Ds. C. Harinck - Romeinen 8 : 24

De christelijke hoop

De natuur van die hoop
De grond van die hoop
De beoefening van die hoop

Romeinen 8 : 24

Romeinen 8
24
Want wij zijn in hope zalig geworden. De hoop nu, die gezien wordt, is geen hoop; want hetgeen iemand ziet, waarom zal hij het ook hopen?

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 103: 8
Lezen : Romeinen 8: 18-30
Zingen : Psalm 42: 4, 6 en 7
Zingen : Psalm 27: 7
Zingen : Psalm 62: 4

Geliefde gemeente, het spreekwoord zegt: ‘Hoop doet leven.’ We zien de waarheid van dit gezegde vaak in de praktijk bevestigd. Wanneer iemand ziek is en de dokter zegt na het onderzoek: ‘er zijn geneesmiddelen voor uw ziekte’, dan geeft dat hoop! Door welke therapie of door welke moeilijke weg u dan nog gaan moet, de hoop op genezing doet een mens leven.

Hoop doet leven. Zo is het zeker met de hoop op de eeuwige verlossing. Over die hoop willen we met u spreken.

Onze tekst kunt u vinden in Romeinen 8 vers 24, waar we lezen:

 

Want wij zijn in hope zalig geworden. De hoop nu die gezien wordt, is geen hoop; want hetgeen iemand ziet, waarom zal hij het ook hopen?

 

Onze tekst spreekt over de christelijke hoop. We letten op:

  1. De natuur van die hoop;
  2. De grond van die hoop;
  3. De beoefening van die hoop.

 

1. De natuur van die hoop

Onze tekst begint met het woordje ‘want’. Want wij zijn in hope zalig geworden. Dat woordje ‘want’ verbindt onze tekst met de verzen 22 en 23. Paulus spreekt dus niet los van alles over de hoop. De hoop van de christen wordt geplaatst in een zekere context. En die context vinden we in vers 22 en 23. Daar lezen we: Want wij weten, dat het ganse schepsel tezamen zucht en tezamen als in barensnood is tot nu toe. En niet alleen dit, maar ook wij zelven, die de eerstelingen des Geestes hebben, wij ook zelven, zeg ik, zuchten in ons zelven, verwachtende de aanneming tot kinderen, namelijk de verlossing onzes lichaams. En dan volgt: Want wij zijn in hope zalig geworden.

 

Toen God alles zag wat Hij gemaakt had, sprak Hij dat het zeer goed was. Door de komst van de zonde in de wereld, is echter alles anders geworden. Nu schrijft de apostel dat het ganse schepsel, de ganse creatuur, zucht en in barensnood is; dat de gehele schepping aan de ijdelheid en aan de verderfenis onderworpen is. De aarde is vervloekt en brengt doornen en distels voort. De dierenwereld is onderworpen aan ziekte, honger, koude, beproevingen en dood. Uit de aangehaalde verzen leren we hoe groot het kwaad van de zonde van de mens is! De zonde van de mens heeft hemel en aarde, planten- en dierenwereld onder de vloek gebracht; alles is verontreinigd, onderworpen aan ijdelheid; onderworpen aan het verderf.

We lezen in vers 23: En niet alleen dit… Het is alsof Paulus zegt: ‘dit is nog niet alles’. Hoewel de hele schepping onder de vloek van de zonde ligt, zucht ze ook en verlangt naar de verlossing.

Maar ook wij zelven, die de eerstelingen des Geestes hebben… Paulus zegt daarmee: ‘Ook wijzelf, ook wij zuchten, de bevoorrechten, ook wij, die de eerstelingen van Gods Geest bezitten, die met God verzoend zijn, die de aanneming tot kinderen hebben verkregen, die roepen mogen: Abba, Vader. Wij, als erfgenamen van God en mede-erfgenamen van Christus zuchten. Wij, die zó gezegend zijn, zuchten in onszelven, verwachtende de aanneming tot kinderen, namelijk de verlossing onzes lichaams.’

Ook wij, de geredde gelovigen, ook wij zuchten. Ook wij gaan gebukt onder de gevolgen der zonde. We hebben de volle zaligheid nog niet bereikt, maar wij zuchten in onszelf en verwachten de verlossing van ons lichaam.

 

Er wordt in ons tekstgedeelte gesproken over een uitzien; een verwachten van de wederopstanding van ons lichaam. Een uitzien naar de volle zaligheid, waarin ook het lichaam delen zal; waarin de totale mens zal delen, want dan pas is het een totale verlossing. Naar die grote dag der verlossing ziet de christen uit.

Want wij zijn in hope zalig geworden. Eigenlijk wil Paulus zeggen: ‘Wij bezitten de zaligheid nog niet. Wij hebben ze nog niet bereikt. Wij bezitten de zaligheid slechts in hope.’

Hoe moeten we dat verstaan? Want de Bijbel zegt toch dat de wedergeboren gelovige de zaligheid nu al bezit? Denkt bijvoorbeeld aan 2 Timotheüs 1 vers 9: Die ons heeft zalig gemaakt, en geroepen met een heilige roeping. En denkt ook maar aan wat er staat in Éfeze 2: Want uit genade zijt gij zalig geworden. Dat wijst op het al nu bezitten van de zaligheid.

Wel, al bezitten de gelovigen reeds nu de redding, en al zijn ze toegevoegd tot de gemeente die op weg is naar de eeuwige en de volle zaligheid, ze bezitten die nog niet. Gods kinderen zijn wél bevrijd van de schuld der zonde. Christus heeft die verzoend aan het kruis. Ze mogen roemen: Zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn. Gods kinderen zijn bevrijd van de heerschappij der zonde. De Schrift zegt: Gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade. Gods kinderen bezitten de inwoning van de Heilige Geest. Hoe de vijand en de zonde ook te keer gaan om de troon en de macht te heroveren, de zonde zal niet over hen heersen. Christus behoudt de troon des harten. Hoe zalig is de gelovige reeds in dit leven!

 

Gods kinderen zijn bevrijd van de vloek van de wet, van de straf der zonde, van de prikkel des doods. En toch is het waar: En niet alleen dit, maar ook wijzelven, die de eerstelingen des Geestes hebben, wij ook zelven, zeg ik, zuchten in onszelven, verwachtende de aanneming tot kinderen, namelijk de verlossing onzes lichaams. De zaligheid is nog niet volkomen. De zaligheid is ten dele. Dat zien de gelovigen rondom hen. Want ze leven in een wereld in barensnood; een creatuur, een schepping, die zucht onder de gevolgen van de zonde. Rondom hen is ziekte, dood en lijden. En zelf wonen ze in een tabernakel, in een tent, in een zwak en broos lichaam, dat onderworpen is aan ziekte en aan sterven.

 

Maar dat de zaligheid hier nog niet volkomen is ondervinden ze ook in hun hart. In deze bedeling blijft de oude mens der zonde en dragen ze een lichaam der zonde en des doods met zich mee. Ze gaan gebukt onder de overblijfselen van de oude mens, de boosheid die hen dagelijks, ook in hun allerheiligste verrichtingen. In het hier en nu blijft de bestrijding van Satan. Hier zijn zij op vijandelijk terrein. Hier wonen zij uit van de Heere. Hier is het land van hun vreemdelingschap. Hier maken zij hun pelgrimage. Hier zijn zij in een wereld die in het boze ligt. En onder dit alles zuchten Gods kinderen.

 

Maar de gelovigen zuchten niet alleen, ze hopen en verwachten ook. Ze verwachten ‘de aanneming tot kinderen’; de volle aanneming van het kindschap, namelijk de verlossing van het lichaam. Ze hopen! Want wij zijn in hope zalig geworden. Ze hopen op de volle zaligheid; op de zaligheid naar ziel en naar lichaam; op de volkomen verlossing; op de bevrijding van alle gevolgen van de zonde. Ze hopen en verwachten eens God te kennen, zoals ze zelf door God gekend zijn. Zij hopen eens eeuwig bij God te zijn; eens de drie-enige God te kennen en te genieten. Ze zuchten, ze strijden, ze beven, ze vrezen en klagen, maar vooral verwachten ze. Wij verwachten de aanneming tot kinderen, zegt de apostel. Want wij zijn in hope zalig geworden.

Onze Nederlandse Geloofsbelijdenis besluit dan ook artikel 37 met deze woorden: ‘Daarom verwachten wij die grote dag met een groot verlangen, om ten volle te genieten de beloften Gods, in Jezus Christus, onze Heere.’

Dat is nu de betekenis van: Want wij zijn in hope zalig geworden.

 

Nu het tweede punt:

 

2. De grond van de hoop.

Hoop is een kracht in de ziel van de mens. Er leven meer krachten in de menselijke ziel dan we denken. Eén van die levenskrachten is de hoop. ‘Een mengsel van verwachting en verlangen’, zo wordt ’hoop’ in de Nederlandse taal omschreven.

Ieder mens heeft hoop. Want wie geen hoop meer bezit, die bezit wanhoop. Maar de enige hoop die wereldse mensen koesteren, is de hoop lang te leven, veel te genieten en op aarde het paradijs te vinden. Het is eigenlijk meer een wensen, dan een echt hopen. Ze leven alsof de dood het einde van alles is, en of alles wat ze zijn materie is. Hun oog is geheel en al gericht op het hiernúmaals; op wat deze wereld te bieden heeft.

 

Dit is niet de hoop waarover de apostel Paulus in onze tekst spreekt. De hoop van de wereld is een ijdele en een lege hoop. Even leeg als de lege wereld waarop men hoopt. Het is dan ook een hoop die op teleurstelling uitlopen moet; al in dit leven en straks voor eeuwig. Een hoop zonder geloof in Christus is een bedrieglijke hoop; een hoop, die beschaamd maakt. Het is een hoop zonder inhoud en fundament.

De ware hoop der zaligheid heeft grond. De hoop van Gods kinderen is geen inbeelding. De hoop van Gods kinderen rust ergens op. Waarop dan?

Wel, de hoop van vele mensen rust op wat ze wel eens ‘gevoeld’ hebben en op wat ze wel eens ‘genoten’ hebben. Maar daarop rust de ware christelijke hoop niet. De ware hoop steunt op gronden, die even sterk zijn als de Almachtige Zelf. De ware hoop steunt op gronden, die de stormen van leven, sterven en dood kunnen verduren.

 

De ware hoop rust ten eerste op Gods beloften. God heeft beloften uitgesproken. God heeft gezegd, dat een iegelijk die in Christus gelooft, niet zal verderven, maar het eeuwige leven hebbe. Dat er geen verdoemenis is voor die in Christus Jezus zijn. Jezus roept het Zijn Gemeente toe: In het Huis Mijns Vaders zijn vele woningen. En al heeft de Heere óók gezegd, dat de ware gelovigen door veel verdrukkingen moeten ingaan, Hij heeft hen ook gezegd: Maar hebt goede moed, Ik heb de wereld overwonnen. Ik zal u niet begeven, Ik zal u niet verlaten. Ik zal u leiden door Mijn raad en daarna in heerlijkheid opnemen.

Het is zoals Petrus zegt: Door Welke ons de grootste en dierbaarste beloften geschonken zijn. Daarop rust de hoop van Gods kinderen: Op Gods rijke beloften en op Gods getrouwheid en almacht.

Op Gods getrouwheid: Die nooit zal herroepen wat Hij eenmaal heeft gesproken. En op Gods almacht: Die de beloften kan vervullen ondanks zonde, dood en hel.

De hoop van Gods kinderen rust ten tweede op wat God gezworen heeft. God heeft Zijn beloften met een eed bevestigd. We lezen dat in Hebreeën 6 (ook een hoofdstuk over de hoop): Waarin God, willende de erfgenamen der beloftenis overvloediger bewijzen de onveranderlijkheid van Zijn raad, met een eed daartussen is gekomen. De eden Gods versterken en ondersteunen het bestreden geloof. Want bergen zullen wijken en heuvelen wankelen; maar Mijn goedertierenheid zal van u niet wijken, en het verbond Mijns vredes zal niet wankelen. Wat brengt dit alles een sterke vertroosting in de levensstormen!

 

De christelijke hoop rust op Christus' dierbaar bloed, dat de schuld bij God verzoend heeft. En op Christus' voorbede in de hemel, welke beide – zegt onze belijdenis – de grond en de zekerheid van de zaligheid zijn. Zijn bloed, Zijn offer, is het fundament van de zaligheid. Zijn voorbede is de zekere garantie van de zaligheid.

De christelijke hoop rust verder op het getuigenis van de Heilige Geest. Want die Geest getuigt met onze geest, dat wij kinderen Gods zijn. Die Geest laat ons zien, dat we de merktekenen van de kinderen Gods dragen. Wat brengt dit geestelijke vreugde! Dit getuigenis van Gods Geest is het onderpand van onze erfenis. De Heilige Geest legt de beloften aan ons hart en verwekt de levende hoop in Gods kinderen. Hij sluit ons in, in Gods beloften, zodat in een wederkerige omhelzing, de belofte ons en wij de belofte omhelzen.

 

Gemeente, tot slot: De christelijke hoop is gegrond op de beginselen van de eeuwige vreugde, die ieder waar christen in zijn hart kent en voelt. Wanneer Gods kinderen namelijk de gemeenschap met God ervaren, wanneer ze vrede met God hebben door Christus Jezus, hun Heere; wanneer ze bij tijden de Koning in Zijn schoonheid zien en een ver gelegen land aanschouwen, wanneer ze tot hun verwondering de druiven van Eskol zien en de vruchten van het goede land mogen nuttigen, dan hopen ze. En ze hopen op goede gronden: ‘Dat nademaal ik nu het beginsel der eeuwige vreugde in mijn hart gevoel, ik na dit leven volkomen zaligheid bezitten zal, die geen oog gezien, geen oor gehoord heeft en in een mensenhart nimmer is opgeklommen.’ Dat zegt onze Heidelberger Catechismus. Dit doet bij tijden uitroepen: Indien de eerstelingen al zo zoet zijn, wat zal dan de volle oogst zijn! Want wij zijn in hope zalig geworden. De hoop nu die gezien wordt, is geen hoop; want hetgeen iemand ziet, waarom zal hij het ook hopen? We komen daarop terug in de derde gedachte, als we spreken over de beoefening van die hoop.

 

In Hebreeën 6 zegt de apostel over de hoop dat die is als een anker der ziel, hetwelk zeker en vast is, en ingaat in het binnenste van het voorhangsel; waar de Voorloper voor ons is ingegaan, namelijk Jezus, naar de ordening van Melchizedek een Hogepriester geworden zijnde in der eeuwigheid.

De hoop wordt in de Bijbel met een anker vergeleken. Wanneer u in Calvijns Institutie over de christelijke hoop leest, zult u zien, dat Calvijn de hoop nauw verbindt met het geloof en heel de opbouw van de christelijke hoop helder maakt met het beeld van een anker. De hoop werkt als een anker. Zoals een schip wordt geslingerd op de woeste zee, zo is de gelovige in deze wereld. De gelovige bevindt zich als op een stormachtige zee, besprongen door Satans aanvechtingen, belaagd door de verzoekingen van de wereld, strijdend tegen de overblijfselen van de oude mens.

 

Maar zoals een schip de storm trotseren kan wanneer het anker wordt uitgeworpen in een goede ankergrond, zo kunnen de ware gelovigen de stormen en aanvechtingen trotseren wanneer ze het anker der hoop gebruiken. Dit anker moet uitgeworpen worden in de vaste ankergrond van Gods beloften. Daaruit blijkt dat de christelijke hoop beoefend wordt in de storm.

Over de strijd van de christen lezen we in onze tekst. De apostel zegt: De hoop nu die gezien wordt, is geen hoop; want hetgeen iemand ziet, waarom zal hij het ook hopen? Dit leert ons, dat hetgeen waarop de christen hoopt, niet gezien wordt met het natuurlijk oog. Althans nú niet gezien wordt. Men hoopt op iets wat nog niet in bezit is, maar wat beloofd is. Gods kinderen ervaren het in hun leven steeds dieper en steeds beter, dat hier de volle zaligheid niet is. De Heilige Geest doet hen pijnlijk gevoelen, dat hier het land van de rust niet is; het doet hen gevoelen wat eraan ontbreekt. De hoop wordt niet gezien. De hoop is nu nog geen bezit. Dit maakt in alle tijden de strijd en de beproeving van de christen uit.

 

Toen Israël uit Egypte ging, dachten ze in veertig dagen in Kanaän te zijn. Zo is het ook aan het begin van het nieuwe leven. Dan denkt u te groeien in liefde, in godzaligheid, in geloof; sterker te worden in de strijd tegen de zonde, de satan en wereld, en eindelijk als een werkelijk heilig en godzalig mens de hemel binnen te gaan. Maar de weg naar de hemel is anders. Tussen Egypte en Kanaän lag een lange, bange woestijn. En dat ervaren Gods kinderen vandaag nog steeds.

Ze ervaren dat de duivel nog steeds hun vijand is en een eeuwige vijand blijft, hoewel ze hem de dienst hebben opgezegd, hoewel ze aan zijn macht zijn ontvloden. En al kan de duivel hen nooit uit de hemel houden, hij zal trachten de hemel uit hun hart te houden. Door verzoekingen probeert hij hen van de rechte weg of te brengen. Hij wil de gemeenschap met hun God te verstoren. Hij wil hen te brengen tot kwade gedachten over God, om Zijn beloften niet te geloven en zich niet op Hem te verlaten. Hij schiet vurige pijlen af op de kinderen Gods en zegt: ‘U komt er nooit! Een dezer dagen zult u in de hand van Saul omkomen.’ Zelfs op hun sterfbed laat hij ze niet met rust. Hij achtervolgt ze tot aan de poort van de hemel, en  zegt hen: ‘In het zicht van de haven zul je nog stranden!’

 

Gods kinderen ervaren dagelijks dat de zonde hen aankleeft: Maar ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde. Dat is niet de constatering van een mens met anti-nomiaanse gevoelens, maar de constatering van een mens die zeggen kan: De zonde is mij de dood geworden. En wat hem de dood is geworden, namelijk de zonde, dat moet hij iedere dag als een last met zich meedragen. Wat een pijnlijke les, dat de zonde ons aankleeft! Hij zegt met die oude dichter: ‘Ik wist niet dat mijn tere ziel, zoveel van het aardse overhiel.' Het doet hem uitroepen: Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen van het lichaam dezes doods! Het maakt dat we ons blijven verfoeien en dat de zelfkennis groeit en toeneemt.

 

In de wereld zult gij verdrukking hebben. De ware gelovigen ervaren dat vaak. Ze ondervinden de spot en de smaad van de wereld. Niet alleen van een goddeloze wereld, maar, veel erger, óók van een godsdienstige wereld. Want uiterlijke godsdienst begrijpt niet wat het is om uit genade zalig te worden. Kruis en leed zijn dikwijls het deel van de kinderen Gods. Hun bestraffing is er iedere morgen. Het heeft de Heere maar een nacht gekost om Israël uit Egypte te leiden. Het nam echter veertig jaren in beslag om Egypte uit de harten van de Israëlieten te bannen. Ook al hebben we de wereld vaarwel gezegd, aan de wereld sterven duurt ons hele leven lang.

 

Geliefden, wanneer de wereld hen benauwt en bespot, wanneer de wereld hen weer in de greep heeft, wanneer hun hart zo koud, zo dor en onvruchtbaar is, dan voelen Gods kinderen: Ik ben er nog lang niet. Dan beseffen ze wat eraan ontbreekt: hier is de volle zaligheid nog niet. Ja, soms zijn ze bevreesd: ‘Ik kom er nooit!’ Dan denken ze aan die reusachtige Enakskinderen en aan de doodsjordaan. Aan die Enakskinderen, aan die macht van de satan, aan hun zondeschuld. Als we daaraan denken, zeggen we maar al te vaak met de kinderen Israëls: ‘We zullen het beloofde land nooit bereiken. We zullen het nooit binnengaan.‘ Tóch is het juist dan dat de hemelse hoop haar werk doet. Juist in de storm functioneert het anker van de hoop!

Toen Christen dreigde te verdrinken in de doodsjordaan, heeft zijn medereiziger Hoop zijn hoofd boven water gehouden. De Heilige Geest komt Gods kinderen te hulp en verwekt in hun harten de hoop, die als een anker der ziel is, hetwelk zeker en vast is, en ingaat in het binnenste van het voorhangsel; waar de Voorloper voor ons is ingegaan, namelijk Jezus, naar de ordening van Melchizedek een Hogepriester geworden zijnde in der eeuwigheid.

 

In de nood, in de strijd, in de storm doet de hoop haar werk. De Heilige Geest houdt de hoop in het hart van Gods kinderen levend door de beloften van God. Want daarmee is de hoop onlosmakelijk verbonden. Blader maar door uw Bijbel, van Genesis tot Openbaring: Wanneer God iemand hoop geeft, is die hoop verbonden aan de beloften van God. Denk maar aan Jozua in Jozua 1. Mozes was gestorven. Jozua stond voor de ontzaglijke opgave om Israël naar Kanaän te brengen. Hij denkt aan die reuzen, die Enakskinderen, en aan de vestingsteden en dit doet hem zeggen: ‘We zullen er nooit komen.’ Maar dan verschijnt de Heere hem en zegt de Zoon van God tot hem: Wees sterk en heb goede moed; want gij zult dit volk het land erfelijk doen bezitten. Hij bevestigt het: Ik zal u niet begeven en zal u niet verlaten.

 

Zo weet de Heere Zijn kinderen in de storm te vertroosten en hoop in hun harten op te wekken. De ware hoop is dus verbonden met Gods beloften. Wanneer de hoop in ons hart levend wordt, steunt ze op Gods beloften en verwacht ze het beloofde. Dat wijst ons op de belangrijke plaats die Gods beloften heeft in het leven van de hoop. Bij ervaring leren Gods kinderen — en ik denk dat dit pas echt bevinding is — dat er in henzelf niets is om op te hopen. Het anker moet buiten het schip uitgeworpen worden.

De Heere leert het ons tot ons nut, dat er in ons niets is om op te hopen; dat er niets in ons is, wat de storm trotseren kan. En waarom leert de Heere ons dat? Waarom laat de Heere ons in de storm alles ontvallen? Dit doet Hij opdat onze hoop zou staan op Zijn Woord; opdat we gefundeerd zouden worden in Zijn beloften. In de storm krijgen de beloften van God een rijkdom, die niet uit te spreken is. Gods toezeggingen, Gods beloften, schenken een rijkdom in het leven der gelovigen, die niet onder woorden is te brengen en die doet zeggen met David: ‘Op Uw Woord heb ik gehoopt.’

De belofte van God is het anker van de hoop. In de storm krijgt Christus' werk en het offer van Golgotha betekenis en waarde. Want hoe de duivel ook te keer gaat, hoe de stormen en de winden ook te keer gaan, daar op Golgotha is het geschied, eens en voor altijd! Onwankelbaar! Niet uit te wissen! Niet te ontkennen! Daar is het geschied! En in de storm leren we het anker van de hoop daar uitwerpen: In Gods beloften, in Christus' volbracht werk, in het Offer van Golgotha.

 

De hoop nu die gezien wordt, is geen hoop. Gods kinderen hopen op een zaligheid die niet gezien wordt. Dat is het bovennatuurlijke van de hoop: Er niets van zien, er niets van voelen, niets in je handen hebben, niets tastbaars bezitten, en toch hopen. Dat is christelijke hoop. Want wij zijn in hope zalig geworden. De hoop nu die gezien wordt, is geen hoop; want hetgeen iemand ziet, waarom zal hij het ook hopen? De ware hoop doet juist dan haar kracht, als er naar wat voor ogen is niets meer te hopen is. We denken aan Abraham: Hij was negenennegentig jaar oud. Dan is er toch niets meer te hopen? Men kan toch niet meer hopen op een zoon op deze leeftijd? Maar wat lezen we? Dat hij tegen hoop op hoop geloofd heeft.

De levende hoop is als een anker in de storm, geworpen in de ankergrond van Gods beloften; geworpen in de ankergrond van Christus' verzoening en voorbede. De hoop is als een anker, de christelijke hoop gaat binnen in het binnenste van het voorhangsel, daar de Voorloper voor ons is ingegaan. Het heeft contact met Jezus in de hemel.

 

En weet u wat het geloof zegt? Nochtans zal ik hopen! Weet u wat dit geloof verder zegt? Zolang Jezus, Jezus blijft, zal ik niet sterven, maar leven en de daden des Heeren vertellen. Ziet u wel dat het geloof en de hoop geen gemoedelijkheid is? Het is geen vroom gevoel. De duivel bedriegt daar duizenden mee.

De hoop vindt haar grond buiten zichzelf, in Gods beloften en eden, in Christus' bloed en voorbede. En de hoop zegt in de storm: ‘Nochtans...’ De hoop durft de duivel in het aangezicht te zien en zeggen: Verblijd u niet over mij, o mijn vijandin; wanneer ik gevallen ben, zal ik weder opstaan. Wanneer ik in duisternis ben gezeten, zal de Heere mij tot een Licht zijn.

 

Gemeente, wij zijn geneigd wat bijeengeraapte gemoedelijkheid aan te zien voor geloof en hoop. Maar geloof en hoop is: In de storm van het leven het ‘nochtans’ uitspreken, in aanvechting en dood je aan het kruis van Christus vastklampen en het anker werpen in het binnenste voorhangsel, waar Jezus is binnengegaan, dát is hoop en geloof. Deze hoop verzacht de bitterheid van de beproeving. Deze hoop noemt Calvijn ‘een balsem’.

Wat een prachtige naam voor de christelijke hoop! Ze werkt als een balsem op de wonden van de ziel en verwekt in ons de christelijke hoop, zodat we ons oprichten in dit tranendal van lijden, strijd en dood; ze doet ons met een vaste hoop hopen op de verlossing van ons lichaam; hopen op de volkomen aanneming tot kinderen. Want wij zijn in hope zalig geworden.

 

Laten we nu eerst Psalm 27 vers 7 zingen:

 

Zo ik niet had geloofd, dat in dit leven

Mijn ziel Gods gunst en hulp genieten zou,

Mijn God, waar was mijn hoop, mijn moed gebleven?

Ik was vergaan in al mijn smart en rouw.

Wacht op den Heer', godvruchte schaar, houd moed;

Hij is getrouw, de Bron van alle goed;

Zo daalt Zijn kracht op u in zwakheid neer;

Wacht dan, ja wacht, verlaat u op den Heer'.

 

3. De beoefening van de christelijke hoop

Geliefden, alle mensen hebben een zekere hoop. De vraag is nu maar: wat is uw hoop? U hoopt lang te leven. U hoopt een gezin te stichten, kinderen groot te brengen. U hoopt het te mogen beleven dat uw kinderen hun bestemming bereiken. U hoopt van uw pensioen te genieten. U hoopt hier iets op te bouwen, carrière te maken. En wat dan? Wat daarna?

Het sterven... Het graf... Het staan voor Gods geduchte rechterstoel... Verwezen te worden naar een eeuwige duisternis. 0, geliefden, als dat uw hoop is, God zij u genadig! Want u hebt een betere hoop nodig.

En u, die denkt een betere hoop te hebben. Waarop is uw hoop gegrond? Ik verbaas me op welke gronden mensen hopen; vooral in onze tijd. Op wat vroomheid, wat bijeengeraapte godsdienst, wat napraten van anderen, wat gewichtig doen. Maar die hoop zal u niet door de storm heen helpen. U zult met zo’n hoop eeuwig schipbreuk lijden. Daarom wil ik het u op uw hart drukken: Toets uw hoop! In De Christenreis van Bunyan lezen we over een veerman IJdele Hoop. En weet u wie zich door die man liet overzetten? Onkunde!

 

Alleen mensen die Onkunde heten, die geen kennis hebben aan Gods heiligheid, die geen kennis hebben aan wat zonde is, die er geen kennis aan hebben wat het zijn zal om voor God te moeten staan, alleen zulke mensen laten zich overzetten door IJdele Hoop. Maar zij die kennis hebben aan Wie God is en wat zonde is, aan wat sterven is, aan wat God ontmoeten is, kunnen zich niet laten overzetten door IJdele Hoop. Wanneer u dit hoort, gemeente, dan zegt u: Is er nog hoop voor mij? Een schuldig, onbekeerd, doemwaardig zondaar, die niet bedroefd is over de zonde? Die een stenen hart heeft? Die niets bezit om zich bij God aan te bevelen? Is er voor zulke mensen hoop?

Jazeker! Maar niet in u of vanwege iets van u. Alleen in Gods beloften. Gods beloften geven hoop voor de grootste en snoodste der zondaren. Al bent u even zwart als de duivel, als u de duivel zelf niet bent, dan is er hoop voor u. Al was het alleen maar vanwege één tekst in de Bijbel. Omdat er staat in Psalm 130: Maar bij U is vergeving. Dat u daarop hopen zou! Dat u daarmee de Heere aanlopen zou, en zeggen: Heere, het staat toch geschreven, U laat het me toch verkondigen: Wendt u naar Mij toe, wordt behouden!

 

Gods beloften moeten de grond van onze hoop zijn. Gods kinderen zijn wedergeboren tot een levende hoop. Wat is het dwaas om te zeggen, dat Gods kinderen wedergeboren zijn tot wanhoop! Wanhoop was er bij Kaïn en bij Judas, maar bij Gods kinderen is er een levende hoop, die doet zeggen: Ik zal mijn Rechter om genade bidden. Die hoop doet zeggen: Wie weet, God mocht Zich wenden en berouw hebben, dat wij niet vergaan!

Er moet wel wanhoop zijn, maar alleen aan alles buiten God en Christus. Wanhoop nooit aan God! Bunyan zegt in zijn levensbeschrijving: ‘Ik ben aan de grens van dat land geweest; ik hoop er nooit meer te komen.’

Wedergeboren zijn tot een levende hoop, dat houdt het hoofd boven water. Maar wat moeten Gods kinderen leren?

Dat het anker van de hoop buiten het schip geworpen moet worden in de vaste ankergrond van Gods beloften, in Christus' verdienste. De hoop doet haar kracht, waar van onze kant niets meer te hopen is. Juist dan, wanneer we niets meer in onze handen hebben, wordt de hoop levendig. De hoop doet zeggen: Nochtans zal ik hopen. Dan stelt de Heilige Geest ons Gods beloften voor ogen. Daar troost en sterkt Hij ons met Gods beloften. Zo wordt de hoop verlevendigd, die het hoofd boven water houdt.

 

Want wij zijn in hope zalig geworden. De hoop nu die gezien wordt, is geen hoop; want hetgeen iemand ziet, waarom zal hij het ook hopen? Ja, wij willen het nu zien. Wij willen het nu bezitten. Maar de hemel krijgen we hier nooit, zelfs niet in onze beste ogenblikken. Petrus, Jakobus en Johannes mochten een ogenblik op de berg zijn, maar aan de voet van de berg was een jongen die van de duivel bezeten was. Hier krijgen we de hemel nimmer. We zijn dan ook in hope zalig geworden. Maar die hoop rust op de allerbeste gronden. Op gronden die de eeuwigheid verduren: Op Gods beloften.

Gezegend leven met deze hoop! Dat zijn mensen die zeggen: Dewijl wij niet aanmerken de dingen die men ziet, maar de dingen die men niet ziet; want de dingen die men ziet zijn tijdelijk. Tijdelijk is de strijd. Tijdelijk is het kruis. Tijdelijk is de rouw. Maar wij merken aan de dingen die men niet ziet, want die dingen zijn eeuwig. Hopen op dingen die niet te zien zijn: Een onzienlijke hemel, de genieting van een onzienlijke God, het smaken van een onzienlijke zaligheid. Troosteloos is een leven zonder deze hoop! Zónder uitzicht in de storm, zonder anker in de doodsjordaan; te moeten sterven zonder en buiten Christus!

0 zondaar, sta stil en bezin u, opdat u zou leren hopen op Gods loutere barmhartigheden.

 

Amen.

 

Psalm 62 vers 4:

 

Doch gij, mijn ziel, het ga zo't wil,

Stel u gerust, zwijg Gode stil;

Ik wacht op Hem; Zijn hulp zal blijken.

Hij is mijn Rots, mijn Heil in nood,

Mijn Hoog Vertrek; Zijn macht is groot;

Ik zal noch wank'len, noch bezwijken.