Ds. J. Driessen - Amos 8 : 11 - 12

Israëls honger naar het Woord des HEEREN

Amos 8
Door het Woord bestraft, maar niet gehoord
Naar het Woord gezocht, maar niet gevonden
Op het Woord gelet en daardoor overwonnen

Amos 8 : 11 - 12

Amos 8
11
Ziet, de dagen komen, spreekt de Heere HEERE, dat Ik een honger in het land zal zenden; niet een honger naar brood, noch dorst naar water, maar om te horen de woorden des HEEREN.
12
En zij zullen zwerven van zee tot zee, en van het noorden tot het oosten; zij zullen omlopen om het woord des HEEREN te zoeken, maar zullen het niet vinden.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 147: 10
Lezen : Amos 8: 1 – 14
Zingen : Psalm 119: 1 en 17
Zingen : Psalm 68: 1
Zingen : Psalm 43: 5

Gemeente, het Woord van de Heere dat we met u hopen te overdenken, vindt u in het gedeelte dat ons gelezen werd uit de profeet Amos, het achtste hoofdstuk, vers 11 en 12. Amos 8 vers 11 en 12. We lezen daar het Woord van God:

 

11. Ziet, de dagen komen, spreekt de Heere Heere, dat Ik een honger in het land zal zenden; niet een honger naar brood, noch dorst naar water, maar om te horen de woorden des Heeren.

12. En zij zullen zwerven van zee tot zee, en van het noorden tot het oosten; zij zullen omlopen om het woord des Heeren te zoeken, maar zullen het niet vinden.

 

Dit Schriftwoord bepaalt ons bij Israëls honger naar het Woord des Heeren:

 

1. Door het Woord bestraft, maar niet gehoord.

2. Naar het Woord gezocht, maar niet gevonden.

3. Op het Woord gelet en daardoor overwonnen.

 

  1. Door het woord bestraft, maar niet gehoord

Toen de profeet Amos een schapenfokker en kweker van moerbeivijgen uit Thekóa zijn profetische roeping vervulde, bevond Israël zich in een bloeiperiode. Jeróbeam de tweede had verschillende veldslagen gewonnen en kreeg daardoor de rust die hij nodig had om zijn volk voorspoed en welvaart te geven. Het ging Israël in alle opzichten voor de wind, tenminste politiek en economisch. Zelfs op godsdienstig gebied was de toestand, voor het oog althans, bepaald niet somber. De mensen verdrongen zich rondom het altaar in Bethel in de verwachting dat ze door hun feesten en offers de Heere wel te vriend konden houden. Het kwam voor hen dan ook als een donderslag bij heldere hemel toen Amos de boodschap deed horen die we lezen in hoofdstuk 7: Zie, Ik zal het paslood stellen in het midden van Mijn volk Israël; Ik zal het voortaan niet meer voorbijgaan. Maar Izaks hoogten zullen verwoest, en Israëls heiligdommen verstoord worden; en Ik zal tegen Jeróbeams huis opstaan met het zwaard (Am.7:7,8).

 

Zo profeteert Amos in de naam van de Heere. Naar de mening van Amázia, de minister van godsdienstzaken in het tienstammenrijk is een dergelijke taal staatsgevaarlijk. Er was toch geen enkele reden tot verontrusting? Die Amos moet de mond gesnoerd worden. Daarom zegt Amázia: Gij ziener! ga weg, vlied in het land van Juda, en eet aldaar brood en profeteer aldaar. Maar te Bethel zult gij voortaan niet meer profeteren want dat is des konings heiligdom en dat is het huis des koninkrijks (Am.7:12,13). Maar hoewel Amos het zwijgen wordt opgelegd, is toch niemand in staat om de Godsopenbaring tegen te houden en nog veel minder om het gericht van God over Zijn volk tegen te houden.

 

De Heere toont Amos een korf met zomervruchten, rijp fruit dus. Het is een beeld van Israël dat bezig is om zich rijp te maken voor het oordeel. Toen zeide de Heere tot mij: Het einde is gekomen over Mijn volk Israël; Ik zal het voortaan niet meer voorbijgaan. En Ik zal uw feesten in rouw, en al uw liederen in weeklage veranderen, en op alle lendenen een zak en op alle hoofd kaalheid opbrengen; en Ik zal het land stellen in rouw, als er is over een enigen zoon, en deszelfs einde als een bitteren dag.

 

In onze tekst is sprake van een verschrikkelijke hongersnood. Ziet, de dagen komen, spreekt de Heere Heere, dat Ik een honger in het land zal zenden; niet een honger naar brood, noch dorst naar water, maar om te horen de woorden des Heeren.  

Om de betekenis van deze woorden te verstaan, is het nodig om te zien wat nu eigenlijk het onderscheid was tussen Israël en de omliggende volken. Dat onderscheid was niet dat Israël zo'n belangrijke plaats innam op het gebied van cultuur en wetenschap.  Wat dat betreft waren bijvoorbeeld Griekenland en Egypte veel verder. Dat onderscheid was ook niet dat Israël beter was dan andere volkeren. Nee, dit was het wezenlijke onderscheid, dat Israël het volk van God was en dat de Heere hen uit soeverein welbehagen tot Zijn volk aangenomen had. De Heere had zich met dat volk in een verbondsbetrekking gesteld. Terwijl Hij alle andere volken van de aarde liet wandelen in hun eigen wegen maakte Hij aan Israël Zijn rechten en Zijn inzettingen bekend en werd dit volk voorbereid om het Vrouwenzaad voort te brengen dat het slangenzaad de kop vermorzelen zou.

Om Zijn wil aan Zijn volk bekend te maken, zond de Heere profeten. Wanneer de stem van de ene profeet door het volk tot zwijgen was gebracht, zond de Heere toch weer een ander om te zeggen: Alzo zegt de Heere Heere. Maar Israël erkende de weldaden niet. Zoals het ondankbare volk in de woestijn al geklaagd had over het manna: Onze ziel walgt van dit zeer lichte brood (Num.21:5), zo heeft het ook het woord van de profeten versmaad. Dat woord van de profeten stelde zowel koning als volk schuldig.

Die profeten traden niet op in hun eigen naam, maar in de Naam van de Heilige Israëls, Die de zonden in Zijn volk niet kan gedogen. Die profeten verscheurden door het woord des Heeren dat ze brachten het spinrag van de dromen van valse rust, waardoor het volk probeerde om het oordeel en de gerechtigheid van God te vergeten. Israël baadde in weelde, maar die weelde werd steeds meer het één en al. Het Woord legde geen beslag meer op het hart. We lezen in ons teksthoofdstuk dat de Israëlieten zo materialistisch waren, dat ze op de Sabbat alweer verlangden naar de volgende dag om hun woekerhandel voort te zetten. Het profetisch Woord werd in de wind geslagen en Gods knechten werd het zwijgen opgelegd.

 

Is de situatietekening die Amos geeft niet verbazend actueel?  Zijn de weldaden waarmee de Heere ons overladen heeft niet onnoemelijk veel? Wij mogen leven in vrede en vrijheid, terwijl er zoveel volkeren zijn in deze wereld die naar vrede en vrijheid snakken.  Wat geeft de Heere ons veel stoffelijke zegeningen. Hij doet het ons aan niets ontbreken, terwijl zo'n groot deel van de wereldbevolking in de meest bizarre omstandigheden leeft. Maar wat doen wij met alle weldaden? Waar brengen ze ons? Waar blijven we ermee? Moet de Heere ook over ons niet klagen zoals Hij deed over Israël: Zij bekent toch niet, dat Ik haar koren en most gegeven, en de olie gegeven heb, en de olie gegeven heb, en haar het zilver en het goud vermenigvuldigd heb, dat zij tot den Baäl gebruikt hebben (Hos.2:7)?

 

Van brede lagen van ons volk geldt dat Gods inzettingen worden vertrapt en dat er gespot wordt met de heiligste dingen. Met alle welvaart die God geeft, wordt steeds verder van Hem en Zijn Woord afgeweken. Laten we dan vooral onszelf niet voorbijzien, want we kunnen wel hoofdschuddend klagen over de tijd waarin we leven en over de afval van ons volk; we kunnen ook nog wel heel rechtzinnig spreken over de enige weg waarin we de gunst van God kunnen verwachten, door terug te keren tot Hem, maar bewandelen wij ook zelf die weg? We kunnen daar heel ernstig, maar tegelijkertijd ook farizeïstisch over spreken. Dat doen we wanneer we onze schuld afwentelen op anderen, zonder zelf ook met de schuld van ons volk onder God te buigen. Dan wordt er misschien wel geklaagd, maar dat klagen is erg vrijblijvend. Het is eigenlijk een dode klacht, een klacht die niet opkomt uit een hart waarin de liefde Gods is uitgestort.

Nogmaals, we kunnen ons blindstaren op de zonden van anderen en op die manier proberen ons eigen paadje schoon te vegen, maar dan zijn we als de farizeeën en getuigt het alleen maar van verblindheid. Dan kunnen we best nog alleszins godsdienstig zijn, ons gelukkig prijzen met volle kerken, met allerlei kerkelijke arbeid, met zending en evangelisatie en jeugdwerk en handhaving van de belijdenis enzovoort. Niemand van ons zal beweren dat dit alles niet van grote waarde is, maar besef toch, dat het de Heere om ons hart te doen is. Hij kijkt bij al ons godsdienstig bezig zijn tot op de bodem van ons hart. Dan is het maar de grote vraag of ons godsdienstig bezig zijn, ons kerk-zijn of ons gemeente-zijn de toets van Gods heiligheid kunnen doorstaan. Er is immers een vreselijke mogelijkheid om met alle godsdienst en vroomheid en gebruikmaken van de naam des Heeren ondertussen God Zelf buiten de deur van ons hart en leven te houden, zodat we niet werkelijk door het Woord van God geregeerd worden.

Legt het Woord nog beslag op ons persoonlijk leven en ons gezinsleven? Legt het nog beslag op het leven van onze kinderen?

 

Gods bemoeienissen met ons zijn zo groot en veel. Het is al een vorm van Zijn verkiezende genade, dat Hij ons doet leven op het erf van Zijn verbond, onder de beademing van het Evangelie. Toen niemand van ons nog onderscheid wist tussen zijn linker- en rechterhand heeft de drie-enige God Zich tot ons neergebogen, om bij Zichzelf te zweren in het teken en zegel van Zijn verbond dat Hij geen lust heeft in onze dood, maar daarin dat we ons tot Hem zullen bekeren en leven (Ez.33:11). We werden opgevoed in de leer die naar de godzaligheid is. De Heere laat niet na om ons te roepen en te nodigen tot het heil in Christus. Hij bidt aanhoudend: Laat u toch met God verzoenen (2Kor.5:20). Wanneer Hij voorspoed geeft in ons leven, wil Hij dat Zijn goedertierenheden ons tot bekering zullen leiden. Als de weg met ons door de diepte gaat, is het Zijn bedoeling dat de nood ons zal uitdrijven tot Hem.

Waar heeft het ons gebracht? Wat hebben we ermee gedaan? Wat doen we met het profetisch Woord dat zeer vast is? Wat doen we met de nodigingen en de waarschuwingen van de Heere? Wat doen we met Zijn beloften en met Zijn bedreigingen? Wat doen we met het bloed van het Verbond dat ons wordt voorgesteld en aangeprezen als de enige weg tot behoud?

Wee ons, wanneer wij net doen als het hardnekkige Israël, wanneer wij ons met alle weldaden afkeren van de Weldoener. Wee ons, wanneer we ons tevreden stellen met wat uiterlijke vroomheid, maar intussen onszelf handhaven in onze onbekeerlijkheid. Wee ons, wanneer we onszelf in slaap wiegen met een valse vrede en ons zo rijp maken voor het gericht. De Heere leeft en Hij laat Zijn Woord niet straffeloos verwerpen. Hij is nog Dezelfde, Die tot Israël zei: Ziet, de dagen komen, spreekt de Heere Heere, dat Ik een honger in het land zal zenden; niet een honger naar brood, noch dorst naar water, maar om te horen de woorden des Heeren. En zij zullen zwerven van zee tot zee, en van het noorden tot het oosten; zij zullen omlopen om het woord des Heeren te zoeken, maar zullen het niet vinden.

Daarop letten we in onze tweede gedachte:

 

2. Naar het woord gezocht, maar niet gevonden;

Er is sprake van een vreselijke bedreiging, want deze honger naar het Woord die de Heere zenden zal, is iets heel anders dan de honger en dorst naar de gerechtigheid waarvan de Heere Jezus sprak in Zijn zaligsprekingen. Heel anders dan de honger en dorst die we beluisteren op het Pinksterfeest, toen er zovelen waren die in verslagenheid van hart uitriepen: Wat zullen wij doen mannen broeders? (Hand.2:37). Heel anders dan de dorst die de dichter uit Psalm 42 deed uitroepen: Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen, alzo schreeuwt mijn ziel tot U, o God! Mijn ziel dorst naar God, naar den levenden God; wanneer zal ik ingaan, en voor Gods aangezicht verschijnen? (Ps.42:2,3). Van  zo'n honger en dorst is hier geen sprake, integendeel. Het gaat hier over een honger en dorst naar het woord des Heeren, over een oordeel.

 

Israël, het volk van het verbond had eeuwenlang mogen delen in de zegeningen van Gods Woord. Maar het heeft het voedsel van Gods getuigenis verworpen. Het heeft de verkondigers van Gods Woord veracht en hun mond gestopt. Het heeft in eigengemaakte vroomheid, in eigenwillige godsdienst een weg gekozen bij God vandaan en heeft de waarschuwingen van de profeten niet willen horen. Het heeft zich verhard en het sloeg Gods woorden in de wind. Daarom zegt de apostel in de Hebreeënbrief:  Maar vermaant elkander te allen dage, zolang als het heden genaamd wordt, opdat niet iemand uit u verhard worde door de verleiding der zonde (Hebr.3:13. In die dagen, als we aan de verharding zijn overgegeven, zegt Amos, zal er op ons bidden en smeken geen antwoord meer gegeven worden. Dan komt er een tijd waarin alle zoeken tot vruchteloosheid gedoemd is en waarin ons dringende kloppen onbeantwoord blijft. Dan komt er een tijd waarin de deur van Gods genade gesloten blijft. De dagen komen waarin de tijd van Gods welbehagen verstreken is.

 

We staan hier voor het verschrikkelijke feit dat de Heere Zelf een grens gesteld heeft aan de tijd waarin Zijn Woord hoorbaar zal zijn. Dat is zo verschrikkelijk omdat het Woord van de levende God alles inhoudt waarvan wij zondaren kunnen bestaan en kunnen leven. De Heere Jezus zei immers tegen de duivel: De mens zal bij brood alleen niet leven, maar bij alle Woord wat uit de mond van God uitgaat (Matth.4:4). Dat Woord van de Heere is voor ons wel in het bijzonder het vleesgeworden Woord, waarin de Heere Zich aan ons bekend maakt in Zijn genade, in Zijn barmhartigheid, in Zijn liefde en Zijn bereidheid om de grootste van de zondaren te redden. Maar als dat Woord van God nu de zondaar wil neerwerpen, als dat Woord des Heeren nu die zondaar wil veroordelen, dan verwerpt die zondaar dat Woord. Wij willen de openbaring van God niet aannemen, terwijl we toch zonder die openbaring niet kunnen leven. Wat doet de mens? Hij weegt zijn geld uit, maar weigert dat te doen voor Brood dat werkelijk verzadigt. Hij weigert dat te doen voor wat werkelijk zijn ziel voedt. Hij weigert te horen naar het goede.  Jesaja zegt het scherp: De goddelozen zijn als een voortgedreven zee, want die kan niet rusten. De goddelozen, zegt mijn God, hebben geen vrede (Jes.57:20,21).

 

Wie in zijn handel en wandel tot God spreekt of uitleeft: Wijkt van mij, want aan de kennis van Uw wegen heb ik geen lust (Job21:14), wordt daarin gestraft dat alle lust in Gods dienst, in Gods geboden hoe langer hoe meer bij hem verdwijnt. Wie steeds zijn geweten het zwijgen oplegt, ondergaat het oordeel dat zijn geweten uiteindelijk helemaal niet meer spreekt en als het ware met een brandijzer dichtgeschroeid wordt. Aan het horen van het Woord, aan de mogelijkheid om tot bekering en tot genade te komen, is een grens gesteld. Een grens die ligt in de tijd.

 

Waar ligt die grens? Uit de woorden van Amos zou je kunnen opmaken dat dit gericht in de toekomst ligt. Dat zou ons op de gedachte kunnen brengen dat het onze tijd nog wel zal duren, want in ons land en in onze gemeenten wordt immers nog in alle vrijheid het Woord van God verkondigd. Op vele plaatsen in ons land wordt zondag aan zondag Gods Woord gebracht. Daar worden Gods grote daden verkondigd. We mogen nog zien dat de Heere genade bewijst aan zondaren en hen door de kracht van Woord en Geest tot bekering brengt. Dat is allemaal waar, maar toch: Waakt en bidt opdat u niet onder dit oordeel komt. De dagen komen, wil eigenlijk zeggen: Het oordeel is bezig zich te voltrekken.

 

Het is beslist niet zo dat dit oordeel naar het einde der dagen geschoven moet worden. Wij leven sinds de hemelvaart van Christus in het einde van de dagen. De grenzen van de tijd der genade, van het horen van het Woord, de grenzen van de mogelijkheid en de gelegenheid om tot bekering te komen, liggen niet voor ieder mens en niet voor iedere kerkganger gelijk. Ze liggen ook niet voor iedere gemeente gelijk.

We kennen uit de Heilige Schrift de figuur van koning Saul. Hoe glorieus is het allemaal met hem begonnen. Wij weten dat hij zich aanvankelijk werkelijk als een koning gedroeg maar wij weten ook hoe diep tragisch het met hem eindigde. De Heere zei tegen Samuël: Het berouwt Mij, dat Ik Saul tot koning gemaakt heb, dewijl hij zich van achter Mij afgekeerd heeft, en Mijn woorden niet bevestigd heeft (1 Sam.15:11). Wij lezen hoe Saul zich aan het einde van zijn leven in uiterste nood weer door de Heere wil laten leiden, maar dan lezen we: En Saul vraagde den Heere, maar de Heere antwoordde hem niet. Saul zwerft als een verdwaasde rond en komt terecht bij een waarzegster, die er eigenlijk helemaal niet meer had mogen zijn in Israël. De Heere zond in het leven van Saul een honger om een woord van de Heere te horen, maar daar was geen antwoord. Saul zocht maar hij vond niet. Saul klopte, maar de deur bleef dicht. Dat gebeurde niet allemaal plotseling, dat gebeurde niet zomaar van de ene dag op de andere. Het was een proces dat zich in zijn leven voltrok. Het gebeurde toen het Woord van de Heere nog volop in het land te horen was. Saul zocht het, maar hij kon het niet meer vinden.

 

Denk ook aan Béltsazar, de koning van Babel, in de laatste nacht van zijn leven. Béltsazar had zich om Daniël – Gods profeet – en ook om de God van Daniël niet bekommerd. Wanneer onverwacht het vlammend schrift op de wand geschreven wordt, ja, dan moet Daniël wel komen, maar dan heeft de profeet geen troost meer voor de vorst die alle waarschuwingen in de wind geslagen heeft. Dan is er alleen nog het vonnis: Gij zijt in weegschalen gewogen, maar gij zijt te licht bevonden (Dan.5:27). Zie, dat gebeurt nu, wanneer wij ons oor sluiten voor de roepstemmen van God. Dan komt er een tijd, dan komt er een eeuwigheid, dat een mens hunkerend uitziet naar licht, maar dan zal het  voor eeuwig tevergeefs zijn.

 

Gemeente, de dagen zijn eigenlijk al aangebroken dat God zulk een honger zenden zal die eeuwig knagen zal in het geweten, dat dan eindelijk is ontwaakt. Dan worden die profetenwoorden, die woorden van God werkelijkheid voor een mens, die zijn leven lang niet anders gedaan heeft dan die woorden versmaden.

Wat dat zeggen wil, daarvan doet de apostel Johannes ons iets gevoelen, als hij de onbekeerden in hun uiterste wanhoop hoort bidden: Gij bergen, valt op ons, en verbergt ons van het aangezicht Desgenen, Die op den troon zit, en van den toorn des Lams. Want de grote dag Zijns toorns is gekomen, en wie kan bestaan? (Openb.6:16,17). Dan zullen de verlorenen ernaar snakken om nog één keer het Evangelie te horen, dat men hier naast zich neergelegd heeft en dat men in zijn leven versleten heeft voor lichte kost. Maar dan zal er geen Evangelie meer zijn. Zij zullen zwerven van zee tot zee, en van het noorden tot het oosten. Zij zullen omlopen om het Woord des Heeren te zoeken maar zullen het niet vinden. Want zo zeker als voor Gods kinderen het Woord van de belofte vervuld wordt: Want een iegelijk die heeft, dien zal gegeven worden, en hij zal overvloedig hebben, zo zeker wordt ook het vonnis voltrokken: Maar van degene die niet heeft, van dien zal genomen worden, ook dat hij heeft (Matth.13:12). Het wordt waar wat we nu samen zingen – en laat het zijn met een bevend hart – uit Psalm 68 vers 1:

 

De Heer’ zal opstaan tot den strijd;

Hij zal Zijn haters, wijd en zijd,

Verjaagd, verstrooid, doen zuchten;

Hoe trots Zijn vijand wezen moog',

Hij zal voor Zijn ontzagg'lijk oog,

Al sidderende vluchten.

Gij zult hen, daar G' in glans verschijnt,

Als rook en damp, die ras verdwijnt,

Verdrijven en doen dolen.

't Godd'loze volk wordt haast tot as;

't Zal voor Uw oog vergaan, als was,

Dat smelt voor gloênde kolen.

 

 

3. Op het woord gelet en daardoor overwonnen

Gemeente, het Schriftwoord dat wij vandaag overdenken, spreekt over een vreselijk oordeel, van honger en dorst naar het Woord van de Heere, terwijl het niet meer te vinden zal zijn. Vandaag is het nog wel te vinden en daarom: Heden, zo gij Zijn stem hoort, verhardt uw hart niet maar laat u leiden (Ps.95:7,8). De weg van de bekering is de enige weg om aan dit oordeel te ontkomen. Moet de Heere over ons klagen dat het Evangelie van de genade ons is gepredikt, maar dat we er  doof voor blijven? Doof voor Zijn Woord, maar wel een heel scherp oor voor de stemmen van de duivel, van de wereld en van het eigen vlees? Is dat nog altijd de werkelijkheid van uw leven? Wie kan zeggen hoeveel preken u al gehoord hebt? Soms vond u het ook wel mooi, maar ondertussen bleef u toch uzelf handhaven. God riep u in de kerk tot bekering, maar buiten de kerk gekomen, schudt u het Woord van u af, zoals een hond het water van zich afschudt.

 

Jongeren, God roept ons tot bekering, maar er zijn ook zoveel andere stemmen die roepen. De stem van de wereld: Zoek het bij mij, ik heb zoveel te bieden. Later, later heb je nog tijd genoeg voor de eeuwige dingen. Je bent toch mal, als je daar nu je jonge leven al door laat verknoeien? Natuurlijk, je moet wel netjes leven, maar niet al te ernstig. Je bent tenslotte maar één keer jong. Daar is de stem van de duivel die de zonde zo aanlokkelijk voorstelt. Daar is de stem van ons verdorven vlees, dat hunkert naar de dienst van de goden van deze eeuw. Al die stemmen vinden gretig gehoor, terwijl de stem van Hem Die alleen ons heil bedoelt in de wind geslagen wordt. Zou het de Heere geen verdriet gedaan hebben, dat Zijn volk in de dagen van Amos Zijn Woord verwierp? Doet het Hem dan nu ook geen verdriet wanneer u, wanneer jij zo hardnekkig weigert om de wapens van opstand aan Zijn voeten in te leveren? De Heere Jezus weende eens over Jeruzalem: Jeruzalem, Jeruzalem! gij, die de profeten doodt, en stenigt, die tot u gezonden zijn, hoe menigmaal heb Ik uw kinderen willen bijeen vergaderen, gelijkerwijs een hen haar kiekens onder de vleugelen vergadert; en gijlieden hebt niet gewild.  Ziet, uw huis wordt ulieden woest gelaten (Luk.13:24,25).

 

O, onbekeerlijke zondaar, u beledigt de Heere! U veracht Zijn Woord en bewerkt daardoor uw eigen ondergang. Nog hebben Gods bemoeienissen geen eind, maar wie weet hoe spoedig dat wél zo zal zijn. Gods geduld duurt niet eeuwig. De tijd van de genade is straks voorbij. We kunnen niet straffeloos de Heere en Zijn Woord opzijzetten. Eens is de maat vol. De maat van Gods lankmoedigheid en geduld, maar ook de maat van Zijn toorn en gramschap, de maat van Zijn getergde goedheid. Het oordeel waarvan onze tekst spreekt, zal zeker komen. Het is waar, een mens kan zichzelf niet zalig maken, maar kan zichzelf wel rampzalig maken.

 

Het is zeker waar dat de Heere in ons leven de Eerste zal moeten zijn. Wat wij doen op godsdienstig gebied valt straks weg als de eeuwigheid aanbreekt. Alleen Gods werk zal de eeuwigheid verduren. Dat zal ook de zaligheid van de kerk uitmaken: ‘Mijn God, U zal ik eeuwig loven, omdat Gij het hebt gedaan.’

 

Het geloof is niet uit ons. Het is gave van de Heilige Geest, het is Zijn werk. Maar wanneer wij verloren gaan, is dat niet omdat we onszelf het geloof niet konden geven, maar omdat wij in ongeloof volhardend de waarheid in ongerechtigheid ten onder gehouden hebben. Dan is dat omdat we het Evangelie van de zaligheid hebben verworpen en onszelf het eeuwige leven niet waardig hebben geacht. Zalig worden is enkel Gods werk, maar verloren gaan is enkel eigen schuld. Zo leert het Woord van God het ons en wij moeten niet proberen om met ons zondige verstand dat aan elkaar te denken. Wanneer wij onbekeerd voor Gods rechterstoel zullen verschijnen, vallen al onze verontschuldigingen weg. Dan verstommen al onze uitvluchten, al onze dogmatisch schoonklinkende redeneringen, waarmee we ons hier aan de klem van het Woord proberen te onttrekken. Dan zal de eeuwige wroeging in het verderf zijn: Ik heb niet gewild. Ik heb niet gewild. Als er op de oordeelsdag nog een markt van vrije genade zou zijn, hoeveel kopers zouden er dan kopen! Dan zult u wensen om nog één keer het Evangelie te mogen horen, dat u nu versmaadt, maar dan is het eeuwig te laat.

 

Wat is het daarom nodig dat de Heilige Geest ons oprecht maakt voor God. Als dat gebeurt, gaan we ons verwonderen over zoveel lankmoedigheid, over zoveel geduld van God. Dan gaan we ook van harte belijden: ‘Heere, de schuld ligt bij mij. Wat hebt U veel bemoeienissen met mij gemaakt. Wat bent U goed en goeddoende. Ik heb het alleen maar verzondigd. Ik heb U moe gemaakt met mijn zonden. Ik heb U verdriet gedaan met mijn ongerechtigheden. Ik heb U laten roepen, laten lokken, maar ik ben mijn eigen weg gegaan. Maar zo verder leven kan ik niet meer. Dat wil ik ook niet meer. Heere, bekeert U mij, dan zal ik bekeerd zijn.’

 

Voor een zondaar die zo buigt is er hoop. Hoop in Hem, Die gekomen is om harde harten te verbreken en om vijanden tot vrienden te maken. Wat krijgen we dan het Woord van God hartelijk lief. Dan gaan we zien dat het Woord van de Heere rijke inhoud heeft. Jezus Christus, de Zaligmaker van zondaren. Hij immers alleen is het Brood, Dat werkelijk verzadiging kan bieden aan zielen die leren hongeren en dorsten naar verzoening, naar vrede en naar gemeenschap met God. Wie hongert en dorst naar God, kent ook honger en dorst naar Zijn Woord, want de Heilige Geest bindt in de waarachtige bekering ons altijd aan het Woord. Hij gebruikt het Woord als een zwaard om zondaren daarmee dodelijk te treffen, zodat ze het leven in eigen hand niet meer kunnen houden. Zij verliezen het leven, om het te leren zoeken buiten zichzelf, in de Heere Jezus Christus. Hij alleen is immers het antwoord op de vragen van het hart, dat hongert naar de Heere en dorst naar de gemeenschap met God. De Geest gebruikt het Woord als een zaad van de wedergeboorte om het leven te wekken in dode zondaarsharten. Daarom: Onderzoek toch de Schriften, want de Heere werkt middellijk. Het geloof is uit het gehoor en het gehoor is door het Woord Gods (Rom.10:17).  Door de verkondiging van het Woord, waaraan de Heere Zijn Geest gepaard doet gaan, trekt Hij mensen uit de duisternis en brengt ze over tot Zijn wonderbaar licht. Het middel tot bekering is de verkondiging van het Woord. Alleen daardoor zullen dode zondaren horen de stem van de Zoon van God en die ze gehoord hebben, zúllen leven (Joh.5:25).

 

In Zijn Woord komt de Heere tot zondaren. Hebt u honger naar het Woord? Veel mensen zijn druk met de vraag hoe zij tot de Heere moeten komen, maar hebt u er ooit bij stilgestaan dat de Heere tot ons gekomen is? Voordat iemand eraan dacht om zijn hand uit te strekken tot God heeft de Heere Zijn handen al uitgestrekt naar ons. Hij zegt immers Zelf: De gehele dag heb Ik Mijn handen uitgestrekt tot een ongehoorzaam en tegensprekend volk (Rom.10:21). U vindt het toch niet gewoon dat u de Bijbel in huis hebt? U vindt het toch niet gewoon dat de kerkdeuren elke zondag opengaan? U vindt het toch niet gewoon dat het Woord van de  zaligheid tot u gezonden is? Acht het niet gering, want het Woord is de kracht van God tot de zaligheid.

 

Loopt er iemand rond met de vraag: hoe zal het ooit weer goedkomen tussen God en mijn ziel? Hoe zal ik zalig worden? Hoe leer ik de Heere kennen? Dat zijn vragen die een mens bezig kunnen houden, wanneer het Woord hem gaat overwinnen. Dan weten we met onszelf geen raad. We voelen een knagende pijn, een gemis in ons leven, dat we soms zelf niet onder woorden kunnen brengen. In plaats van gelukkig worden we steeds ongelukkiger en in plaats van bekeerd worden we steeds meer onbekeerd. Waar we een ander vooruit zien gaan, zien we dat het met ons steeds minder wordt. Misschien minder zonde doen, maar toch in eigen inschatting een steeds grotere zondaar worden. Is dit ook uw beeld? U bent uzelf een raadsel. Hoe kom ik ooit tot God bekeerd? Een mens kan soms lang rond lopen tobben in zijn gemis en ongeluk. De vragen kunnen zich opstapelen in ons hart of er voor ons een weg ter ontkoming is. Hoewel we soms de deugden van Gods rechtvaardigheid en heiligheid leren kennen, gaan we ook zien dat die ons niet in het leven kunnen houden. Het duurt soms lang, voor onze ogen ervoor open gaan dat de Heere niet alleen rechtvaardig en heilig is, maar dat Hij ook barmhartig is en genadig is. Hoor dan: Hij is een genadig, een barmhartig God. Hij heeft voor al diegenen die geen weg meer zien een weg gebaand in de Heere Jezus Christus. Hij is de Weg, en de Waarheid, en het Leven (Joh.14:6), de enige Weg. Laat u nooit wijsmaken dat er buiten Hem nog andere wegen zijn, want Hij alleen is de Weg. De kennis van Gods genade, van Gods barmhartigheid krijgt u alleen door Hem.

 

Wij zijn altijd maar geneigd om op onszelf te zien.  Zie toch eens af van uzelf en zie op Hem, Die Zijn leven gegeven voor allen die moeten belijden vijanden van God te zijn en het oordeel verdiend te hebben. Laat het dan waar zijn dat u naar het recht van God moet omkomen, maar gelooft dan ook dat God geen lust heeft in uw dood, maar daarin dat u zich bekeert tot Hem. Deze Jezus, deze Zaligmaker, is zeer gewillig om ook voor u de Weg te zijn. Hij stelt Zich aan u voor in de prediking van Zijn Woord. Daarin toont Hij Zichzelf, daarin laat Hij Zich zien aan ieder die zich verloren weet. Daarin laat Hij ons Zijn bloed zien. Daarin toont Hij ons Zijn gerechtigheid, die redt van de dood. In Zijn Woord biedt Hij Zichzelf welmenend aan om uw Zaligmaker te zijn. U die zeggen moet dat er op de wereld geen groter zondaar is dan u, hoor wat Hij zegt: En die tot Mij komt, die zal ik geenszins uitwerpen (Joh.6:37).

 

Wat zoeken wij toch vaak op verkeerde plaatsen. Dan weer hier, dan weer daar, maar vaak op plaatsen waar de Heere niet te vinden is. Hij openbaart Zich echter door Zijn Woord en Geest. Waar Zijn Woord is, daar is Zijn Geest. Daar past Hij Zichzelf toe in de harten van verloren mensen. Daar maakt Hij een zondaar met Zichzelf bekend. Maar daar laat Hij ook Jezus Christus en Dien gekruisigd (1Kor.2:2) verkondigen, ja, proclameren als de enige Weg. Dat is het Evangelie van Gods genade. Wat is het een heerlijk Evangelie, juist voor verloren mensen. Dit Evangelie zegt u dat u zwart bent van de zonde. Maar het zegt u ook dat er een reinigingsmiddel is: Het bloed van Jezus Christus Gods Zoon dat van al de zonden reinigt (1Joh.1:7). Dit Evangelie zegt u dat u een rebel bent, een opstandeling. Maar het verkondigt u ook vrede door het bloed van het kruis.

 

Wij hebben nog het profetisch Woord dat zeer vast is en gij doet wel dat gij daarop acht hebt (2Petr.1:19), opdat het oordeel van onze tekst niet aan ons voltrokken zal worden. Nabij ons is het Woord van de genade. Het Woord, waarnaar u die het gehoord hebt en ik die het verkondigd heb, straks geoordeeld zullen worden. Wee ons, wanneer wij op zo’n grote zaligheid, die ons in het Woord voorgesteld wordt, geen acht geven. Buig toch neer in het heden van genade. Sla acht op het Woord, wees er biddend en worstelend mee bezig. Zet het niet onder een korenmaat, maar laat de lamp van het Woord uw of jouw duistere hart verlichten, opdat u door het woord overwonnen zult worden en de Morgenster opga in uw harten (2Petr.1:19).

 

Amen.

 

Psalm 43 vers 5:

 

Mijn ziel, hoe treurt ge dus verslagen?

Wat zijt g' onrustig in uw lot?

Berust in 's Heeren welbehagen;

Hij doet welhaast uw heilzon dagen;

Uw hoop herleev', naar Zijn gebod;

Mijn redder is mijn God.