Ds. C. Harinck - Romeinen 9 : 13

Jakob en Ezau

Gods genade verheerlijkt in het leven van Jakob
Gods rechtvaardigheid verheerlijkt in het leven van Ezau

Romeinen 9 : 13

Romeinen 9
13
Gelijk geschreven is: Jakob heb Ik liefgehad, en Ezau heb Ik gehaat.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 65: 1 en 2
Lezen : Romeinen 9 : 6- 33
Zingen : Psalm 33: 2 en 3
Zingen : Psalm 27: 3
Zingen : Psalm 89: 8

Geliefde gemeente, wanneer we spreken over Gods soevereiniteit en onze menselijke verantwoordelijkheid, is het van het grootste belang dat we de balans tussen beide bewaren. Wanneer Calvijn over deze zaken spreekt, zegt hij herhaaldelijk dat we 'de balans moeten bewaren'. Wij zijn het van harte met deze uitspraken eens. Twee zaken zijn boven alle verdenking verheven; namelijk dat God soeverein is en dat de mens verantwoordelijk is. Als we de balans tussen deze twee Bijbelse waarheden niet bewaren, komen we in wateren terecht, die van Gods Woord afwijken.

 

Het gevaar van overaccentuering van de ene waarheid en een ontkennen van de andere waarheid, leidt zonder meer tot een afwijken van de Schrift. Als men alle nadruk legt op Gods soevereiniteit zonder de verantwoordelijkheid van de mens te handhaven, zal men zonder enige twijfel tot een noodlotsleer vervallen. Aan de andere kant, als men alle nadruk legt op de verantwoordelijkheid van ons mensen, zodat men de soevereiniteit van God geheel uit het oog verliest, zal dit zeker leiden tot een leer die de mens tot zijn eigen zaligmaker maakt. Men komt er dan vroeg of laat toe de mens zelf tot de oorzaak van zaligheid te maken, en te vervallen tot de leer van de remonstranten die de zaligheid van de mens geheel laten afhangen van wat hij doet en wil.

 

Ziet u nu hoe belangrijk het gezegde van Calvijn is, dat we de balans van de waarheid moeten zien te bewaren? Dat is wat wij hopen te doen wanneer we spreken over wat Gods Woord zegt in Romeinen 9 vers 13:

 

Gelijk geschreven is: Jakob heb Ik liefgehad, en Ezau heb Ik gehaat!

 

Onze tekst spreekt over Jakob en Ezau. We letten op twee dingen:

 

  1. Gods genade verheerlijkt in het leven van Jakob
  2. Gods rechtvaardigheid verheerlijkt in het leven van Ezau

 

1. Gods genade verheerlijkt in het leven van Jakob

Hoofdstuk 9 van Paulus' brief aan de Romeinen begint met de belijdenis van de apostel dat het hem een grote droefheid en zijn hart een gedurige smart is, dat zijn broeders, de Joden, de Heere Jezus als de Messias verwerpen. De smart over dit verwerpen van Christus door het uitverkoren volk van Israël is zo groot in het hart van Paulus, dat hij zelfs zegt: Want ik zou zelf wel wensen verbannen te zijn van Christus, voor mijn broederen, die mijn maagschap zijn naar het vlees! Maar daarna onderwijst hij ons dat dit niet betekent dat het Woord van God krachteloos is en dat de beloften van God falen.

 

We weten dat de belofte van God aan Abraham inhield dat Hij altijd met het zaad van Abraham zou blijven en Zijn verbond met hen bevestigen. Wanneer nu de Joden als volk de Christus verwerpen en weigeren in Hem te geloven, zou u kunnen denken dat dit betekent dat de beloften van God falen. De apostel leert ons echter dat in de weinigen die Christus wel als Messias erkennen de beloften Gods vervuld worden. In degenen die Christus wel aanvaarden, komt het openbaar dat de Heere Zijn volk niet geheel en al verworpen heeft. De apostel betoogt verder dat het onder het Oude Testament ook nooit het gehele Israël is geweest dat waarlijk geloofde. Alles wat Israël heette was niet altijd Israël. Ook toen was het altijd een bijzonder deel van het volk, dat waarlijk Gods kinderen kon genoemd worden. Zo komt de apostel dan tot de grote Bijbelse leer van de uitverkiezende genade Gods. Al de kinderen van Abraham waren geen kinderen van God, maar alleen de kinderen der belofte werden voor de erfgenamen gerekend, zoals er geschreven staat: 'Jakob heb Ik liefgehad, en Ezau heb Ik gehaat!’

 

Als we deze tekst lezen, kunnen we begrijpen dat sommige oude godgeleerden hebben gezegd: Dit is een verschrikkelijke tekst! Desondanks moeten we het Woord van God zo eerlijk mogelijk behandelen. Wanneer we nadenken over een verborgenheid als de eeuwige predestinatie van God, mogen we niet veronderstellen dat we alles van deze verborgenheid afweten, maar kunnen we slechts naspreken wat de Heere ons daarover in Zijn Woord geopenbaard heeft. Van het ogenblik dat we buiten de grens van Gods Woord gaan, dwalen we van het rechte spoor af. Om veilig te gaan moeten we ons altijd aan de letter van het Woord van God houden. Als we ons eenvoudig aan het Woord houden, zijn we wijzer dan degenen die denken dat ze alles van deze verborgenheid van God afweten. Ze denken de leer van de predestinatie om hun vingers kunnen winden, alsof het zaken van minder belang betreffen. Maar u kunt ervan op aan dat iemand die meent er alles van te weten, er heel weinig van afweet.

 

Calvijn zegt niet zonder goede reden dat de Heilige Schrift de school van de Heilige Geest is. Velen keren zich af van dit hemelse licht dat ons in Gods Woord gegeven wordt, en koesteren hun eigen veronderstellingen en gedachten, en dit nooit zonder grote schade. Ook dan geldt het: Tot de wet en tot de getuigenis! zo zij niet spreken naar dit woord, het zal zijn, dat zij geen dageraad zullen hebben (Jes.8:20).

We mogen geen verboden paden betreden. Slechts in zoverre als de Heere ons de verborgenheid van Zijn eeuwig voornemen heeft bekendgemaakt, kunnen wij ervan spreken. Het is niet goed om in te willen dringen in zaken, die niet aan ons geopenbaard zijn in de Heilige Schrift. Wij hebben geen recht méér over de leer van de verkiezing te weten dan de Heere ons vertelt in Zijn Woord. Als het noodzakelijk zou zijn voor onze zaligheid, dan had de Heere ons zeker in Zijn Woord meer bijzonderheden bekendgemaakt. Na deze waarschuwende inleiding wil ik nu onze tekst bezien: Jakob heb Ik liefgehad, en Ezau heb Ik gehaat.

 

Allereerst moeten we ervan doordrongen zijn dat ook dit woorden van God zijn en daarom moeten wij het laten staan zoals het er staat.

Sommigen trachten de scherpte van deze tekst weg te nemen door te zeggen: Het woord 'gehaat' betekent hier niet 'haat', maar 'minder liefgehad'. De tekst zou dan luiden: Jakob heb Ik liefgehad en Ezau heb Ik minder liefgehad. Doch dit is niets dan een ontkrachting van het Woord van God. Het feit is, dat ons in dit Godswoord wordt meegedeeld dat God Jakob liefhad en Ezau niet liefhad. God verkoor Jakob en zegende Jakob, maar Hij verkoor en zegende Ezau niet. De Heere stond toe dat Ezau voortging in zijn zonden, maar Hij stond niet toe dat Jakob in zijn zonden verder zou gaan.

Er zijn anderen, die zeggen om van deze voor hen walgelijke tekst af te komen: Het betekent hier niet de personen Jakob en Ezau, maar de nakomelingen van Jakob en Ezau, de Israëlieten en de Edomieten.

 

Door de profeet Maleachi, wiens woorden de apostel hier aanhaalt, wordt inderdaad over de nakomelingen van Jakob en Ezau gesproken. Wanneer men evenwel nauwkeurig leest in welk verband de apostel de woorden van Maleachi gebruikt in Romeinen 9, dan zal men zien dat de apostel hier over Jakob en Ezau persoonlijk spreekt. In het voorgaande vers lezen we immers hoe de apostel spreekt over Jakob en Ezau persoonlijk. Hij voert aan dat toen de kinderen nog niet geboren waren – en ze nog niets goeds of kwaads gedaan hadden – de Heere al tot Rebekka had gezegd: 'De meerdere zal de mindere dienen.'

 

Wat de leer van een verkiezend God betreft: Wat is het verschil tussen Gods verkiezen van volken en van personen? De Arminianen zeggen dat er alleen een verkiezing van volken is, een zogenaamde nationale verkiezing. Maar hiermee werpen ze hun eigen onbijbelse leer omver, want als volgens de Arminianen er onrechtvaardigheid in God is in het verkiezen van de ene mens boven de andere, dan moet er ook onrechtvaardigheid in God zijn in het verkiezen van het ene volk boven het andere volk. Het is dus geen verdraaiing van de Heilige Schrift te geloven dat de Heere Jakob heeft liefgehad en Ezau gehaat. De Bijbel zegt ons hier dat de Heere Jakob liefheeft, en dat Hij Ezau heeft gehaat. Het is dus onmiskenbaar dat niet geloochend kan worden, dat God Jakob heeft liefgehad en Ezau heeft gehaat.

De leer van de verkiezing is een onloochenbaar feit. God handelt met het Zijne zoals Hij wil. Hij heeft sommige van Zijn schepselen adelaars gemaakt en andere van Zijn schepselen wormen. Sommigen zijn geboren als koningen, en anderen als bedelaars. Sommigen zijn begiftigd met een zeer helder verstand, en anderen zijn zwakbegaafd.

Waarom is dit alles zo? Omdat God dit zo bepaald heeft. Uitverkiezing is een feit! Het is een feit in de natuur, waar de ene ster helderder is dan de andere, het is ook een feit in zaken die de zaligheid aangaan.

 

De Heere zendt het Evangelie tot het ene volk en niet aan het andere. Hij schenkt sommigen het voorrecht de boodschap van het heil te horen, en onthoudt anderen dit voorrecht. Hij geeft sommigen godvruchtige ouders, die hen in de leer der waarheid en met gebeden opvoeden, en aan anderen geeft Hij goddeloze ouders, die hen zonder God en Zijn Woord en met liegen en bedriegen grootbrengen. Hij brengt de een onder een zuivere en krachtige bediening van het Evangelie, en de ander onder een dode of valse bediening daarvan.

Het onderscheid is zelfs groter, want God zegent Zijn Woord aan het hart van de een, en zegent het niet aan het hart van de ander. Hij werkt zo krachtig in het hart van de ene mens, zodat deze het Evangelie niet kan weerstaan, en onthoudt deze krachtige werking van Zijn Geest aan anderen, zodat zij hun hele leven het Evangelie van Gods genade blijven tegenstaan.

Dit alles is geen bespiegeling, maar een vaststaand gegeven. Gods verkiezing is een feit! Niemand kan ontkennen dat God met Zijn schepselen verschillend handelt. En waarom is de Heere de één genadig en gaat Hij met Zijn genade de ander voorbij? De apostel tracht ons dit duidelijk te maken met het voorbeeld van Jakob en Ezau.

 

Laten we nu eerst een blik slaan op Jakob. De Heere had Jakob lief. Dit is duidelijk te zien in Jakobs leven. Voordat hij was geboren, zei de Heere tot Rebekka dat Hij Jakob boven Ezau had verkoren. Als Jakob vlucht van zijn vaders huis omdat Ezau hem wil doden, en in Bethel slaapt met een steen als zijn hoofdkussen, komt de Heere tot hem en spreekt met hem in zijn slaap en belooft hem nabij te zijn waarheen hij ook gaan zal. Jakob ziet daar in een hemels gezicht de Heere Jezus en Zijn middelaarswerk afgebeeld in een ladder, die de hemel en de aarde verbindt.

Als hij bij Laban is en deze hem tracht te bestelen, staat de Heere dit niet toe en vermenigvuldigt de schapen van Jakob. Als hij vlucht voor de inwoners van Sichem legt de Heere een vrees op zijn vijanden en zegt hun Zijn gezalfde geen kwaad te doen en Zijn profeten niet aan te raken. Onder deze Goddelijke bescherming reist Jakob in vrede te midden van de vijandige heidenvolken.

Als een hongersnood over het gehele land komt, waakt de Heere over Jakob en zijn kinderen. Hij zendt in Zijn voorzienigheid Jozef naar Egypte om Jakob en zijn zaad in de honger te bewaren. In plaats daarvan hebben ze overvloed in het land Gosen. Ten slotte, om maar niet meer bewijzen van Gods liefde voor Jakob op te noemen: kijk naar Jakob op zijn sterfbed. Hoe kalm en rustig kan hij de dood afwachten. Hoe verzekerd van zijn zaligheid legt hij zijn benen naast elkaar en zegt: 'Op Uw zaligheid wacht ik, Heere!’ Van Jacob kan worden gezegd: ‘Ziet een man, die door God geliefd werd.’

 

Maar waarom had de Heere Jakob lief? Als we ons tot het Woord van God wenden voor het antwoord lezen we: Want als de kinderen nog niet geboren waren, noch iets goeds of kwaads gedaan hadden, opdat het voornemen Gods, dat naar de verkiezing is, vast bleve, niet uit de werken, maar uit den Roepende; Zo werd tot haar gezegd: De meerdere zal den mindere dienen. Het is zo klaar als de dag dat het niet was om iets goeds in Jakob zelf, dat de Heere hem liefhad. De reden waarom de Heere Jakob liefhad, was niets anders dan Zijn vrije, soevereine liefde. Niets dan onverdiende genade, die de Heere aan Jakob bewees. Er lag niets in Jakob zelf dat God bewoog hem lief te hebben. Integendeel! Er was in Jakob alles te vinden dat de Heere moest bewegen om Jakob te haten, evengoed als Hij Ezau haatte. Jakob was van God geliefd op geen andere grond dan vrije genade.

 

Wanneer u het leven van Jakob beziet en nagaat wie en wat Jakob in zichzelf was, moet u tot de conclusie komen dat hij niet verdiende zo bijzonder door God geliefd te worden. Jacob verdiende het gehaat te worden net als Ezau. Jakob was ten eerste ook in zonde ontvangen en geboren. Hij had een even verdorven hart als Ezau had. Door bedrog verkreeg hij de eerstgeboortezegen van zijn vader Izak. Hij bedroog zijn oude, bijna blinde vader: 'Ik ben Ezau!’

Terwijl hij bij zijn oom Laban woonde, probeerde hij ook die te bedriegen. Jakob ontwierp een plan om zichzelf te verrijken, waarvan we zeggen moeten dat het geen weg was die een godvrezend man als Jakob zou moeten bewandelen.

Zelfs na de worsteling met de Engel des Heeren, waar hij de zegen van God in een rechte weg verkreeg, was zijn leven niet zonder zonde en ongerechtigheid. In Kanaän gekomen vergat hij vergat zijn belofte die hij de Heere in Bethel gedaan had om te offeren. Hij gaf zijn dochter aan een heiden tot vrouw. Zijn zonen moordden de stad Sichem uit en zijn zoon Juda verwekte een kind bij zijn eigen schoondochter. Nee, Jakobs leven was verre van blank en zuiver. Jakob was een zondaar! Hij was van nature een kind des toorns. Hij was niet alleen ontvangen en geboren in zonde en ongerechtigheid, maar hij was ook een man vol van dadelijke zonden. Hij was oneerlijk, bedrieglijk, geldgierig en vergeetachtig waar het Gods zegeningen betrof.

 

En toch... had God hem lief! De enige reden waarom de Heere Jakob liefhad, moet Gods vrije, soevereine liefde, zijn geweest. De reden moet zijn geweest dat God barmhartig is wie Hij barmhartig wil zijn.

Jakob verdiende het om gehaat te worden en toch... had God hem lief. Als de Heere met Jakob had gedaan naar zijn zonden, dan had hem geen beter lot kunnen wachten dan Ezau.

Het is duidelijk dat genade Jakob onderscheidde van Ezau, en niet dat Jakob zichzelf onderscheidde. Boven Jakobs leven moet geschreven worden: 'Ik doe het niet om uwentwil, o huis Israëls, dat zij u bekend, maar om Mijns groten Naams wil, opdat die verheerlijkt worde!’

Dit is het wonder in het leven van Gods kinderen. Zij weten dat zij zichzelf niet onderscheiden hebben. Zij weten dat niets dan vrije en soevereine genade hen van anderen heeft onderscheiden. Een waar kenmerk van de kinderen van God is zelfkennis. Niet dat zij die van zichzelf hebben, maar omdat de Heilige Geest deze in hen werkt. Zij leren verstaan wie en wat zij zijn voor God. Zij weten zich overtreders te zijn van al Gods geboden, en dit niet alleen, maar ook dat zij zo bedorven zijn van hart dat zij tot niets dan tot alle kwaad geneigd en tot alle goed onbekwaam zijn.

 

Ware zelfkennis vernedert de mens. Ze doet ons al Gods zegeningen onwaardig worden. Ze maakt ons de grootste zegen onwaardig worden, namelijk: een verkorene des Heeren te zijn. Alleen ware zelfkennis doet ons onze vijandschap tegen de leer der verkiezing verliezen. Zo-iemand zegt: ‘Heere, ik lees dat U een volk, dat even schuldig is als de andere, verkoren hebt tot de zaligheid, maar ik ben niet waardig bij dat volk te behoren.’ Gods verkiezende liefde wordt een weldaad die zo groot is, dat zij moeten zeggen: ‘Zo-iemand als ik kan onmogelijk bij zo’n bevoorrecht volk horen.’

 

We lezen van de Kananese vrouw, dat toen Jezus tot haar sprak over het leerstuk van de verkiezing en de verwerping, dat zij sprak: 'Ja. Heere, ik ben een hond!’ Jezus had haar niet gezegd dat zij een verworpene was. Nee, zij zei het van zichzelf.

Als we in ons eigen oog het waard worden een verworpene te zijn, verliezen we onze vijandschap tegen de verkiezing van God. Onwaardigheid is gestempeld op alle harten die genade bezitten. Hun onwaardigheid wordt zo groot dat zij met de Kananese vrouw belijden: ‘Ja Heere, ik ben niet meer dan een hond. Ik ben het waard door U gehaat te worden.’ Dan wordt het een groot wonder te behoren tot die ware levenden. Zulke zielen ervaren het grote wonder, dat waar zij zichzelf buitensluiten, de Heere hen insluit. Wat wordt het wonder groot voor zulke zondaren. Ze bekennen dat zij het verdienen gehaat te worden als Ezau, en dat vanwege hun zonden en hun zondige hart. En tóch verklaart de Heere: Ja, Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde; daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid (Jer.31:3).

 

De soevereiniteit van God is alleen heerlijk in de ogen van hen, die door de Heilige Geest tot niets zijn gebracht. Ze weten dat het is zoals de Heere zegt in Zijn Woord: ‘Ik doe het niet om uwentwil, dit zij u bekend, o huis Israëls, maar Ik doe het om Mijns groten Naams wil!’

Al Gods kinderen weten het: de enige reden waarom zij ooit zalig zullen worden is Gods vrije en eeuwige liefde. Zij weten dat ze zichzelf niet onderscheiden hebben, maar dat de Heere het beslissende onderscheid heeft gemaakt. Ik denk dat we zo de eerste vraag voldoende beantwoord hebben, namelijk: Waarom had de Heere Jakob lief?

Het moet nu voor ieder duidelijk zijn dat dit niet was om iets goeds in Jakob, maar alleen vanwege de vrije gunst, die eeuwig God bewoog. Laten we daarvan zingen uit Psalm 27:3:

 

Och, mocht ik, in die heilige gebouwen,
De vrije gunst, die eeuwig Hem bewoog,
Zijn lieflijkheid en schonen dienst aanschouwen!
Hier weidt mijn ziel met een verwond'rend oog.
Want God zal mij, opdat Hij mij beschutt',
In ramp en nood versteken in Zijn hut;
Mij bergen in't verborgen van Zijn tent,
en op een rots verhogen uit d' ellend'.

 

Nu komen we tot de volgende vraag: waarom haatte de Heere Ezau? Laten we proberen die vraag te beantwoorden als we, ten tweede, spreken over:

 

2. Gods rechtvaardigheid verheerlijkt in het leven van Ezau

We lezen: En Ezau heb Ik gehaat. Toen we de vraag stelden: Verdiende Jakob dat de Heere hem lief zou hebben, moesten we deze vraag met 'nee' beantwoorden. Als we nu de vraag stellen: Verdiende Ezau dat de Heere hem zou haten, dan moeten we deze vraag beantwoorden met 'ja'.

Waarom haatte God Ezau en waarom haat God onbekeerde mensen? Er is maar een Bijbels antwoord op die vraag en dat is: vanwege hun zonden. God haat de zonde, en de persoon die de zonde liefheeft en doet, maakt zich daardoor gehaat in Gods ogen. God is een God Die de zonde haat.

Er zijn veel mensen die slechts van één Goddelijke volmaaktheid willen weten, en dat is de liefde van God. Alles wat men over het God weet te zeggen, is: ‘God is liefde’. De liefde is echter slechts een van Gods eigenschappen. Er zijn meerdere volmaaktheden in God. Zo is God ook een God van heiligheid. En omdat Hij heilig is en de heiligheid bemint, haat God de zonde en de bedrijver van de zonde. Het is een heilige haat en afkeer van het kwade. Deze haat in God maakt God niet minder in onze ogen, zoals de moderne theoloog denkt, maar deze maakt Hem heerlijker en meer te vrezen. De God van de Bijbel is een God Die de zonde haat.

 

Waarom haatte God Ezau? Het antwoord op die vraag moet zijn: omdat Hij de zonde haat. Ezau verdiende het te worden gehaat vanwege zijn zonden. De zonde was de oorzaak van Gods haten van Ezau. Ezau verdiende het. Er kan geen enkele ziel in de hel zeggen: ‘U hebt me onrechtvaardiger behandeld dan ik verdien.’ Ieder die in de hel zal komen, zal gevoelen dat hij daar is gekomen vanwege zijn zonden. Zullen allen weten dat ze slechts ontvangen wat ze zich waard hebben gemaakt. Hoewel de ware boetvaardigheid zal ontbreken, zal iedere ziel in de hel moeten bekennen dat zijzelf de eeuwige verdoemenis over zich gebracht heeft door haar zonde tegen God. Allen zullen gevoelen dat hun straf een gevolg is van hun boze werken.

 

Niemand zal God kunnen beschuldigen van onrecht. Integendeel, als een vuur zal hun geweten branden en hun eeuwig prediken: U hebt zelf de verdoemenis op u gebracht. Het is genade, vrije genade die een mens zalig maakt. Het is rechtvaardigheid, het is de zonde, die een mens verdoemt.

God is niet de auteur van de zonde. God is niet aansprakelijk voor de zonde die een mens in de hel brengt. Hij dwingt niemand om zonde te doen. Het is noch Zijn besluit, noch Zijn weerhouden van genade, die de mens dwingen te zondigen. God is nooit de auteur van de zonde. Wij moeten zo'n gedachte verfoeien en verre van ons werpen. We moeten met Job zeggen: 'Verre zij God van goddeloosheid en de Almachtige van onrecht!’ God heeft Ezau niet geschapen om zonde te doen! God heeft besloten in Zijn eeuwig, wijs en rechtvaardig besluit om Ezau met de gave van bekering en geloof voorbij te gaan. God heeft besloten Ezau toe te staan om zijn eigen verderf uit te werken, maar Hij heeft Ezau niet geschapen om zonde te doen.

Het besluit van verwerping van het voorbijgaan met de gaven van bekering en geloof, noemt Calvijn 'een verschrikkelijk besluit'. Maar al noemt de reformator het een verschrikkelijk besluit, dit belet hem niet om er direct aan toe te voegen dat het een rechtvaardig besluit is.

Augustinus beleed over deze Goddelijke verborgenheid dat de voorbestemming ten leven zuiver soeverein is, terwijl de voorbestemming ten dode niet alleen soeverein is, maar ook juridisch. God slaat daarin ook acht op de zonde van de mens! Calvijn stemde met Augustinus van ganser harte in met deze uitspraak.

 

Er is geen onrechtvaardigheid bij God. We kunnen dan alleen dan spreken van onrechtvaardigheid als de ene partij een vordering heeft op de andere. Als God de vergeving van de zonde, de gave van de bekering en de gift van het geloof schuldig zou zijn aan ieder mens, dan zou het een onrechtvaardigheid in God zijn om deze zegen, waar allen een gelijk recht op hebben, aan de één te geven en aan de ander te onthouden.

De zondaar heeft absoluut geen recht of aanspraak op welke zegen van God dan ook. Alle zondaren zijn even schuldig en liggen daarmee onder de vloek. God zou volkomen rechtvaardig zijn geweest als Hij geen enkele zondaar gezaligd had. God is niet verplicht één enkele zondaar te behouden, want zij allen hebben de dood verdiend. Hij kon ze allen in de eeuwige dood geworpen hebben, maar het behaagde Hem om een deel van de gevallen mensheid te behouden door het bloed van Zijn Zoon.

 

Maar laten we nu weer terugkeren tot de vraag: ‘Verdiende Ezau het gehaat te worden?’ Het antwoord moet zijn: ‘Ja, hij verdiende het.’ Niet alleen omdat hij tot de gevallen mensheid behoorde, maar veel meer nog vanwege zijn persoonlijke zonden. Laten we het leven van Ezau maar eens bezien.

De Bijbel deelt ons over Ezau mee dat hij een onheilige en zondaar was. Eerst zien we dat hij zijn eerstgeboorterecht verloor, maar... hijzelf verkocht het voor een schotel linzenmoes. Aan het eerstgeboorterecht was de belofte van de komende Messias verbonden. Het verachten van het eerstgeboorterecht hield in het verachten van de belofte, die de Heere aan Abraham gedaan had over de komst van de Christus. Daarom noemt de apostel in Hebreeën 12 vers 16 Ezau 'een onheilige'.

Verder deelt de Schrift ons mede dat Ezau de dochters van de Kanaänieten tot vrouw nam, terwijl hij toch had gezien dat Abraham Izak geen vrouw van de Kanaänieten wilde geven. Ten slotte zien we hoe hij het beloofde land de rug toekeert om er nooit meer naar terug te keren. Ezau’s verderf ligt aan zijn eigen deur. God is niet de auteur van de zonde. Ezau bracht de verdoemenis over zichzelf als een gevolg van zijn eigen boze werken.

 

Zo is het met elke zondaar die wandelt in de voetstappen van Ezau. Allen die verloren gaan, gaan verloren vanwege hun zonden. Ezau kan niet zeggen: ‘Ik heb mijn geboorterecht verloren door Gods besluit. Ik heb het verloren omdat God dit zo besloten had.’ Ik denk dat God hem zou antwoorden: ‘Jakob verkreeg het eerstgeboorterecht bij Mijn besluit, maar jij verloor het omdat je het zelf verkocht.’ De leer is bijbels, die zegt dat iedereen die de hemel verliest de zaligheid verliest omdat hij deze zelf verwerpt. Hij verliest de zaligheid vanwege zijn zonden. Als wij zeggen: ‘Ik heb de zaligheid verloren vanwege Gods besluit’, zegt de Heere: 'Gij wilt tot Mij niet komen opdat ge het leven hebt!’

Hoe komt het dat een mens onbekeerd blijft en God niet vreest?

Ik weet dat sommigen willen antwoorden: ‘Omdat God hem niet uitverkoren heeft.’ Maar Gods Woord zegt: ‘Omdat hij onbekeerd wenst te blijven en God niet vrezen wil.’ Het is omdat hij de zonde liever heeft dan God. Weer anderen antwoorden misschien: ‘De mens blijft onbekeerd en vreest God niet, omdat hij onder de macht van de zonde en de satan is en zich niet kan bekeren en God vrezen.’ Het is alles waar en Bijbels, tenminste als u er nog een ding aan toevoegt, namelijk: dat de mens een gewillige slaaf van de zonde is en dat niet God, maar de mens zelf zich daarin gebracht heeft. De mens is niet alleen een gebondene, maar ook een gewillig gebondene. Het kwaad zit veel dieper. De mens blijft onbekeerd en vreest God niet, omdat hij verkiest zondig, werelds, ongelovig en eigengerechtig te blijven. Hij is een gebondene, die zijn gebondenheid, de zonde en de wereld verkiest boven God en Christus!

 

Waarom zondigt een mens? U zegt wellicht: Omdat God hem daartoe voorbestemd heeft, of omdat hij onder de macht van Satan is. Maar weet u wat de Bijbel daarover zegt? De Bijbel zegt dat een mens zondigt omdat hij het zondigen bemint, omdat hij zijn vermaak erin vindt. En wat iemand met vermaak doet, daarvan kan men moeilijk zeggen dat hij daartoe gedwongen is. Daarom moeten we de Bijbelse leer handhaven dat Ezau zijn geboorterecht verloor omdat hij het zelf vrijwillig verkocht.

Evenzo is het met de zondaar die verloren gaat. Hij verliest zijn geboortezegen, de hemel en de zaligheid, omdat hij het zelf vrijwillig verkoopt. God, noch Gods verborgen besluit heeft hem gedwongen te zondigen en de zaligheid van z’n ziel voor een schotel linzenmoes te verkopen. De zondaar heeft dat zelf en geheel vrijwillig gedaan. Een mens gaat verloren vanwege zijn eigen zonde en omdat hij verdient verloren te gaan.

 

Nadat we vanuit de Bijbel het leven van Jakob en Ezau hebben bezien, moeten we tot de twee volgende belangrijke uitspraken komen: Alle heerlijkheid en eer in de zaligheid van een zondaar komt God toe, en al de schuld en verantwoordelijkheid in de rampzaligheid van een zondaar komt de mens zelf toe.

Wanneer een zondaar de hemel verliest, dan verliest hij de hemel door eigen schuld. Wanneer een zondaar de hemel verkrijgt, dan verkrijgt hij de hemel door Gods vrije genade alleen.

 

We gaan besluiten met wat een oud godgeleerde ooit zei: Het grootste compliment dat men mij over mijn prediking kan geven is dat men zegt dat ik de zaligheid geheel uit genade en de verdoemenis geheel om eigen schuld predik. Hij geeft God al de eer voor iedere ziel die behouden wordt, maar hij wil niet toestaan dat God de schuld ontvangt voor een zondaar die verloren gaat.

Jakob heb Ik liefgehad, en Ezau heb Ik gehaat, zegt Gods Woord. Het leert ons: uit genade wordt een zondaar gezaligd en om eigen schuld gaat hij verloren.

Door U alleen!

Het Woord van God vertelt ons over Jakob en Ezau: 'Jakob heb Ik liefgehad en Ezau heb Ik gehaat!’ De vraag werd gesteld: waarom heeft de Heere Jakob liefgehad en waarom Ezau gehaat? We hebben gezien dat het antwoord is: de Heere had Jakob lief uit vrije genade en niet omdat hij het verdiende. De Heere handelde in genade met Jakob. De Heere haatte Ezau omdat Hij de zonde haat, en dus was Ezau gehaat door God omdat hij het verdiende. De Heere handelde in rechtvaardigheid met Ezau.

 

We zien in Jakob en Ezau het verschillend handelen van de Heere met de kinderen der mensen. Hij zaligt zondaren uit genade en straft zondaren in rechtvaardigheid. Als de mens behouden wordt, is dit enkel genade van God, en als de mens verloren gaat, is dit enkel rechtvaardigheid van God. Iedere zondaar die verloren gaat, gaat rechtvaardig verloren vanwege zijn zondigen.

U zult zeggen: ‘Maar hoe verenigt u deze twee tegengestelde waarheden? Hoe brengt u Gods soevereiniteit en 's mensen verantwoordelijkheid met elkaar in overeenstemming?’

Ik durf antwoorden: ‘Wij trachten nooit twee vrienden met elkaar te verzoenen. Deze twee Bijbelse waarheden zijn geen vijanden, die in overeenstemming met elkaar gebracht moeten worden; het zijn twee vrienden. God spreekt Zichzelf nooit tegen en is nooit tegen Zichzelf gekeerd.

 

De geïnspireerde schrijvers van de Bijbel doen nooit enige poging deze twee Bijbelse waarheden met elkaar te verzoenen. Zij proberen nooit de soevereiniteit van God en de verantwoordelijkheid van de mens te verenigen. Wat ze wel doen is: ze prediken herhaaldelijk beide. Zij handhaven Gods soevereiniteit en ’s mensen verantwoordelijkheid, zonder pogingen in het werk te stellen om deze met elkaar te verenigen. Zij zagen niets tegenstrijdigs in een verheffen van Gods soevereiniteit als de oorsprong van de zaligheid, en tegelijkertijd in een handhaven van de verantwoordelijkheid van de mens. Zij beleden: de zaligheid is geheel uit genade. En tegelijkertijd beleden zij: de rampzaligheid is geheel vanwege de zonde. Zij predikten dat niemand dan de uitverkorenen alleen zalig zouden worden, en tegelijkertijd predikten zij een vrij aanbod van genade aan alle zondaren. Zij hielden hoog dat Christus alleen voor Zijn uitverkorenen stierf. Tegelijk getuigen ze dat Christus' offer zo’n kracht en waardigheid bezit, dat het overvloedig genoegzaam is voor de zonde van de gehele wereld. Wij noemen het weliswaar tegenstellingen en zeggen: ‘Als het ene waarheid van God is, kan het andere geen waarheid van God zijn.’ Maar de Bijbel leert ons dat het beide waarheden Gods zijn en dat er van tegenspraak geen sprake is. Zelfs al kunnen wij beide waarheden met ons verstand niet verenigen, dan is er nog geen tegenspraak tussen beide waarheden.

 

U zegt misschien: ‘En toch kan ik het niet begrijpen hoe een mens alleen uit genade zalig wordt en er zelf niets aan toe kan doen, en dat aan de andere kant een mens om eigen schuld verloren gaat.’ U zegt misschien: ‘Voor mij is er een tegenstelling.’ Dan nog moeten we u echter antwoorden dat het geen zaak van begrijpen is, maar een zaak van geloven. Op grond van de Bijbel geloof ik niet dat er geen tegenstelling is tussen Gods soevereiniteit en onze menselijke verantwoordelijkheid. Hoewel ik het niet begrijp, toch geloof ik dat deze twee waarheden waar zijn, namelijk dat zaligheid geheel en al genade is, en rampzaligheid geheel en al eigen schuld is. Ons geweten vertelt het ons en het Woord van God bevestigt het, dat wanneer u verloren gaat, u verloren gaat om eigen schuld. De mens is de moordenaar en verderver is van zijn eigen ziel. Wij verliezen het eerstgeboorterecht omdat we het vrijwillig verkopen. Wij verliezen de zaligheid omdat we God, Christus en onze zaligheid als het ware verkopen voor een schotel linzenmoes, en de wereld, de zonde en ons hoogmoedige eigen ik liever hebben dan God. Laten we daarom niet wandelen op de weg van Ezau, maar heden, zo gij Zijn stem hoort, verhard u niet, maar laat u leiden.

 

Hoe vernederend is de leer van de verkiezing. Wie over de verkiezing zwijgt, zwijgt niet alleen van de rijkste troostbron van Gods kinderen, maar zwijgt ook over het middel tot gedurige vernedering en verootmoediging voor Gods kinderen. Niets is zo vernederend en kleinmakend als de leer van de verkiezing. Het vernedert de mens en alles wat hij heeft en meent te zijn in het stof. Het schrijft de gehele zaligheid niet toe aan degene die wil, noch aan degene die loopt, maar aan de ontfermende God.

Wat zijn de woorden van de profeet Maleachi vernederend: Was niet Ezau Jakobs broeder? spreekt de HEERE; nochtans heb Ik Jakob liefgehad en Ezau heb Ik gehaat. Beiden hadden dezelfde vader en moeder. Er was geen onderscheid. Beiden waren in zonde ontvangen en geboren. Beiden verdienden de eeuwige dood. Maar God maakte het onderscheid. Hij had Jakob lief en haatte Ezau. Hij schonk Jakob de gave van bekering en geloof en ging met deze gave aan Ezau voorbij. Wat een verootmoedigende leer.

 

 Was niet Jakob Ezaus broeder? Met andere woorden: Was u, volk des Heeren, niet even schuldig en verwerpelijk als alle anderen? Was u niet even boos, verdorven en van God vervreemd als de anderen? En ondanks dit alles heeft God u liefgehad. In onderscheid van zovele anderen heeft Hij u getrokken met goedertierenheid. Hij heeft naar Zijn welbehagen in u het willen én het werken gewerkt, zodat u uw zaligheid uitwerkte met vreze en beven. In tegenstelling tot zoveel anderen is het, zoals de apostel zegt: ‘U is het gegeven in Christus te geloven.'

Hierom moeten we buigen en aanbidden en zeggen: ‘Heere, waarom was het op mij gemunt, daar zovelen gaan verloren die Gij geen ontferming gunt?’ Gods volk zal dan ook eeuwig zingen van Gods goedertierenheden en zeggen: 'Het is door U, door U alleen om het eeuwig welbehagen!’

 

Amen.

 

Slotpsalm Psalm 89: 8

 

Gij toch, Gij zijt hun roem, de kracht van hunne kracht;
Uw vrije gunst alleen wordt d' ere toegebracht;
Wij steken 't hoofd omhoog en zullen d' eerkroon dragen,
Door U, door U alleen, om 't eeuwig welbehagen;
Want God is ons ten schild in 't strijdperk van dit leven,
En onze Koning is van Isrels God gegeven.