Ds. R. Kattenberg - Jesaja 43 : 22 - 25

God en Zijn volk

Jesaja 43
Wat het volk doet
Wat God doet!

Jesaja 43 : 22 - 25

Jesaja 43
22
Doch gij hebt Mij niet aangeroepen, o Jakob! als gij u tegen Mij vermoeid hebt, o Israel!
23
Mij hebt gij niet gebracht het kleine vee uwer brandofferen, en met uw slachtofferen hebt gij Mij niet geeerd; Ik heb u Mij niet doen dienen met spijsoffer, en Ik heb u niet vermoeid met wierook.
24
Mij hebt gij geen kalmus voor geld gekocht, en met het vette uwer slachtoffers hebt gij Mij niet gedrenkt; maar gij hebt Mij arbeid gemaakt, met uw zonden, gij hebt Mij vermoeid met uw ongerechtigheden.
25
Ik, Ik ben het, Die uw overtredingen uitdelg, om Mijnentwil, en Ik gedenk uwer zonden niet.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 102: 15, 16
Lezen : Jesaja 43: 9-28
Zingen : Psalm 106: 4, 23, 24
Zingen : Psalm 103: 5
Zingen : Psalm 149: 5

Gemeente,

 

De tekst voor de prediking uit het Woord van God vindt u in Jesaja 43, de verzen 22 - 25.

 

Doch gij hebt Mij niet aangeroepen, o Jakob, als gij u tegen Mij vermoeid hebt, o Israël.
Mij hebt gij niet gebracht het kleine vee uwer brandoffers en met uw slachtoffers hebt gij Mij niet geëerd; Ik heb u Mij niet doen dienen met spijsoffer en Ik heb u niet vermoeid met wierook.
Mij hebt gij geen kalmus voor geld gekocht en met het vette uwer slachtoffers hebt gij Mij niet gedrenkt; maar gij hebt Mij arbeid gemaakt met uw zonden, gij hebt Mij vermoeid met uw ongerechtigheden.
Ik, Ik ben het, Die uw overtredingen uitdelg om Mijnentwil, en Ik gedenk uwer zonden niet.

 

In het tekstwoord is sprake van God en Zijn volk. We letten op:

 

1. Wat het volk doet.

2. Wat God doet!

 

1. Wat het volk doet

Gemeente, er is verdriet van mensen, maar er is ook verdriet van God. Het is overduidelijk dat er verdriet van mensen is. Er is zoveel te klagen, er is zoveel geween. Wie van ons kan op deze oudejaarsdag het verdriet peilen van dit jaar? Wie kan dat wegen? Wie kan in woorden uitzeggen dat er dit jaar zóveel procent meer verdriet was dan vorig jaar? Dat kan toch niet! Verdriet is voor jezelf altijd een volle maat en die betreft het hele leven. Verdriet als we letten op het nieuws op de voorpagina van de kranten. Als je weet wat voor een moeite erachter schuilgaat als mensen gedood zijn door oorlogsgeweld op veel plaatsen in deze wereld.

Verdriet over slachtoffers van grote rampen en ongelukken. Verdriet over zoveel miljoenen die elke dag honger lijden: zoveel kinderen zoals jullie, drie, vier, vijf jaar. Mama heeft niks meer te eten! Kun je dan geen verdriet hebben? Is het een wonder dat die kinderen huilen? Nee toch?

Verdriet in het grote geheel, maar ook verdriet als het gaat om de bladzijde van de krant waar de overlijdensadvertenties zijn te vinden. Misschien gaf u kennis van het overlijden van …. U bewaart die advertenties en knipt ze uit. U zegt: ‘Mijn vader, mijn zus, broer of van een goede kennis.’ Die wil ik toch nog een keer overlezen. Verdriet. Wat tussen de voorpagina en de achterpagina gestaan heeft: moeite en verdriet. Wat is er een roodheid der ogen op deze aarde. Hoe komt dat? Vanwege onze zonden! Verdriet hoort bij leed en leed hoort bij lijden en lijden gaat terug op onze zonden.

 

Daarom, gemeente, dat kruis op uw huis en daarom de smart in uw hart. Dat voelt u juist aan het einde van het jaar. Zoveel verdriet en zoveel tranen. Het gaat geen mens voorbij. U kunt vandaag niet ergens aanbellen met de vraag: ‘Woont hier iemand die helemaal geen verdriet heeft gehad dit jaar?’ Als iemand ‘Ja’ zegt, weet u per definitie dat hij niet de waarheid spreekt, want het gaat geen deur voorbij. Er is verdriet van u en van mij, van ons allemaal. Er is echter ook verdriet van God. Hebt u daar aan gedacht?

 

Misschien zijn hier mensen die denken: Mag je dat wel zeggen, het verdriet van God? Dat is nogal wat! Wat is het een zegen dat de Heere in Zijn Woord over Zich laat spreken als was Hij een mens als u en ik. Wat een zegen is het dat wij uit het Woord van God een klein beetje kunnen weten Wie God is en wat God doet. God laat over Zich spreken. Hij heeft handen, voeten, ogen en oren, een hoofd en een hart Wat een zegen is dat. Waarom?

Wel, u weet wat u met uw handen kunt doen: met uw handen kunt u een gebaar maken als een kind iets gedaan heeft wat niet mocht. U zegt: ‘Dat mag niet.’ Maar met diezelfde hand haalt u uw kind naar u toe, als het verdriet heeft! U zegt: ‘Vertel nu eens aan papa, aan mama wat er is.’ Met uw hand geeft u een aai over de bol van het kind! Uw handen.

Maar nu uw voeten. Als iemand in nood is of een beroep op u doet, zegt u: ‘Ik kom eraan.’ Zo snel als uw voeten u dragen kunnen, komt u. U komt iemand te hulp.

Maar nu uw hart. Wat gaat er om in uw hart, het binnenste van uw leven? Het zijn de meest ingrijpende gedachten.

 

Wat een zegen dat we in de Bijbel lezen dat God over Zich laat spreken. Hij heeft handen, voeten en een hart! Zelfs over de ingewanden van God wordt er gesproken. Wat betekent dat? Gemeente, God is de Levende God. God is de God van Wie wij weten dat Hij berouw heeft, dat Hij smart heeft, dat Hij verdriet heeft. Laten we ons dat niet laten ontnemen door mensen die stug en star vinden dat God toch de Onveranderlijke is. Ja, dat is God ook. Hij is ook de Onveranderlijke, maar Hij is niet de onveranderlijke zoals een rots in de branding. Daar klotst het water tegen aan. Elke keer maar weer opnieuw, jaar in jaar uit, eeuw in, eeuw uit. Zo’n rots blijft precies dezelfde. Maar zo is onze God niet! Onze God is een bewogen God. Onze God is een God, mag ik het zo zeggen, waar beweging in zit. Hij gebruikt Zijn handen en Zijn voeten. Hij laat Zijn hart spreken. Van die God zeg ik: ‘Hij heeft verdriet.’

 

Maar God is toch de Volzalige in Zichzelf? Hij is de Soevereine. Hij heeft niemand nodig om Hem te dienen. Hij is de Heere van hemel en van aarde. Zal God dan verdriet hebben? U vraagt door. U zegt: Waarover heeft God dan verdriet? Over de zonde, gemeente! God heeft verdriet over uw zonden, over die van jullie, meisjes en jongens. Ook over die van jullie, kinderen! Daar heeft God verdriet over. Daar heeft God het moeilijk mee.

U weet het vanuit het Woord van de Heere. Het is u ook dit jaar steeds voorgehouden, dat God de zonden niet door de vingers kan zien. God is een rechtvaardig God. God moet de zonden straffen met tijdelijke en eeuwige straffen. Dat is de werkelijkheid van het Woord van God. God zou geen onrecht hebben gedaan als de Heere ons in het oordeel had doen omkomen. Maar er is nog een kant. God haat de zonde. God kan met de zonde geen gemeenschap hebben! Onmogelijk!

Maar God heeft toch een Boodschap aan de zondaar: Hierin is de liefde Gods jegens ons geopenbaard. Het is kerstfeest geworden. Hij heeft Zijn Eniggeboren Zoon gegeven in deze verloren wereld! Kijk, gemeente, het is onmogelijk dat God tegen de zonde zegt: Nou ja, vooruit dan maar! Dat kan God niet! Echt niet! Maar als het gaat om de zonde in het leven van de mens, heel concreet, in uw leven en in mijn leven, zegt God: Weet u wat Ik doen kan? Ik kan vergeven! Ik wil vergeven! Om Jezus wil! Dat is het spanningsveld. Dat lezen we ook in de woorden van onze tekst.

 

Wat speelt hier in dit Schriftgedeelte? Het is een adembenemende tijd. Het volk van Juda heeft het zwaar verzondigd. Zo verzondigd dat de Heere moet zeggen: Ja, Ik kan niet anders. Ik moet wel komen met Mijn oordeel! Want God vervult niet alleen al Zijn beloften, God vervult ook al Zijn bedreigingen. Zeker weten! Daar gaat de Heere niet van af. Nu heeft de Heere het oordeel moeten laten komen op het volk van Juda. Niet van de ene dag op de andere. Niet dat de Heere vandaag heeft gezegd: Volk van Juda, u hebt gezondigd, en morgen wordt het oordeel uitgevoerd. Overmorgen wordt u op transport gesteld naar Babel! Nee! Nee! Met eerbied gezegd: Zo werkt God niet! God geeft de tijd tot bekering.

God heeft ook in Juda Zijn profeten gestuurd. De Heere heeft het aan het volk gevraagd: Moet dat nu zo? Is dat nu het huwelijk tussen Mij en tussen u? Is dat nu het leven voor Mijn aangezicht van uw kant? Dat gaat niet goed. De profeten zijn gekomen en hebben met al de liefde van hun hart opgeroepen tot bekering. In de naam van de Heere hebben ze het gezegd: Keert weder!

Wie? Zijn kinderen! God spreekt het volk aan als kinderen, uit kracht van het verbond! Maar God legt wel de hand op u, als Hij zegt: Afkerige kinderen! Merkt u wel, God gaat niet om de zonden heen! Hier hebt u die ene kant waar God de zondaar nodigt. Daar hebt u die andere kant: U bent Mijn kind, een afkerig kind. Keer terug tot Mij, en Ik zal uw afkeringen genezen.

De profeten hebben geroepen. 's Morgens vroeg, overdag en 's avonds laat. Onophoudelijk. Wat blijkt? Die roepstemmen beantwoorden uiteindelijk niet aan hun doel. Zij schieten hun doel voorbij. Het volk laat zich door het Woord van God uit de mond van de profeten niet gezeggen. Die profeten zeggen wel wat, maar het is nog net als vorig jaar. Het valt wel mee. Het zal zo'n vaart niet lopen. Dan wordt Babel werkelijkheid. De zonden hebben zich zo opgestapeld en vermenigvuldigd. God moet Zijn straffende hand aanleggen, vanwege al de schuld van Zijn volk. Het volk moet de eis van Gods gerechtigheid leren.

 

Waar gaat het nu om? Dat volk leeft wel, maar dat volk leeft niet... Er moeten nog twee woordjes bij. Zou u het kunnen invullen? Zou jij het kunnen aanvullen? Het volk leeft wel, maar het leeft niet….. voor God! Precies, dat is het! Dat is het goede antwoord. Het volk leeft niet voor God. Daar gaat het om! Daar wringt de schoen wringt. Het volk leeft, maar het leeft niet voor God.

 

En nu u en jij. Het is oudejaarsdag. Leeft u voor God? Leef jij voor God? Is Psalm 100 u en jou uit het hart gegrepen: Dient den Heere met blijdschap; komt voor Zijn aanschijn met vrolijk gezang (Ps.110:2)? Ja maar, mijn man is overleden….. Onze zoon is gestorven….. Gemeente, dan nog: in de grootste smarten, blijven onze harten, in de Heere gerust.

Het is niet een soort formule die je kunt uitspreken en het verdriet is weg. Dat bedoel ik niet. Maar mag u juist in zulke omstandigheden de nabijheid van de Heere God in uw leven ondervinden? Blijdschap te midden van verdriet? Of heeft God in het afgelopen jaar alleen maar verdriet van u gehad in uw leven en in jouw leven?

Hoe u dat kunt uitmaken? Wat is daar bepalend in? Bepalend daarbij is uw en jouw hart.

Rechtuit op de man of de vrouw af, zonder omwegen, is dit de vraag door middel van het Woord van God: Is de Heere Jezus in uw en in jouw hart, ja of nee? Ik kan het niet anders zeggen, omdat het Woord het ons voorhoudt: Die in den Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven; maar die den Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem (Joh.3:36).

Dan mag ik toch vragen: Is Jezus in uw hart, ja of nee? Heeft de Heilige Geest uw leven vernieuwd, op God aan? Mag u op deze oudejaarsdag zeggen, misschien met knikkende knieën en met veel vrees in het hart: Ik heb geleefd, ik heb voor God geleefd. Met alle gebrek, en met alle tekortkomingen, maar het ging me toch om God! Gemeente, daar gaat het om. Vers 21 zegt: Dit volk heb Ik Mij geformeerd, ze zullen Mijn lof vertellen. En dan in vers 22: Doch gij hebt Mij niet aangeroepen, o Jakob, als gij u tegen Mij vermoeid hebt, o Israël. De Heere komt met Zijn aanklacht. Hij zegt: U bent alleen maar bezig geweest aan de buitenkant, mijn volk.

 

Maar Heere, al die offers die wij U gebracht hebben en al die godsdienstige feesten die wij georganiseerd hebben. Die heeft U toch wel gezien? Dat hebt U toch wel gemerkt? Zeker, alles heeft de Heere gezien. Maar de Heere zegt: In dat alles hebt u zich om Mij niet bekommerd. Het ging in dat bezig zijn niet om Mij en niet om Mijn Naam. De Heere zegt: Mijn volk, Ik heb er wat in gemist. Wat heeft de Heere er dan in gemist?

Gemeente, God heeft er de liefde in gemist! De liefde tot Hem! De liefde tot Zijn naam en de liefde tot Zijn dienst. Alles is er. Maar, zegt de Heere, het blijft steken aan de buitenkant. Het is vormendienst of eigenwillige godsdienst. Het volk heeft wel uitwendig zijn godsdienstplichten voldaan! Als Ik ze goed bekijk, is het vol met van alles en nog wat, maar het is leeg van Mij. Ik moet het opzij schuiven. Ik ben er niet in. Ik sta niet in het middelpunt. Ik ben er niet het bezielende centrum van. Mij hebt ge niet aangeroepen.

Maar we hebben toch gebeden, Heere? Ja, veel gebeden zijn opgegaan, maar het gaat daarin niet om Mij en Mijn dienst. U hebt geen moeite voor Mij gedaan. Het ontbreekt niet aan allerlei plechtigheden die u georganiseerd hebt: brandoffers, spijsoffers, wierookoffers en slachtoffers genoeg. Mijn Naam ontbreekt echter.

De Heere zegt: Ik ben er niet in. Als Ik er niet in ben, als Ik er in ontbreek, dan ontbreekt alles. Het is alleen op uzelf gericht! Mij hebt ge niet gebracht het kleine vee van uw brandoffers en met uw slachtoffers hebt ge Mij niet geëerd. Ik heb u Mij niet doen dienen met spijsoffer en Ik heb U niet vermoeid met wierook. Mij hebt ge geen kalmus voor geld gekocht. En met het vette van uw slachtoffers hebt ge Mij niet gedrenkt. U hebt het gedaan zonder geloof en zonder de boetvaardigheid van het hart.

 

Wilt u straks het commentaar van onze vaderen bij deze tekst in de kanttekeningen doorlezen: U hebt het zonder geloof gedaan! U hebt het gedaan zonder de boetvaardigheid van het hart! De Heere zegt: Ik heb u in dit alles niet gezien voor Mijn aangezicht met de roep om de Messias. Ik heb u niet zien staan met het verlangende uitzicht, dat Hij komen zal, Die Ik van oude tijden af beloofd heb als de Verlosser en de Zaligmaker van zondaren. Het is allemaal horizontaal gebleven in uw leven. U hebt nooit omhoog gekeken.

Hem Die Ik u beloofd heb, heb ik erin gemist. Ik heb u niet gezien in de verbrokenheid van uw hart en met de belijdenis van uw schuld. Ik heb u niet gehoord, roepend om genade. Als u niet om genade roept, gaat u er ook vanuit dat u geen schuld hebt. Dat is een twee-eenheid. Dat alles heb Ik erin gemist. Onze vaderen vatten dat samen en zeggen: Het geloof heb Ik gemist en de verbrokenheid van het hart. Dat is samengevat, nieuwtestamentisch gezegd: Ik heb Jezus erin gemist.

Gemeente, zo was het toen en deze Naam is tegelijkertijd ook de overstap naar vandaag, als het gaat om deze ene Naam. Voelt u zich aangesproken? We kijken op deze oudejaarsdag terug naar het afgelopen jaar. Is er godsdienst? Best! Is er ook Godsvreze? Is er de vreze van Zijn Naam? Is er het leven voor het aangezicht van de Heere? Hebt u alleen maar voor uzelf geleefd of hebt u voor God geleefd? Is het de roep van uw hart: Geef mij Jezus of ik sterf, buiten Jezus kan ik niet leven? Hebt u het gezegd tegen de Heere: Vergeef mij al mijn zonden. Hoeveel heeft u er? Heere, als ik er één overhoud, kan ik toch niet voor uw aangezicht bestaan. Eén zonde in mijn leven is reden voor U, om te zeggen: Ik kan u nooit meer zien. God kan met de zonde geen gemeenschap hebben.

 

Maar Heere, nu heb ik de nodiging gehoord, dat zondaren met God verzoend worden. Vijanden zelfs. O God, kan het om Uws Naams wil? Zo gij Heere de ongerechtigheden gadeslaat, Heere, ik kan voor u niet bestaan, maar er is vergeving. Is dat uw leven? Voor God geleefd? Of blijft het aan de buitenkant? Misschien weet u precies hoe het allemaal moet en zegt u dat ook. Offers zus en offers zo. Dit mag wel en dat mag niet. Misschien weet u ook precies hoe er gepreekt moet worden.

Offers van eigen vroomheid en eigen rechtzinnigheid, gemeente. Er zal ook op elke preek wat aan te merken zijn. Dan hebt u het recht om te zeggen: Ik heb er wel wat in gemist. Maar nu komt God. Als u zegt: Ik heb wat in die preek gemist, zegt God: Ik heb alles in uw leven gemist. Wat zegt u dan? Als God Zijn beschuldigende vinger richt op uw hart: Ik mis alles, o mens, in u. U vreest Mij niet en u hebt de Heere Jezus niet hartelijk lief. Met al uw rechtzinnigheid en bezigzijn hebt u zich weer een jaar lang gehuld in het kleed van uw onbekeerlijkheid. Van uw ongeloof, uw huichelarij en uw eigengerechtigheid.

 

Wat hebt u voor de arme naaste gedaan? Hoe hebt u gestalte gegeven aan de christelijke handreiking? Wat was er zichtbaar van de christelijke zachtmoedigheid in uw leven? Waar is de vrucht van de Geest zoals Paulus daarover spreekt: liefde, geloof, blijdschap, zachtmoedigheid, rechtvaardigheid en goedheid! Of ontbreekt dat allemaal?

Wat bent u dan voor een mens? U bent niet een mens die uit de gerechtigheid van Christus leeft! U bent er niet één die leeft uit het geloof des Zoons van God! Want het waarachtige geloof heeft het niet over offers, maar het waarachtige geloof heeft het maar over één offer. Het offer van onze Heere Jezus Christus, Zijn volbrachte werk, en Zijn gerechtigheid.

Het zij verre van mij dat ik roemen zou in allerhande offers, zegt de apostel. Ik roem in één offer. Ik roem alleen in het kruis van onze Heere Jezus Christus.

 

Wat een verdriet bij God, als Hij Zijn oor te luisteren legt. Hij hoort mijn stem, mijn smekingen mijn klagen. God heeft oren! Wat een verdriet als Hij Zijn oor te luisteren legt en Hij mist dat in uw leven, in uw hart. Als u Hem niet gediend hebt van ganser harte, van ganser ziele en van gansen gemoede en met alle krachten. Weet u wat u dan gedaan hebt? Dat zegt de Heere in het slot van vers 24: maar gij hebt Mij arbeid gemaakt met uw zonden, gij hebt Mij vermoeid met uw ongerechtigheden.

De Heere zal u in de smeltkroes werpen. De smeltkroes van de ballingschap, opdat het volk tot inkeer zal komen. De Heere wil dat ze in vrijheid en in vreugde Zijn dienst zullen waarnemen. Maar Mijn volk wou niet naar Mijn stemme horen. Het volk van Israël is een dwaalziek volk en heeft een dwaalziek hart. U hebt Mij werk gegeven met uw zonden. Hoe lang al? Hoe lang nog? U hebt Mij vermoeid, overlast aangedaan met uw ongerechtigheden. Letterlijk staat er voor dat woordje arbeid: U hebt Mij tot een Knecht gemaakt! U hebt Mij laten dienen, volk van Juda!

Gemeente, denkt u zich dat eens een ogenblik in: arbeid gemaakt met uw zonden. De Heere zegt: U staat nog recht overeind? U hebt zich niet verootmoedigd? U hebt niet om vergeving gevraagd? U hebt er rustig mee doorgeleefd? Gij hebt Mij vermoeid met uw ongerechtigheden, zo spreekt de Almachtige God. Hij zou u met één machtige streek van voor Zijn aangezicht kunnen wegdoen! God zou het volk van Juda in één ogenblik kunnen verdoen van voor Zijn aangezicht, want het zit fout. Aan alle kanten fout!

Er staat in vers 27: Uw eerste vader heeft gezondigd. Wie dat zijn moge, laten we het houden op Adam. De verklaarders verschillen erover. Zo ver gaat het al terug. Die uitleggers zijn de priesters. Zij hebben tegen Mij overtreden. Het volk is gedrenkt in de zonden. Wat een verdriet voor God de Heere!

 

Hoe is het met u en met mij? Is het beter in ons leven? Is het anders dan bij dat volk van Juda? Gemeente, weet u wat zo erg is en zo ernstig? We willen er eigenlijk niet aan. Wel met ons verstand. Wanneer je met mensen in gesprek komt, zijn ze je al voor: Ik weet het wel, het klopt niet in mijn leven. Maar ja, wat doe je er aan? Het moet je toch maar gegeven worden. We hebben zo onze beschouwingen en onze rechtzinnigheden bij de hand! Wat arm!

Weet u wat God vandaag doet? God laat u Zijn hart zien. God laat u zien door middel van dit Woord dat u Hem moe hebt gemaakt met uw zonden en met uw ongerechtigheid. God legt Zijn hart open, opdat u zien zult dat God verdriet heeft over uw en over jouw leven en over uw en over jouw zonden. Heel persoonlijk. Dan wil de Heere in Zijn Woord Zijn hart laten zien en Hij roept u tegen het einde van het jaar toe: Mens, nu ben Ik al zo lang bezig. Meisje, jongen, nu heb Ik me ook het afgelopen jaar met je bemoeid! Heb je het niet gemerkt, als Ik klopte op de deur van je hart? Heb je het niet gemerkt als Ik langs kwam in het gewaad van Mijn evangelie? Toch altijd nog een dichte deur. Hoe langer u zich verzet, hoe groter het verdriet bij God. Als we ons verzetten, willen we kennelijk geen schuldenaar zijn. We willen niet buigen. We willen ons hoofd niet buigen. We vinden onszelf slachtoffer. Maar de Heere haalt daar een streep door en veegt dat ronduit van tafel als Hij zegt: Gij hebt Mij arbeid gemaakt met uw zonden.

U moet niet een andere kant op praten: Wat kan ik eraan doen? U hebt het gedaan, zegt God. Dat is niet mis! U hebt Mij vermoeid met uw ongerechtigheden. Dat is uw werk! Wat zal de Heere dan doen met zulke mensen, waar geen goed garen mee te spinnen valt? Mensen bij wie het van kwaad tot erger gaat? Dan zal de Heere zeggen: Zoek het maar uit, maar Ik trek Mijn handen van u af en Ik laat Me niet meer met u in! U ziet maar!

 

Nee, dat niet. Weet u wat God zegt? Ik, Ik ben het die uw overtredingen uitdelg, om Mijnentwil. Ik gedenk uw zonden niet meer. Wie had dat verwacht? God! Daar mag u van zingen, uit Psalm 103, het vijfde vers.

 

Hij zal Zijn volk niet eindeloos kastijden,
Noch eeuwiglijk Zijn gramschap ons doen lijden;
Hij is het Die ons Zijne vriendschap biedt;
Hij handelt nooit met ons naar onze zonden;
Hoe zwaar, hoe lang wij ook Zijn wetten schonden,
Hij straft ons, maar naar onze zonden niet.

 

 

 

2. Wat God doet

Wat een indrukwekkend Woord. De Heere zou er een eind aan kunnen maken, maar Hij spreekt over een nieuw begin! Ik, Ik ben het. Hij laat, als het eropaan komt, een mens erbuiten. Als u in uw gedachten naar Juda kijkt, wat een schuld en wat een zonde! Alles en iedereen getuigt van tekorten tegenover God. Alle afgoden komen tekort en alle offers komen niet in aanmerking.

Wat dan, Heere? Ik! Dat is verootmoedigend: Ik. Wat wilt u de Heere aanbieden, aan het einde van het jaar? U wilt nog een aflaat kopen en u wilt nog wat wisselgeld op tafel leggen. Ik, zegt God! U kunt God niets aanbieden wat de Heere van u gebruiken kan. Wat dan? God biedt Zelf aan. God spreekt Zelf: niet over wat u gedaan hebt, maar wat Hij gedaan heeft. God geeft. God Zelf daalt af in deze zondige wereld. God heeft Zijn liefde geopenbaard. Onvoorstelbaar, maar wel waar. Hoe dan? Dat mag na kerstfeest geen vraag meer zijn. Hierin is de liefde Gods geopenbaard, dat God Zijn Zoon gegeven heeft om zondaren zoals u en ik zalig te maken. Dat is wel het meest ingrijpend, dat God daar Zijn Zoon voor over heeft gehad. Wij hebben de Zoon van God niet opgevangen met: Nu sijt wellecome, Jesu, lieve Heer. Wij hebben Hem opgevangen met de speerpunten van ons ongeloof. Wij hebben gezegd: Weg met zo Eén! Kruis Hem. Kruis Hem.

 

Wat moet u met de Rechtvaardige in een wereld die alleen maar uit onrechtvaardigen bestaat? Daar kun je toch niet mee uit de voeten. Hij is gekomen tot het Zijne en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen. Anderzijds, wat tilt God er zwaar aan. Zo zwaar aan uw en mijn verloren leven, dat God Zijn Zoon daarvoor heeft gegeven. Ik, Ik ben het die uw overtredingen uitdelg, om Mijnentwil. Kijk, daar komt geen mensenhand, geen mensengedachte, geen traan uit uw oog en geen gedachte uit uw hart aan te pas. Daar heb je het eenzijdige werk van God! Hij alleen! Hij volkomen! Hij als de Soevereine!

Wat hebben wij Hem anders bewezen dan ontrouw, net als het volk van Juda? Daarom, Juda, als Ik u dan toch niet wegdoe en wegstoot, dan is dat niet vanwege uw trouw of vanwege de offers die u hebt gebracht, of vanwege de gebeden die u gedaan hebt. Maar volk van Juda, dat is enkel en alleen terwille van Mijn welbehagen. U mag Mij in Mijn hart zien. U mag daar gedachten van vrede en van ontferming lezen, zelfs voor de grootste van de zondaren.

Gemeente, hier legt God Zijn hart open. Hij legt het bloot in de Zoon van Zijn liefde, de Heere Jezus Christus, de Middelaar Gods en der mensen. Waar wij recht overeind blijven staan, net als Juda, waar wij zeggen: Wij zijn heren, wij zullen tot u niet meer komen. Vergeet het maar, Heere... Daar komt God tot de mens! Als u niet buigen wilt, dan doet Hij het! Hij buigt Zich over uw en jouw verloren leven, meisje en jongen. Hij zegt: Ben je echt gelukkig? Wat kan Ik voor je doen op deze oudejaarsdag? God laat vrede prediken. Vrede in Jezus Christus en de vergeving der zonden. God, Die vrede wil met u en met jou, spreekt hier! Hier werkt de Heilige Geest, Die het bloed van het kruis wil toepassen in harten van zondaren!

 

De Heere stelt deze laatste uren van het jaar onzes Heeren …. Zijn hof open. Ik mag het u zeggen: De weg ligt open en die Weg is Jezus en die Weg leidt ergens heen. Hij leidt naar het Vaderhart van God! Jezus zegt het: Niemand komt tot de Vader, dan door Mij. Maar Hij is er dan ook en Hij wil er zijn, ook vandaag. Hoe ver u ook afgedwaald bent. Er zijn mensen die komen alleen met Oudjaar in de kerk. Als hier zulke mensen zijn, fijn dat u er in elk geval vanavond bent! God wacht ook op u! Wijst Hij u terug? Integendeel. God wijst niemand terug. Het Evangelie nodigt onbeperkt en onbepaald: Tot u, o mannen, roep Ik, en Mijn stem is tot der mensen kinderen (Spr.8:4). Hier staan we allemaal op oudejaarsdag, met de schuld van ons leven en de schande van ons bestaan.

Het Woord vraagt het ons: Moet het zo verder? Moet je zo het nieuwe jaar in, meisje en jongen? Kun je het aan, in het nieuwe jaar? Dat kan alleen maar met God. Dat kan alleen maar met het bloed van het Lam. De Heere zoekt je ondergang en dood niet, maar je leven en je behoud. Hij staat aan de deur van het hart. Hij laat er Zich alles aan gelegen liggen om zondaren gelukzalig te maken!

Bent u aan de grond geraakt dit jaar? Het Woord veroordeelt u? Elke keer maar weer opnieuw? U kunt geen kant meer op. Uw leven loopt stuk op de zonde van uw bestaan en het oudejaar loopt stuk op de schuld van uw leven! Het is niet te begrijpen, als Hij het nochtans horen laat: Milde handen en vriendelijke ogen zijn bij Mij van eeuwigheid.

 

Hij opent Zijn handen en Hij deelt genade uit, genade voor genade! Maar dat gaat zo maar niet? Nee! Dacht u dat dat zo maar ging? Dan hebt u nog niet het rechte zicht op de verkondiging van het Woord van God! Als God uitdeelt en als God genade laat prediken, en als God laat spreken van Zijn milde handen en van Zijn vriendelijke ogen, doet Hij dat in een weg van recht en gerechtigheid.

U denkt toch niet dat de Heere zomaar zegt: Ik, Ik ben het die uw overtredingen uitdelg, om Mijnentwil en Ik gedenk aan uw zonden niet. Als u dat Woord leest, en leest, en nog eens leest en u bent stil, hoort u de zweepslagen over Jezus' rug in het rechthuis van Pilatus. Als u stil bent bij dit Woord, hoort u hoe Zijn zweet op de aarde afloopt als grote druppels bloed. Met dit Woord bent u in Gethsémané. Als u stil bent, bent u met dit Woord ook op Golgotha! U hoort de hamerslagen, waarmee Jezus, de Zoon van God wordt vastgespijkerd op het vloekhout der schande. Met andere woorden: het bloed van het Lam hangt aan deze tekst en het werk van de Heere Jezus komt hierin tot uitdrukking. Hoe zullen uw overtredingen uitgedelgd worden, anders dan met dat bloed? Hoe zullen onze ongerechtigheden weggenomen worden, anders dan in het spoor van de gerechtigheid van dit Lam van God?

 

Als we zien op wat het de Heere gekost heeft om dit Woord te kunnen spreken en deze beloften te kunnen prediken, worden wij stil. De lust om onze offers te brengen en onze gebeden en onze werken vergaat ons. Uw hart breekt. U zegt: Heere, dit laatste Woord in dit jaar hebben wij. U wilt dit Woord van Uw genade meegeven in mijn zondaarsbestaan. Wij buigen diep aan Uw voeten. Je hoeft je er niet voor te schamen, meisjes en jongens, als je huilt. Als er tranen komen van berouw, van boetvaardigheid, van verwondering en van aanbidding. Dan ben ik zo'n mens! Dan blijkt er zo'n God te zijn. Onvoorstelbaar! O, dat het nu alles van God komt.

U dacht dat u ook nog uw steentje zou moeten bijdragen. Het Woord van vers 25 is heel exclusief: Ik, Ik ben het. Hij geeft een streep door alles wat van u en van mij is, omdat er Eén is geweest, Die voor de overtreders heeft gebeden. Ik ben het, zegt God. Ik gedenk niet aan uw zonden, omdat er Eén is geweest Die veler zonden heeft gedragen. Die Ene heeft geen zonde gekend, maar is zonde gemaakt, omdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem. In het uitdelgen van de zonde drupt het bloed van het Lam van God.

Gemeente, het is een herhaling van kerstfeest. De kribbe van Bethlehem staat hier. Het is tegelijkertijd ook een uitbreiding van het kerstfeest, want het kruis van Christus staat hier ook! Alles zit hier in. Al de gerechtigheid, al het werk en heel het leven van de Heere Jezus. Als u lang genoeg in de kribbe kijkt, ziet u de kleine spijkertjes liggen, die zullen uitgroeien tot de nagels waarmee Jezus' handen en voeten doorboord zullen worden. Daar liggen die kleine doorntjes die straks de grote doornen blijken te zijn, die samen de doornenkroon vormen.

De lijdensweg en de stervensgang van de Zoon van God komen tot ons in deze woorden van Jesaja. De bediening van de Heilige Geest zit er in en dan zitten we op het spoor van Pinksteren. Wat rijk toch. Onuitsprekelijk, dat de Heilige Geest een werkzame Geest is! Om deze vrede te proclameren en heel persoonlijk thuis te brengen in het zondaarshart. Het volk wordt erin aangesproken, maar de individuen en de enkeling ook. Ik, Ik ben het die uw overtredingen uitdelg, om Mijnentwil. Persoonlijk dus. Ik gedenk uw zonde niet.

Als u deze woorden leest, met ogen geopend door de Heilige Geest, kunt u er niet meer onderuit. Dan wilt u er ook niet meer onderuit. Ik heb gedaan wat kwaad is in Uw oog! Wij zijn van het heilspoor afgegaan. Wij, en onze vaderen tevens. Ik heb gezondigd.

 

Gemeente, waar dat weerklank vindt, waar u ziet ‘om Mijnentwil’, daar wordt u stil van schaamte. Altijd de zaligheid in de weg gestaan met uw offers, met uw bezigheden, met goede werken en met uw rechtzinnigheid. Daar wordt u ook stil van verwondering over zoveel genade in een weg van recht en van gerechtigheid. Gods kinderen komen niet illegaal binnen. In ons land kan iemand illegaal binnenkomen, maar in het Vaderhuis met Zijn vele woningen niet. Er is maar één weg, en dat is de Hoofdweg, de Koninklijke Weg. Dat is de Weg van het Lam, dat is de Weg van het bloed van de Zoon van God.

Daar brengt God Zijn kinderen thuis en daar zal de zang klinken van allen die Hij kocht met Zijn bloed en heiligde door Zijn Geest om de Heere lof te zingen tot in eeuwigheid, door dat ‘om Mijnentwil’. Daar is de eer van God aan verbonden en Zijn eer is ermee gemoeid. Stil zijn als het gaat om bewondering en toch ook in die stilte de lofzang.

 

De lofzang is in stilheid tot U, o God. Zoveel genade tegenover zoveel schuld en ongerechtigheid. De jubel wordt gehoord vanuit de doorleving van het zonde belijden. De doorleving van de aanbidding van de genade van God. Ik zeg: de jubel wordt gehoord. Gij zult vreselijke dingen ons in gerechtigheid doen horen. En U zult ons blij doen zingen van het heil voor ons bereid. Dat betekent de lof van de Vader, aan de Zoon en aan de Heilige Geest, aan een Drieënige Godcc.

Amen.

 

Slotzang: Psalm 149 : 5

 

Zo zal de heerlijkheid der vromen
Op ’t luisterrijkst tevoorschijn komen;
Zo schenkt Gods goedheid hun begeren;
Lof zij den Heer’ der heren!