Ds. C. Harinck - Genesis 7 : 16

De deur van de ark door God gesloten

Het openen van de ark
Het ingaan in de ark
Het toesluiten van de ark

Genesis 7 : 16

Genesis 7
16
En die er kwamen, die kwamen mannetje en wijfje, van alle vlees, gelijk als hem God bevolen had. En de HEERE sloot achter hem toe.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 27: 3 en5
Lezen : Genesis 7
Zingen : Psalm 93: 1, 2, 3
Zingen : Psalm 33: 10
Zingen : Psalm 95: 4
Zingen : Psalm 45: 1

Gemeente, het is belangrijk dat wij bij de herdenking van de geboorte van Christus niet vergeten dat Hij tot ons gezegd heeft: 'Ik zal eens wederkomen om te oordelen de levenden en de doden.’

Jezus heeft ons geleerd dat de tijd van Zijn wederkomst zal lijken op de dagen van Noach, toen de mensen zich alleen maar druk maakten om eten, drinken, trouwen en plannen maken. Niemand wilde de ark binnengaan; niemand had tijd om aan zijn onsterfelijke ziel te denken. Maar de zondvloed kwam en zij verdronken allemaal. 'Zo zal het zijn', zei Jezus, 'in de tijd vóór Ik wederkom!’ Daarom moeten wij de ark binnengaan terwijl de deur van de ark nog niet gesloten is en de komst van de zondvloed van Gods toorn ons niet zal overvallen.

 

Deze belangrijke waarheid willen wij vandaag behandelen. Onze tekst kunt u vinden in Genesis 7 vers 16, waar we het Woord van God als volgt lezen:

 

En die er kwamen, die kwamen mannetje en wijfje, van alle vlees, gelijk als hem God bevolen had. En de Heere sloot achter hem toe!

 

Onze tekst spreekt over: De deur van de ark door God Zelf gesloten.

 

Ik wil uw aandacht vragen voor drie gedachten:

 

  1. Het openen van de ark
  2. Het ingaan in de ark
  3. Het toesluiten van de ark

 

1. Het openen van de ark

De eerste hoofdstukken van Genesis laten zien dat het geslacht van Adam een gevallen geslacht geworden is. Wij lezen over Kaïn die zijn broer Abel doodsloeg. Daarna lezen wij van de grote boosheid van de mensen. Naarmate zij op de aarde in aantal toenamen, nam ook hun boosheid toe. Het kwaad werd vooral zichtbaar in het geslacht van Kaïn, die van God en Zijn dienst was afgeweken. Maar de gevolgen van de zondeval kwamen ook openbaar in het geslacht van de godvrezende Seth. Wij lezen dat de zonen en de dochters van de godvrezende Seth trouwden met de zonen en de dochters van het goddeloze geslacht van Kaïn. Goddeloze mensen trokken de kinderen van de vromen met zich mee, zodat ze Gods Woord en dienst vaarwel zegden en ook goddeloos werden. De zonde van de mensen van de eerste wereld werd zo groot dat wij lezen in Genesis 6 vers 6: Toen berouwde het de Heere, dat Hij de mens op de aarde gemaakt had, en het smartte Hem aan Zijn hart!

 

Wat een schokkende mededeling! Het is duidelijk dat de zonde God niet onverschillig laat en dat Hij geen Boeddha is, die het om het even is of mensen Hem dienen of niet. Wat een verschil met wat er in de eerste hoofdstukken van Genesis staat. Daar lezen wij dat God alles zag wat Hij gemaakt had, en ziet, het was zeer goed.

In Genesis 7 nu kijkt God naar de mensen en het berouwde Hem dat Hij de mens gemaakt had. Zodat de Heere moest zeggen: Ik zal de mens, die Ik geschapen heb, verdelgen van de aardbodem, van de mens tot het vee, tot het kruipend gedierte, en tot het gevogelte des hemels toe; want het berouwt Mij, dat Ik heb! Wat een vreselijk oordeel! En toch was het een rechtvaardige beslissing van God. De zonde verdient de hoogste straf. Het is het verdiende loon voor de mens.

Maar ook nu denkt God in Zijn toorn aan ontferming! We lezen in Genesis 6 niet dat God de mensheid verdelgt en daarna een nieuwe aarde en een betere mensheid schept. Nee, wij lezen: Maar Noach vond genade in de ogen des Heeren!

 

Voordat Noachs geloof en kinderlijke godsvreze ter sprake komen, zegt de Bijbel ons dat Noach genade vond in de ogen des Heeren. Gods genade is het fundament van Noachs leven. De genade van God maakte hem anders dan de andere inwoners van de wereld. De genade van Gód, niet de genade van Noach, voorkwam dat hij met de boze wereld verdronk in de vloed.

Het is de eerste keer dat het woord 'genade' in de Bijbel genoemd wordt. Het is heel opmerkelijk dat het voor de eerste maal genoemd wordt in Genesis 6. Juist in die tijd had de goddeloosheid van de mens een hoogtepunt bereikt. In die tijd dacht God aan Zijn genade.

 

In vers 9 lezen we dan over de vrucht van die genade: Noach was een rechtvaardig, oprecht man in zijn geslachten; Noach wandelde met God! De macht van de genade maakte scheiding tussen Noach en de zondige wereld. Noach wandelde met de Heere. Dat is een beknopt verslag van Noachs leven. Kan dit ook van ons gezegd worden?

Wij lezen verder in het hoofdstuk hoe God Zijn plan om de boze wereld te doen vergaan bekendmaakt. Noach zal daaruit gered worden en een nieuw begin mogen maken. Noach zal een groot schip moeten bouwen, een ark, opdat hij gered zal worden van de watervloed, die over de gehele wereld komen zal. Hij geloofde de Heere en begon met de bouw van de ark waarvoor hij honderdtwintig jaar nodig had.

 

Volgens de brief van Petrus was Noach een prediker van Gods gerechtigheid en heeft hij met het bouwen van de ark de eerste wereld veroordeeld.

Hoe moeten we dit verstaan?

Wel, als Noach geen ark gebouwd zou hebben, zou de wereld een excuus gehad hebben. Men zou kunnen zeggen: ‘Er is geen middel tot redding door God aan ons gegeven.’ Maar nu de wereld het middel tot redding veracht, wordt het oordeel daardoor verzwaard.

De ark was God verlossingsmiddel. Het plan voor de ark was niet Noachs plan. Noach had het niet bedacht. Hij heeft de ark slechts in gehoorzaamheid aan Gods bevel gebouwd. Maar het plan was van God. Wie zou er ooit op zo'n plan gekomen zijn om een schip op het droge te bouwen? Noach is slechts de bouwer; het plan is van God. De ark was de uitvinding van God, niet die van Noach. God was er de Architect van.

 

Op dezelfde wijze is God de Architect van de weg van de verlossing door de Middelaar, Jezus Christus. Het verlossingsplan, om zondaren door een Borg te redden, is van God! Hij heeft de weg bedacht om verloren zondaren, met behoud van Zijn rechtvaardigheid te redden van het verdiende verderf.

Noach deed er honderdtwintig jaar over om de ark te bouwen. Die tijd was voor de wereld genadetijd. Honderdtwintig jaar toonde God de wereld Zijn reddingsplan. Al die jaren verkondigde Hij door Noach dat er een zondvloed zou komen en dat de ark het enige middel ter verlossing was.

 

De ark stond midden in de eerste wereld. Hij werd niet ergens in een onbewoond en afgelegen gebied gebouwd. Nee, midden in de goddeloze wereld had God een bouwer, die de ark van redding bouwde. Midden in de boze wereld stond een veilige ark, met een deur, die openstond. Want als de Schrift zegt dat God de deur toesloot, betekent dit dat de deur van de ark open heeft gestaan tot op het laatste uur voor de zondvloed. God gaf de eerste wereld een ark met een open deur.

Zo doet de Heere ook nu met de goddeloze wereld. God heeft ook in onze zondige en wegzinkende wereld een veilige Ark geplaatst. Jezus Christus is Gods veilige Ark. De Heere heeft in Christus een weg uitgedacht om zondaren zalig te maken. De Heere zei tot de eerste wereld: ‘Zie de ark, waarvoor Ik gezorgd heb om zondaren te redden van de komende vloed.’

 

Zo spreekt God tot op de dag van vandaag in de prediking van het Evangelie: ‘Zie, Ik heb hulp besteld bij een Held Die verlossen kan. Ik heb voor een middel, een Zaligmaker, gezorgd Die verlossen kan van de toekomende toorn.’ Christus is die verordineerde Heiland en Redder van de wereld. Christus is de hemelse Ark, Die redt van de vloed van Gods toorn.

 

De Ark, Christus, heeft ook een deur, die door God geopend is. Een deur geopend voor zondaars uit Adams geslacht. Deze deur is voor Petrus geopend; deze deur is geopend voor Paulus; deze deur staat open voor zondaren. Boven die deur staat geschreven: Die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen! De boodschap van het Evangelie, de uitwendige roeping, de uitnodiging om binnen te gaan, komt tot allen aan wie het Evangelie gepredikt wordt. Alles roept hier: Ik heb geen lust in uw dood, maar daarin dat gij u bekeert en leeft!

Zowel de wet als het Evangelie bewegen de zondaar de ark binnen te gaan. God spreekt in Zijn wet over de zondvloed van de toekomende toorn en waarschuwt zondaren die toorn te ontvlieden. Hij roept het hen toe: Haast u, spoed u om uws levens wil. In het Evangelie spreekt de Heere over een deur die geopend is in Zijn Zoon, de Zaligmaker Jezus Christus. Jezus Christus is de veilige Ark.

Allen die in Hem geloven zullen niet verloren gaan. In de vloed van toorn zullen ze niet verdrinken, omdat Jezus daarin als Borg ten onder is gegaan. Hij is een Ark gelijk aan die van Noach, namelijk een Ark met een geopende deur. En hoewel we weten dat velen geroepen zijn, maar weinigen zijn uitverkoren, neemt dit toch het welgemeende van de roeping niet weg.

 

Ook de wetenschap dat Christus' verzoening beperkt is tot de uitverkorenen, neemt niet weg dat de deur voor ieder openstaat die het Evangelie hoort. Altijd weer proberen wij de ernst en het welgemeende van Gods boodschap te ondermijnen. Maar God zet in het Evangelie de deur van Zijn genade wijd open en roept: Wie dorst heeft, die kome, en die wil, neme het water des levens, om niet!

Er is ook in de wereld van vandaag een Ark met een open deur. De ark Jezus Christus is geopend in het midden van een wereld vol van hopeloos verloren zondaren. Dit was de realiteit in de dagen van Noach. En zo is het nu nog steeds.

 

Jezus gebood Zijn discipelen: Gaat been in de gehele wereld, predikt het Evangelie aan alle creaturen! De boodschap mocht niet beperkt blijven tot de Joden. Jezus gebood: Ga uit in deze boze wereld en predik het Evangelie aan alle mensen. Er is een Ark met een deur en de deur is open voor de gehele wereld.

De deur van de ark moet wel een hoge en brede deur geweest zijn, want allerlei dieren moesten erdoor naar binnen kunnen. Wij kunnen denken aan olifanten, koeien en arenden, aan dieren van verschillende grootte en vorm. Hoe zouden zij anders in de ark hebben kunnen komen, als die ark maar een smalle deur gehad zou hebben.

Zo is het ook met de deur van de geestelijke Ark, de Heere Jezus Christus. Als u oog krijgt voor de kracht van het bloed van Jezus ziet u dat de grootste zondaren zalig kunnen worden. Geen tong is bij machte ten volle te prediken hoe wijd de deur der zaligheid is, die door God geopend is in Zijn eniggeboren Zoon. Wij lezen hierover in de Dordtse Leerregels: 'De dood van de Zoon van God is de enige en volmaakte offerande en genoegdoening voor de zonden; van oneindige kracht en waardigheid, overvloedig genoegzaam tot verzoening van de zonden van de gehele wereld.'

 

Het is niet Gods voornemen geweest om de hele wereld zalig te maken, maar als het wél Gods wil geweest was om de hele wereld zalig te maken, zou het bloed van Christus genoeg kracht hebben om de hele wereld te redden.

Ja, al zou God de schuld en de zonde van duizend werelden willen verzoenen, dan nog zou er in Jezus' bloed en offer genoegzame kracht zijn om dit te bewerken. Weet daarom: Hoeveel kracht er ook is in uw zonden om u te verdoemen, er is altijd meer kracht in Jezus' bloed om u te redden van het verderf. Tot eer en glorie van mijn Meester mag het u verkondigd worden: Het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon, reinigt van alle zonde! En waarom niet van de uwe?

 

De deur staat wijd open. Allerlei dieren gingen de ark binnen. Niet alleen de reine, maar ook de onreine dieren. Jezus Christus, de Ark van Gods barmhartigheid, staat niet alleen open voor de Jood, maar ook voor de heiden, niet alleen voor de vrije, maar ook voor de slaaf. De deur staat open voor overtreders van de wet en voor zondaren die het Evangelie verachten. Hoe wijd de kloof tussen God en u ook is, deze brug is altijd breder dan de kloof.

 

Wij kunnen nog een vergelijking maken tussen Christus en de ark van Noach. De toegangsdeur was in de flank van de ark van Noach. Dit is ook het geval met de Ark van Gods genade, Jezus Christus. De doorstoken zijde van Christus is de deur van de Ark waardoor zondaars naar de hemel gaan. De Romeinse soldaat die zijn speer in de zijde van de Heere Jezus Christus stak, verwachtte alleen dat er bloed uit zou stromen, maar in plaats daarvan opende hij een deur waardoor zondaars naar de hemel kunnen gaan. Hij opende de deur tot God en de hemelse zaligheid, want uit de zijde van Christus kwam bloed en water. Bloed om te verzoenen en water om te reinigen. Een dubbele genezing voor een dubbele kwaal.

Luther zegt hierover: 'Deze waarheid is het waard om op mijn knieën van Rome naar Jeruzalem te brengen!’ Deze waarheid dat God de zijde van Jezus geopend heeft en zo de poorten van de hemel geopend heeft voor verdoemelijke en veroordeelde zondaren. 0, die geopende zijde van Christus! Die deur der zaligheid, die deur in de Ark van Gods genade Zij openbaart genade zelfs aan de grootste der zondaren.

 

Geliefde gemeente, kijk eens aandachtig naar die open deur. Weliswaar was het een ruime en wijde deur, maar toch kwamen uit de hele wereld maar acht personen binnen. Hoe is dat mogelijk? Paulus lost dit vraagstuk op als hij zegt: 'Maar wij prediken Christus de Gekruisigde, de Joden een ergernis en de Grieken dwaasheid! De deur van de Ark van Gods genade is voor de Joden een ergernis, want zij proberen een eigen gerechtigheid aan te brengen. Ze is voor de Grieken dwaasheid, want zij hopen door het verstand zalig te worden. De eerste wereld spotte met Noach en de ark; men lachte om zijn woorden toen hij hen waarschuwde dat de zondvloed zou komen en hen uitnodigde binnen te komen in de veilige ark. Dit was de droeve werkelijkheid van de open deur in de ark die God geplaatst had midden in de eerste wereld. De ark was er en de deur stond open, maar zij wilden niet binnengaan.

Dit is ook de droeve werkelijkheid van de Ark Jezus Christus die te midden van een zondige wereld wordt uitgedragen en gepredikt. Christus is een ergernis voor een mens, die meent iets meer te zijn dan de tollenaar achter in de tempel, en een dwaasheid voor een mens die meent dat hij wijs, verlicht, ontwikkeld en weldenkend is. De doorgang is ons te laag. Wij moeten er te diep voor bukken en te veel voor verliezen. Maar hoewel Christus een ergernis is voor mensen met een eigen gerechtigheid en een dwaasheid is voor wijze en wereldse mensen, lezen we: Maar hun die geroepen zijn, beiden Joden en Grieken, prediken wij Christus, de kracht Gods, en de wijsheid Gods!

 

De Schrift zegt: Maar Noach vond genade in de ogen des Heeren! Hij was één van die geroepenen. Gezegend zij God voor deze waarheid; dat voor degenen die geroepen zijn, beiden Joden en Grieken, Christus de kracht en wijsheid van God is. Als het aan de mens werd overgelaten, bleef de ark leeg. Christus zou dan tevergeefs Zijn bloed vergoten hebben, want er is niemand die naar God zoekt, ook niet tot één toe. Maar God roept uit de duisternis en brengt tot Zijn wonderbaar licht. Daarover spreken wij in onze tweede gedachte, maar zingen we eerst uit Psalm 33:10:

 

Zijn machtig' arm beschermt de vromen,
En redt hun zielen van den dood;
Hij zal hen nimmer om doen komen
In duren tijd en hongersnood.
In de grootste smarten
Blijven onze harten
In den HEER gerust;
'k Zal Hem nooit vergeten,
Hem mijn Helper heten,
Al mijn hoop en lust.

 

2. Het ingaan in de ark

Gods lankmoedigheid met de eerste wereld duurde honderdtwintig jaar. Aan het einde van deze periode gebood de Heere Noach: Ga gij en uw ganse huis in de ark.

Het was geen gemakkelijke onderneming voor Noach en zijn gezin om met de dieren in de ark te gaan. Noach moest volkomen met de wereld breken. Hij moest afscheid nemen van alles wat hij op aarde had opgebouwd. Hij moest als het ware vergeten dat hij op de wereld geboren was en dat hij er geleefd en gewerkt had. Al zijn zekerheden moest hij achterlaten. Hij moest alles vergeten en zich richten op wat voor hem lag.

Dat was niet eenvoudig. Noach had immers zijn banden met de wereld waarin hij al die jaren geleefd en gewerkt had. Maar Noach ging in de ark, omdat hij God en Zijn belofte geloofde.

 

Paulus leert ons dat Noachs geloof ten grondslag lag aan al zijn daden en zegt: Door het geloof heeft Noach, door Goddelijke aanspraak vermaand zijnde van de dingen, die nog niet gezien werden, en bevreesd geworden zijnde, de ark toebereid tot behoudenis van zijn huisgezin. Noach geloofde dat de Heere de wereld zou verwoesten en dat er alléén in de ark veiligheid was. Noachs ingaan in de ark was een geloofsdaad. Het ingaan in de ark toonde duidelijk aan dat Noach zijn leven en dat van zijn gehele gezin in de handen van de Heere legde, Die beloofd had hem in de ark te zullen sparen voor de verschrikkelijke vloed. Met deze daad nam hij afscheid van alles en gaf hij zichzelf over in Gods handen.

Iemand die gered wil worden van deze boze en wegzinkende wereld moet het geloof van Noach navolgen. Hij moet alles achterlaten en zich geheel in Gods handen geven. Christus zegt van hen die Hem willen volgen: 'Wie zijn vader en moeder, broer en zuster liefheeft boven Mij is Mijns niet waardig!’ Ales wat ons hindert moeten we loslaten.

 

In de ark gaan betekent een breuk met de goddeloze wereld. Daarom is ingaan in de Ark en geloven in Christus een genade van God en niet een prestatie van de mens.

Er zijn twee dingen die gekend en ervaren moeten worden voordat wij Noach in de ark kunnen en zullen volgen. Voordat we de ark kunnen binnengaan, moeten we gebracht worden tot het geloof van Noach.

In de eerste plaats moeten we geloven dat een zondvloed van Goddelijke toorn ons zal verwoesten. Dit moet niet pas op ons sterfbed plaats vinden, want daar geloven we allemaal dat de zondvloed van Gods toorn ons zal verzwelgen. Nee, maar wij moeten dit geloven, net als Noach, als er nog geen tekenen van een zondvloed zichtbaar zijn. 0, te geloven dat ik moet sterven, te geloven dat een zondvloed van toorn me dreigt te overkomen, als ik nog jong en goed gezond ben, wat een zegen is dat! De Heilige Geest maakt het voor ons een werkelijkheid: Het is de mens gezet eenmaal te sterven en daarna het oordeel.

Het tweede dat Noach geloofde was dat er alleen in de ark veiligheid was. Hij geloofde dat de ark het enige middel tot redding was. Wij moeten geloven, dat er buiten Jezus en Zijn verzoenend bloed geen redding is. Het moet worden: 'Ik moet Jezus vinden of anders eeuwig verloren gaan!

 

Deze beide belangrijke zaken moeten ons door de Heilige Geest onderwezen worden. Alleen als de Heilige Geest Zijn werk doet, worden wij gebracht tot het geloof van Noach. Pas dan geloven we dat de zondvloed van Gods toorn zal komen en dat er alleen veiligheid is in de Ark van Gods genade, de Heere Jezus Christus. Niemand zoekt de veiligheid in Christus, tenzij hij of zij het gevaar beseft waarin hij verkeert. Wij zijn allen in gevaar om onverzoend met God te sterven en in de zondvloed van toorn Gods over onze zonden om te komen.

 

Noach geloofde dit alles. Daarom leggen we de grootste nadruk op zijn geloof! In Hebreeën 11 lezen wij dat: Door het geloof heeft Noach, door Goddelijke aanspraak vermaand zijnde en bevreesd geworden zijnde de ark toebereid. Noach geloofde de boodschap dat de zondvloed zou komen.

0, als wij die werkelijkheid toch eens geloofden! Geloven dat wij verloren dreigen te gaan – en dat voor eeuwig – en dat er alleen hoop is in de Ark van Gods genade, Jezus Christus.

Zo’n geloof is van de Heilige Geest. Hij doet ons de vermaning geloven, zoals Noach de Goddelijke aanspraak geloofde. Hij doet ons geloven dat wij aan Gods vloek en toorn onderworpen zijn, en ons op de brede weg bevinden die tot het verder leidt. De zondaar die zo door de Heilige Geest onderwezen wordt, gevoelt en is overtuigd met Noach dat de hoogste bergen niet hoog genoeg zijn om ons te redden. Wij zullen zeggen met de profeet Jesaja: Al onze gerechtigheden zijn een wegwerpelijk kleed. Al onze goedheid en godsdienst die wij menen te bezitten, zullen ons niet kunnen redden. De zondaar moet, als hij ziet op zijn beste werken, zeggen: 'Het is buiten hoop! Ik ben een verloren zondaar. Ik sta schuldig voor God en ik zal mijzelf in eeuwigheid niet kunnen verlossen!’

 

Gemeente, Noach geloofde ook Gods belofte dat in de ark veiligheid was. We moeten niet alleen Gods bedreigingen geloven, maar moeten als Noach ook in Gods redding geloven. We moeten ervan overtuigd zijn dat er veiligheid is in de hemelse Ark, Jezus Christus. Kaïn was slechts overtuigd van het eerste. Hij geloofde alleen maar: 'Het is buiten hoop' en riep: Mijn misdaad is groter dan dat zij vergeven worde. En zo is hij van de Heere weggelopen. Noach daarentegen geloofde niet alleen Gods bedreigingen, maar hij geloofde ook Gods belofte van redding. Dit is het voorrecht van Gods volk. God bewaart hen voor wanhoop en geeft hun te geloven dat er bij God vergeving en in Jezus het behoud ligt.

 

God openbaarde niet alleen aan Noach dat Hij de wereld zou verwoesten, maar Hij openbaarde ook het verlossingsmiddel: de veilige ark. Zo werkt de Heere. Hij laat ons niet alleen de dreiging horen, maar Hij verkondigt ons ook de gezegende weg der zaligheid in de Heere Jezus Christus. God opent een deur van hoop in het dal van Achor, een toegang tot het bloed en het offer van de Heere Jezus Christus. De Heilige Geest toont de bevreesde en schuldverslagen zondaar de deur, die geopend is in de doorstoken zijde van Jezus. Hij verkondigt ons door het Evangelie redding door het bloed en het water dat uit Jezus' zijde is gevloeid, bloed om te verzoenen en water om te reinigen.

 

Het is een wijde en geopende deur die door het geloof gezien wordt, want het geloof ziet zo’n hoge waarde in Christus, dat het zegt: 'Nu zie ik het! In het kruis, het bloed en de verzoening van Jezus is een toegang geopend waardoor ik kan en mag binnengaan!’ In de doorboorde handen en doorstoken zijde van Jezus ziet het geloof een geopende deur.

Noach werd door twee oorzaken de ark ingebracht. Hij geloofde Gods toorn en Gods heil. De nood dreef en de liefde trok hem de ark binnen. De nood drijft uit, het Evangelie trekt en nodigt. Het Evangelie werkt uit dat de zondaar de ware Ark, Jezus Christus, binnengaat.

Dit is nou de manier waarop de Heilige Geest zondaren tot Christus brengt. Nadat Hij ons onze verloren staat getoond heeft en leerde wanhopen aan onze beste werken en daden, zal Hij ons de weg der zaligheid tonen: in Jezus Christus, de geopende Ark van Gods genade. Jezus wordt aan de zondaar voorgesteld in Zijn volheid, gepastheid en heerlijkheid. De zondaar ziet in de spiegel van het Evangelie Christus als een Ark met een open deur, waarboven de nodiging staat: Komt herwaarts tot Mij allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven.

Ze zijn bevreesd voor het verderf dat allen zal overkomen die buiten Jezus Christus zijn, en geloven de belofte dat er in de Ark Jezus Christus veiligheid is. Door het geloof gaan ze de Ark binnen en vinden met Noach veiligheid en geborgenheid.

 

Zij komen echter niet allen op dezelfde wijze de ark binnen. Het is belangrijk en nodig te zien dat niet allen op dezelfde manier in de ark gingen. De vogels vlogen de ark binnen; de herten stapten kwiek de ark binnen, maar de slakken, de hagedissen en de schildpadden kropen de ark binnen. Maar God deed ze komen, zegt de Schrift. Hoe zij kwamen was het belangrijkste niet. Zij kwamen – en werden gered van de vloed.

Hetzelfde kan gezegd worden van Gods volk. Sommigen komen binnen als de bloedvloeiende vrouw, die in de menigte achter Jezus stond en bevend Zijn kleed aanraakte. Sommigen gaan in zoals de vader van het kind met de boze geest, al roepend in de worsteling met het ongeloof: Heere, ik geloof; kom mijn ongeloof te hulp. Anderen gaan naar binnen zoals Job: Ik weet, mijn Verlosser leeft, of als Paulus: Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? God is het, Die rechtvaardig maakt, wie is het die verdoemt?

 

Gemeente, jongeren, die verschillende manieren van de Ark binnengaan vragen onze aandacht voor de verschillen in de geloofsoefeningen en de weg van Gods kinderen. Sommigen dragen een zware last van zonden, die het komen bemoeilijkt. Zij komen kruipend de Ark binnen. Anderen hebben een klein en zwak geloof. Ze geloven met beven en vrezen, dat er voor hen veiligheid is in Christus. Maar, gemeente, zij kwamen tot de Ark en gingen erbinnen.

Een gevangene die de zon ziet door een scheur in de muur van zijn cel, ziet de zon anders dan de man in de vrijheid buiten de gevangenis, maar ze zien beiden het licht van dezelfde zon. Ook degenen die van verre op de koperen slang zagen werden genezen, net als zij die er van dichtbij naar keken. Er was verschil, maar zij keken allemaal naar de koperen slang. Zo is er verschil in de kracht en sterkte van het geloof, maar ook een bevende hand kan Christus' kleed aanraken en een gift aannemen. Het gaat er maar om, dat wij de ware Zaligmaker aangrijpen. De grote overeenkomst is: allen zoeken hun zaligheid buiten zichzelf in de Heere Jezus Christus. Hun ogen zien alle op dezelfde Christus!

 

Toch is het een zegen om te wéten, dat we in de Ark zijn en geborgen zijn in Christus. Wij behoeven slechts Zijn kleed aan te raken, van verre op Hem te zien of met de boetvaardige moordenaar aan het kruis tot Hem te roepen: Heere, gedenk mijner, om door Christus van het verderf gered te worden. Het gekrookte riet zal Hij niet verbreken en de rokende vlaswiek zal Hij niet uitblussen. Toch is het voor onze troost nodig om te weten in Wie wij geloofd hebben. Er mag geen rust zijn voor we veiligheid gevonden hebben in de enige ware Ark, Jezus Christus. Wij lezen in vers 16: En die er kwamen, die kwamen mannetje en wijfje, van alle vlees, gelijk als hem God bevolen had. En de Heere sloot achter hem toe!

Zingen we eerst nog Psalm 95: 4

 

Want Hij is onze God, en wij
Zijn 't volk van Zijne heerschappij,
De schapen, die Zijn hand wil weiden;
Zo gij Zijn stem dan heden hoort,
Gelooft Zijn heil- en troostrijk woord;
Verhardt u niet, maar laat u leiden.

 

Laten we nu in onze derde gedachte spreken over:

 

3. Het toesluiten van de ark

Noach heeft honderdtwintig jaar gewerkt om de ark te voltooien. Nadat de ark voltooid was, sprak God tot Noach: Ga gij, en uw ganse huis in de ark! Ook deed de Heere de dieren twee aan twee, mannetje en wijfje tot de ark komen. En daar kwamen de dieren: vogels, vee, reine en onreine dieren, naar de ark die Noach gebouwd had. De hagedissen kropen naar binnen; het vee liep naar binnen, de sprinkhaan sprong naar binnen, de vogels vlogen naar binnen en eindelijk gingen ook Noach en zijn gezin de ark binnen.

 

Toen alle dieren en ook Noach met zijn gezin in de ark waren, deed de Heere de deur achter hen dicht. Wij lezen daarover in de Schrift: 'En de Heere sloot achter hem toe.’ De deur, die honderdtwintig jaar open gestaan had, werd gesloten. Er staat niet dat Noach de deur sloot. Noach zei niet tot de boze wereld dat de deur der zaligheid dicht en de genadetijd voorbij was. Nee, God Zelf sloot de deur!

Wat was dat verschrikkelijk voor de wereld! De genadetijd voorbij. Noach binnen, de wereld buiten. Er viel een scheiding tussen Noach en de wereld. De wereld was honderdtwintig jaar lang gewaarschuwd en genodigd, maar nu is de deur gesloten.

 

Toen begon het te regenen als nooit tevoren. Zelfs vanuit het binnenste van de aarde welde het water op. Er was duisternis, wind, bliksem en storm op de aarde. God openbaarde in al die tekenen Zijn toorn. De mensen vluchtten naar de bergen, maar het water bleef stijgen. Zij klopten op de deur van de ark: 'Noach, doe open, Noach, doe open! Wij hebben geholpen de ark te bouwen en jij bent toch een van ons?’ Maar Noach kon de deur niet openen die door God gesloten was. De genadetijd was voorbij. De open deur van de ark was nu een gesloten deur.

 

Gemeente, er is ons een bepaalde tijd gegeven om de ark binnen te gaan. De Bijbel zegt: Ziet, nu is het de wel-aangename tijd, ziet, nu is het de dag der zaligheid. Voor sommigen is dat twintig jaar, voor anderen veertig en voor weer anderen tachtig jaar. Maar zoals de eerste wereld het niet geloofde, zo geloven velen nu ook niet dat er een vloed van Gods toorn aanstaande is, en er alleen in Christus behoud is. Net als de mensen van de eerste wereld stellen wij onze bekering uit. Wij beloven onszelf: als ik hiermee of daarmee klaar ben, of als ik ouder ben, zal ik de ark binnengaan. Wij zijn vol goede voornemens en zeggen: 'Ik zal zeker binnengaan voor de zondvloed komt, binnengaan vóór ik sterf.’ Maar helaas, een verkeersongeluk of een ziekte doet de dood plotseling komen.

 

Sterven buiten de Ark. Wat verschrikkelijk! Want sterven buiten de ark is voor eeuwig verloren zijn. Bedenk daarom, dat hoe wijd en breed de toegang tot de Ark van behoud ook is, hij zal eens door Gods hand gesloten worden.

Er staat: En de Heere sloot achter hem toe! De Heere sloot de deur nadat Noach binnengegaan was. Dit is Gods genade. Hij wachtte tot Noach en zijn gezin in de ark waren, voor Hij de deur toesloot. God wacht met Zijn oordeel totdat de Zijnen veilig zijn. Wij zien dat tijdens de verwoesting van Sodom en Gomorra. De Engel zei tot Lot: Behoud u derwaarts, want Ik zal niets kunnen doen voor u in Zoar gekomen bent. God kon Sodom en Gomorra niet verwoesten zolang Lot er woonde. Zolang zondaren op de aarde toegebracht moeten worden, zal de aarde door God in stand gehouden worden. Zolang er nog door God uitverkoren zondaren geboren en wedergeboren moeten worden, zal de dag van de komst van Christus niet komen.

 

De deur van de ark blijft openstaan tot op die dag. Maar als de laatste van Gods uitverkorenen bekeerd en wedergeboren is, zal de deur van Gods genade dichtgaan. God zal dan achter hen toesluiten. Dezelfde deur, die de wereld buitensloot, sloot Noach binnen. Dit is tot verwondering van Gods kinderen. Zij zouden verdienen buitengesloten te worden en voor een gesloten deur te komen. Maar de Heere kent allen, die de zaligheid in Christus verwachten. Hij zal de deur niet vóór hen, maar áchter hen toesluiten. God sloot achter hen toe. Zo werd Noach behouden in de zondvloed. De ark landde later veilig op de bergen van Ararat. Zo zal God Zijn volk behouden. Zij zullen eens op het veilige strand van de hemel aanlanden.

 

Gemeente, jongeren, verhard uw hart niet. God had de eerste wereld een bepaalde tijd gegeven om in de ark te komen. Daarna werd de deur door Gods hand gesloten. Honderdtwintig jaar stond de deur open. Vraag je voor jezelf af: hoeveel jaar zal de Heere mij nog geven? Wij weten het niet. Wat we wel weten is dit: Heden, zo gij Mijn stem hoort, verhard uw hart niet! De deur van de ark is nog open voor allerlei zondaren. De deur van de genade staat in Christus open voor tollenaars, hoeren, dieven, moordenaars, verachters van Christus en overtreders van Zijn wet.

Er zijn al miljoenen zondaren door deze deur binnen gegaan. Het is zeker dat het een getrouw woord is, dat Jezus Christus in de wereld is gekomen om de zondaren zalig te maken. Dat de deur nog openstaat blijkt uit wat Paulus zegt: Zo zijn wij dan gezanten van Christus' wege, alsof God door ons bade; wij bidden u van Christus' wege: Laat u met God verzoenen.

 

Niet alleen onze Bijbel, maar ook de aarde leert ons dat er een grote vloed geweest is. Zeeschelpen en gesteenten die in zee gevormd zijn, zijn te vinden op de toppen van sommige van de hoogste bergen op aarde. Het zijn allemaal bewijzen dat er ooit water gestroomd heeft over de toppen van de Andes en de Alpen.

Maar er zal eenmaal een zondvloed komen die meer te vrezen is dan de eerste. Jezus Christus zal komen op de wolken des hemels, en zal zitten op een witte troon om de levenden en de doden te oordelen. Twee vonnissen zullen dan te horen zijn: Komt, gij gezegende Mijns Vaders, beërft dat Koninkrijk hetwelk u bereid is, en: Gaat weg van Mij, gij vervloekten, in het eeuwige vuur, hetwelk den duivel en zijn engelen bereid is.

Wat een verschrikkelijk vonnis zal dit laatste vonnis zijn! Een zondvloed van rechtvaardige toorn van God zal gaan over allen, die buiten Christus zijn! Dan zal het Evangelie u veroordelen. Er was in Christus een ark met een deur, maar u wilde daardoor niet ingaan. Dat zal een hel aan de hel toevoegen. Noach heeft de wereld geoordeeld met de ark die hij bouwde. Zo zal het Evangelie u veroordelen. Het zal een 'wee' over u uitspreken: Wee u, Chorazin, wee u, Betsaida!

 

De evangeliedeur staat nu nog open. Hij staat zo wijd open dat de grootste zondaar binnen kan gaan. U behoeft niet te wanhopen, dat u te veel of te lang gezondigd hebt. Wie komt is welkom en zal niet worden buitengeworpen. 0, dat u dit toch eens besefte, want er zal geen excuus zijn. Als het Evangelie u niet gepredikt was of als wij u niet gezegd hadden dat er een open deur is, dan zou u een excuus hebben. Er is geen excuus. Wij verbergen ons zo vaak achter het voorwendsel: 'Ik heb niet gekund’, maar Jezus zal u op die dag het vrome masker afrukken en zeggen: 'U hebt niet gewild!’ Daarom zeg ik u: ‘Heden, als u Zijn stem hoort, als u de open deur ziet en de nodiging van het Evangelie hoort, verhard uw hart niet.’

 

Bent u geborgen? Want uw laatste levensuur kan spoedig aanbreken! Waar zal de dood u dan vinden? In de Ark of buiten de Ark? Wanneer de dood u buiten de Ark vindt, gaat u voor eeuwig verloren.

Dit gaat u beseffen als God u zou bekeren. Van één ding is de door de Heilige Geest overtuigde zondaar zeker: zonder Christus ga ik voor eeuwig verloren. Ze weten het: er is geen veiligheid buiten Christus. De hoogste berg kon de mensen van de eerste wereld niet redden. Al klampten zij zich aan de buitenkant van de ark vast, ook dat baatte niet. Alleen zij die in de ark waren, werden behouden tijdens de vloed. Maak daarom geen ark van uw tranen of beste werken. Maak ook geen ark van uw bevindingen en aandoeningen. Roep veel meer: 'Geef mij Jezus of ik sterf, want buiten Jezus is geen leven, maar een eeuwig zielsverderf.' Daarvan overtuigt de Heilige Geest de zondaar. Het wrakhout van goede werken en een godsdienst die alleen de buitenkant van de ark kent, zal in de dag van Gods gericht niet redden.

 

0, wat een nood brengt dit in de ziel! Wat wordt er dan om genade geroepen. Ze komen tenslotte bevend tot de Heere en Zijn goedheid, die in Christus geopenbaard is. En wat zal het voor deze mensen goed aflopen. Het zal ver boven verwachting goed aflopen. Ja, God sluit hen binnen, die bevend Zijn kleed aanraken. De Heere sluit hen binnen, die met de moordenaar aan het kruis roepen: Heere, gedenk mijner!

De Heere sluit binnen die van verre staan en met de tollenaar roepen: 0 God, wees mij zondaar genadig! De Heere sluit in die zichzelf buitensluiten en belijden: Ik ben niet waardig uw zoon genaamd te worden, maak mij als een van uw huurlingen. Het zal het wonder zijn voor Gods volk: En de Heere sloot achter hen toe.

 

Amen.

 

Slotzang: Psalm 45:1

 

Mijn hart, vervuld met heilbespiegelingen,
Zal 't schoonste lied van enen Koning zingen;
Terwijl de Geest mijn gladde tonge drijft;
Is z' als de pen van een, die vaardig schrijft.
Beminlijk Vorst, uw schoonheid hoog te loven,
Gaat al het schoon der mensen ver te boven;
Genâ is op uw lippen uitgestort,
Dies G' eeuwiglijk van God gezegend wordt.