Ds. M.L. Dekker - 1 Johannes 2 : 18a

De boodschap van Johannes aan de gemeenten

Een liefdevolle aanspraak
Een ernstige waarschuwing
Een rijke troost

1 Johannes 2 : 18a

Kinderkens, het is de laatste ure!

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 34: 6
Lezen : 1 Johannes 1:1 en 2: 12-29
Zingen : Psalm 89: 19 en 7
Zingen : Psalm 90: 9
Zingen : Gebed des H: 3
Zingen : Psalm 91: 1

Gemeente,

De tekst voor deze oudejaarsdag is uit de eerste brief van Johannes, hoofdstuk 2 vers 18a:

Kinderkens, het is de laatste ure.

 

We staan stil bij de boodschap van Johannes aan de gemeenten.

 

Drie gedachten:

  1. Een liefdevolle aanspraak;
  2. Een ernstige waarschuwing;
  3. Een rijke troost.

 

Gemeente, vandaag is het de laatste dag van het jaar Anno Domini 2022. En laten we dat toch vooral benadrukken: het ‘jaar onzes Heeren’ 2022. De Heere regeert.

Misschien denkt een jongere wel heimelijk: Nou, daar zie ik niet zoveel van. Waar we geen rekening mee gehouden hebben, dat kwam. Er kwam oorlog in Europa en we hebben een wereldwijde crisis.

En toch, de Heere regeert. Hij houdt deze wereld en alle dingen in stand.

 

Jongens en meisjes, misschien denken jullie daar niet zo over na, maar het is toch werkelijk zo: God is de Eigenaar van alle dingen. Sta je daar weleens bij stil? Want ja, we kunnen het zo vlug hebben over míjn leven, míjn studie, míjn bedrijf. Maar alles is in Gods hand. God is de Eigenaar van alle dingen. In het licht van de eeuwigheid is er helemaal niets van ons bij. Zonder Hem kunnen we niets doen.

Dat lezen we ook in de Psalmen. Psalm 24 zegt: De aarde is des Heeren, mitsgaders haar volheid, de wereld en die daarin wonen (Ps.24:1). Al wat de Heere behaagt, doet Hij. Hij heeft het hele wereldgebeuren in Zijn hand, ook tijdens deze crisis.

Jonge mensen, misschien hebben jullie je weleens afgevraagd: Waar is God nu? Waarom overkomt ons dat? Kan God dat nu niet oplossen? Hij is toch de Almachtige? Kan Hij daar nu geen einde aan maken?

O zeker, de Heere kan dat. Maar Hij doet dat niet op ons bevel. Hij regeert. Hij is de soevereine God en Hij hoeft aan ons, zondige mensen, geen verantwoording af te leggen. Hij regeert.

 

Dat is nu ook de troost voor Gods Kerk op deze oudejaarsdag. Nog een paar uur en dan is ook het jaar 2022 ten einde. O, wij mensen willen graag alle dingen vasthouden. Maar alles wat er in 2022 gebeurd is, komt nooit meer terug.

Gemeente, onze toekomst ligt niet in deze wereld. Dat is ook de troost van de oude Johannes. Hij mag weten: Want wij hebben hier geen blijvende stad (Hebr.13:14). Daarom is het zo nodig dat wij met alle krachten de toekomende zouden zoeken. Want de wereld gaat voorbij met alles wat daarin is, maar die de wil van God doet, blijft in der eeuwigheid.

In het licht van deze woorden staan wij op deze oudejaarsdag stil bij wat die oude apostel meegeeft aan de gemeenten rond Efeze.

Dan denken we allereerst aan de liefelijke aanspraak.

 

1. Een liefdevolle aanspraak

Nu we dit hoofdstuk met elkaar gelezen hebben, valt ons onmiddellijk iets op. Dat is de manier waarop Johannes de gemeenteleden aanspreekt. Hij spreekt ze aan met kinderkens. We hebben het gelezen. In vers 1, in vers 12 en in vers 18 komen we het tegen.

Laten we daarom eerst stilstaan bij dat woordje kinderkens.

 

In het Nederlands is het allemaal hetzelfde, maar dat geldt niet voor het Grieks. Johannes heeft daar, geïnspireerd door de Heilige Geest, verschillende woorden voor neergeschreven. In vers 1 en vers 12 staat in het Grieks teknion; dat betekent kindertjes, kleine kinderen. Maar in onze tekst, in vers 18, gebruikt Johannes een heel ander woord, namelijk paideia; dat zijn kinderen die al wat groter zijn, maar nog niet de puberteit bereikt hebben. Wij zouden hen aanspreken met ‘jongens’ en ‘meiden’. Dat zijn dus kinderen die meer begrijpen.

Op deze manier spreekt Johannes de gemeenteleden liefdevol toe. Hij weet dat er in de gemeenten zuigelingen, jonge kinderen, kleine kinderen, maar ook jongelingen en vaders in de genade zijn. En nu hebben al die verschillende groeperingen in de gemeenten, iets nodig. Ja, gemeente, wat hebben ze nu nodig? Dat is nader onderwijs in de weg van de zaligheid.

 

Kínderkens. Wat klinkt daar een teerheid in door. Het is niet zo dat u mag denken: Nou ja, Johannes is een oude man, op heel hoge leeftijd, en ja, dan zie je het niet meer zo realistisch. Nee, zeker niet.

Nee, het geeft bij Johannes de innige verhouding weer die hij heeft met zijn geestelijke kinderen. Het zijn zíjn geestelijke kinderen. De Heere heeft zijn prediking rijk willen zegenen. Velen zijn tot de kennis van de zaligheid gekomen. Velen zijn van dood levend gemaakt. En Johannes, we weten het, is de apostel der liefde. Hij is door de Heere tot grote zegen gesteld.

Wat is het een verblijdend feit als er vrucht mag zijn op de prediking. Bidt u daarom, iedere zondag, als u naar de kerk komt of thuis meeluistert?

 

Wat is nu het geheim van deze apostel, dat hij zoveel zegen had? Johannes dient in de liefde! Ach ja, heersen is niet zo moeilijk, dat zit allemaal in ons hart. Maar Johannes is de apostel der liefde. We zien hier de vaderlijke, herderlijke zorg van Johannes voor de gemeenten. De gemeenten liggen hem heel na aan het hart. Hij leeft met ze mee. Hij voelt met ze mee, in voor en tegenspoed.

 

Het is waar, iedere gemeente, iedere kerk hier op aarde ligt buiten het paradijs. Dat word je gewaar als je een dienstknecht bent in het Koninkrijk van God. Wat kunnen er geen moeiten en zorgen zijn in de gemeente. Elk gemeentelid, elke ambtsdrager en dominee, ze hebben ook allemaal hun eigen gaven, hun eigen karakter, maar ook hun karakterzonden. Maar als het goed is, brengt al die verscheidenheid toch een eenheid in Christus. Want dat moet toch ons verlangen zijn en ons streven zijn? Is dat ook een onderwerp in uw gebedsleven? Paulus zegt in 1 Korinthe 12: En hetzij dat één lid lijdt, zo lijden al de leden mee (1Kor.12:26).

Jongens en meisjes, als je pijn ergens hebt, heeft dat invloed op je hele lichaam. Je kunt soms maar een klein wondje hebben in je vinger en je voelt je al niet goed en het irriteert je.

En zo is het nu ook in de gemeente. Als één lid van dat lichaam van Christus lijdt, lijden alle leden mee. En als er één lid blij is, ja, dan is er ook blijdschap bij alle anderen. Gods kinderen vormen met elkaar het lichaam van de Heere Jezus Christus. En daarbij heeft ieder zijn eigen gaven, talenten en opdrachten van God ontvangen.

 

Gemeente, bent u elkaar tot een hand en een voet? Hoe is dat met u, ondanks al de verscheidenheid die er is? Is er eenheid bij u? Of tweedracht? Ach, wie zou dan niet wenen? O, gemeente, dat mag niet! Dat is zondig. U bent de gemeente van
Christus en met die verdeeldheid en verscheurdheid wordt Gods Geest bedroefd. Broeders, gemeente, was er onderlinge liefde bij u? Hoe was het onder u? Was er een onderlinge verbondenheid? Was de liefde van Christus er?

 

Voordat we verder gaan, wil ik u op deze oudejaarsdag een vraag stellen. Bent u deel van de Kerk van Christus? Hoort u bij het lichaam van Christus? Bent u door genade een levend lidmaat van Hem? Als u daar géén antwoord op kan geven, dan geeft u aan dat u in de duisternis bent.  Dan bent u zonder hoop, zonder verwachting. We zullen daar in de tweede gedachte nog verder bij stilstaan.

 

Maar laten we eerst nog letten op die liefdevolle aanspraak, kinderkens.

Ouders, wij voeden onze kinderen op, ook als ze nog klein zijn. Dan voeden we ze al gelijk op, zodat ze op hun eigen benen kunnen staan. Ze moeten dit kunnen, ze moeten dat kunnen. Ze moeten zelfstandig worden.

Bij Gods kinderen is dat nu net andersom. Want wat doet de Heere? Ach, de Heere maakt Zijn kinderen klein en houdt Zijn kinderen klein.

Dat is het kenmerk van genade. Genade vernedert en maakt ootmoedig. Wat kan het dan smartelijk zijn als de Heere je hart opent en je ziet dat er van nature zoveel vijandschap in is. Wat kan die eigen wil van ons sterk zijn. Wat moet die gebroken worden om als een ellendig en nooddruftig mens aan de voeten van de Heere te komen. Dan kom je met de vraag: Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal? Heere, wilt U me leiden, want als ik één stap doe, struikel ik al. Leer mij naar Uw wil te handelen, dan zal ik in Uw waarheid wandelen.

Wat wordt het een wonder als zo iemand met al zijn onwilligheid door Gods Geest aan de voeten van de Heere gebracht wordt. Wanneer de Heere door Zijn Woord en Geest een zonnestraal laat schijnen in het zondaarshart, mag hij zien dat de Heere zo genadig is, barmhartig, geduldig en groot van goedertierenheid. Wat heeft de Heere een geduld met ons. Wat houdt Hij het lang uit met zulke ongehoorzame kinderen, die zo hardleers zijn en alles verbeurd hebben.

Maar gemeente, nu het wonder waar ik u op mag wijzen, ook op deze oudejaarsavond. Er is een hemelse Leermeester, Die Zich gaat bekommeren om zulke kinderen. Hij neemt ze bij de hand. Hij gaat ze onderwijzen.

 

Ouders, in de opvoeding moeten we nogal eens tot tien tellen, want geduld is niet altijd makkelijk. Maar wat heeft de Heere een geduld met Zijn kinderen. O, het zou rechtvaardig zijn als Hij nooit meer naar hen omkeek. Want wie zijn wij van nature? Ja, jongens en meisjes, die vraag stel ik ook aan jullie. Nou, wij worden geboren als een kind des toorns. Wij zijn in zonden ontvangen en geboren. We zijn onderdanen van het rijk der duisternis. Als de Heilige Geest onze ogen opent, zien we dat wij van nature God niet tot een Vader hebben. Wie is dan onze vader? Ach, dat is de vader van de leugen, de satan.

Als onze ogen opengaan, gaan we inleven dat we een kind des toorns zijn, een zondig kind, een onheilig kind, dat middenin de dood ligt.

 

Maar dan mogen we op deze avond toch uit de mond van Johannes dat woord kinderkens horen. Eigenlijk moeten we het vertalen met ‘lieve kinderen’. Er is een weg tot verzoening en behoud. Alzo lief heeft God de wereld gehad (Joh.3:16).

O mensen, wat een heerlijke boodschap dat God Zijn Zoon gaf voor verloren zonen en dochters. Wie nu als een verloren zoon de toevlucht neemt tot Hem en zijn zonden belijdt, die mag ook iets van die Vaderlijke liefde ervaren. Door het geloof leren zulke kinderen des toorns God als een verzoend God en Vader kennen.

 
Johannes zegt: Lieve kinderen, zondig niet. Indien iemand gezondigd heeft, wij hebben een Voorspraak bij den Vader, Jezus Christus, den Rechtvaardige; en Hij is een Verzoening voor onze zonden; en niet alleen voor de onze, maar ook voor de zonden der gehele wereld. Zo begint Johannes in vers 1.

Dan gaan die hardleerse, eigenzinnige kinderen het uitwonderen. Hoe ouder je wordt, hoe groter het wonder om nu uit genade van een kind des toorns een kind des ontfermens te worden. Ja, daar heb je een eeuwigheid voor nodig om dat uit te wonderen.

 

Gemeente, we gaan naar onze tweede gedachte. 

 

2. Een ernstige waarschuwing

Kinderkens, vervolgt Johannes, het is de laatste ure.

Jongelui, jonge mensen, dat is niet zomaar een uitroep van Johannes in het wilde weg! Nee, het is een duidelijke waarschuwing, ook voor ons in het oude jaar. De oude Johannes gaat de gemeenten rondom Efeze waarschuwen; en dat doet hij heel liefdevol.

Waarom? Nou, het ging niet goed in de gemeenten. Er was heel veel beroering. Wat was er dan aan de hand? Wel, er kwamen dwaalleraars in de gemeenten. Zij brachten een valse leer. Ze leken wel op echte christenen, ja, zelfs wel op Gods kinderen, maar het waren bedriegers. Het waren wolven die de gemeenten inslopen. Daarbij gingen ze heel subtiel te werk. Het waren geweldige redenaars. Ze zeiden dat het om kennis ging, om de ‘gnosis’. Daarom worden ze gnostieken genoemd en zo presenteerden ze zich ook. Ze zeiden in de gemeenten: ‘Wij weten…’.

Ze hadden een hoge dunk van hun kennis en van zichzelf. Ze zeiden: O, wij hebben kennis. Wij hebben pas de echte kennis, de geheime kennis. Die dwaalleer werd een systeem van zalig worden door kennis, door middel van je verstand. En bovendien ook nog eens vermengd met allerlei filosofie. Daar kwam nog bij dat ze ontkenden dat de Heere Jezus God en mens is. Bovendien zeiden ze: ‘Wij hebben die hoge kennis, dus de zonde doen we niet meer.’ Ook Gods geboden hielden ze niet. Het waren arrogante mensen, die neerkeken op andere gemeenteleden. Het gebod om hun naasten lief te hebben was helemaal niet belangrijk voor ze. Het woord ‘barmhartigheid’ kenden ze niet en brachten ze ook niet in praktijk.

 

Zo kwam er heel veel verwarring in de gemeenten. Die sloop op een listige manier de gemeenten binnen. De dwaalleraars gaven zich uit voor Gods kinderen en ze gingen ook nog eens een grote mond opzetten.  Zíj wisten het, zíj hadden de geestelijke kennis, zij waren verlicht.

Maar Johannes noemt hen leugenaars, valse profeten, verleiders, antichristenen – dus voorlopers van de antichrist.

 

Jonge mensen, wat is het nodig om alles te toetsen aan Gods Woord. Vandaag hebben we ook veel valse profeten, die door hun dwaalleer mensen verleiden. Eigenlijk is er niets nieuws onder de zon. Wat brengen die mensen nu voor een Evangelie? O, gemeente, dat is heel wazig.

Ik heb hen ook in Israël ontmoet, vele malen. Ze beginnen vaak met: De Heilige Geest zei tegen mij... Nou, als iemand zo begint, moet je maar alert zijn. Als je daar iets tegenin brengt, zeggen ze gelijk: ‘O, je gaat in tegen de Heilige Geest. Pas maar op, je bedroeft de Heilige Geest.’

 

Johannes zegt: Ja, jullie hebben het nu wel over kennis, maar ook wíj weten. Johannes gebruikt in deze eerste brief het werkwoord ‘weten’ wel drieëndertig keer. Gemeente, wij wéten… Niet: we denken of we voelen, of we wensen, of misschien…. Nee: wij wéten. Het is vast en zeker. Het staat op recht en waarheid pal, als op onwrikb’re steunpilaren.

Daarom gaat Johannes in vers 3 tegen deze gnosis, deze kennis van de dwaalleraars regelrecht in: En hieraan kennen wij dat wij Hem gekend hebben, zo wij Zijn geboden bewaren.

Gemeente, wie de Heere vreest, zal ook Zijn geboden liefhebben. Als je dat niet doet, zegt Johannes, ben je een leugenaar. Uit het geloof zullen de vruchten openbaar komen.

In al deze verwarring in de gemeenten geeft Johannes een tijdsein. Hij zegt hoe laat het is op de wereldklok. Hij zegt: Lieve kinderen, kinderkens, het is de laatste ure.

O, die dwaalleraars gaan rond om verwarring in de gemeenten te zaaien, maar het is de laatste ure. De antichrist komt. Hij is er nu nog niet, maar er zijn wel vele kleine antichristenen, voorlopers van de antichrist. Dat zijn gemeenteleden die leven en spreken uit de geest van de antichrist.

 

Gemeente, we zien het vandaag voor ons. Velen rondom ons en velen in de maatschappij, misschien ook wel op je werk, leven en spreken vanuit de geest van de antichrist. En wij, christenen, wij leven in de marge van de samenleving. Wij worden steeds meer in een hoek geduwd.

Maar nu zegt Johannes: De wederkomst is dichtbij! Ik hoor nu gelijk een jongere denken: Johannes leefde bijna tweeduizend jaar geleden! Hij kan nu wel dat de wederkomst nabij is, maar we zijn al tweeduizend jaar verder…

 

Maar gemeente, dan moeten we eens goed kijken naar die uitdrukking de laatste ure. Johannes schrijft dit, door de Heilige Geest geïnspireerd, zonder lidwoord. Hij schrijft dus eigenlijk dat we leven in een laatste ure. In het Nieuwe Testament is ‘het laatste uur’ de tijd tussen de komst van de Heere Jezus in het vlees in Bethlehem én Zijn wederkomst. Dus de laatste ure geeft een tijdsperiode aan.

Wanneer Johannes schrijft over dat laatste uur, zegt hij: ‘Gemeente, de laatste periode tussen de eerste en de tweede komst van de Messias is aangebroken. En aan het einde van deze tijd zal de antichrist komen en die zal velen verleiden.’

 

Het woord antichrist komt hier in het Nieuwe Testament voor het eerst voor. Verder wordt het nog drie keer door Johannes genoemd. De vroegchristelijke gemeente leefde bij de onderwijzing van de Heere Jezus, zo ook Johannes. Johannes was er een ooggetuige van geweest. Hij heeft zoveel onderwijs van Christus ontvangen.

En heeft Christus ook al niet gewaarschuwd tegen die valse profeten? Maar wacht u van de valse profeten, dewelke in schaapsklederen tot u komen, maar van binnen zijn zij grijpende wolven (Matth.7:15). Vóór Zijn hemelvaart nam Christus de discipelen bij elkaar en onderwees Hij hen: Alsdan, zo iemand tot ulieden zal zeggen: Zie, hier is de Christus, of daar, gelooft het niet. Want er zullen valse christussen en valse profeten opstaan en zullen grote tekenen en wonderheden doen, alzo dat zij (indien het mogelijk ware) ook de uitverkorenen zouden verleiden. Zie, Ik heb het u voorzegd (Matth.24:23-25).

 

Wie is de antichrist? Anti betekent ‘tegen’, en het kan ook vertaald worden met ‘in plaats van’. Dus het is een persoon die zich niet alleen tegen Christus stelt, maar ook in plaats van Christus.

Jonge mensen, de antichrist is een verpersoonlijking van de satan, en die verzet zich altijd tegen God en Christus. Hij is de grote verleider die rondgaat met zijn leugen en bedrog, en hij loochent dat Jezus de Christus is.

 

In de geschiedenis – jullie weten dat wel – zijn al veel namen genoemd. In de vroegchristelijke kerk zei men dat de keizer van Rome de antichrist was. Onze vaderen zeiden: Nee, het is de paus. Johannes heeft het over vele antichristenen. Dat is dus een verzamelnaam voor al de voorlopers van de echte antichrist. We zouden kunnen zeggen: Dat zijn al die sekten en stromingen, die de gemeente van God op aarde misleiden en verleiden.

En nu heeft Johannes in de gemeenten dus al trekken van die antichrist gezien. Valse leraars, die de gemeenten proberen te vernielen. Dat is nu een kenmerk van het laatste uur.

 

Lieve kinderen, het is de laatste ure. O, de grote antichrist moet zich nog openbaren. Maar wees alert, wees waakzaam. Want wij mogen wel zeggen: We leven in het laatste stukje van die laatste ure. We kunnen in onze tijd wel zeggen dat Gods oordelen laag hangen over de wereld.

Maar de Heere laat Zijn oude knecht niet zo achter. Hij laat aan Johannes zien dat er een zékerheid is. De zekerheid van de verlossing voor hen die standvastig blijven in het geloof.

 

En gemeente, nu is het de laatste avond van het jaar 2022, een jaar dat in ons geheugen gegrift zal staan. Wie had ooit gedacht dat er in Europa een oorlog zou uitbreken en dat na een jaar waarin we ons kerkelijk leven af moesten schalen, dat we nauwelijks mochten zingen, dat je afstand van elkaar moest houden en dat je je oude moeder niet eens een kus mocht geven.

Gemeente, het is de laatste ure. We zijn in het tijdvak waarover Johannes schrijft. We kunnen wel met allerlei argumenten komen om dat te ontkrachten. Er zijn toch altijd oorlogen en epidemieën geweest in de wereldgeschiedenis? Kijk eens naar de pest in de Middeleeuwen, de Spaanse griep en de twee wereldoorlogen in de vorige eeuw?

Ik weet dat wel, en we moeten het niet precies gaan invullen. Maar het is de laatste ure. We mogen niet in complottheorieën geloven, maar ik weet wel, gemeente, dat de satan één groot complot heeft. Hij is erin geslaagd om in de wereld een grote verwarring te scheppen.

 

En nu gaat Johannes waarschuwen, hij geeft groot alarm af. Hij gaat de sjofar blazen met indringende geluid. De mensen moeten wakker gemaakt worden. Ze moeten gaan schrikken.

Ook vanavond horen we dat geluid van de bazuin van het Evangelie. Lieve kinderen, het is de laatste ure. De laatste avond van 2022.

Wij vliegen daarheen (Ps.90:10). O, waar zijn de dagen gebleven? De weken? De maanden?

Er zijn hier mensen die wonden hebben en weten van verdriet. Verdriet omdat er mensen overleden zijn. O, wat is ons leven? Het is een schaduw, een handbreed. En eens komt voor ons ook die laatste dag en dat laatste uur. Wie weet, hoe snel. Ach, wij weten de dag van morgen niet.

Maar als dat laatste uur nu aanbreekt – is er dan vrede in je hart? Jonge mensen, jongens en meisjes, misschien vind je: Nog maar niet aan denken! Die oorlog is nog betrekkelijk ver weg, ik ben jong en sterk. Ik voel me gezond en ik mankeer niets.

 

Gemeente, we zijn in de laatste ure. Dat merken we ook als we zien op de grote afval in de wereld, waar nauwelijks meer plaats is voor God en Zijn geboden. In deze wereld wordt het steeds moeilijker om het Bijbelse getuigenis uit te dragen in het onderwijs. De liefde is verzakelijkt en verkild. We zien het eveneens in het kerkelijke leven.

Het is heel gemakkelijk om op deze oudejaarsavond een klaagzang aan te heffen. Maar gemeente, het ligt niet aan de tijd, het ligt aan ons hart. Zijn we nu vanavond in de schuld gekomen voor de Heere? Zijn we nu verootmoedigd door de boodschap die we hoorden? Moeten we ons nu niet allereerst zélf aanklagen?

 

Johannes zegt in vers 19: Zij zijn uit ons uitgegaan, maar zij waren uit ons niet; want indien zij uit ons geweest waren, zo zouden zij met ons gebleven zijn; maar dit is geschied opdat zij zouden openbaar worden, dat zij niet allen uit ons zijn.

Weet u wat nu het vreselijke is? De antichristenen – dus de mensen, die de antichristelijke geest hebben – komen vaak op uit de kerk. Het kan gebeuren dat die valse leraars doen alsof ze door God geroepen zijn en een nieuwe openbaring hebben. Ze verleiden de wereld.

We kunnen het ook letterlijk zien. Johannes zegt: Velen zijn van ons uitgegaan. En dat kunnen we ook naar onze gemeente toe vertalen. We zijn een gemeente midden in de wereld en we hebben daarin een heel dure roeping. Maar wat stralen wij nu uit naar de buitenwereld? En moeten we ook niet met droefheid zeggen dat er zoveel kerkverlating onder ons is. Zoveel mensen, en dan niet alleen jongeren maar ook soms zelfs ouderen vloeien zomaar weg zijn in een grijze samenleving. Het is waar: we kunnen onze kinderen niet bekeren. Maar wat kunnen we, als ouders, bezorgd zijn over het nageslacht!

Er is echter een almachtige God in de hemel. Die kan het hardste hart verbreken. Ouders, leg toch uw kinderen ieder ochtend, iedere avond maar voor de Heere neer. Ze hebben het doopwater dat nooit zal opdrogen, aan hun voorhoofd. De Heere is de God van het verbond, Die trouwe houdt tot in eeuwigheid. Dat kan je als ouders weleens troost geven. Eén staat erboven.

 

Gemeente, jongelui, leef je nu nog zonder God? Leef je nu nog zonder de kennis van de Borg? Het is nóg de laatste ure. Het uur van genade. Het is laat – we zitten in dat kleine stukje tijd – maar het is nog niet te laat.

Wat een voorrecht is het dan dat hier iedere zondag het Woord gepreekt of gelezen mag worden. Jonge mensen, wat een voorrecht is het dat je in vrijheid naar de kerk mag komen en naar dat Woord mag luisteren! Wat is het een voorrecht dat je dan hoort van de noodzaak en mogelijkheid van bekering en vergeving van zonden. O, zoek de Heere dan toch, en leef! Hij is het zo waard om gediend en gevreesd te worden. Bid dan in deze laatste ure tot God om vernieuwing van je hart en je leven. Stel het niet uit tot morgen!

Kinderen, buig je knieën vanavond maar, vertel alles aan de Heere en vraag of je Hem mag leren kennen. Jonge mensen, de Heere is zo geduldig en genadig voor een zondaar. Hij zegt: ‘Heden, zo gij Mijn stem hoort, verhardt u niet, maar laat u leiden.’

 

Voor we naar onze derde gedachte gaan, zingen we uit het Gebed des Heeren vers 3:

 

Uw Koninkrijk koom’ toch, o Heer’!

Ai, werp den troon des satans neer;

Regeer ons door Uw Geest en Woord;

Uw lof word’ eens alom gehoord,

En d’ aarde met Uw vrees vervuld,

Totdat G’ Uw Rijk volmaken zult.  

 

3. Een rijke troost

Johannes spreekt de gemeenten toe. Er is verwarring, onrust, afval en sektarisch denken; er zijn dwaalleraars en antichristussen. Gemeente, wat een herkenbare zaken voor vandaag!

Eindigt Johannes nu in deze misère? Nee! Kinderkens, het is de laatste ure. Het is een waarschuwing. Maar ook een troostboodschap.

Johannes gaat die laatste ure nu niet concreet invullen. Hij komt niet met voorspellingen, maar wel ziet hij dat de Heere bezig is om Zich naar het einde te haasten. En dat mogen we vanavond ook opmerken.

 

Gemeente, in al het roerige wereldgebeuren horen we de naderende voetstappen van de Bruidegom. O, Hij komt om Zijn bruid thuis te halen. Wees daarom goedsmoeds. Hoe donker ooit Gods weg mag wezen, Hij ziet in gunst op die Hem vrezen. 

Johannes zegt dus eigenlijk: ‘Gemeenteleden, wees niet bezorgd. Er is een machtig wapen tegen deze dwaalleer. Er is een machtig wapen tegen satan. Er is een machtig wapen tegen al de pijlen van de antichristenen.’

Dat wapen moeten Gods kinderen gelovig gebruiken. En wat zegt Johannes dan in vers 20? Doch – dat is een tegenstelling – doch gij hebt de zalving van de Heilige. Wat een ontzagwekkende tegenstelling. Aan de ene kant zijn er de antichristenen en aan de andere kant de ware christenen, die de zalving van de Heilige hebben.

De antichristen beroemt zich op die zogenaamde heilige en geheime kennis. We zouden vandaag aan de dag zeggen: al dat New-Age gedoe, dat esoterische gedoe en dat boeddhistische gedoe. Die kennis komt niet van God. Nee, die komt van de satan, die is occult en dat houdt geen stand.

 

Maar nu bemoedigt Johannes die aangevochten gemeenten. Hij zegt: Kinderkens, jullie hebben zo’n machtig instrument. Jullie hebben de zalving van de Heilige. Dan moeten we denken aan de Naam van Christus, de Gezalfde, de Messias. De apostel zegt: Jullie zijn uit genade Zijn kinderen. Vrees daarom niet. Tegenover al die misleiders, al die dwaalleraars, hebt gij, kinderkens, de zalving van de Heilige ontvangen. En gij weet alle dingen. Kanttekening 73 zegt hiervan: ‘De apostel wijst de gelovigen nu aan het rechte middel om de verleidingen van de antichrist te ontkomen, namelijk, dat ze vast blijven bij de leer, die zij ook door de verlichting van de Heilige Geest eens hebben geleerd en aangenomen.’

Misschien zegt iemand: Ja, maar wat is dan die zalving? Wat moet ik me daar bij voorstellen?

We weten dat in het Oude Testament de zalving een beeld was van de verkiezing en de afzondering tot het ambt van profeet, priester en koning. De vroege kerk kende die zalving ook bij de doop. En nu zegt Johannes hier: het ontvangen van de zalving van de Heilige Geest, dat is het ontvangen van Christus Jezus, is het kenmerk van een waar kind van God.

De kanttekening vervolgt dan: ‘… waardoor de gelovige verstaat de genadige werking van de Heilige Geest, waardoor zij wedergeboren en met de zaligmakende kennis van Christus verlicht en versterkt zijn, die bij de uitstorting van een kostelijke zalf wordt vergeleken’.  

Wat is dan de troost? Dat je door deze zalving kan onderkennen wie de antichrist is. Johannes zegt dat in vers 21: Jullie kennen de waarheid. En dan zullen jullie de leugen niet geloven. Hij vervolgt dan in vers 22: Wie is de leugenaar, dan die loochent dat Jezus is de Christus? Deze is de antichrist, die den Vader en den Zoon loochent.

Dus de antichrist zal zich niet alleen in plaats van de Zoon stellen, maar ook in plaats van de Vader. Hij zal als God verheerlijkt willen worden. Je moet aan hém genoeg hebben.
Je hebt geen Vader meer nodig Die Zijn Zoon gezonden heeft op deze zondige aarde, en je hebt ook geen Zoon meer nodig tot verzoening. Nee, hij, de antichrist, hij wil aanbeden worden.

 

Maar gemeente, nu de rijke troost, die Johannes uitspreekt. Hij zegt: Gij hebt de zalving van den Heilige en gij weet alle dingen.

Nu is de vraag: bent u die zalving van de Heilige deelachtig, hebt u daar deel aan? Leeft u daaruit?

U zegt misschien: Hoe kun je dat dan weten? Nou, leest u dan thuis maar eens de Heidelbergse Catechismus, Zondag 12. Die Zondag heeft twee vragen; misschien kent u ze wel. De eerste vraag is: ‘Waarom is Hij Christus, dat is een Gezalfde, genaamd?’
En de tweede vraag – dat is de praktische kant: ‘Maar waarom wordt gij een christen genaamd?’

Wat is dan het antwoord? ‘Omdat ik door het geloof een lidmaat van Christus en alzo Zijner zalving deelachtig ben.’

Gemeente, wat houdt dat in? Dat zegt de Catechismus ook. De zalving houdt in: ‘dat ik Zijn Naam belijde’.

Zijn Naam belijden in al die verwarring, tegen al die dwaalleraars, tegen die antichristenen. Wat hebben we daar een moed voor nodig. Wat is er moed nodig om te kunnen getuigen op je werk of in je studie! Moed om te getuigen als de Heere geloochend wordt en als men lacht om de dingen van de Bijbel. Dat is ouderwets. Wie leest daar nu toch nog uit …?

‘Dat ik Zijn Naam belijde’... Dwars door alle verdrukkingen en al het lijden heen. Ook tegen je eigen kinderen, als dat nodig is, al is maar één woord. Dat kan heel moeilijk zijn, want soms mag je niets meer zeggen... Maar toch: ‘Dat ik Zijn Naam belijde’. Tegenover je kleinkinderen, tegenover je familie.

En dan gaat de Catechismus verder: ‘En mijzelf als een levend dankoffer Hem offere’.

Jonge mensen, wat is dat? Ja, dan kom je aan de voeten van de Heere terecht. Dan zeg je: ‘Heere, ach, hier ben ik, met lege handen. Ik kan helemaal niets, Heere. Maar wilt U mij vervullen met Uw Geest, zodat ik in dankbaarheid mag leven en me in zelfverloochening aan U mag toewijden. Ach, die eis van zelfverloochening gaat tegen mijn eigen ik in. Maar mag ik in dankbaarheid mijn weg gaan.’

Dan zegt de Catechismus verder: ‘En met een vrije en goede consciëntie in dit leven tegen de zonde en de duivel strijde, en hiernamaals in eeuwigheid met Hem over alle schepselen regere.’

 

Johannes zegt tegen Gods kinderen in de gemeenten: En gij weet alle dingen. 

U denkt misschien: Zegt Johannes hier nu niet te veel? Als je dat nu aan een kind van God vraagt, zou hij zeggen: Ik weet helemaal niets. Ik ben tot hinken en tot zinken bereid. Ik heb maar een beginsel van deze gehoorzaamheid.

 

Dat is waar, van onszelf hebben we helemaal niets. Maar door de leiding van de Heilige Geest, door dat hartbrekende werk van de Geest, door dat overtuigende werk van de Geest hebben Gods kinderen kennis verkregen. Het is de Heilige Geest Die hen leidt, hen vertroost en hen onderwijst. Wat zijn ze afhankelijk van de Geest!

Volk des Heeren, daar weet u van. Dat is niet die opgeblazen, geheime kennis van de dwaalleraars. Nee, dat is de zaligmakende kennis die Christus aan Zijn kinderen geeft. Aan de armen, de ellendigen, de kleinen in de genade.

Kinderkens. Als je nu zó het oude jaar mag uitgaan, kun je ook het nieuwe jaar in. En daarvoor is niemand te oud, en niemand te jong.

 

Lieve gemeente, hoe is het nu met u? Leeft u nog zonder deze zalving? Leeft u nog zonder Christus onbekeerd voort? Kom, buig dan uw knieën vanavond, op deze oudejaarsdag.

Vaders, moeders, je leest toch straks wel met je kinderen Psalm 90? Dat doe je toch wel? En je gaat toch wel voor in gebed?

Ja maar, ik heb het nooit gedaan en misschien vinden ze het raar … en misschien komt er tegenstand.

Neem toch vanavond de Bijbel maar, en zeg: Jongens, wat leven we nu in zo’n moeilijke tijd. Laten we beginnen met het Woord van de Heere. En leest u het maar en gaat u maar voor in gebed, ook al is het stamelend.

Of misschien bent u alleen thuis. O, zoek dan de Heere, en buig uw knieën.

Misschien bent u wel met z’n tweeën. O, er is nog genadetijd.

Misschien zegt u: Ja, maar het maakt me allemaal zo benauwd. En moet u zeggen: Duizend zorgen, duizend doden kwellen mijn angstvallig hart.

Ach, mag u dan in deze laatste ure uw oog op Hem slaan. Want wat is nu het wonder?

In al uw benauwdheden was Hij benauwd. Hij is een volkomen Zaligmaker en roept het u toe: Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven (Matth.11:28).

Haast u dan en spoed u om uws levens wil. Het leven is zo kort. Bereid uw huis, want gij zult sterven.

 

Zijn er die uit genade mogen zeggen: Ja, de Heere is mij een Helper, en ik zal niet vrezen. Dit weet ik, dat God met mij is? Dan kunt u met Hem het oude jaar uit en het nieuwe jaar in. Met Hem kunt u overal zijn, in vreugde, in droefheid, in smart.

Dan is er hoop en verwachting in de Borg. Dan is deze donkere tijd nog maar een verdrukking van tien dagen.

Houd dan moed, godvruchte schaar, houd moed; Hij is de Bron van alle goed.

Kinderkens, lieve kinderen, het is de laatste ure.

Amen.  

 

Slotzang: Psalm 91 vers 1:

 

            Hij die op Gods bescherming wacht,

Wordt door den hoogst Koning

Beveiligd in den duist’re nacht,

Beschaduwd in God woning;

Dies noem ik God, zo goed als groot

Voor hen die op Hem bouwen,

Mijn Burg, mijn Toevlucht in den nood,

Den God van mijn betrouwen.