Ds. C. Harinck - Lukas 16 : 26

Een onoverbrugbare kloof

Lukas 16
Er is geen weg van de hel naar de hemel
Er is geen weg van de hemel naar de hel

Lukas 16 : 26

Lukas 16
26
En boven dit alles, tussen ons en ulieden is een grote klove gevestigd, zodat degenen, die van hier tot u willen overgaan, niet zouden kunnen, noch ook die daar zijn, van daar tot ons overkomen.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 2: 6
Lezen : Lukas 16: 19-31
Zingen : Psalm 84: 4, 5 en 6
Zingen : Psalm 95: 5
Zingen : Psalm 73: 14

Geliefde gemeente, in Prediker 12 vers 5 lezen we: De mens gaat naar zijn eeuwig huis. Wat mensen ook mogen bedenken, hoe ze de zaken ook willen bezien, de leer van de Schrift is: De mens gaat naar zijn eeuwig huis. Ieder mens is op weg naar zijn eeuwige bestemming. Eeuwig wil zeggen: waar nooit meer een einde aan komt.

Er zijn maar twee plaatsen waarnaar mensen op weg zijn: naar een eeuwige hemel van heerlijkheid, óf naar een eeuwige hel vol duisternis. Eeuwigheid betekent voor de goddelozen: een nacht zonder zonsopgang. Eeuwigheid betekent voor de vromen: een dag zonder zonsondergang. Voor de goddeloze een nacht zonder morgen, voor de vrome een dag zonder avond. De mens gaat naar zijn eeuwig huis! Daarvoor willen wij uw aandacht vragen. Onze tekst kunt u vinden in Lukas 16 vers 26, waar wij lezen:

 

En boven dit alles, tussen ons en ulieden is een grote kloof gevestigd, zodat degenen, die van hier tot u willen overgaan, niet zouden kunnen, noch ook die daar zijn, van daar tot ons overkomen.

 

In onze tekst wordt gesproken over: Een onoverbrugbare kloof.

 

  1. Er is geen weg van de hel naar de hemel
  2. Er is geen weg van de hemel naar de hel.

 

1. Er is geen weg van de hel naar de hemel

Onze tekst is een antwoord op een gebed; een gebed dat in de hel geboren werd. En het antwoord is een antwoord dat uit de hemel afkomstig is. Het gebed is het gebed van de rijke man, zijnde in de pijn. Het antwoord op dat gebed is het antwoord van Abraham, de stamvader van deze rijke man.

De rijke man had gevraagd of Abraham Lazarus wilde zenden, en dat die het uiterste van zijn vingers in het water zou dopen, en zou komen om zijn tong te verkoelen, want, zei hij: ik lijd smarten in deze vlam. Abraham heeft toen geantwoord – we lezen dat in vers 25 – dat het voor de rijke man te laat was, dat hij te laat naar het water des levens vroeg, dat zijn genadetijd verstreken was. Abraham heeft in vers 26 vervolgens gezegd: ‘Uw genadetijd is niet alleen voorbij, maar bovendien is er een onoverbrugbare kloof. Tussen ons en ulieden is een grote kloof gevestigd, zodat degenen, die van hier tot u willen overgaan, niet zouden kunnen, noch ook die daar zijn, van daar tot ons overkomen.’ Abraham heeft de rijke man dus gezegd dat het vervullen van zijn wens onmogelijk was; want er is diepe kloof tussen de hemel en de hel.

 

Menselijk inzicht en menselijke techniek, menselijke vindingrijkheid, heeft kans gezien om brede kloven en diepe afgronden te overbruggen. Er is geen rivier zo breed, of de mens heeft wel een mogelijkheid gevonden om er een brug over te bouwen. Er is geen kloof zo diep, of de mens heeft door zijn vindingrijkheid en techniek kans gezien om de afgrond te overbruggen. Over bruisend water en over diepe afgronden heeft de mens bruggen gebouwd. Vooral in ons land kunnen we zien dat de mens bij machte is geweldige stromen te bedwingen. Wanneer we denken aan de afsluiting van brede zeearmen, dan is de mens inderdaad vanwege zijn techniek en zijn kunde in staat om het wilde water te bedwingen.

 

Er is echter één kloof die noch door menselijk vernuft, noch door menselijke kennis of techniek te overbruggen is. Dat is de kloof die er is tussen de wereld van eeuwige vreugde en zaligheid, en de wereld van eeuwige duisternis en ellende. Als de dood zich aankondigt, geldt het woord van Salomo voor ieder mens: ‘Waar de boom valt, daar zal hij liggen, of hij nu in de richting van het noorden, of naar het zuiden is gevallen.’ Of nu mensen proberen deze realiteit weg te redeneren of ermee spotten, diep in ieder mensenhart blijft toch de vraag liggen: ‘Waar zal ik de eeuwigheid doorbrengen? Waar zal ik mijn ogen open doen wanneer ik ze op aarde sluit?’ De Heilige Schrift leert ons: de mens gaat naar zijn eeuwig huis.

 

Er is geen weg, zo zien wij in ons eerste punt, van de hel naar de hemel. De genadetijd die de mens ontvangt, ontvangt hij nú. In het heden ligt de genadetijd, het heden is de dag van zaligheid. Er is in de hel geen Evangelie der zaligheid. Daar wordt niet verkondigd dat God de wereld heeft liefgehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat wie in Hem gelooft, niet verloren zal gaan, maar het eeuwige leven zal verkrijgen. Daar zijn geen gezanten, die van Christuswege zondaren smeken: ‘Laat u met God verzoenen!’ Daar spreekt God niet tot mensen wat Hij eenmaal tot Mozes, en ook tegen ons zegt: ‘Er is plaats bij Mij.’ Daar zegt God niet dat er bij Hem genade is voor schuldigen, voor overtreders en voor goddelozen. In de hel is geen verkondiging van genade, is geen nodiging tot de zaligheid, geen aanbieding van genade aan schuldigen, geen verlossing voor verlorenen.

Daarom is het in de hel zo donker; daarom is er in de hel alleen maar wanhoop. Want zolang een mens leeft, blijft er toch altijd nog het: ‘Wie weet? Wie weet of de Heere zich nog tot ons zal wenden en ons genadig zijn.’ In de hel is geen prediking van genade en zaligheid. In de hel is er geen kerkdienst, geen zondag, geen prediking van het Woord des Heeren.

Op aarde vinden mensen een kerkdienst vaak vervelend, saai en te lang. De kerkdienst en de zondag zijn voor velen een soort gevangenis, een sombere en moeilijke aangelegenheid. Maar in de hel wensen de verlorenen dat het nog één keer zondag wordt, dat ze nog één keer naar de kerk mogen gaan en nog één keer de mogelijkheid geboden wordt om voor God te buigen en Zijn genade-aanbod aan te nemen.

 

In de hel is geen Heilige Geest werkzaam om zondaren te bekeren. Die gezegende Heilige Geest, Die woont en werkt op de aarde, Die zo dikwijls met u twist, Die door de verkondiging van Wet en Evangelie zo vaak op de deur van uw hart klopt.

Die Heilige Geest en Zijn werkzaamheden zijn niet in de hel. In de hel is de Heilige Geest niet werkzaam, ook niet met Zijn algemene werkingen. Hier zijn er tijden dat u, zoals Agrippa, bijna bewogen wordt om een christen te worden. Tijden, wanneer u de heerlijkheid van Christus en de zaligheid van de dienst van God worden voorgesteld. Al die voordelen en rijkdommen, al die zegeningen en goederen die God en Christus aan degenen die Hem volgen schenkt, zijn er nog. Nóg zijn er ogenblikken dat u, zoals een Felix, heilig verontrust en bevreesd bent als er gesproken wordt van matigheid en het toekomende oordeel.

En al weerstaat u de Heilige Geest, al blust u Zijn werkingen uit – zolang u leeft, is er hoop en is er verwachting, is er de mogelijkheid dat de Heilige Geest weer komen zal, en zal kloppen op de deur van uw hart. Nóg is er de mogelijkheid dat Hij dit zó onweerstaanbaar zal doen, dat uw natuur en hart vernieuwd wordt, uw wil gebogen en een waarachtige bekering tot God uw deel wordt.

Maar in de hel is de Heilige Geest er niet. En omdat Hij daar niet is met Zijn werkingen, daarom is daar geen boetvaardigheid, geen berouw, geen wederkeer tot God en geen zoeken van Zijn genade en van Zijn vergiffenis. Daarom is er in de hel alleen maar wroeging, wanhoop en duisternis.

 

Er is geen weg van de hel naar de hemel. Sommigen bazelen wel van een tweede kans; ze zeggen dat alle mensen straks nog eenmaal een nieuwe kans zullen ontvangen om voor God te bukken, maar er is geen weg van de hel naar de hemel. Dat is helder en duidelijk, omdat er twee middelen ontbreken die nodig zijn om de mens in de hemel te brengen, om een mens tot bekering en tot geloof in Christus te brengen: het ene is het Woord van het Evangelie, het andere is de aanwezigheid van de Heilige Geest met Zijn genadewerkingen. Er is een onoverbrugbare kloof gevestigd tussen de hel en de hemel, er is geen weg van de hel naar de hemel.

 

Maar er is niet alleen geen weg vanuit de hel naar de hemel, er is ook geen weg voor de verschrikkingen vanuit de hel naar de hemel. Niets van de hel kan in de hemel komen. Dat is tot vreugde van Gods kinderen. Geen verzoeker kan er binnentreden. De duivel kan hen niet meer bereiken. Geen zonde kan daar binnenkomen om de gelovigen te benauwen en om de vernieuwde van hart nog te besmetten. Geen vrees kan hen daar bezetten, geen verdriet en zorg kunnen hen daar nog terneerdrukken, geen rouw kan hen daar ooit nog treffen. Geen ongeloof kan hen die in de hemel zijn, in de greep houden. Geen lichaamsgebreken, geen pijn, geen ouderdomskwalen, geen kruis, geen moeite, geen angst – niets van de duivel, de hel en de zonde kan de hemel bereiken.

 

Er is een diepe kloof. Voor de gezaligden is dat een vreugde. Voor de gezaligden is het een gezegend feit dat er een onoverbrugbare kloof gevestigd is tussen de hel en de hemel. Niets van de hel kan ooit de hemel bereiken. Niets van de onrust en de wroeging, niets van de smart en de duisternis die in de hel is, kan ooit de hemelse heerlijkheid bereiken of binnengaan. Er is voor niets en niemand een weg van de hel naar de hemel. Maar ook omgekeerd. Daarop letten wij in de tweede gedachte.

 

2.  Er is geen weg van de hemel naar de hel

De rijke man vroeg om water. Hij wilde dat Lazarus de toppen van zijn vingers zou dopen in het water, en zou komen om zijn tong te verkoelen. Bij Lazarus was dus wel water, ja, bij Lazarus was de Fontein van het water des levens. Daar stroomt de rivier die ontspringt vanuit de troon Gods en van het Lam.

De rijke man vroeg nu om iets dat vanuit de hemel tot hem zou worden gebracht. Hij verzocht dat iets van dat water des levens vanuit de hemel tot hem gebracht zou worden in de hel. En toen heeft Abraham gezegd dat het daarvoor te laat was, dat zijn genadetijd voorbij was. Toen heeft Abraham ook gezegd dat dit onmogelijk was: En boven dit alles, tussen ons en ulieden is een grote kloof gevestigd, zodat degenen, die van hier tot u willen overgaan, niet zouden kunnen.

Dus zoals niets en niemand van de hel ooit kan gaan tot de hemel, zo kan er ook niets of niemand vanuit de hemel de hel bereiken. Geen druppel van het hemelse water kan over de afgrond tussen de hemel en de hel gebracht worden tot iemand die in de hel is. Niets van de hemelse vrede, niets van de hemelse zaligheid, niets van de hemelse gemeenschap met God kan ooit de hel bereiken. Er ligt een diepe kloof. De hemel is vol vreugde. Er staat immers in Jesaja 35: En eeuwige blijdschap zal op hun hoofden zijn; vrolijkheid en blijdschap zullen zij verkrijgen; doch droefenis en zuchting zullen wegvlieden. Maar niets van die hemelse blijdschap kan de hel bereiken.

De hemel is vol van de zoete gemeenschap met God. Maar niets van die gemeenschap met God, niets van dat grote geluk om met God omgang te hebben, kan de helse rampzaligheid bereiken. De moeder in de hemel kan haar kinderen in de hel niet bereiken en verlossen. Evenmin als Lázarus zijn vinger in de rivier van het water des levens kon dopen om dan die druppels naar de rijke man te brengen, om daarmede zijn tong te verkoelen.

 

Er is een eeuwige scheiding tussen wie God gediend heeft én wie God niet gediend heeft. Het is onmogelijk, zo zegt hier Abraham, dat wie hier is, u kan bereiken. Niemand in de hemel kan ooit nog in de hel komen. Het eerste Paradijs kon worden verloren, maar het tweede Paradijs kan nimmer verloren worden. Eens in de hemel, is eeuwig in de hemel!

De verheerlijkte gelovigen zijn in de hemel voor eeuwig gescheiden van de goddelozen, van allen die God niet dienen. Op aarde is het koren met het kaf vermengd. Dat is de wil van de Heere van de oogst. Hij heeft gezegd: ‘Laat ze tezamen opwassen tot de dag van de oogst.’ Op aarde leven de goddelozen samen met de vromen. Hier bevinden zich leugenaars onder de oprechten. Maar in de hemel is geen Judas meer onder de discipelen. Daar is geen Cham meer in de ark. Geen schijnheilige onder de heiligen, geen naamchristen meer onder de ware christenen. Er is een eeuwige kloof tussen wie God dient én wie Hem niet dient.

 

Het is niet alleen zo dat niemand die in de hemel is, ooit nog in de hel zal komen; het is niet alleen zo dat er geen verandering van iemands genadestaat mogelijk is – andersom is het onmogelijk dat ooit iemand uit de hel verlost kan worden. Niets hemels kan ooit in de hel komen. De Heere Jezus heeft gezegd, toen Hij over Zichzelf als de Herder sprak en over de gelovigen als de schapen van Zijn kudde: Ik geef hun het eeuwige leven, en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid; en niemand zal ze rukken uit Mijn hand, noch uit de hand Mijns Vaders. En de apostel Johannes schrijft: Wat er ook gebeuren kan met de ware gelovigen, Gods zaad blijft in hen. Niets dat van de hemel is, kan ooit in de hel komen.

 

Het werk van de wedergeboorte kan nooit in de hel plaatsvinden. Alleen in het heden der genade kan de wedergeboorte plaatsvinden. Wanneer we van geestelijk dood geestelijk levend zijn geworden, en van geestelijk blind geestelijk ziende, kunnen we zeggen: Eén ding weet ik, dat ik blind was en nu zie.

Geliefden, wanneer dit gebeurd is, geldt het woord van Jezus: En zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid. Als Ruth op de grens van Moab gestorven was, was zij eeuwig behouden geweest. Het is ds. G.H. Kersten geweest die dat eens met zeer veel nadruk verdedigd heeft. Hij zei toen: ‘Wanneer die grens eenmaal gepasseerd is, wanneer men van dood levend is geworden, en van blind ziende, o, dan kan men nooit meer verloren gaan.’ Aan de zijde van de zondaar zelf kan veel vrees en twijfel zijn, maar als Ruth gestorven was in haar keus, had ze eeuwig gezongen van Gods goedertierenheid. Want het is onmogelijk dat iets van de hemel in de hel terecht kan komen.

 

Het werk van de droefheid naar God kan nooit in de hel plaatsvinden. De vruchten van de droefheid naar de wereld zijn de dood. Dat zien wij ook in de droefheid, in de wroeging van bijvoorbeeld Saul en Judas. Maar over de ware evangelische droefheid naar God en over de zonde zegt de Schrift: De droefheid naar God werkt een onberouwelijke bekering tot de zaligheid. De godzalige oudvader Comrie zegt dan ook in een van zijn preken, en hij spreekt dan tot degenen die bedroefd zijn naar God: ‘Eén ware zucht zal de mens niet buiten de hemel houden.’ Want niets wat hemels is, zal ooit in de hel komen.

Geliefden, dan gaat het niet om de hoeveelheid, maar om de echtheid van de zaak. Voor de onbekeerde zondaar geldt dat hij buiten God staat; voor de naar God bedroefde zondaar geldt dat hij God zo mist. Hij gaat wenend en schreiend over de wereld, hij is onbekeerd en staat erbuiten; maar door God wordt dan gezegd: Heden is dezen huize zaligheid geschied.

 

Het werk van de ware, evangelische boetvaardigheid wordt in de hel niet gevonden. Er is in de hel geen plaats voor mensen die zich met de tollenaar op de borst slaan, en in waarheid roepen: O God, wees mij zondaar genadig. Er is in de hel geen plaats voor mensen die, zoals de boetvaardige zondares, Jezus’ voeten natmaken met evangelische boetetranen en ze afdrogen met de haren van hun hoofd. O, er is voor een onboetvaardige, voor iemand die nooit bedroefd was over de zonde, géén plaats is in de hemel! Evenmin is er plaats in de hel voor de evangelische boetvaardigheid. In de hel kunnen geen mensen zijn die zeggen: ‘Heere, Uw doen is rein, Uw vonnis gans rechtvaardig.’ En ook al kan de bedroefde zondaar dat niet bezien, aan de zijde van God blijft het waar: Derzulken is het Koninkrijk der hemelen.

 

In de hemel wordt het werk van het geloof niet beoefend. De bekende Engelse prediker Rutherford zei eens: ‘Nooit is een zondaar omgekomen die in zijn nood zijn aangezicht naar Christus had gekeerd.’ Zoals die moordenaar aan het kruis niet omkwam, toen hij met zijn zonden en nood zich tot de Heere Jezus wendde, zo kan het ware werk des geloofs nooit vernietigd worden. Zij die met de door de slangen gebeten Israëlieten op de koperen slang zien; zij die vanuit hun nood en door schuld verslagen hart zien op een gekruisigde, bloedende en lijdende Zaligmaker, kunnen nooit in de hel komen.

Zij mogen daarna nog veel vrees hebben, en licht en duisternis kunnen zich ook daarna afwisselen; hun zonden scheiding maken tussen God en hun hart, hun geloof ingezonken zijn, de kracht van het zien op Christus ver van hen zijn – maar toch geldt voor hen het woord van Christus: Opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.

Als het werk des geloofs vernietigd zou kunnen worden; als het minste geloof in het zien op Christus als de koperen slang tekort is, als één blik op Hem Die aan het kruis voor de zonde stierf, onvoldoende is; als men daarmee verloren kan gaan – dan zou Jezus’ woord bedrieglijk zijn. Dan zou God mensen bedriegen. Want God heeft Zijn dienaren uitgezonden om het Evangelie te prediken, om te zeggen dat een iegelijk die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zalig zal worden. En zou het dan mogelijk kunnen zijn dat iemand geloofd zal hebben en tóch verloren gaat? Dat is onmogelijk! Het werk des geloofs kan nooit in de hel komen. Het minste geloof, de minste oefening waarin dat hemelse zien op Jezus aanwezig is, kan nooit in de hel komen.

 

Het werk van de heiligmaking kan nooit in de hel komen. Evengoed als mensen van wie het hart nooit vernieuwd werd, voor wie God nooit het hoogste goed werd, voor wie God te dienen nooit de vreugde van hun hart werd, voor wie de heiligheid nooit sierlijk was, die nooit verlangden om zonder zonde God te dienen omdat Hij het zo waardig is – voor zulke mensen is geen plaats in de hemel. Evenzo is er voor degenen die dit alles wel bezitten, geen plaats in de hel. Wanneer iemand met een vernieuwd hart, iemand met liefde tot God en Zijn geboden, iemand die in beginsel de ware heiligheid betracht en zegt: ‘Ik wilde wel dat alle zonde in mij dood was’ – zo iemand kan nooit in de hel komen.

Wél is het waar dat de zonde de wedergeborene aankleeft, ook in zijn allerheiligste verrichtingen; wél kan zo iemand afdwalen en zijn verplichtingen aan de rijke genade van God vergeten, maar tóch is het zo: Gods zaad is in hem. Er is in hem een hemels zaad. En dat hemelse zaad staat naar een heilig leven en verlangt God te dienen, ook al was er geen hemel vol licht of hel vol duisternis. Hij schept behagen in de dienst van God en Zijn inzettingen, en wenste wel dat alle zonde dood was. En dit hemelse van de heiligmaking kan nooit in de hel komen.

 

Geliefden, op deze wijze er reeds op aarde een kloof gevestigd, een kloof tussen hen die God dienen en die Hem niet dienen. Maar het is in de genadetijd nog geen onoverbrugbare kloof; het is door genade nog mogelijk over te gaan tot degenen die God wel dienen. Het is nog mogelijk dat mensen die dood en blind zijn, ziende worden. Daarover lezen we in Hebreeën 4 een moeilijke tekst, maar met een rijke inhoud. Paulus zegt in dit hoofdstuk dat God een tijd bepaald heeft bij David, en de apostel duidt die aan met: heden! Maar er volgt: God bepaalt wederom een andere tijd.

Welke tijd is dát dan? Welke andere tijd bepaalt God dan? Welke andere tijd laat God de mens, om van de zijde van hen die God níet dienen, over te gaan naar degenen die God wél dienen?

God zegt dan door de mond van Paulus: Heden, indien gij Mijn stem hoort, zo verhardt uw harten niet. God geeft ons dus een ‘heden der genade’!

 

Laten wij daarvan nu samen eerst zingen Psalm 95, het vijfde vers:

 

Verhardt u niet, neemt Zijn genâ,

ootmoedig aan. Laat Meriba,

Laat Massa u ten afschrik wezen,

waar ’k door uw vaders ben verzocht,

toen alles, wat míjn almacht wrocht,

hen niet bewoog, om Mij te vrezen.

 

Geliefde gemeente, de Heilige Schrift leert ons in de gelijkenis die voor ons ligt, dat er geen weg is van de hel naar de hemel. Wie in de hel komt, zal daar voor eeuwig zijn. Er is ook geen weg van de hemel naar de hel. Wie in de hemel mag komen, zal zijn gelukzaligheid nooit meer verliezen, ja, niet één ogenblik. De mens gaat naar zijn eeuwig huis. Er is geen terugreis mogelijk van de plaats waarheen wij allen met onze dood zullen gaan.

Nu weet ik, dat velen dit niet geloven en niet geloven willen; maar geloof mij, er komt een dag dat u het toch geloven zult! En als u niet geloven zult op aarde, dan zult u geloven in de hel!

Maar geloof het nú! Waarom? Omdat er nu nog een weg is om de welverdiende straf te ontgaan en wederom tot genade te komen. Een weg naar de hemel, een weg naar de hel…

 

Maar één weg heb ik nog niet genoemd, en dat is de weg die het Evangelie ons bekendmaakt. Er is een weg van de hemel naar de aarde, van God naar de schuldige mens. Er is een weg van verlossing, van zaligheid en van ontkoming! Die weg ligt open, omdat Christus vanuit de hemel is afgedaald, omdat Hij als God in Bethlehem uit de maagd Maria onze natuur heeft aangenomen, omdat Hij arm is geworden daar Hij rijk was. Nu kan Hij arme zondaren rijk maken. Hij heeft onze dood gedragen, Hij heeft de toorn Gods tegen de zonde gedragen. Hij is een vloek geworden en in de verlating gekomen, die wij mensen verdienen. Omdat Hij het grote werk verricht heeft, kon Hij het op Golgotha bekronen door met een grote stem te roepen: Het is volbracht! Dáárom is er nog een weg van de aarde naar de hemel, een weg om de welverdiende straf te ontgaan en weer tot genade te komen.

 

Al is de mens diep gezonken in zonde en schuld, al heeft hij zich lang verhard, zolang hij leeft, is er de mogelijkheid; dan is er een genadeweg, dan is er het Evangelie dat hem zegt: Dit is een getrouw woord, en alle aanneming waardig, dat Jezus Christus in de wereld is gekomen, om de zondaren zalig te maken.

Tegen ú wordt niet gezegd wat tegen die rijke man in de hel gezegd werd: ‘Het is te laat.’ Te laat is het in de hel. Daar klinkt de boodschap: het is te laat. En de duivel wil u dat nú ook doen geloven. Zodra een mens begint te denken aan zijn zonden en aan de ontmoeting met God, zegt de duivel: ‘Het is nu te laat!’

Maar, geliefde gemeente, het Woord van God is de waarborg: zolang een mens leeft, is het de welaangename tijd, de dag der zaligheid, en is het nooit te laat! Nooit te laat om God te zoeken, nooit te laat om de Heere te voet te vallen. In de hel werd de rijke man de boodschap gebracht: het is onmogelijk, het kan niet meer. Maar zolang een mens leeft, is dat nooit de boodschap. U wordt nooit verkondigd: het is onmogelijk, het kan niet meer. Ja, wel dat het onmogelijk is bij de mens, maar het is niet onmogelijk bij God. Als u zou horen dat er bij God geen uitkomsten zijn, dat er bij God geen redding is, dan is dat een boodschap die in de hel thuishoort. Maar op aarde is de boodschap: Bij de Heere, de Heere zijn de uitkomsten, zelfs tegen de dood!

 

Geliefden, hoe zullen wij ontvlieden, indien wij op deze grote zaligheid geen acht geven? Christus staat op dit moment als het ware aan de deur van uw hart, en Hij heeft een smeekschrift, een indringende smeekbede bij Zich. En de inhoud van dat smeekschrift is: Jeruzalem, o Jeruzalem, hoe menigmaal heb Ik u willen bijeenvergaderen, gelijk een hen haar kiekens vergadert onder haar vleugelen. O, zal het dan van u gezegd moeten worden: Doch gijlieden hebt niet gewild…?

Laat dan nu tot u doordringen dat de verdoemenis van hen die het Evangelie ongehoorzaam zijn, een rechtvaardige verdoemenis is. Een oordeel in overeenstemming met de overtreding. Een grote zaligheid verwerpen – dan moet er een grote straf op volgen. Want u hebt uw akkers, uw afgod en uw zonde liever gehad dan Christus! U hebt met Felix gezegd: Voor ditmaal, ga heen; als ik gelegener tijd zal hebben, zal ik u wederom horen. Dáárom gaat u verloren, daarom is het oordeel dat over hen komen zal die het Evangelie ongehoorzaam zijn, een rechtvaardig oordeel.

 

Doe dan de koorden om uw hals, en ga tot Christus, tot Hem Die u in het Evangelie aangeboden wordt, tot Wiens genade en verzoening u uitgenodigd wordt. Doe het koord om uw hals, en wendt u tot de gepredikte Zaligmaker, want Hij is een goedertieren Koning! Al wil de duivel en al willen velen met hem de Naam van Christus bezoedelen en Hem voorstellen als een wrede, harde en onbarmhartige Koning – in de Naam van God mag ik u prediken: Hij is een goedertieren Koning en heeft nog nooit iemand afgewezen, die het met zijn ellende en schuld bij Hem gezocht heeft. Uit Zijn mond kwam het: Bidt, en gij zult ontvangen, klopt en u zal worden opengedaan, zoekt en gij zult vinden! Die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen! Ongeloof onteert Christus, het werpt een blaam op Zijn heerlijke Naam en op Zijn Goddelijke macht en mogendheid om te verlossen. Maar het geloof zegt: Tot Wien zullen wij anders heengaan? Gij hebt de woorden des eeuwigen levens!

 

En boven dit alles, tussen ons en ulieden is een grote kloof gevestigd, zodat degenen, die van hier tot u willen overgaan, niet zouden kunnen, noch ook die daar zijn, van daar tot ons overkomen.

Geliefden, geloof dit toch! Geloof toch dat uw enige genadetijd vandáág is, en dat u nú moet bidden, en nú moet zoeken, nú moet strijden, nú moet kloppen. De rijke man bad te laat. Gaat u ook te laat bidden? En als dan tot u de boodschap komt: Nu is het laat, nu kan het niet meer?

Ouderen, voor u geldt wat er staat in Jeremia: De oogst is voorbijgegaan, de zomer is ten einde, en moet u dan zeggen: Nog zijn wij niet verlost? Bent u nog onbekeerd? Dan komt heden tot u nog de boodschap dat er balsem in Gilead is, en een Heelmeester aldaar. Is het geen wonder, dat ik in de Naam van God tegen u mag zeggen dat het nog niet te laat is? U hebt al zoveel roepstemmen verworpen, zoveel nodigingen veracht, maar ik mag u tóch nog in de Naam Gods prediken dat het nog níet te laat is. Heden, zo gij Zijn stem hoort, verhardt uw harten niet.

Jonge mensen, jullie jeugd is de beste tijd, en hoe besteden we die? Zoals de rijke man, die elke dag vrolijk en onbezorgd leefde? Het einde is de eeuwige dood. Zoek de Heere in de dagen van uw jongelingschap, en let op de belofte: Die Mij vroeg zoeken, zullen Mij vinden. O, denk aan je Schepper, terwijl je nog jong bent. Geef gehoor aan die lieflijke uitnodiging die van Christus tot je komt. Verzaak alles, volg Hem en gehoorzaam Zijn Woord.

 

Zijn er nog voor wie het beleving werd: Er is een grote kloof gevestigd? Die ervaren van God gescheiden te zijn, die overal zo buitenstaan? Een grote kloof is er gevestigd, een kloof die in hun ogen onoverbrugbaar is. Zijn er nog mensen die God missen, ongelukkigen, mensen die er buitenstaan, die een grote kloof zien en uitroepen: ‘Hoe kom ik toch ooit met God verzoend?’

Er is een oud puriteins gedicht, en daar komt één regel steeds in terug, en die regel luidt: ‘De brug is altijd wijder dan de kloof’. O, de genade van Christus is altijd groter dan de schuld van mensen! De brug kan de kloof die u gemaakt hebt, overbruggen. Bij de Heere zijn uitkomsten, zelfs tegen de dood!

 

Volk des Heeren, niets wat van de hemel is, zal ooit in de hel kunnen komen. Wat is het een rijke troost dat de Heere Jezus gezegd heeft: Niemand zal ze uit Mijn hand rukken. Mijn Vader en Ik, zegt Hij, zijn meerder dan allen, zijn meerder dan al die vijanden die op u afkomen. Wat een troost is het dat de apostel Petrus schrijft: Hij Die een goed werk in u begonnen heeft, zal het voleindigen tot op de dag van Jezus Christus.

Het hemelse kan en zal nooit in de hel komen. Maar de grote vraag blijft: Kunnen wij zeggen met Job: ‘De wortel der zaak is in mij’? Wij moeten eerlijk tegenover elkaar zijn. Mensen kunnen zoveel praten, kunnen zoveel bespreken, kunnen zo’n gedaante van godzaligheid en bekeerd-zijn aannemen, maar het zal erom gaan of er iets van de hemel in ons hart is gewerkt, of er iets van het goud van Gods genade is. Al bezitten we de naam dat we leven, al profeteren we met Bileam, we hebben nodig dat de wortel van de zaak in ons is. En waar het zaad van God is, daar kan dat nooit verloren gaan.

 

Er is een onoverbrugbare kloof. In de hemel kan niets Gods kinderen nog bereiken wat hun geluk en hun zaligheid verstoren zal. Eeuwige blijdschap zal op hun hoofden zijn; vrolijkheid en blijdschap zullen zij verkrijgen, maar zuchten en droefheid zullen wegvlieden!

Amen.

 

Psalm 73 vers 14:

 

Wie, ver van U, de weelde zoekt,

Vergaat eerlang en wordt vervloekt;

Gij roeit hen uit, die afhoereren

En U den trotsen nek toekeren;

Maar 't is mij goed, mijn zaligst lot,

Nabij te wezen bij mijn God;

'k Vertrouw op Hem geheel en al,

Den Heer’, Wiens werk ik roemen zal.