Ds. J.S. van der Net - 2 Thessalonicenzen 2 : 11 - 12

God zendt een kracht van dwaling

de Afzender van deze kracht
het oordeel dat in deze kracht ligt
aan wie deze kracht is geadresseerd

2 Thessalonicenzen 2 : 11 - 12

2 Thessalonicenzen 2
11
En daarom zal God hun zenden een kracht der dwaling, dat zij de leugen zouden geloven;
12
Opdat zij allen veroordeeld worden, die de waarheid niet geloofd hebben, maar een welbehagen hebben gehad in de ongerechtigheid.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 95: 3 en 4
Zingen : Psalm 95: 5
Lezen : 1 Koningen 22: 7-23 en 2 Thessalonicenzen 2: 1-12
Zingen : Psalm 68: 1 en 2
Zingen : Psalm 119: 60
Zingen : Psalm 119: 69
Zingen : Psalm 33: 5

Het Woord van God dat ik met de hulp van de Heilige Geest met u wil overdenken, kunt u vinden in de tweede brief van Paulus aan de Thessalonicenzen, het tweede hoofdstuk, en daarvan de verzen 11 en 12:

 

En daarom zal God hun zenden een kracht der dwaling, dat zij de leugen zouden geloven; opdat zij allen veroordeeld worden, die de waarheid niet geloofd hebben, maar een welbehagen hebben gehad in de ongerechtigheid.

 

Deze Schriftwoorden prediken ons: God zendt een kracht van dwaling.

 

Je zou ook kunnen zeggen dat God een géést van dwaling zendt.

 

Een drietal hoofdgedachten:

 

     1. de Afzender van deze kracht;

     2. het oordeel dat in deze kracht ligt;

     3. en aan wie deze kracht is geadresseerd.

 

1. De Afzender van deze kracht

Paulus schrijft een paar brieven naar de gemeente van Thessa­lonica, het tegenwoordige Saloniki. Eerst waren Paulus en Silas in Filippi geweest. Meisjes en jongens, jullie weten vast wat daar gebeurd is: Lydia werd daar bekeerd en de stokbewaarder, de cipier, kwam daar ook tot geloof.

Daarna zijn Paulus en Silas naar Thes­salonica gereisd, waar ook een gemeente ontstond. Daar kwamen ook mensen tot geloof. Er ging een goed getuigenis van de gemeente uit; omdat er duidelijk sprake was van geloof, hoop en liefde. Als dan de apostel Paulus na een paar maanden een brief aan deze gemeente schrijft, de tweede brief aan de Thessalonicenzen, vermeldt hij met blijdschap dat er groei is in deze gemeente. De gemeente breidt uit. Maar er is ook groei naar binnen, omdat het geloof, de hoop en de liefde sterker zijn geworden.

 

Er is nóg iets heel moois in deze gemeente. De mensen leven namelijk in een sterke verwachting van de wederkomst van de Heere Jezus Christus. Ze geloven het zó sterk, dat er mensen zijn die hun werk erom gaan verwaarlozen: Jezus komt toch bijna?

Om zomaar eens een voorbeeld te noemen: Er zijn leden van de gemeente die een winkel hebben. En ja, die winkel zou toch eigenlijk eens verbouwd en opgeknapt moeten worden. Maar wat zeggen ze dan tegen elkaar? 'Ach, we zullen het maar niet doen. Waar zouden we het eigenlijk voor doen? Straks komt de Heere Jezus terug en dan is het toch allemaal niet meer nodig.' Zó diep zijn ze ervan over­tuigd: ‘Maranatha! Jezus komt!’

 

En wat doet Paulus? Hij onderwijst de gemeente. Hij zegt: 'Nee mensen, jullie moeten gewoon aan het werk gaan, want zo snel komt de Heere Jezus nu ook weer niet. Er zal eerst nog heel veel moeten gebeuren voordat het zover is.'

Wat moet er dan nog gebeuren? Daarover schrijft Paulus in het tweede hoofdstuk van deze brief aan de Thessalonicenzen. De gemeente moet gaan letten op de tekenen van de tijden. Daartoe schrijft hij in het eerste en tweede vers: En wij bidden u, broeders, door de toekomst van onze Heere Jezus Christus en onze toevergadering tot Hem, dat gij niet haastig bewogen wordt van verstand, of verschrikt, noch door geest, noch door woord, noch door zendbrief als van ons geschreven, alsof de dag van Christus aanstaande was. Met andere woorden: 'Gemeente, u moet niet zo gauw van streek zijn, alsof de dag van Christus al zó dichtbij is! Want al sinds het pinksterfeest leeft de kerk in het laatste der dagen. De grote dag van Christus komt nog.'

 

Het is waar, die dag kán zomaar ineens aanbreken. De Heere Jezus heeft gezegd dat Hij zal komen als een dief in de nacht. Dan moeten we wel bereid zijn. U ook, gemeente! Jullie ook, meisjes en jongens. Je moet bereid zijn!

Maar, zegt Paulus, vóórdat de Heere Jezus komt, zul je wel het een en ander zien gebeuren. Dat noemen we de tekenen van Zijn komst. Net zoals je weet dat de avond komt als het gaat schemeren aan het eind van de dag. En zoals je weet dat de zomer komt als in de lente de knoppen in de bomen uitlopen, zó zijn er ook tekenen die wijzen op Jezus' komst. Eerst komen de tekenen en dan komt Jezus Zelf.

 

In dit tweede hoofdstuk noemt Paulus een paar van die tekenen van Jezus' terugkomst. Wij lopen ze eens langs. Eerst wijst hij op de grote afval die zal komen. De mens zal hoe langer hoe meer van God losraken. Zelfstandig, zonder God leven. En dat niet alleen in theorie, maar ook in de praktijk van het dagelijkse leven. En niet zomaar een béétje van God afvallen en van Hem losraken, nee, de afval zal totaal zijn.

Nog zo'n teken: de goddeloze mens zal zich ten volle openbaren. Natuurlijk, sinds het paradijs zijn er altijd goddeloze mensen geweest. Som­mige mensen waren wel heel goddeloos, maar in het laatste der dagen zal de goddeloze mens echter nog veel sterker naar voren komen. Hij wordt dan geopenbaard, zegt Paulus. Dat wil zeggen: het wordt steeds duidelijker wie hij is. Zijn masker valt af. De mens zal zich hoogmoedig tegenover God opstellen. Hij denkt álles te kunnen en te mogen doen. Ja, schrijft Paulus in het vierde vers, hij denkt de plaats van God in te kunnen nemen. Het meest opvallende zal zijn dat hij in de tempel als Gód zal zitten. Met andere woorden: de mens zal het in de kerk voor het zeggen hebben. Het wereldse zal de kerk binnengehaald worden. Het menselijke – dus wat mensen zeggen, denken en voelen – zal de toon aangeven. Dát zal de norm zijn. De mens wil dit, de mens wil dat. Dan zullen we vooral eerbied moeten hebben voor de moderne mens en zijn gevoelens. De mens – hém zij de heerlijkheid!

 

Kijk, zegt Paulus, zó zal het in de christelijke gemeente zijn voordat Christus wederkomt.

En zeg nu zelf: is dat vandaag niet erg dichtbij? De mens zit op de troon. Straks ook in de kerk. Er is iets gaande. Dat voelen we allemaal wel aan, denk ik. Het gaat geen kerk voorbij. Het zit als het ware in de lucht.

Waar Paulus over spreekt, daarvan is nu iets aan de gang. Met andere woorden: wij zien er vandaag meer van dan die gemeente van Thessalonica. Er is in de kerken een geest binnengeslopen, die de mensen infecteert. Zo'n infectie loop je in de kortst mogelijke tijd op. Je houdt het niet voor mogelijk, maar het ís zo. Vooral de massamedia spelen daarin een rol. Allerlei hedendaagse opvattingen worden zomaar gemeengoed in de kerk. We worden als christenen beïnvloed door de krant, door de radio, door de televisie, door internet. We ademen het als het ware in. Je vraagt je wel eens af: ‘Hoe komen mensen eigenlijk aan zulke opvattingen? Het lijkt wel of een boze geest ons te pakken heeft.

 

Als mensen gaan dwalen – is dat dan iets van de duivel?

Nou en of! De duivel is voortdurend bezig om ons op een dwaalspoor te brengen. We kunnen niet genoeg rekening houden met de vorst van duisternis, die niet voor niets door de Heere Jezus de vader der leugens genoemd wordt. Hij zit nooit stil en heeft door de eeuwen heen veel ervaring opgedaan. Hij kent de kneepjes van het vak.

'Maar', zegt Paulus, ‘nu moet je niet denken dat dit allemaal gebeurt zonder dat God ervan weet.' Soms denk je wel bij jezelf: hoe kan God dat allemaal toelaten? Het is zo  onvoorstelbaar. 'Maar', zegt Paulus, 'God laat het niet alleen toe, maar Hij heeft er ook Zelf de hand in. God zit er Zelf achter, wanneer een dwaalgeest de mensen in beslag neemt. God is Zelf in deze wereld bezig de dingen door­gang te doen vinden. Hij staat erboven, want God Zelf zendt een kracht, een geest van dwaling.'

 

Meisjes, jongens, God stuurt heel de wereldgeschie­denis bewust in de richting van de grote dag van Zijn Zoon. 'Hij komt, Hij komt, om de aarde te richten, de wereld in gerechtigheid.' Maar voordat die dag van Christus komt, zendt God een geest van dwaling. God Zelf zal ervoor zorgen dat de mensen zó beïnvloed worden, dat ze meegezogen worden, dat ze aan het dwalen raken. Dat kan de duivel niet tegenhouden. Dat kan zelfs de kerk niet tegenhouden, hoezeer ze er ook voor dient te waarschuwen en de wacht heeft te betrekken in een schriftgetrouwe prediking. Zelfs ons gebed kan dat niet verhinderen.

 

Maar als God werkt, wie zal het dan keren? Als God Zelf een geest van dwaling zendt, dan is er inderdaad geen houden meer aan. God spreekt en het is er. Hij gebiedt en het staat er. Hij regeert! Wie kan Gods hoog besluit ooit keren? Wie kan God tegenhouden? Als God werkt, werkt Hij ook door. Dan gaat alles naar Gods wil, naar Zijn welbehagen. Want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in der eeuwigheid (Rom.11:36).

 

De Heilige Geest Die in de waarheid leidt, komt van God. De Heere Jezus zegt: ‘Mijn Vader zal u deze Geest zenden.’ Maar niet minder waar is wat Paulus hier zegt: God Zélf zendt ook een geest van dwaling. Als God Zelf een geest van dwaling zendt, dan kan niemand het keren. Augustinus zegt: 'Al gebeurt iets tégen Gods wil, dan gebeurt het nog niet zónder Gods wil.' Hij is de Afzender van deze kracht. De Afzender van deze geest van dwaling is God. Daar denken we over na bij onze tweede gedachte: 'Het oordeel in deze kracht', maar laten we eerst samen zingen uit Psalm 119, het zestigste vers:

 

       Al ‘t goddloos volk verdoet G' als schuim van d' aard:

       Dies zal ik Uw getuigenissen vrezen.

       Het heeft mijn ziel verschrikkingen gebaard,

       Ja, zelfs is mij het haar te berg' gerezen,

       Als ik op Uw gerichten heb gestaard.

       Uw oordeel Heer: kan niet dan vreeslijk wezen.

 

Onze tweede gedachte:

 

2. Het oordeel in deze kracht van de dwaling

We hebben dus gezien dat er in het laatste der dagen een dwaalgeest zal komen. Je zou kunnen zeggen: ‘Er is niets meer aan te doen. De afval gaat door. Al zou je in elke gemeente een groot aantal ouderlingen benoemen met een speciale opdracht om daar tegenin te gaan, de mensen gaan toch dwalen. ‘ Dit zégt Paulus ook.

 

Nee, mensen zoeken niet meer. Wanneer ze zouden zoeken, gaat het nog in een bepaalde richting. Dan is er nog een doel. Maar dwalen, meisjes en jongens, dat is zomaar wat rondlopen. Als je dwaalt, weet je de weg niet meer! Dan ben je de weg volkomen kwijt! Als je dwaalt, heb je geen visie, geen toekomst meer. Het leven wordt eigenlijk een groot doolhof waarin je maar ronddoolt zonder eruit te komen. Het is een doelloos leven waarin je heen en weer geslingerd wordt in een al groter wordende onzekerheid. Je weet niet meer waar je bent. Niet meer waar je vandaan komt. Niet meer waar je heengaat. Niet meer waar je uitkomt. Je bent vol­komen de koers kwijt! Het is een uitzichtloos leven! We dwalen maar wat, dag in, dag uit. Vandaag lopen mensen warm voor het ene en morgen weer voor het andere. Ze vragen niet meer naar het goede, maar leven op de tast. Soms zijn ze weer even en­thousiast met het idee dat ze ineens een uitweg denken te vinden. Later zijn ze des te meer teleurgesteld, als blijkt dat ook dát een doodlopende weg is. De mens dwaalt maar verder, uitzichtloos en doelloos.

Wanneer je dwaalt ben je ten diepste de Weg (en nu bedoel ik de Heere Jezus Christus) kwijt. Als je Jezus niet kent als dé Weg, is er geen weg meer naar God te vinden. Als we Jezus niet als dé Weg kennen, dan is er ten diepste ook geen weg door deze wereld.

 

We gaan proberen onze tekst echt te begrijpen. Paulus zegt in vers 11: Daarom zal God hun zenden een kracht der dwaling, dat zij de leugen zouden geloven.

Voor het woordje ‘kracht’ dat Paulus hier in de brief aan de Thessalonicenzen gebruikt, staat in de grondtekst het woordje 'energie'. Hij zal een 'energie van dwaling' zenden. Het is geladen met dwaling.

Wanneer God een ‘energie’ van dwaling zendt, dan wordt dat dwalen gevoed. Het is geladen met dwa­ling. Er zit een geweldige kracht achter. Zolang die energie er maar is, blijven we maar ronddolen. Zolang God die energie levert, gaat die ‘energie van dwaling’, waardoor we de leugen geloven, onweerstaanbaar door.

 

‘Ja’, zegt u, ‘maar ik zou dan toch wat concreter willen weten waarin deze dwaling tot uiting komt.’

Wel, de apostel geeft er een heel concreet antwoord op. Leest u maar in het twaalfde vers, het middelste gedeelte: Die de waarheid niet geloofd hebben. Dáár komt die dwaling in uit: die de wáárheid niet geloofd hebben. Dat wil zeggen: je kunt praten wat je wilt, je kunt de Bijbel opendoen, je kunt met bewijzen aankomen, je kunt waarschuwen zoveel je wilt, je kunt met het oordeel dreigen, je kunt proberen met liefde te lokken. Niets helpt! De mensen geloven de léúgen. Ze zijn er vast van overtuigd dat het is zoals zíj het zien. Daar is geen tornen aan. Zoals zij het zien, zó is het. Dat is hun waarheid. Ze geloven alleen maar de leugen. Sinds het paradijs wíllen de mensen ook bedrogen worden. En de vader van de leugen, de duivel, is er ook nog!

 

Hoe komt het nu dat we de leugen geloven? Ook daarover zegt de apostel iets in onze tekst: Het zijn mensen die de waarheid niet geloofd hebben, maar een welbehagen hebben gehad in de ongerech­tigheid. Als er één ding is waar we in onze tijd over mee kunnen praten, dan is het dit wel: we leven in een tijd van twijfel. Hoe langer hoe meer vragen mensen zich met Pilatus af: 'Wat is waarheid?' De één zegt dit en de ander zegt dat. We weten het niet meer, we hebben het nog nooit geweten. Men is aan het twijfelen geraakt en zo is men gaan dwalen: ‘Ach, de Bijbel zegt dit wel, maar wie zegt dat de Koran geen gelijk heeft en de moslims het niet bij het rechte eind hebben?’

 

Nietwaar, meisjes en jongens? Het is een vraag die nogal eens ge­steld wordt op de catechisatie: ‘De Bijbel zegt dit wel, maar ja, is dat niet een beetje achterhaald, als je de feiten van de wetenschap ernaast legt? De Bijbel zegt wel dat je dit moet doen en dat je dat moet doen, maar is dat niet allemaal tijdgebonden. Is het allemaal niet een beetje gedateerd? De Bijbel zegt wel dat God het voor het zeggen heeft, maar wie zegt nu eigenlijk dat het Gód is Die in de Bijbel spreekt? De Bijbel is toch ook een boek van ménsen over God? De Bijbel zegt wel in de brieven van Paulus een en ander over concrete dingen, hoe je je leven moet inrichten, hoe je je leven zou moeten heiligen, maar is dat niet verouderd? Weten we tegenwoordig niet méér dan Paulus? De Bijbel zegt dat de mens door en door slecht is, maar valt het eigenlijk niet mee? En dat de wereld zo slecht is, is dat niet een veel te simpele redenering? De Bijbel zegt dat je je moet bekeren. Maar ja, moet dat dan zoals we dat vroeger altijd gehoord hebben? De Bijbel zegt dat je dat allemaal geloven moet, maar wie kan dat nog vandaag?’ En zo kunnen we eindeloos vragen blijven stellen.

 

Gemeente, meisjes jongens, als je zo de waarheid van de Bijbel laat vallen en de leugen gelooft, dan geldt volgens de profeet Jeremia: Zij hebben des Heeren Woord verworpen; wat wijsheid zouden zij dan hebben? (Jer.8:9). Mensen geloven áltijd wat. Het is óf geloven in de waarheid en ervoor buigen, óf geloven in de leugen. Eén van tweeën!

‘Nou’, zegt er iemand, ‘maar laat God dat dan allemaal maar toe?’

Ja! Nog veel sterker: God laat het niet alleen toe, maar Hij geeft de mens over aan het goeddunken van zijn eigen hart en doet hem zo onder het oordeel komen. God Zélf zendt een geest van dwaling, en door te geloven in de leugen komt men onder het oordeel van God terecht, en wordt men veroordeeld.

 

We hebben samen het gedeelte uit het boek Koningen, over koning Achab gelezen. Daar lees je dat ook zo duidelijk: Achab weet dat Micha, de zoon van Jimla, een profeet van God is. Maar Achab wil per se niet naar hem luisteren omdat hij zoveel onheil profeteert. Achab heeft zich gepantserd tegen God en wil niet naar Zijn stem horen. Hij luistert liever naar zijn eigen profeten. Dat zijn tenminste aardige mensen! Die spreken nooit tegen! Die zeggen geen onaardige dingen!

In wezen heeft koning Achab zelf de leugen georganiseerd door middel van vierhonderd valse profeten. Als hij aan hen vraagt of hij op moet trekken om tegen Syrië oorlog te voeren en als deze vierhonderd profeten hem het advies geven om z'n gang te gaan, luistert hij naar die leugen. Maar tegelijk voert God Zijn oordeel uit. Want het advies van die vierhonderd profeten is uit Gód. God heeft in hen een leugengeest gezonden. Vreselijk om zo te vallen in de handen van de levende God! Dan is er niets meer aan te doen. Dan werkt het oordeel door. 'Uw oordeel, Heer’, kan niet dan vrees’lijk wezen.'

 

Kijk, zegt Paulus, zo zal het gaan in de antichristelijke tijd, die aan de wederkomst van Christus voorafgaat: de leugen zal ingang vinden onder de mensen, omdat ze de waarheid niet geloven. Als u het Woord van God niet gelooft, gelooft u wat anders. Dan wilt u de waarheid niet meer geloven. U verhardt zich en wórdt ten slotte verhard.

Dat lees je op nog meer plaatsen in de Bijbel. Denk maar eens aan de Farao van Egypte. Mozes kwam met de waarheid: Zo zegt de Heere: laat Mijn volk trekken (Ex.8:1), maar de Farao wilde het woord van God niet geloven. Hij verhardde zich, na elke plaag nog meer. Toen kwam het moment dat God een kracht van dwaling zond en toen kon de Farao niet meer anders. Let maar eens op hoe het beschreven is. Bij de eerste plagen staat nog dat Farao zich verhardde, maar bij de laatste plaag dat Gód hem verhardde. Toen voltrok zich het oordeel van God over hem. Toen was er geen houden meer aan. Dat was 'het oordeel in deze kracht van dwaling'.

 

Ten slotte letten we nog aan wie deze kracht wordt geadresseerd, maar we zingen eerst uit Psalm 119 vers 69:

 

       Gij zijt volmaakt, Gij zijt rechtvaardig, Heer’:

       Uw oordeel rust op d' allerbeste wetten:

       Uw loon, Uw straf beantwoordt aan Uw eer.

       Gij eist van ons dat w’ op Uw waarheid letten,

       Dat wij altoos op hoge prijs Uw leer

       En 't heilig recht van Uw getuig'nis zetten.

 

 

3. Aan wie is deze kracht geadresseerd?

Gemeente, misschien denkt u nu bij uzelf: Het is nogal wat: God zal hun zenden een kracht der dwaling, dat zij de leugen zouden geloven; opdat zij allen veroordeeld worden, die de waarheid niet geloofd hebben (2Thess.2:12).

Maar dat kan toch niet kloppen? We lezen toch ergens anders in de Bijbel dat God wil dat álle mensen zalig worden? Inderdaad, gemeente, dat staat in de Bijbel en dat ís ook zo. Daar mogen we nooit iets van afdoen. Het is het Woord van God. Dat is de waarheid!

 

U moet deze tekst echter wel goed lezen! God wil dat alle mensen zalig worden en tot kennis - dat betekent ‘tot erkenning’ - van de waar­heid komen. Het één mag niet van het an­der losgemaakt worden. Het is onlosmakelijk met elkaar verbonden. Het hangt zelfs heel nauw met elkaar samen. Maar we worden alléén zalig door een waarachtig geloof. Daarom laat de Heere ons het Evangelie verkondigen. De waarheid komt tot ons in de Heere Jezus Christus, Die gezegd heeft: Ik ben de Weg en de Waarheid en het Leven. Niemand komt tot de Vader dan door Mij (Joh.14:6). Er is geen andere weg om zalig te worden dan alleen door het geloof! Denk maar eens aan vraag en antwoord 20 uit de Catechismus: 'Worden dan alle mensen wederom door Christus zalig, gelijk zij door Adam verdoemd zijn geworden? Nee, alleen degenen die Hem door een waar geloof Christus worden ingelijfd en al Zijn weldaden aannemen.' Christus is de Waarheid en spreekt de waarheid!

 

En nu komt dit woord tot u allemaal. De Heere heeft geen lust in uw dood, maar in uw leven! De Heere wacht om genadig te zijn. Geloof daarom Zijn heil- en troostrijk woord! Er is maar één Middelaar Gods en der mensen. Dat is de Heere Jezus Christus. Deze Christus staat in het gewaad van Zijn Woord voor u en voor jou en Hij nodigt: 'Kom tot Mij! Hoort en uw ziel zal leven!' Gemeente, van dat Woord kunt u op aan! Dat is de waarheid! Gelooft u dat? Meisjes en jongens, geloven jullie dat?

 

Misschien zit er wel iemand in de kerk, die zegt: 'Ja, geloof je dat… geloof je dat… Geloven – hoe gaat dat dan, geloven?'

Wel, geloven is een gave van God. Een gave van God, waarin een mens zichzelf ontvalt en waarin hij God toevalt. Het is een gave van God. Daarom zeg ik tot u allen die hier in de kerk zit: bid er nú om, tijdens deze dienst!

 

Als de Heere dat geloof in ons hart geeft, gaan we Wet en Evangelie geloven. Dan leren we als zondaar te buigen onder Gods rechtvaardigheid: 'Uw doen is rein, Uw vonnis gans rechtvaardig.' Maar ook het wonder: God laat een mens daar niet liggen! De Heere komt met de beloften van het Evangelie: Die Mijn woord hoort en gelooft Hem, Die Mij gezonden heeft, die heeft het eeuwige leven en komt niet in de verdoemenis, maar is uit de dood overgegaan in het leven (Joh.5:24). Wie zó door het geloof op Jezus ziet, die vreest het oordeel niet.

 

Maar als wij deze waarheid níet geloven, rust het vernietigende oordeel op ons: Opdat zij allen veroordeeld worden, die de waarheid niet geloofd hebben (2Thess.2:12). Dan komen we niet door het oordeel van God heen. Dan zendt God ons ook een kracht, een geest van dwaling. Dan komt er een tijd dat we niet meer bekeerd kunnen worden!

 

Wie zijn de geadresseerden van dit oordeel eigenlijk? Voor wie zijn deze woorden bestemd? Paulus zegt: Die de waarheid niet geloofd hebben. 'Ja', zegt u, 'waarheid – daar heb je het weer – wat ís waarheid?' Gemeente, waarheid is héél de Bijbel, woord voor woord, Wet en Evangelie. Waarheid is wat de Heere Jezus zegt: 'Wie in Mij niet gelooft, is reeds veroordeeld.' Dat geloven is niet zomaar met je verstand wat toestemmen: 'Nou, ik weet uit de Bijbel dat ik een zondaar ben en dat Jezus Christus voor zondaren is gestorven, dus Hij is voor mij gestorven.' Dat is echt het trekken van een verstandelijke conclusie en het geeft geen wezenlijke geloofsverbintenis met Jezus! Daarvoor moeten we het héle Woord van God, Wet en Evangelie, van harte gelo­ven. Daarvoor buigen, over de hele linie van ons leven gehoorzaam zijn, uit liefde tot de waarheid.

 

Als wij de waarheid niet geloven, zegt Paulus, dan blijft het daar niet bij. Dan heeft dat gevolgen: Opdat zij allen veroordeeld worden, die de waarheid niet geloofd hebben, maar een welbehagen hebben gehad in de ongerechtigheid (2Thess.2:12). Een kind van God dat voor de waarheid buigt, gaat zien dat het afwijken van Gods geboden zonde is. Die krijgt daar last van: het wordt een diepe smart in zijn leven en hij gaat het als schuld voor God belijden. Die krijgt een afkeer van die ongerechtigheid! Die heeft lust om de Heere te vrezen, om naar Gods geboden te leven, om te leven zoals de Heere wil: Hoe lief heb ik Uw wet! Zij is mijn betrachting de ganse dag (Ps.119:97). Dáárom komt er een gehoorzaam luisteren naar het Woord: 'Merk op, mijn ziel, welk antwoord God u geeft.'

 

Maar als je de waarheid niét gelooft, meisjes en jongens, dan heb je helemaal geen zin om gehoorzaam te zijn. Dan ga je het liefst zon­dags en doordeweeks je eigen gang. Dan houd je geen rekening met Gods wil. Dan heb je geen zin om twee keer per zondag naar de kerk te gaan. Dan heb je er ook geen zin in om morgen de minste te zijn omdat God dat van je eist. Dan hebben we er plezier in om onze eigen gang te gaan, en denk je ten diepste: 'Ik doe wat ík wil.'

 

Kijk, dát bedoelt Paulus nu met een ‘behagen hebben in onge­rechtigheid’: je hebt er geen zin in. Geen zin in gerechtigheid. Geen zin in wat God wil. Geen honger en dorst naar de gerechtigheid. Geen zin om jezelf over te geven aan de Heere en Zijn dienst. En, zegt Paulus in vers 10, in alle verleiding der onrechtvaardigheid in degenen die verloren gaan, daarvoor dat zij de liefde der waarheid niet aangenomen hebben, om zalig te worden. Dan gaat u, dan ga jij, dan ga ik verloren. Want dan is er bij ons géén liefde tot de waarheid. Dan hunkeren we er ook niet naar om zalig te worden, om in de gemeenschap met God te leven. Daarom zal God u, zegt Paulus, een energie, een kracht, een geest van dwaling zenden. Daarom! Dan is er geen houden meer aan. Dan komt het zelfs zo ver in een mensenleven dat hij zich niet meer bekeren kán. Als u zichzelf eerst verhard hebt, gaat God ú vervolgens verharden. Net zoals bij de Farao. Dan geeft God u, net als Achab, over aan het goeddunken van uw eigen hart en zendt Hij een leugengeest. Dan gaat het oordeel door.

 

Gemeente, God verhardt het hart van een mens niet zomaar. Ik heb vroeger een ouderling gehad die zo dikwijls zei: 'Eigenlijk is het zo, dat de mens ontvangt wat hij begeert.' Daarom vraag ik aan u en aan jou: Begeert u, verlang jij ernaar in de waarheid te geloven? Hebt u lust om de Heere te vrezen, om te leven zoals Hij wil? U zult het ontvangen. U zult behouden worden, want een mens ontvangt wat hij verlangt. Maar als u niet wilt geloven, als u niet wilt gehoorzamen, als u niet wilt leven naar Gods geboden, dan ontvangt u óók wat u begeert. Dan zendt God een geest van dwa­ling om de leugen te geloven, opdat u veroordeeld wordt.

 

Begrijpt u nu welke klemmende oproep er op dit moment tot u en tot jou komt? Jong en oud, hóór deze waarheid! Wie de Zoon niet gehoorzaam is, zal het leven niet zien. De toorn van God blijft op u, op jou. Ontwaakt, gij die slaapt, en staat op uit de doden (Ef.5:14).

De waarheid is dat Jezus Christus in de wereld gekomen is om zóndaren zalig te maken. Hij wácht om u en jou zalig te maken! Gelooft u dat? Wat is God goed, dat Hij ons niet zomaar door laat gaan.

De dagen van de afval komen al dichterbij. De dwaling zet door. Steeds meer mensen laten zien dat ze niet willen geloven. Haast u en spoed u, om uws levens wil!

 

Kinderen van God, let op de tekenen van de tijd. We kunnen wel eens zuchten over zoveel afval in de kerk. We kunnen wel eens verdrietig zijn over aan het licht komen van zoveel zonde. We leven ons steeds meer uit. De leugen wordt geloofd. Maar zie nu eens wat God doet! Hij is bezig met het zenden van een krachtige dwaling, opdat allen veroordeeld worden. Jezus komt om de levenden en de doden te oordelen.

 

Kinderen van God, hoe komt het nu dat u de waarheid hebt aangenomen? Ik weet zeker dat u op deze vraag allemaal zult zeggen: 'Dat ik de waarheid heb aangenomen, is enkel genade! Ook ik had een hart dat gericht was op de leugen. Maar omdat het nu enkel genade is, zal ik zalig worden! Omdat Christus voor mij de Weg, de Waarheid en het Leven is geworden. Omdat het welbehagen van God door Zijn hand gelukkig voortgaat.'

 

We leven in het laatste der dagen. God zendt een leugengeest, een dwaalgeest. De grote dag van Christus komt. Dan zullen alle mensen persoonlijk voor die grote Rechter moeten verschijnen. Alle mensen: mannen, vrouwen en kinderen. De gedachte aan dit oordeel is terecht verschrikkelijk voor de goddelozen, maar de gedachte aan dit oordeel is kostbaar en troostvol voor de vromen, voor Gods uitverkorenen, omdat hun totale verlos­sing komt: ‘En daarom verwachten wij deze dag met een groot verlangen, om ten volle te genieten de beloften van God, in de Heere Jezus Christus.

 

Die deze dingen getuigt, zegt: ja, Ik kom haastiglijk. Amen. Ja, kom, Heere Jezus! (Openb.22:20).

 

Amen.

 

Psalm 33 vers 5:

 

Geen ding geschiedt er ooit gewisser

Dan 't hoog bevel van ‘s Heeren mond;

Zijn Godd'lijk almacht spreekt en 't is er;

Zijn wil gebiedt en 't wordt terstond.

Schoon de heid'nen samen

List op list beramen,

God verbreekt hun raad.

Schoon de mogendheden

Snood' ontwerpen smeden,

Hij belacht haar haat.