Ds. W. Harinck - Genesis 16 : 8

Twee indringende vragen

Genesis 16
De eerste vraag is: Waar komt u vandaan?
De tweede vraag is: Waar gaat u heen?

Genesis 16 : 8

Genesis 16
8
En hij zeide: Hagar, gij, dienstmaagd van Sarai! van waar komt gij, en waar zult gij heengaan? En zij zeide: Ik ben vluchtende van het aangezicht mijner vrouw Sarai!

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 91:1
Lezen : Genesis 16
Zingen : Psalm 31:17,18,19
Zingen : Psalm 138: 4
Zingen : Psalm 146:3

Gemeente, aan het begin van dit nieuwe jaar, wil de kerkenraad u allen Gods onmisbare zegen toewensen. Wij leven met onze kinderen in een tijd die gehaast en onrustig is Het lijkt wel of er steeds minder tijd is om stil te zijn en om tot rust te komen. Maar die klacht is niet nieuw, de psalmdichter zei ook al dat de dingen als een schaduw voorbij gaan. Toch lijkt het wel alsof we in deze tijd in een stroomversnelling zijn terechtgekomen. Er zijn zoveel prikkels van het moderne levensgevoel die op ons en onze jongeren afkomen. We worden overspoeld met informatie in deze onrustige en snel bewegende wereld door middel van de moderne media. Wat gebeurt er veel in de wereld dichtbij en verder weg.

 

Maar wat er ook in deze wereld verandert, het Woord van God blijft tot in der eeuwigheid. Door de dwaasheid van de prediking bliPjft God zalig maken, die geloven. De prediking heeft iets van het werk van de veerman uit vroeger dagen. Die veerman bracht de mensen van de ene kant van de rivier naar de andere kant. En zo is het ook met de prediking, het gaat erom dat we overgezet worden vanuit de duisternis in Gods wonderbaar en heerlijk Licht.

Niemand weet wat dit jaar brengen zal; laat het geen cliché zijn als we dit zo tegen elkaar zeggen. Want als we de Bijbel opendoen, dan komt ons daarin diepe ernst tegemoet, dan weten we dat we op reis zijn naar de rechterstoel van Christus. Op deze nieuwjaarsmorgen wil ik u met de hulp van de HEERE bij déze boodschap bepalen.

 

We nemen onze tekst uit Genesis 16, het achtste vers:

 

En Hij zeide: Hagar, gij dienstmaagd van Sara, van waar komt gij en waar zult gij heengaan? En zij zeide: Ik ben vluchtende van het aangezicht mijner vrouw Sara.

 

Wij letten aan de hand van onze tekst op: Twee indringende vragen.

 

De eerste vraag is: Waar komt u vandaan?

De tweede vraag is: Waar gaat u heen?

 

1. Waar komt u vandaan?

 

Gemeente, waar komt u vandaan? Ons leven is een grote reis en al duurt die levensreis voor de één langer dan  de ander; twee vragen zijn beslissend: ‘waar komt u vandaan?’, en ‘waar gaat u heen?’ Die twee vragen werden eeuwen geleden gesteld aan een jonge vrouw. Ze heette Hagar, ze was een slavin, een hulp in de huishouding zou je haar ook mogen noemen. Ze woonde en werkte bij twee oudere mensen, Abram en Sara. Het waren vrome en godvrezende mensen die de HEERE liefhadden. Grote dingen had God aan Abram en Sara beloofd, ze zouden een kind, een zoon, ontvangen. En biddend hebben ze naar die beloofde zoon uitgezien. Maar hun gebeden bleven onverhoord.

 

Tenminste, daar leek het op! En wat hebben ook Abram en Sara het daar moeilijk mee gehad, want kinderen zijn immers een zegen, een godsgeschenk. Een nageslacht van God te krijgen, dat is toch zo rijk. En daar kwam voor Abram en Sara nog iets bij. Want de HEERE had in verband met die beloofde zoon over zulke grote dingen gesproken. Vreest niet, Abram, had de HEERE gezegd, Ik ben u een Schild, uw Loon zeer groot (Gen.15:1).

Zie je de sterren? - een oosterse sterrenhemel is nog veel indrukwekkender dan de onze – zó zal uw nageslacht zijn, en in uw zaad zullen alle geslachten van de aarde gezegend worden. Dat had God gesproken en Abram geloofde God en het is hem tot rechtvaardigheid gerekend!

Wat had Abram veel gehoord en veel gezien in de belofte die God hem had gedaan. Hij had Christus daarin gezien. Dat éne Zaad, dat Vrouwenzaad, dat zou komen om Satans kop te vermorzelen en zondaren de gelukzaligheid te brengen. Dát had Abram door het geloof in Gods beloften gezien.

 

Toen Abram de beloften kreeg was hij 75 jaar oud en zijn vrouw Sara was tien jaar jonger dan hij. Eigenlijk waren het toen al twee oudere mensen. Naar de mens gesproken was er geen verwachting meer dat dit echtpaar nog een kind zou ontvangen. Toch geloofde Abram Gods belofte en dat is hem tot rechtvaardigheid gerekend.

Nu zijn we al bijna 20 jaar verder en nog steeds is de beloofde zoon niet geboren en Abram en Sara worden ouder en ouder. En weet u wat er toen gebeurde? Langzaam maar zeker is er als het ware een deur dichtgegaan tussen Abram en Sara aan de éne kant, en God en Zijn rijke belofte aan de andere kant. Ze begonnen te twijfelen aan God en zijn belofte. Want bij het ouder worden, verdween meer en meer de mogelijkheid aan hun kant om die beloofde zoon ooit nog te kunnen krijgen. Wat zijn ze toen in tweestrijd gekomen: ‘Zouden Gods beloften immer hun vervulling missen, vrucht’loos worden afgewacht van geslachte tot geslacht?’

Dat was de strijd van Abram en Sara, en in die strijd kwam de duivel erbij. De duivel weet altijd wannéér hij zich in die strijd moet mengen en hóé! Hij wil alles stuk maken. Het is net als in het paradijs. Hij begint met Sara. Sara begrijpt direct wat de duivel haar influistert. Het is ook zo logisch wat hij haar zegt. Ze is te oud geworden, de moederschoot is gesloten. God kan het wel zeggen, Hij kan wel veel beloven, maar het is onmogelijk.

 

Met die twijfel in haar hart gaat Sara naar Abram. Abram luistert naar zijn vrouw en ze gaan samen naar een oplossing zoeken. Maar helaas, niet in de weg van het geloof, niet in de weg van het gebed, maar in de weg van het vlees; een eigen weg. De naam van Hagar valt. Hagar, de slavin, de dienstmaagd van Sara, en Sara geeft haar dienstmeisje als het ware aan Abram. Wanneer Hagar dan zwanger worden zal, dan zal dat een kind van Sara zijn. Dat klinkt wonderlijk in onze oren, maar toen was dat niet ongebruikelijk.

Maar zo is wél de ellende in de tenten van Abram begonnen. Want toen Hagar zwanger werd, toen werd ze trots en verwaand. Zij krijgt wél een kind, Sara krijgt geen kind en dat heeft ze haar meesteres góéd laten voelen.

 

Op den duur is het in die tenten van Abram een waar steekspel geworden tussen die beide vrouwen. En Sara verliest het, ze kan er niet meer tegen. Ze beschuldigt haar man Abram: ‘Het is allemaal jouw schuld’, zegt ze. ‘dat krenkende, dat vernederende dat mij aangedaan wordt, ligt voor jouw rekening’. Ze stelt Abram voor de keus: ‘Hagar eruit of ik ga weg.’ Abram kiest de kant van zijn vrouw en hij zegt tegen haar: ‘Dan is Hagar in jouw macht. Doe met haar wat je wilt!’ En zo lezen we in ons hoofdstuk dat Sara Hagar heeft gestraft, vernederd tot de rang van een slavin en mogelijk, zoals men dat toen wel heel vernederend deed, zijn de haren van Hagar afgeschoren. Dat is voor een vrouw een diepe vernedering, zeker voor een oosterse vrouw.

 

Uiteindelijk is Hagar weggevlucht. Ze verdroeg de vernedering niet langer. Ze voelde zich in zekere zin ook de meerdere van Sara, zij droeg immers Abrams kind in haar schoot.

Ze is weggelopen. Waarheen? Naar Egypte? Waar ze vandaan kwam, waar haar moeder woonde?

Daar gaat Hagar. Een jonge, zwangere vrouw, en ze vlucht weg de woestijn in. En niemand die haar opvangt. Geen maatschappelijk werk, geen opvangmogelijkheden, niets en niemand die zich om haar bekommert.

Tóch is er Iemand; Iemand met een Hoofdletter, die zich wél om haar bekommert. Hij ziet om naar deze vrouw in nood, want er is een God in de hemel die omziet naar mensen in nood. Hij zoekt het verlorene.

 

Zo heeft God ook die weggelopen Hagar gevonden, uitgeput en doodmoe, bij een bron in de woestijn. We lezen in vers 7 dat de Engel des HEEREN aan Hagar is verschenen bij de waterfontein in de woestijn. De Engel des HEEREN, dat is de Heere Christus. Dat kunnen we lezen in het dertiende vers van ons hoofdstuk, waar we lezen dat de Engel des HEEREN tot haar sprak. Dat het geen gewone engel is, blijkt ook uit de woorden die Hagar sprak: Gij, God des aanziens. Deze Engel was de Heere Christus, de ongeschapen, eeuwige Engel, de eeuwige Knecht van de Vader. Híj heeft Hagar gevonden, in de woestijn.

 

En dan komen die indringende vragen in onze tekst, in het achtste vers, waar de Engel des HEEREN haar vraagt: Hagar, gij dienstmaagd van Saraï, vanwaar komt gij en waar zult gij heengaan?

Het zijn vragen waar Hagar niet omheen kan. Ze schrikt van die vragen, want ze antwoordt: ‘Bent U het, HEERE? Die naar míj omziet, terwijl ik niet naar U omzag?’ Hoe groot is Gods trouw, God reist achter zo’n wegloper aan. Hij roept haar toe: Keer weder tot uw vrouwe, en verneder u onder haar handen. Hagar, die gespot had met God en Gods beloften en zichzelf in het middelpunt van de dingen had gezet, die de bestraffing en de tucht verworpen had en weg was gelopen. God komt haar achterna en vraagt: ‘Hagar, van waar komt gij en waar zult gij heen gaan?’

 

Gemeente, vanwaar komt gij? Waar komt u vandaan? Het is een vraag die ook wij naar ons toe krijgen. Een vraag die elke dag onze aandacht zou moeten hebben. Zeker zo aan het begin van een nieuw jaar. De levensreis gaat verder, we zijn over de grens gegaan van oud en nieuw. Nu komt de HEERE vandaag ook tot ons en Hij vraagt het u, Hij vraagt het jou: ‘Waar kom je vandaan? ‘

Om een bijbels antwoord op die vraag te kunnen geven moeten we teruggaan naar het begin; want toen de Engel des HEEREN die eerste vraag aan Hagar stelde: ‘vanwaar komt gij?’, werd die vraag met een bedoeling gesteld. De HEERE wilde dat Hagar terug zou kijken, op wat achter ligt, op de dingen die gebeurd waren, want de Engel des HEEREN wilde dat Hagar zou ontdekken dat de dingen uit haar verleden alles te maken hebben met de omstandigheden waarin ze nú verkeert. Hagar heeft dat goed begrepen, daarom is haar antwoord: ik ben vluchtende. Dat is de nood van Hagar. 

 

Vanwaar komt gij? Met die vraag worden we op nieuwjaarsdag geconfronteerd en als we eerlijk zijn, moeten we net als Hagar antwoorden: ‘ik ben vluchtende’. We zijn op de loop, wij allemaal. Al in het paradijs zijn we op de loop gegaan, weggevlucht van God, steeds verder bij God vandaan.

Overal in de wereld kom je het tegen, nood, verdriet, tranen, smart en rouw. Hoe kómt dat toch? Waar komt al die ellende toch vandaan?

Wel, omdat we vluchtelingen zijn uit het verloren paradijs. Weggelopen van God, omdat we overtreders zijn van dat goede gebod dat God ons ten leven had gegeven.

Kijk eens goed naar Hagar, daar in de woestijn. Wat een eenzaamheid, een vrouw zonder uitzicht. Ze heeft geen toekomst. Wat staat haar te wachten? Ik denk bij mezelf: Hoeveel mensen zouden op nieuwjaarsmorgen, net als Hagar, in de woestijn van de wereld liggen, zonder uitzicht, zonder toekomst, zonder hoop?

 

De woestijn – dat is het beeld van de eenzaamheid en van de dorheid, van een leven buiten God en zonder Christus. Van mensen zonder toekomst, mensen die geen hoop hebben. Misschien herkent u zich, misschien herken jij je wel in dat beeld van Hagar en zie je jezelf ook liggen in de woestijn van het leven, arm, jammerlijk, blind en naakt. Dan komt God vanmorgen naar u toe, dan zoekt God jou vanmorgen op in de prediking van Zijn Woord, dan komt Hij tot ons met die vraag: Vanwaar komt gij? Alsof Hij zeggen wil: Mens, waar bent u toch mee bezig? Wat maakt u toch van uw leven?

 

Misschien was er in het achterliggende jaar wel veel zorg en veel verdriet in uw leven. Misschien ziekte en tegenslag op uw levenspad, en vroeg u zich af: ‘Waarom overkomen me toch al die moeilijke dingen?’

Dan is het antwoord: God wil dat u anders gaat denken, dat u het anders gaat zien, en daarom komt Hij tot u met de vraag: waar komt u vandaan? Opdat u terug zou gaan kijken en zou weten: wat in het verleden is gebeurd, dat heeft nu alles te maken met de omstandigheden die er nu in mijn leven zijn. Daarom die vraag. God wil dat we het gaan zien en dat we het voor zijn aangezicht belijden: ik kom uit het verloren paradijs, weggevlucht van God, in de kennis van Zijn wegen heb ik geen zin gehad. Ik heb de léugen geloofd, mezelf in ‘t middelpunt gezet. Ik heb voor de drievoudige dood gekozen. God wil dat we die werkelijkheid en die ernst gaan zien. En dat we gaan belijden: ‘We hebben allen gezondigd en derven – dat betekent: missen – de heerlijkheid van God.’ Ja, dat we het nog persoonlijker gaan zeggen: ‘Ik heb gezondigd en daarom loopt het mis in mijn leven en daarom sta ik op verlies en heb ik geen deel aan God en het eeuwige leven.’ Wie van die waarheid overtuigd is, zegt het Jeremia na: Het zijn de goedertierenheden des HEEREN, dat wij niet vernield zijn, dat Zijn barmhartigheden geen einde hebben. Zij zijn allen morgen nieuw, Uw trouw is groot (Klaagl.3:22,23). Dan is het een wonder nog te zijn in het heden der genade, in de wel aangename tijd en de dag der zaligheid. Nog een nieuw jaar binnen te gaan!

 

Een indringende vraag: ‘Waar kom je vandaan?’

En dan nog zo’n vraag: ‘Waar ga je heen?’ Dat is onze tweede gedachte. Maar we zingen samen eerst Psalm 138, het vierde vers:

 

Als ik, omringd door tegenspoed,
Bezwijken moet,
Schenkt Gij mij leven;
Is ’t, dat mijns vijands gramschap brandt,
Uw rechterhand
Zal redding geven.
De HEER’ is zo getrouw als sterk;
Hij zal Zijn werk
Voor mij volen - den;
Verlaat niet wat Uw hand begon,
O Levensbron,
Wil bijstand zenden.

 

Twee vragen zijn belangrijk op onze levensreis, niet alleen die eerste vraag: ‘Vanwaar komt gij?’, maar ook die tweede vraag:

 

2. Waar gaat u heen?

 

Zo staat daar de Engel des HEEREN bij die jonge zwangere vrouw, die daar uitgeput in de woestijn, ergens bij een waterbron, neerligt. Hagar, waar kom je vandaan, waar ben je mee bezig, wat heb je gedaan, én, Hagar:  waar ga je heen? Hoort u de zorg, de ernst en de liefde doorklinken in deze vraag? De HEERE laat Hagar niet aan haar lot over, maar in tere, liefdevolle bezorgdheid staat de Engel des HEEREN bij haar, vragend, onderzoekend, kloppend op haar hart: ‘Waar ga je heen, Hagar? Waar zul je terecht komen?’ De HEERE wil dat ze die moeilijke, smalle weg van terugkeer en van vernedering zal gaan.

 

Zo staat de HEERE ook in ons midden aan het begin van dit nieuwe jaar. Hij roept het weglopers als u, jij en ik toe: ‘Keer toch weder! Kom, bekeert u, waarom zou je sterven?’ Hoort u de liefdevolle, ernstig roepende stem van de HEERE in dit Evangelie? Hij bekommert Zich om ons, hij heeft geen lust in onze dood, maar daarin, dat we ons zouden bekeren en leven. Daarom vraagt Hij u en jou vanmorgen: ‘Waarheen? Waar gaat uw leven heen?’

We beginnen allemaal het nieuwe jaar met verschillende verwachtingen; de één is vol van plannen en heeft goede moed en heeft veel goede voornemens, de ander is misschien meer terneergeslagen of zelfs somber gestemd. Onze verwachtingen hebben immers alles te maken met wat we hopen en vrezen. Maar dít is zeker: het werk van God gaat door! Gods eeuwig voornemen zal tot Zijn doel komen; God heeft zijn plannen met deze wereld en de inwoners van deze wereld. Bij alle verwachtingen en voorspellingen, bij alle zorgen die ons kunnen bezetten, wil ik u herinneren aan dat éne woord van de Zaligmaker: Zijt dan niet bezorgd tegen de morgen; want de morgen zal voor het zijne zorgen; elke dag heeft genoeg aan zijns zelfs kwaad (Matt.6:34).

 

Laten we te midden van alle beslommeringen vooral ook die tweede vraag overdenken: waar gaat u heen? Het is de vraag naar onze bestemming, naar de eeuwige bestemming van je leven. Wéét u het? Weet jíj het? Waar je heengaat? Zijn we ervan overtuigd dat als we nog op de brede weg lopen, die naar het eeuwig verderf leidt? Waar zullen we zijn aan het einde van onze levensreis? Wij hebben allemaal wel dezelfde afkomst – want ons vertrekpunt ligt bij Adam, bij onze val van God, in het verloren paradijs – maar de uitkomst van onze levensreis zal voor ieder mens níét hetzelfde zijn. Niet ieder mens komt aan het einde van de reis op hetzelfde punt uit. En daarom moet u óók nadenken over die tweede vraag: waar zult gij heengaan?

De apostel Paulus is een man die deze vraag voor God en mensen beantwoorden kon. Hij kon zeggen: Want ik weet Wien ik geloofd heb, en ik ben verzekerd dat Hij machtig is mijn pand, bij Hem weggelegd, te bewaren tot dien dag. Je leest het in 2 Timotheüs 1 vers 12.

Wat is dat een rijke wetenschap, wat ben je dan getroost, als je mag weten waar de reis van je leven heengaat! Weet u het? Kun jij het Paulus nazeggen: ‘Ik wéét het, ik ben er ook zéker van?’ Die kennis is absoluut noodzakelijk, met minder kan het niet, met minder mág u niet tevreden zijn. Het gaat erom dat u tussen God en uw ziel met zekerheid weet, dat de reis van uw leven, net als die van Paulus, zal eindigen in de eeuwige zaligheid.

 

Vanwaar komt gij, en waar zult gij heengaan? Paulus wist het. Weet u het ook? Maar hoe is Paulus dan aan die gezegende wetenschap gekomen, waarin heeft hij dan rust gevonden? Hij heeft het gevonden in Christus, die Hij kennen mocht als zijn Borg en als zijn Zaligmaker. Door het geloof heeft hij in Hem zijn rust gevonden. Hij was er van overtuigd in goede handen te zijn, in doorbóórde handen. Reddende handen die hem in zijn verlorenheid hebben opgeraapt. Bewarende handen die hem nooit meer los zullen laten. Mijn pand – zegt Paulus – en hij wil daarmee te zeggen: dat is alles wat me uit genade in de Heere Jezus Christus is geschonken en toegerekend. Mijn pand, dat ik uit die reddende handen door genade ontvangen heb, is in bewaring bij een almachtig God en bij een getrouw Vader. Dat is zijn veiligheid, dat is zijn zekerheid en daarom weet hij: Straks aan het einde, wanneer de dingen tot hun bestemming zullen gekomen zijn, in die grote dag, dan zal het blijken dat ik elk uur en elk ogenblik in de beste handen geweest ben. Dat was Paulus’ wetenschap en zó was hij eraan gekomen.

 

Bent u er jaloers op? Op die zalige kennis, die verkregen wordt op de leerschool van Gods’ genade? Het kan ook nog uw deel, jouw deel worden! Maar dan gaat God u eerst het antwoord op die eerste vraag leren: waar u vandaan komt. Hij geeft u dan kennis aan uw verloren staat, Hij leidt u terug op de weg van uw leven.

Hoe ontdekkend, hoe vernederend, als die zelfkennis je bijgebracht gaat worden, als je teruggeleid wordt naar het verloren paradijs, hoe je in Adam van God bent afgevallen en nu met heel de wereld verdoemelijk ligt voor God. Een inwoner bent van stad Verderf, dat je bezig bent om de verkeerde kant op te reizen, steeds verder weg van God en van Christus.

 

Waar komt u vandaan? Dan gaat die vraag zo ontdekkend doorklinken in uw leven en dan zult u net als Hagar gaan antwoorden: ik ben vluchtende. Dan moet u net als Hagar met heel uw armoede en al uw gebrek, met uw schuld en met uw schande voor de dag gaan komen.

Ik ben vluchtende…  Maar de HEERE wil nog met zulke mensen te doen hebben en weglopers nog toeroepen: Keert weder, gij afkerige kinderen; Ik zal uw afkeringen genezen (Jer.3:22).

‘Want’, zegt de HEERE, ‘bij Mij is nog vergeving, véél vergeving, opdat Ik gevreesd wordt.’ Dan toont de HEERE dat er bij Hem genezing is voor afkerige kinderen, dat er nog zaligheid is voor weggelopen zondaren. Dan komt Hij uw ziel, die zucht onder het gewicht van uw schuld en verlorenheid, troosten met die redding die Hij bereid heeft in Zijn lieve Zoon: záligheid voor de grootste van de zondaren. ‘Ik ben Uw heil alleen.’

 

Keer weder, kom, bewandel die weg van de terugkeer. Een weg van verootmoediging en van vernedering.

En Hagar?

Ze is opgestaan en ze is wedergekeerd. Haar hart is overgebogen door dat spreken, dat vragen van de HEERE. In verwondering heeft ze uitgeroepen: Gij God des aanziens. Ze heeft iets ervaren in haar hart van dat goddelijke ‘nochtans’ van zijn opzoekende en ontfermende liefde, dat Hij haar aan wilde zien, die weggelopen was, die zichzelf in het middelpunt had willen plaatsen. Die zo’n opstandeling geweest was.

Dat wordt ook het wonder in het leven van allen die de HEERE vrezen, ze keren terug net als Hagar. En ze zullen die plek nóóit meer vergeten waar God hen opzocht, en waar hij hen vond, zo’n wegloper, zo’n onwillige.

 

Vanwaar komt gij? Waar gaat u heen? Die waterput werd genoemd: Lachai-Roï – Bron van de Levende, Die naar mij omziet. De Levende, de God des aanziens. Hij is vol van ontferming. Hij ziet om naar weglopers. Die Bron is, gemeente, voor ons een prediking. Dát is de boodschap op deze nieuwjaarsdag voor u en voor jou: God is een God des aanziens, Die ons ziet en zich ontfermt over weglopers. Dan is de fontein van Zijn genade ook vandaag nog overvloeiende, zelfs voor de voornaamste van de zondaren.

 

Amen.