Ds. C. Harinck - Klaagliederen 3 : 21 - 23

Troost voor het oude jaar

1. Troost in het licht van Gods goedertierenheden
2. troost in het licht van Gods barmhartigheden

Klaagliederen 3 : 21 - 23

Klaagliederen 3
21
Zain. Dit zal ik mij ter harte nemen, daarom zal ik hopen;
22
Cheth. Het zijn de goedertierenheden des HEEREN, dat wij niet vernield zijn, dat Zijn barmhartigheden geen einde hebben;
23
Cheth. Zij zijn allen morgen nieuw, Uw trouw is groot.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 86: 3
Lezen : Klaagliederen 3: 1-26
Zingen : Psalm 51: 1
Zingen : Psalm 33: 11

Gemeente, wanneer we op oudejaarsavond terugkijken op het jaar dat achter ons ligt, is dat een blik op zaken die voorbij zijn. Wat dat betreft, is de oudejaarsavond vaak een sombere  en verdrietige avond. Het verlies van een geliefde man of vrouw, kinderen en vrienden drukt ons op die avond neer. Het herinnert ons aan de vergankelijkheid van het leven. Alles hier op aarde is voorbijgaand. Waar is dan hoop en troost te vinden, als alles hier zo vergankelijk is en alles een einde kent? Is er iets wat geen einde heeft, iets wat blijvend is? Gods Woord leert ons dat. We vinden het in onze tekst, Klaagliederen 3 vers 21-23:

 

21. Dit zal ik mij ter harte nemen, daarom zal ik hopen;

22. Het zijn de goedertierenheden des Heeren, dat wij niet vernield zijn, dat Zijn barmhartigheden geen einde hebben;

23. Zij zijn allen morgen nieuw, Uw trouw is groot.

 

Onze tekst bevat: Troost voor het oude jaar.

 

  1. Troost in het licht van Gods goedertierenheden;
  2. troost in het licht van Gods barmhartigheden.

 

Het boek Klaagliederen is een klaaglied over een dode. De oude volkeren, ook Israël, hadden de gewoonte met een klaaglied hun doden te beklagen. Zo heeft David een klaaglied gemaakt over de dood van Saul en Jonathan. Dat lied heeft hij ‘de boog’ genoemd. Zo vinden we in de Klaagliederen van Jeremia zeven rouwliederen over een dode. Wie is die dode? De dode in deze Klaagliederen is de stad Jeruzalem. Jeremia rouwt over de verwoeste stad, die nu een dode stad is met een verwoeste tempel.

 

Er is alle reden voor de profeet  om te klagen en tranen te storten. Na anderhalf jaar beleg is de stad in de handen van Nebukadnezar gevallen en ieder, die zich verzette,  gedood. De soldaten van Nebukadnezar hebben niet alleen de alle mannen die zich verzetten gedood, maar ook de vrouwen verkracht en alles van waarde is geroofd. De jonge vrouwen en de jonge mannen hebben zij daarna  meegenomen naar Babylon. De rest, de  zwakkeren, de oude mensen en jonge kinderen, hebben zij achtergelaten in een verwoest Jeruzalem en verwoest land. Over deze achtergebleven mensen heeft Nebukadnezar een zekere Gedalja  als stadhouder aangesteld.

Ook Jeremia is in Jeruzalem achter gebleven. De stad is een puinhoop, de tempel is verwoest. Alles wat kostbaar is, is geroofd. Van wat eens het gezegende Jeruzalem was, is slechts een rokende puinhoop over. Over dit Jeruzalem, een verwoeste stad met een verbrande tempel, waar alles  die een puinhoop is, heeft Jeremia een klaaglied gemaakt.

 

Klaagliederen 3 begint met de boodschap: Ik ben de man, die ellende gezien heeft door de roede Zijner verbolgenheid. Hij noemt zichzelf  een man die ellende gezien heeft.

Het is een bekend schilderij van Rembrandt waarop hij Jeremia heeft geschilderd, zittend op de puinhopen van de stad. Op de achtergrond zie je nog enkele pilaren staan van de verwoeste tempel. Dat schilderij heeft Rembrandt ‘de wenende profeet’ genoemd. Dat doet de profeet inderdaad. Hij weent op de puinhopen van Jeruzalem.  Hij roept het uit: Och, dat mijn hoofd water ware, en mijn oog een springader van tranen! Zo zou ik dag en nacht bewenen de verslagenen van de dochter mijns volks (Jer.9:1).

 

Het valt op dat Jeremia spreekt over wat God hem aangedaan heeft. Dat is heel opmerkelijk. Klaagliederen 3 is aan u voorgelezen en misschien hebt u er niet zo bij stilgestaan, maar van vers 2 tot en met vers 22 gaat het over wat God Jeremia heeft aangedaan. Jeremia zegt: Hij, Hij heeft Zich tegen mij gewend. Hij heeft Zijn hand de ganse dag veranderd. Hij heeft mijn vlees en mijn huid oud gemaakt. Hij heeft mijn beenderen gebroken. Hij heeft tegen mij gebouwd en heeft mij met gal en moeite omringd. Hij heeft mij gezet in duistere plaatsen. Hij heeft mij toegemuurd dat ik er niet uitgaan kan. Hij heeft ook mijn koperen boeien verzwaard.

Zo gaat het steeds door. God heeft Jeremia grote ellende aangedaan. Zo voelt Jeremia dat. Wat hem overkomen is, is door de hand van de Heere gekomen. Jeremia voelt het gewicht van Gods slaande hand.  Hij is vol van droefheid, diep verslagen en moedeloos.

 

Dan ineens, in vers 21 en 22, lezen we over een grote omkeer: Dit zal ik mij ter harte nemen, daarom zal ik hopen; het zijn de goedertierenheden des Heeren, dat wij niet vernield zijn, dat Zijn barmhartigheden geen einde hebben. Wat een verrassende verandering in de ziel van de bedroefde profeet. Eerst zo vol ellende en moedeloosheid, en dan nu: Dit zal ik mij ter harte nemen, daarom zal ik hopen. Er is hoop in zijn hart gekomen.

 

Wat kan de Heere het toch plotseling veranderen in het leven van d ware gelovigen! Daar hebben ware gelovigen ervaring van. Ze komen soms bedroefd en bezwaard in de kerk en door een woord uit de preek, een enkele regel uit een Psalmvers of één tekst uit de Bijbel , worden ze zomaar opeens uit al de droefheid opgebeurd en komt er nieuwe hoop in hun ziel.

Dat is ook met Jeremia gebeurd. Hij heeft iets opgemerkt wat hij tot nu toe nog niet heeft gezien. Het volk van Juda is nog niet totaal vernield en dat is alleen vanwege Gods goedertierenheden. Als God gedaan had naar de zonden van het volk, was er niemand van Juda overgebleven. God heeft ze niet zo hard geslagen als ze verdienen. Dat begint de profeet te zien.

Wanneer Jeremia terugdenkt aan de spot die hij heeft moeten verdragen toen hij het volk waarschuwde voor Gods oordeel, toen ze hem zelfs in de kerker hebben geworpen en nog erger  in een diepe put met modder en water hebben gegooid. Wanner hij denkt aan de vele zonden van het volk van Juda. Wanneer hij er aan  denkt dat ze zelfs afgodsbeelden in de tempel hebben gezet en daar vreemde goden hebben gediend en geofferd, moet hij zeggen: Het zijn de goedertierenheden des Heeren, dat wij niet vernield zijn. Het oordeel is wel zwaar, maar God heeft niet gedaan naar wat zij verdienen.

En er is nog meer om op te hopen. Het  volk is wel weggevoerd naar Babel, maar de Heere heeft Jeremia beloofd dat ze eens zullen wederkeren.

 En er is een klein deel van het volk in Jeruzalem achtergebleven. Ze zijn niet allen weggevoerd.

En zoals we kunnen lezen in Psalm 106, heeft de Heere nog veel andere genadige dingen gedaan: Hij gaf hun barmhartigheid voor het aangezicht van allen die hen gevangen hielden. De Heere maakte de ballingschap dragelijk, Hij verzachtte het kruis. Aan die dingen  denkt Jeremia, nu hij met de overgeblevenen in een verwoeste stad is achter gebleven.

Hij begint te verstaan  dat de verwoesting van de stad en van de tempel niet allen   voortkomt uit de toorn van een Rechter, maar dat het een kastijding is van een Vader is. Het is het slaan met een roede, niet met het zwaard. Het is niet het slaan om te vernietigen, maar om te bekeren, om een wederkeer tot God teweeg te brengen.

 

Wanneer Jeremia dat ziet, zegt hij: Dit zal ik mij ter harte nemen, daarom zal ik hopen; het zijn de goedertierenheden des Heeren, dat wij niet vernield zijn; dat Zijn barmhartigheden geen einde hebben. Zijn trouw is groot!

We horen opeens een heel andere taal. Het komt  omdat er licht gevallen is op de reden van de wegvoering en de ballingschap van Isaël. De profeet ziet het: God heeft niet met ons gedaan naar onze zonden, want dan had Hij Juda vernietigd. Hij heeft ons gekastijd en bezocht met plagen, opdat we ons tot Hem zouden bekeren.

 

Gemeente, ik denk dat we dat allemaal op Oudejaarsavond wel moeten zeggen: ‘Indien de Heere met ons gedaan had naar onze zonden, o, dan was  Hij nog veel anders met ons omgegaan.’ Dan waren we vernield geworden.

Wanneer we dat mogen zien, ontdekken we toch nog licht in alle duisternis, in alle leed en kruis. Dan heeft de Heere te midden van alle druk en leed nog gespaard en gedragen. Zeker, er was ziekte, er was kruis. Velen hebben aan het graf van dierbaren gestaan. Al onze wensen zijn niet vervuld. Alles wat we hoopten te bereiken, hebben we niet behaald. Maar… we zijn niet vernield! Zoals we hier zitten, zijn we gespaard en gedragen en nog in het heden van Gods genade. Daarom moeten we instemmen met de profeet: Het zijn de goedertierenheden des Heeren, dat wij niet vernield zijn.

 

De profeet zegt, dat de goedertierenheden van de Heere  de reden is dat we niet vernield zijn. Het staat er in het meervoud. Het woord ‘goedertierenheid’ is in het Hebreeuws chèsèd. Dat zal u niet zoveel zeggen, maar chèsèd betekent ‘verbondstrouw’. Als iemand trouw is aan ontrouwe bondgenoten, heet dat in de Bijbel chèsèd. Zo bewees David trouw aan Mefiboseth, omdat hij eens een verbond gemaakt had met Jonathan dat hij voor zijn nageslacht zou zorgen. David was trouw aan Mefiboseth en betoonde aan hem goedertierenheid. Wanneer God Zijn trouw bewijst aan een schuldig volk is dat dus chèsèd – goedertierenheid, onverdiende goedheid, trouw en genade. We lezen daarvan in Psalm 89: Indien zij Mijn inzettingen ontheiligen, en Mijn geboden niet houden, zo zal Ik hun overtreding met de roede bezoeken, en hun ongerechtigheid met plagen. Maar… Mijn goedertierenheid zal Ik van hen niet wegnemen, en in Mijn getrouwheid niet feilen.

Wanneer God Zijn goedheid niet wegneemt van een volk en van een mens en in Zijn trouw niet feilt, dan is dat ‘goedertierenheid’. Onverdiende goedheid. Daarom zegt Jeremia: Dit zal ik mij ter harte nemen – ik zal daarop letten, het zal mijn aandacht hebben – het zijn de goedertierenheden des Heeren, dat wij niet vernield zijn.

 

Gemeente, dat moeten ook wij ter harte nemen. De Heere heeft ons niet vernield. Dat danken we alleen aan Zijn goedertierenheid. Vanwege Zijn verbondstrouw over  verbondsbrekers en overtreders van Zijn geboden.

Het is belangrijk dit er harte te nemen. Waarom wij dat ter harte moeten nemen? Om te kunnen hopen, zegt de profeet. De goedertierenheid van de Heere is de grond van de hoop van Jeremia. Dat moet ook de grond van onze hoop zijn. Het moet de reden zijn om tot de Heere terug te keren, het moet ons hopende maken op Gods genade. Daarom schrijft de apostel Paulus aan de christenen: Of veracht gij de rijkdom Zijner goedertierenheid en verdraagzaamheid en lankmoedigheid, niet wetende dat de goedertierenheid Gods u tot bekering leidt (Rom.2:4)? Zo belangrijk is het dus om Gods goedertierenheid ter harte te nemen. Om te kunnen hopen, om ons tot God te bekeren. Anders zouden wij ons voor God verbergen en ver van Hem weglopen. De Heilige Geest gebruikt de goedertierenheid van de Heere om mensen tot bekering te brengen.

 

De apostel zegt dat Gods goedertierenheid bekering bewerkt. Gods oordelen bewerken dat niet. Gods toorn bewerkt dat ook niet. De vloekende wet brengt dat ook niet teweeg. Zeker, het kan zijn dat we daardoor onrustig en verschrikt worden. Het kan maken dat we bang worden om te sterven, om God te moeten ontmoeten. Maar het gaat hier over bekering, over een boetvaardig terugkeren tot God. .

. De goedertierenheid van de Heere, de lankmoedigheid en de verdraagzaamheid Gods, brengen tot boetvaardigheid.  De Heere heeft ons gedragen en gespaard, zodat we niet vernield zijn. Wanneer dat tot ons doordringt, wanneer  dat ons hart raakt, terwijl we weten dat we het verdiend hebben om vernield te worden, brengt dat tot bekering en boetvaardigheid.

 

Gemeente, het is mogelijk je zonden te zien en daarover bevreesd en bekommerd te zijn, zonder daarover bedroefd te zijn. Zo kende Kaïn zijn zonde, zo zag Judas zijn zonde. Ze kenden hun zonden en ze vreesden voor de straf erop, maar ze waren niet er niet over bedroefd. Het brak hun hart niet en het werkte geen waarachtige bekering.

Wat is dat erg! Je zonden te zien, bevreesd te zijn voor Gods oordeel, maar daarover toch niet bedroefd te zijn, je toch niet tot God te bekeren. Wat is er nodig om dat harde hart te breken? Om de mens niet alleen bevreesd te maken voor de gevolgen van zijn zonde, maar ook droefheid te geven over de bedreven zonden? Daar is Gods goedertierenheid voor nodig! God gebruikt Zijn goedertierenheid om tot bekering te brengen. Wat de straf en de vrees niet kunnen bewerken, bewerkt de goedertierenheid. Dan wordt ons harde hart niet alleen bezet met vrees, maar komt er ook droefheid, omdat we zien tegen Wíe we gezondigd hebben. Tegen een God van goedertierenheid! Tegen een God Die verdragen heeft, Die gezorgd en zelfs gezegend heeft. Gods goedertierenheid neemt een zeer belangrijke plaats in bij de bekering van een mens. Ik heb u getrokken, zegt de Heere, met goedertierenheid. God trok ze naar Zich toe met goedertierenheid! Wanneer er alleen vrees is voor de hel, zal dat nooit tot bekering brengen. Dan breekt de mens niet met het kwaad. Er volgt geen boetvaardigheid, geen hartelijke droefheid over de zonde en geen nieuw leven. Het spreekwoord in 2 Petrus 2 vers 22 zegt: De hond is wedergekeerd tot zijn uitbraaksel en de gewassen zeug tot de wenteling in het slijk. Ook van Luther is er een heel bekend gezegde: ‘Een onweer zonder regen doet meer kwaad dan goed.’ Alleen vrees voor de straf, sidderen en beven voor Gods heiligheid, zonder tranen van droefheid, doet meer kwaad dan goed.

Wat is  de boetvaardigheid toch een grote genade van God!

 

Het denken aan Gods goedertierenheid verwekt niet alleen droefheid over de zonde, we zien dat hoop brengt in het hart van de profeet Jeremia.

Hij zegt niet alleen: Dit zal ik mij ter harte nemen, maar ook: daarom zal ik hopen. De hoop wordt geboren door het zicht op Gods goedertierenheid.

 

Wanneer de profeet terugkijkt en denkt aan de verwoeste stad en de tempel die een puinhoop is; als hij denkt aan het grootste deel van Juda dat is weggevoerd naar Babel, is dat zo verschrikkelijk dat hij er een rouwlied over maakt. Maar desondanks blijft hij hopen. Want hij ziet één ding: Gods goedertierenheid is de oorzaak dat ze niet vernield zijn. De Heere heeft wel geslagen, maar ze zijn niet totaal vernield, niet verdorven. De Heere heeft geslagen, niet om te vernietigen maar om te genezen, om tot bekering te brengen.

 

Ik hoop, gemeente, dat u zo kijkt naar het afgelopen jaar. Er is misschien heel veel gebeurd in het jaar dat achter ons ligt. Veel ellende, veel tegenspoed… maar u bent niet vernield!

God heeft uw leven nog gespaard. Hij komt nog tot u met Zijn Evangelie. Hij zegt geen lust te hebben in uw dood, maar dat u zich zult bekeren en leven! Dat wil Jeremia ter harte nemen. Daar wil hij niet zomaar aan voorbij leven, opdat ook u het ter harte neemt en zegt: Daarom, daarom zal ik hopen. Het zijn de goedertierenheden des Heeren, dat wij niet vernield zijn. Jeremia vervolgt: Dat Zijn barmhartigheden geen einde hebben. Daarop letten we in de tweede gedachte: Troost voor het oude jaar in het licht van Gods barmhartigheden.

 

Maar zingen we eerst Psalm 51 vers 1:

 

Genâ, o God, genâ, hoor mijn gebed;
Verschoon mij toch naar Uw barmhartigheden;
Delg uit mijn schuld, vergeef mijn overtreden:
Uw goedheid wordt noch paal, noch perk gezet.
Ai, was mij wel van ongerechtigheid;
Mijn schuld is zwaar, ik heb Uw wet geschonden;
Zie mijn berouw, hoor, hoe een boet’ling pleit,
En reinig mij van al mijn vuile zonden.

 

  1. Troost voor het oude jaar in het licht van Gods barmhartigheden

Gemeente, op oudejaarsavond voelen we als op geen andere avond, dat alles hier naar een einde gaat. Hier op aarde is niets wat bestendig is. Alles gaat voorbij. Overal komt een einde aan: aan onze jeugd, onze gezondheid, aan ons huwelijk, aan ons leven. Maar Jeremia spreekt over iets wat geen einde heeft, iets wat nooit ophoudt te bestaan. Hij zegt: Dit zal ik mij ter harte nemen, … dat Zijn barmhartigheden geen einde hebben. Gods barmhartigheden hebben geen einde. Wanneer wij iemand helpen die door eigen schuld in nood is, geldnood bijvoorbeeld, en deze persoon komt korte tijd later weer naar ons toe met dezelfde nood, weer door eigen schuld… misschien helpen we hem dan nog een keer. Maar als zo iemand voor een derde of een vierde keer komt? Dan houdt onze barmhartigheid wel op, maar Gods barmhartigheid kent geen einde. God is steeds weer bereid om barmhartigheid te schenken.

 

Gods barmhartigheden. De profeet spreekt in het meervoud. Wat wordt daarmee bedoeld? ‘Barmhartigheid’ is in het Hebreeuws ‘rachamiem’, een woord dat gebruikt wordt in verband met de liefde die een moeder heeft voor haar kind, met name voor het kind dat ze nog in haar moederschoot draagt. Daar koestert ze een aparte liefde en ontferming voor. Welke liefde is warmer dan de liefde die een moeder heeft voor het kind dat ze draagt in haar schoot? Daarmee wordt Gods barmhartigheid vergeleken. Een voorbeeld van die barmhartigheid lezen we in 1 Koningen 3. Twee vrouwen, prostituees, hebben beiden een baby gekregen. De ene moeder heeft ’s nachts op haar kind gelegen waardoor de baby is gestikt. Als ze wakker wordt en haar kindje dood naast zich vindt, legt ze het bij de andere vrouw en ze steelt haar levende kindje. Als deze moeder wakker wordt, zegt de moeder van de dode baby: ‘Het dode kind is van jou, de levende is mijn kind.’ Het conflict wordt tot koning Salomo gebracht, want niemand weet er raad mee. Beide moeders maken aanspraak op het levende kind, maar geen mens kan zeker weten bij wie de levende baby hoort. Salomo moet er recht over spreken, één van zijn eerste rechtspraken. Deze geschiedenis is algemeen bekend geworden als ‘een Salomons oordeel vellen’. Hij moet beslissen wie dat kind krijgt.

 

Wat dan gebeurt, laat ons de barmhartigheid van de echte moeder zien. Salomo zegt tot een van zijn soldaten, dat hij zijn zwaard moet trekken en de baby in tweeën moet klieven, zodat de beide moeders ieder de helft van het kindje krijgen. De moeder van wie het kind niet is, stemt daar in toe en zegt: ‘Dat is goed, dat vind ik rechtvaardig.’ Maar de echte moeder van het kind zegt: ‘Nee koning, dood het kind niet! Geef het dan liever aan deze andere vrouw, maar laat het leven.’ De barmhartigheid die deze vrouw heeft voor het kindje, is voor Salomo het bewijs dat dit de echte moeder is.  Over deze barmhartigheid spreekt Jeremia. Op de puinhopen van Jeruzalem spreekt hij over Gods barmhartigheden, over Gods innerlijke barmhartigheden. Dat zal ik mij ter harte nemen, zegt hij, daarom zal ik hopen … dat Zijn barmhartigheden geen einde hebben. Vanwege Gods barmhartigheden krijgt de profeet hoop.

 

Gemeente, er is voor ons zondaren, die schuldig staan voor God, alleen maar hoop in Gods barmhartigheden. Als we terugkijken naar het afgelopen jaar en zien hoeveel verkeerds we hebben gedaan en dat we niet geweest zijn die we moesten zijn, als we zien dat we niet alleen veel misdaan hebben, maar dat we ook niet gedaan hebben wat we wel hadden moeten doen, wat hebben we dan nodig? Barmhartigheid, loutere barmhartigheid. Jeremia zegt daarvan: Die hebben geen einde, die houden nooit op. God zegt nooit: ‘Nu is er voor u, voor jou, geen barmhartigheid meer.’

 

Wat is dat een goede boodschap voor een schuldig, voor een veroordeeld hart. Als het afgelopen jaar ons aanklaagt, als we ons alle zonden herinneren die we dit jaar hebben bedreven, als dat ons zo kan benauwen en neerdrukken, waar kunnen we ons dan op beroepen? We kunnen ons alleen beroepen op Gods barmhartigheid. Zo was het ook bij David. In Psalm 51 lezen we dat. Niet alleen had David overspel gepleegd, hij had ook Uria laten doden, dus een moord begaan. Waar kon hij nog op hopen? Wat horen we dan? Hij bidt: Delg mijn overtreding uit, naar de grootheid Uwer barmhartigheden. David doet een beroep op de grootheid, op het verbazende van Gods barmhartigheden, en hij roept: Genâ, o God, genâ, hoor mijn gebed; verschoon mij toch naar Uw barmhartigheden.’

 

Gemeente, ben je daar al eens geweest, dat je je nergens anders meer op kon beroepen dan op Gods barmhartigheden? Of eis je nog altijd je loon op? Zeg je nog altijd: ‘Doe ons open, doe ons open. Ik heb in Uw Naam geprofeteerd en vele krachten gedaan. Ik heb Uw wet gehouden. Ik heb altijd de kerk bezocht en de rechtzinnige leer beleden.’ Of zeg je met David: ‘Verschoon mij toch naar Uw barmhartigheden.’ Daar hoopt ook Jeremia op.

 

Op oudejaarsavond moeten we het Jeremia nazeggen: Het zijn de goedertierenheden des Heeren, dat we niet vernield zijn, dat Zijn barmhartigheden geen einde hebben. Dat is de enige hoop die overblijft. Goedertierenheid, verbondstrouw aan ontrouwen, en barmhartigheid, enkel erbarmen voor wie schuldig en vervloekt is.

Wanneer we met onze wereldse oren naar Jeremia luisteren, lijkt het alsof hij maar een schrale troost aanreikt. Stel je voor: iemands boerderij is afgebrand, zijn vrouw en kinderen zijn daarbij omgekomen en je zegt dan tegen die man: ‘Maar je bent nog niet vernield, jij mag nog leven.’ Dat is maar een schrale troost. Toch zegt Jeremia dat tegen de mensen die achtergebleven zijn in het verwoeste Jeruzalem. ‘We zijn niet vernield. We hadden verdiend totaal vernield te worden.’

 

Gemeente, om daarmee getroost te zijn moet u zien wat u eigenlijk verdient. Ik heb zoveel erger verdiend. Het kon zoveel slechter zijn dan het nu is. Dan roemen we de goedertierenheden en barmhartigheden van de Heere.

Daarover spreekt de profeet dan ook in het verwoeste Jeruzalem. Daar mag Gods Woord van spreken op oudejaarsavond. Van God Die ons niet vernield heeft. We zijn bezocht met ziekten en zorgen. We hebben mogelijk een zwaar, een moeilijk jaar achter de rug, maar we zijn niet vernield.

Wanneer we een jaar afsluiten, blijven er baten en schulden over. Meestal blijven er gelukkig in ons huishoudboekje  meer baten over. Maar als we voor God de rekening opmaken, blijven er enkel schulden over.

En zo’n finale afrekening komt er!

Eens zullen de boeken opengaan. God houdt over ons leven een boekhouding.  Er is een gedenkboek voor Zijn aangezicht,  lezen we in Malechi 3:16. Eens zullen we allen geoordeeld worden uit die boeken, naar hetgeen we gedaan hebben, hetzij goed, hetzij kwaad.

 

Als we jong zijn, denken we: Die dag van sterven en God ontmoeten is nog zo ver weg. Toch moet je ook in je jeugd reeds denken aan de dag waarop je voor Gos rechtbank zult staan. De Prediker zegt dan ook: Verblijd u, o jongeling! in uw jeugd, en laat uw hart zich vermaken in de dagen uwer jongelingschap, en wandel in de wegen uws harten, en in de aanschouwingen uwer ogen; maar weet, dat God, om al deze dingen, u zal doen komen voor het gericht (Pred.11:9). Al ben je jong, dan moet je daar toch, zeker op oudejaarsavond, aan denken. En kinderen, jongens en meisjes, jullie ook. We zijn geboren om eens weer te sterven, en sterven is God ontmoeten.

 

Wat is dat besef ver verdwenen. Je vindt het weinig meer onder ons volk in Nederland Maar ook onder het kerkvolk. Veel ouders laten het na om kinderen er van te doordringen dat ze eens moeten sterven en de Heere moeten ontmoeten. Eeuwigheidsbesef is zo onmisbaar in de Christelijke opvoeding, want dat maakt het Evangelie liefelijk. Het maakt het Evangelie een boodschap van uitkomst, redding en verzoening.

 

Wanneer we denken aan de heilige God en ons onheilige zelf, is er dan wel hoop?

Dan kan er toch slechts oordeel volgen? We kunnen toch niet anders verwachten dan dat de Heere zal zeggen: ‘Gaat weg van Mij, gij vervloekten, die niet hebt gewild dat Ik Koning over u zou zijn.’ Maar Jeremia heeft hoop. Hoop… niet op zichzelf, maar hoop op Wie God is. Jeremia spreekt van Gods goedertierenheden en van Zijn barmhartigheden. Dat heeft te maken met Gods karakter, met Zijn eigenschappen, met Wie Hij is en hoe Hij is. Hij is goedertieren en barmhartig. ‘En dat,’ zegt de profeet, ‘zal ik mij ter harte nemen.’

 

Dat moeten ook wij ter harte nemen. Daarop moet onze hoop gevestigd zijn. Op goedertierenheid en loutere barmhartigheid. Calvijn spreekt dan van ‘louter erbarmen’. Daar moet onze hoop op gevestigd zijn, op loutere barmhartigheid.

Barmhartigheid heeft God bewogen een Verlosser te zenden 

Gods barmhartigheden zijn de oorzaak van de komst van de Verlosser. Met Kerst hebben we het herdacht en we hebben het Zacharia horen zingen: Door de innerlijke bewegingen van de barmhartigheid onzes Gods, met welke Hij ons bezocht heeft met de Opgang uit de hoogte (Luk.1:78).

In Christus openbaart God Zijn barmhartigheid. Barmhartigheid is de reden waarom er een Verlosser in de wereld is gekomen. We moeten daarom als David deed: ons beroepen op Gods barmhartigheden en goedertierenheden. Wees mij genadig, o God, naar Uw goedertierenheid; delg mijn overtreding uit, naar de grootheid Uwer barmhartigheden (Ps.51:1). Daar moet onze redding vandaan komen: pure, zuivere barmhartigheid. De meest geoefende gelovige, zelfs een apostel, kan in niet anders roemen en slechts zeggen: ‘Maar mij is barmhartigheid geschied.’

 

Laat het voornemen in uw hart geboren worden: ‘Ik zal hopen op Uw goedertierenheid en op Uw barmhartigheden.’

Jeremia voegt eraan toe: Ze zijn elke morgen nieuw, Uw trouw is groot. Gods barmhartigheden zijn steeds nieuw, ze zijn steeds vers. Iedere morgen is er nieuwe barmhartigheid. We hebben die nieuwe barmhartigheid ook iedere morgen weer nodig. Iedere dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad. We blijven iedere dag aangewezen op Gods barmhartigheid. Al ben je al jaren bekeerd, al heeft God je nog zoveel geleerd, al is je geloof sterk en geoefend, je moet het alles hebben van loutere barmhartigheden.

Die zijn ook  iedere morgen nieuw. Ze blijven ook nieuw voor een hart dat zich schuldig voelt, dat zich voor God moet vernederen en altijd moet zeggen: ‘Heere, ik ben weer niet geweest die ik eigenlijk zijn moest.’

Gods barmhartigheid lijkt inderdaad op de barmhartigheid die een moeder heeft voor haar kind, zoals de vrouw die voor Salomo stond. Zij zei: ‘Spaar het kind, geef het dan maar aan deze vrouw.’ We lezen van deze moeder dat haar ingewand werd ontstoken over haar zoon. Dat zegt God ook van Zichzelf, dat Hij in Zijn ingewand ontroerd en beroerd is.

Wanneer de Heere hoort dat Efraïm met berouw tot Hem roept, zegt Hij: daarom rommelt Mijn ingewand over hem. Ik zal Mij zijner zekerlijk ontfermen, Jer. 31:20.

De rommelingen van Zijn ingewand is een ontroering in God, waardoor Hij gedreven wordt om boetvaardige zondaren barmhartigheid te schenken.

 

Volk des Heeren, God heeft u deze barmhartigheid, dat loutere erbarmen geschonken. U was niet beter dan zoveel anderen! Het feit dat Hij naar u heeft omgezien, u heeft geroepen uit de duisternis en gebracht heeft tot Zijn wonderbaar licht, vindt zijn oorzaak alleen is Gods barmhartigheid. Die neemt geen einde!

De Heere zegt: Kan ook een vrouw haar zuigeling vergeten, dat zij zich niet ontfermt over den zoon van haar buik? Ofschoon deze vergate, zo zal Ik u toch niet vergeten (Jes.49:15). ‘Ik zal u nooit vergeten’, zegt de Heere. In Hosea lezen we: Hoe zou Ik u overgeven, o Efraïm, u overleveren, o Israël? Mijn hart is in Mij omgekeerd, al Mijn berouw is tezamen ontstoken (Hos.11:8). Gods barmhartigheden!  Wat een genade! En,… ze zijn iedere morgen nieuw.

 

Wat gebruikt de profeet geweldige taal als hij het over God heeft. Hij spreekt van goedertierenheid, van trouw bewijzen aan een ontrouwe. Hij heeft het over barmhartigheid, innerlijk bewogen zijn met ontferming over een schuldige, een overtreder, die door zijn zonden allerlei ellenden, ja de eeuwige verdoemenis over zichzelf heeft gebracht.

 Zo wordt God ons in de Bijbel bekendgemaakt. Dat is de God van de Bijbel, de God van Abraham, Izak en Jakob, de God van onze Heere Jezus Christus. Hij is niet de onbewogen Allah, maar de God die rijk is in barmhartigheid. Barmhartigheid is Zijn rijkdom.  Daarom mogen we hopen. Daarom is er hoop voor de slechtste onder de mensen. Al  Gods kinderen gaan van harte naast Paulus staan en zeggen: maar mij is barmhartigheid geschied.

 

Bij de Heere is  goedertierenheid en barmhartigheid. Het is de diepe, oorzaak van Christus’ komen in onze wereld. God heeft met Zijn barmhartigheden ons bezocht met de Opgang uit de hoogte.

En… Zijn barmhartigheden kennen geen einde. Zij kennen niet alleen geen grenzen, maar zij  falen niet, zij mislukken niet. Wij zouden iemand willen helpen, maar we kunnen het niet, omdat ons de mogelijkheden ontbreken. Gods barmhartigheden echter falen niet. God komt nooit macht of mogelijkheden tekort. Daarom zegt de profeet: Hierom zal ik hopen, dat zal ik ter harte nemen; het zijn de goedertierenheden des Heeren, dat wij niet vernield zijn, dat Zijn barmhartigheden geen einde hebben; zij zijn allen morgen nieuw, Uw trouw is groot. Laat u ziel er Amen op zeggen.

 

Amen.

 

Slotpsalm: psalm 33: 11

 

Laat ons alom Zijn lof ontvouwen:
In Hem verblijdt zich ons gemoed,
Omdat wij op Zijn naam vertrouwen,
Dien Naam, zo heilig, groot en goed.
goedertieren Vader,
Milde zegenader,
Stel Uw vriend'lijk hart,
Op Wiens gunst wij hopen,
Eeuwig voor ons open;
Weer steeds alle smart.