijzen dat hij zo’n dubbelhartig man is. Het is niet te prijzen dat hij, ondanks de waarschuwingen van zijn vader en moeder, zijn zinnen doorzet. Hij handelt niet naar het bevel van God, al was het wél naar Gods besluit, want er staat dat het van de Heere was. Maar wij hebben te leven naar de wil van Gods bevél, níet naar de wil van Gods besluit. Want Gods bevel, en niet Gods besluit, is aan Simson én aan ons geopenbaard.

We moeten maar niet uit de hoogte op Simson neerkijken. Wie van Gods kinderen zal ooit op Simson kunnen neerzien, als hij zijn eigen hart kent en weet wat daarin omgaat? Wie zou zich dan ooit boven deze man van God kunnen uittillen? Worden de wonden in ons eigen leven niet geslagen door onze eigen zonden? Is het niet zo dat we telkens opnieuw moeten zien, dat onze eigen zonden ons zoveel moeite en ellende bezorgen?

 

Wat Simson doet, is scheiding maken tussen de ambtsdrager en het ambt. Dat mag nóóit gescheiden worden. We kunnen onderscheid maken tussen het ambt dat God geeft én de drager van dat ambt. Maar je mag nooit de persoon en het ambt van elkaar losmaken.

Wanneer het persoonlijke, geestelijke leven van de ambtsdrager ten onder gaat, dan gaat ook het ambt ten onder. We zien het zo vaak in de Bijbel dat ambt en persoonlijk leven uit elkaar gaan wijken. De oorzaak is dat er speelruimte wordt gegeven, zoals Simson dat doet, aan de lust van het vlees.

Simson volgt niet alleen de roeping van zijn hart, maar hij volgt ook de lust van zijn oog. Hij geeft speelruimte aan die lust, en dat gaat steeds verder, totdat hij zijn ogen kwíjt is. Hij komt niet verder dan het ‘beginnen’ Israël te verlossen van de Filistijnen. Niet meer dan een begin.

 

Daarmee ziet u dat al die richters, profeten en verlossers uit het Oude Testament roepen om de grote Verlosser, Die eenmaal in de volheid des tijds komen zal. Want de grote Verlosser, de enige Richter Die volkómen verlossen kan, Die heeft het vlees geen ogenblik speelruimte gegeven. Integendeel! Hij heeft de zonde in Zijn vlees geboet. Zijn vlees werd gespijkerd aan het hout op Golgotha. Daar heeft Hij geboet voor alle bewegingen en begeerlijkheden van het vlees. Daar heeft Hij voor de lust van de ogen en de begeerlijkheden van de wereld geboet. Hij boette ook de zonde van Simson, die hier naar Thimnath ging om met een Filistijns meisje te gaan trouwen.

Hij boette volkomen voor de zonde, want Zíjn ogen bleven gericht op de wil, de wet en de gerechtigheid van Zijn Vader. En nu roept Hij door het Woord ons toe: Want indien gij naar het vlees leeft, zo zult gij sterven; maar indien gij door de Geest de werkingen des lichaams doodt, zo zult gij leven (Rom. 8:13). God laat geen ruimte over voor het vlees. Hij wijst één weg: het gekruisigd zijn mét Christus en het dagelijks gekruisigd worden door Zijn Heilige Geest.

 

Het is genade als we vastlopen in de speelruimte die we zoeken voor het vlees en wanneer we bij het kruis ondergaan met Christus, om ook met Hem te leven.

Simson begint de strijd te kennen tussen vlees en Geest. En toch, als hij naar Thimnath gaat met zijn ouders, dan verkrijgt hij een overwinning door de Geest. Dat is het tweede dat we gaan overdenken.

 

  1. De overwinning door de Geest

De ouders hebben zich wel verzet tegen het verlangen van Simson, maar ze leggen zich er tenslotte toch bij neer en gaan met hem mee naar Thimnath. Ze zijn misschien al helemaal ingewonnen door alles wat er in die dagen gewoon was. Simson is vast niet de enige man geweest uit Israël die ging trouwen met een Filistijnse. Het zal mogelijk al een gewoonte zijn geweest. En gewoontes slijten in, ook zondige gewoontes. Aan dingen waar we ons eerst over hebben verbaasd en ontzet, gaan we op enig moment gewend raken.

We merken dat ook in onze tijd en in de maatschappij waarin wij leven met alles wat je ziet, leest en hoort. Eerst is er de schok en is er ontzetting en verbijstering dat het allemaal mogelijk is, dat het allemaal maar kan. Maar als je het al tien keer gehoord hebt, en je ziet het een paar jaar gebeuren, dan raak je eraan gewend. Dan schokt het niet meer, het onthutst je niet meer en het is als het ware een vanzelfsprekende zaak geworden. Zo kan het ook bij de vader en moeder van Simson zijn geweest. Ze zijn eraan gewend geraakt. En al is het dan met bloedend hart, ze gaan uiteindelijk toch met Simson mee. Misschien een moeilijke gang voor beide mensen. Ouderharten kunnen worden verwond door dit soort dingen. Rebekka heeft verdriet gehad van het huwelijk van Ezau met de dochters van Heth. En het is vandaag niet anders. Deze dingen zijn in de Bijbel opgetekend tot onze waarschuwing.

 

Op de weg naar Thimnath beleeft Simson een heel merkwaardig avontuur. Hij reist heel duidelijk níét samen met zijn ouders. Kennelijk is hij van de doorgaande weg afgeweken en loopt hij alleen door de wijngaarden. Dat is een typische karaktertrek van Simson; je zult dat vaker bij hem opmerken. In plaats van het gezelschap van zijn ouders te waarderen en met hen mee te wandelen, gaat deze geloofsheld alleen op stap. Het is tekenend voor hem.

Maar het zijpad wordt gevaarlijk, want daar komt een jonge leeuw, vol van kracht, op Simson af. De muil wijd opengesperd, gereed om te springen en Simson te verscheuren. Eén slag van zijn machtige klauwen is voldoende om Simson te doden.

 

Maar dan staat er in onze tekst dat de Geest des Heeren vaardig werd over Simson. Simson scheurt de jonge leeuw vaneen, gelijk men een geitenbokje vaneenscheurt. Nu zal het vaneenscheuren van een geitenbokje óók veel kracht vragen, maar dat is níéts in vergelijking met het vaneenscheuren van een jonge leeuw.

Hier ziet u wat de Geest des Heeren doet. Simson wordt door de Geest vaardig gemaakt. Hij heeft geen voorraad kracht, waaruit hij even kan putten. Hij heeft ook geen wapens in zijn hand, leert onze tekst. De smeden waren namelijk weggevoerd naar het land van de Filistijnen, zodat er geen wapens gemaakt konden worden. Hij moet dus met zijn blote handen die leeuw aangrijpen, maar de Geest geeft hem daarvoor een overmaat aan kracht. Al was die leeuw nog tien keer sterker geweest, dan had Simson, door de kracht van de Heilige Geest, die leeuw óók in stukken gescheurd.

 

Nu is dit het wonderlijke: Als Simson terugkomt bij zijn ouders, spreekt hij met geen woord over wat er gebeurd is. Je zou denken dat hij, als hij bij zijn ouders komt, gaat vertellen van die jonge leeuw die op hem afkwam, en hoe hij het wilde dier als een geitenbokje uit elkaar heeft gescheurd. Maar daarin vergissen we ons. Het ligt wel in de lijn der verwachting dat Simson zou pochen op zijn overwinning. Dat stemt zo overeen met ons hoogmoedig hart. ‘Ik heb een leeuw gedood, alleen met mijn handen! Zonder een zwaard of spies bij me te hebben!’

Nebukadnézar snoefde: Is dit niet het grote Babel, dat ik gebouwd heb tot een huis des koninkrijks, door de sterkte mijner macht en ter ere mijner heerlijkheid? (Dan. 4:30). En wat verfijnder komt het voor bij de Farizeeën in de dagen van de Heere Jezus. Ze stonden op de hoeken van de straten urenlang te bidden, opdat ze door de mensen gezien en geprezen zouden worden over hun vroomheid.

Er zijn mensen die roemen in hetgeen ze gedaan hebben voor de Heere. Ook op het terrein van de genade wordt de hoogmoed gevonden. Maar Simson zwijgt over zijn daad. Hij zwijgt, hoe loslippig hij soms ook is – zoals we verderop in de geschiedenis van Simson zullen zien – hij zwijgt in alle talen over de daad die hij verricht heeft.

 

Waaróm zou dat zijn? Waarom zegt hij er niets over? Wel, daar lag zo’n les in voor Simson. Het was geen toevallige gebeurtenis dat de leeuw hem ontmoette op de weg naar Thimnath. Het was niet toevallig dat Simson dat beest vaneenscheurde door de kracht van de Heilige Geest. Daar ligt een door God gegeven les in voor deze geroepen richter uit Israël. Simson moet versterkt worden in zijn roepingsbesef. Gídeon werd ook eens versterkt in zijn roepingsbesef, toen hij in een nacht een Midianitische soldaat zijn droom hoorde vertellen: een gerstebrood dat het kamp binnenrolde, stootte zijn tent omver.

 

Símson krijgt een andere versterking. Híj ontmoet een leeuw. Zoals hij door de kracht van de Heilige Geest de leeuw verscheurt, zal hij straks de Filistijnen uit elkaar scheuren. Dat is de verzekering die Simson hier ontvangt. Hij zal door de kracht van de Heilige Geest zijn werk volbrengen. Hij ontvangt een Goddelijke waarborg, een garantie, dat hij in de mogendheid van de Geest voor niets en niemand hoeft te vrezen.

Simson heeft die taal verstaan. Als hij dan verstaat dat het alleen door de kracht van de Heere is dat hij de overwinning over de Filistijnen zal behalen, dan vált er niets op te scheppen, dan vált er niets te roemen. Hier zal een nietig mens alleen maar overdenken dat hij zonder die Geest niets vermag. Dat hij, zonder die Geest, in een ogenblik gedood zou zijn; dat hij dan niet meer zou bestaan.

 

Telkens opnieuw lezen we in de levensgeschiedenis van Simson, dat de Geest des Heeren vaardig werd over hem. Simson krijgt geen kracht in voorraad, waaruit hij naar believen putten kan. Bij elke gelegenheid wordt hem de Geest des Heeren opnieuw geschonken. Hij wordt door de Heere kort gehouden. Dat doet de Heere niet omdat Hij een armelijk God is en slechts karig geeft, maar dat doet Hij omdat Hij Zijn Kerk zo graag dicht bij Zich wil houden, zodat ze niet weglopen.

Zonder Hem kunnen we niets doen. Daarom ontvangt Simson lessen, zodat hij maar dicht bij de Heere zal blijven. Om van de Heere te ontvangen wat hij in alle omstandigheden van het leven nodig heeft.

 

Een les ook voor ons om te leren uit Simsons geschiedenis. Dat we zonder de Geest des Heeren niets vermogen. Dat we Hem telkens opnieuw nodig hebben. Dat we steeds weer bediend moeten worden vanuit de hemel, door de Heilige Geest. …zonder Mij kunt gij niets doen (Joh. 15:5). Ik vermag alle dingen, hoor ik Paulus zeggen, door Christus Die mij kracht geeft (Filip. 4:13). Daar staat eigenlijk dat Christus, elke keer opnieuw, kracht indruppelt en steeds weer geeft wat een zwak en nietig mensenkind nodig heeft in de strijd van het leven. Dat is de eerste les die Simson moet leren: alléén door Mijn Geest!

 

De tweede les die Simson krijgt is deze: Hij zal het alléén moeten doen. Er staat dat hij niets in zijn hand had. Gídeon was nog een aanvoerder van een dappere bende, al was hij ook door de Heere klein gemaakt. Maar hij had strijdbare mannen achter zich. En toen David bij de spelonk van Adullam was, kwamen tot hem vele mannen, die een schuldeiser hadden. Het werd een legertje van sterke mannen, voor geen kleintje vervaard.

Maar voor Simson zijn er geen mannen. Er is niemand vanuit Israël die zich achter Simson schaart. Hij moet ervaren dat zijn volk aan de nood gewend is geraakt. ‘Vooral niet tegen de Filistijnen strijden, want je weet maar nooit wat ze terug zullen doen.’ Dat is de geest van Israël. Een lauwe, lafhartige geest.

 

Daarom staat Simson alleen. Of het nu dertig bruidsjonkers betreft, driehonderd vossen of drieduizend mannen uit Juda; het doet niet ter zake. Hij staat alleen, net als toen hij die jonge leeuw ontmoette. Hij zal alléén moeten vechten. Alleen door de kracht van de Heilige Geest zal hij de overwinning behalen. Of dat nu in Askelon is of in Gaza, op de Kaakbeenhoogte of bij de Fontein des aanroepers, Simson zal tot de laatste minuut van zijn leven alléén en zonder wapens moeten strijden.

Hij is een richter zonder leger. Maar de Heere is met hem. Al heeft hij geen leger, al heeft hij geen wapens, de Heere is met hem. En als de Heere met je is en Hij je door Zijn Heilige Geest kracht geeft om te strijden, dan zal door Hem de overwinning zéker behaald worden. Dat is de tweede les die Simson moet leren. Daarom is hij zo zwijgzaam. Alléén zal hij zijn weg moeten gaan.

 

Als Gods kinderen zien dat de Heere aan hun zijde is, dat Hij met hen is en dat ze door de kracht des Heeren, als door een wonder, mogen overwinnen omdat Hij Zelf voor hen zal strijden, dán mogen ze zingen zoals Psalm 35, het strijdlied van de Kerk, zingt en wat wij nu ook met elkaar gaan zingen, Psalm 35: 13

 

Laat vromen, juichend t' allen tijd',
Om mijn gerechtigheid verblijd,
Dien lust, dien ijver nooit bedwingen;
Maar zeggen, onder 't vrolijk zingen:
"Verheerlijkt zij de hoogste God;
Hij schenkt Zijn knecht een vreedzaam lot."
Dan meldt mijn tong, met diep ontzag,
Uw recht, Uw lof den gansen dag.

 

  1. Simson als type van Christus.

Gemeente, Simson is een type van de Heere Jezus Christus. Zonder wapens, zonder bondgenoten, zonder soldaten moet ook Jezus de strijd aanbinden. De strijd tegen de helse leeuw. Want … de duivel gaat om als een briesende leeuw, zoekende wie hij zou kunnen verslinden (1 Petr. 5:8). Zo is satan. En dan komt Jezus. Hij is de meerdere Simson, meer dan een zonnekind. Hij is de Zon zélf. En Hij zal alleen strijden, een Richter zonder leger. Ik heb de pers alleen getreden en er was niemand van de volken met Mij (Jes. 63:3).

 

Gemeente, Simson was niet geliefd bij zijn volk. Net zomin werd Jezus geliefd of bemind. Ze hebben geroepen: Kruist Hem! Jezus was Richter vóór het volk, maar zónder het volk. Christus heeft Zijn bange worsteling in Gethsémané en op Golgotha, in het duister, alléén moeten doorworstelen. Hij klaagt met Psalm 69: Ik heb gewacht naar medelijden, maar er is geen; en naar vertroosters, maar heb ze niet gevonden. Hij is alleen geweest.

Maar hoewel Hij alleen was en er geen wapens in Zijn hand waren, heeft Hij satans kop vermorzeld. Hij heeft de helse leeuw vaneengescheurd. In Psalm 68, de hemelvaartpsalm, wordt gezongen: De kerker werd Uw buit, o Heer’! Gij zaagt Uw strijd bekronen met gaven, tot der mensen troost.

 

Door deze Held en door Dezelfde Geest wordt alle verzet – ook in satans onderdanen – gebroken. De tegenstand in de harten van Zijn volk wordt door Hem overwonnen. Maar ze zullen ook in de geestelijke strijd tegen hun vijanden níét onderliggen, want Hij zal met hen zijn. Johannes heeft het geschreven: Hiertoe is de Zoon van God geopenbaard, opdat Hij de werken des duivels verbreken zou (1 Joh. 3:8). Dat doet Gods Zoon alléén, en nu kunt u ook alléén bij Hem terecht om verlost te worden van de boze. Om verlost te worden van de tirannie van de duivel, verlost van zijn ketenen waarmee u gebonden bent. Om verlost te worden van zijn gebrul waarmee hij u benauwt. Om verlost te worden van de aanvechtingen en van de strijd. Christus alleen is Overwinnaar!

 

Christus neemt Zijn volk wel méé. Hij maakt ze geen renteniers, maar fróntsoldaten. Hij zet ze in de strijd, de strijd des geloofs. Want Simson staat wél in Hebreeën 11 als geloofsheld genoemd. Hij heeft door het geloof een leeuw verslagen; hij heeft dus de strijd van het geloof gekend. De Heere zet Zijn kinderen in de strijd. Ze komen, net als Simson, de satan tegen.

Gods kinderen krijgen daarom ook een wapenrusting van Christus, zoals het schild des geloofs en het zwaard des Geestes, dat is Gods Woord. Voor het oog van de mensen zijn dat geen geweldige wapens. Maar door de kracht van de Heilige Geest zullen ze door die wapenrusting ál de vurige pijlen die satan op hen afvuurt, kunnen blussen.

In Hebreeën 11 leest u wat mensen, dóór het geloof, allemaal hebben gedaan. Dan vat de apostel het samen en zegt: Welken door het geloof koninkrijken hebben overwonnen, gerechtigheid geoefend, de beloftenissen verkregen, de muilen der leeuwen toegestopt. De kracht van het vuur hebben uitgeblust, de scherpte van het zwaard zijn ontvloden, uit zwakheid krachten hebben gekregen, in de krijg sterk geworden zijn, heirlegers der vreemden op de vlucht hebben gebracht. (Hebr. 11:33,34). Dát is wat het geloof vermag!

 

De Heere maakt mensen tot strijders, in de strijd van het geloof. Het geloof van richters en profeten, dat ook het geloof is geweest van Simson. Door dat geloof is de rechtvaardige moedig als een jonge leeuw. We zien het in Simson. Hij staat daar, in de kracht van de Geest. Dan zie je in Simson twee zaken samenkomen: kracht én zwakheid, Geest én vlees. We zien beide zaken in één mens. Maar door het geloof heeft deze mens in zwakheid krachten verkregen en heeft hij een leeuw vaneengescheurd. Door de Geest heeft hij de overwinning behaald. Gij, Heere, alleen Gij zijt, Verwinnaar in de strijd, en geeft Uw volk de zegen.

 

Gemeente, nu gaat het erom: kennen we deze strijd al? Want er is niemand, die de Heere in Zijn genade heeft opgezocht, die deze strijd ontloopt. Satan steekt steeds weer zijn klauwen uit naar degenen die God úít zijn klauwen heeft verlost. Hij weet dat hij nog maar een korte tijd heeft. Hij grijpt, als een jonge leeuw, naar kerken, naar gezinnen, naar kinderen. Hij gaat rond als een briesende leeuw en zoekt wie hij zal kunnen verslinden.

Hebben we trage handen? Hebben we slappe knieën? De Heere zegt: Richt ze óp, die trage handen en die slappe knieën. Zie op Simson, en veel meer nog, zie op Christus! Hij is de grote Voorloper …en den oversten Leidsman en Voleinder des geloofs, Jezus, Dewelke voor de vreugde, die Hem voorgesteld was, het kruis heeft verdragen en schande veracht… (Hebr. 12:2). Hij is de sterke Held die aan de zijde van Zijn Kerk staat.

Zou er dan iets aan die Kerk kunnen ontbreken wat ze in de strijd nodig hebben? Zullen ze dan ooit de nederlaag moeten lijden? In Zijn kracht zullen ze de overwinning verkrijgen. Door Zijn Geest zúllen ze de overwinning behalen.

 

Debora, de richteres, zong: Die Hem daarentegen liefhebben, moeten zijn als wanneer de zon opgaat in haar kracht (Richt. 5:31). De vraag is daarom: Hebt u Christus lief? Hem, Die de strijd alleen gestreden heeft. Die geen ruimte gaf aan het vlees, maar Zichzelf op Golgotha geofferd heeft tot in de dood des kruises, opdat Zijn volk de overwinning verkrijgen zou?

 

Hebt U Hém lief? Als u Hem liefhebt, dan zult u zijn als één die gelijk de zon is die opgaat in haar kracht. Dan bent u een Simson, een zonnekind, een zonneheld. Dan kunt u zeggen: Omdat de Zon der gerechtigheid mij beschenen heeft; alleen door de kracht van die Zon zullen we de overwinning behalen. Hem liefhebbend, achter Hem aan stappend, zal het gaan, en zal het eenmaal waar blijken te zijn: Ik heb de overhand verkregen, want gij Heere, alleen gij zijt Verwinnaar in de strijd. En U geeft, uit enkel genade, aan Uw volk de zegen.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 3:4

 

Sta op, verlos mij, Heer’!
Gij hebt, o God, weleer
Getoond voor mij te waken,
Mijn haters onderdrukt,
En mij ’t gevaar ontrukt;
Gij sloegt hen op de kaken,
Verbrekend onverwacht
Hun tanden door Uw macht;
’k Heb d’ overhand verkregen!
Gij, Heer’, alleen, Gij zijt
Verwinnaar in den strijd,
En geeft Uw volk den zegen.