Ds. A.T. Vergunst - Maleachi 3 : 6 - 12

Gods wil betreffende het geven van tienden

de Bijbelse feiten
de Goddelijke redenen
de Goddelijke beloften
Dit onderwerp is niet geschikt als leespreek, maar voor een gemeenteavond met discussie. 

Maleachi 3 : 6 - 12

Maleachi 3
6
Want Ik, de HEERE, word niet veranderd; daarom zijt gij, o kinderen Jakobs! niet verteerd.
7
Van uwer vaderen dag af, zijt gij afgeweken van Mijn inzettingen, en hebt ze niet bewaard; keert weder tot Mij, en Ik zal tot u wederkeren, zegt de HEERE der heirscharen; maar gij zegt: Waarin zullen wij wederkeren?
8
Zal een mens God beroven? Maar gij berooft Mij, en zegt: Waarin beroven wij U? In de tienden en het hefoffer.
9
Met een vloek zijt gij vervloekt, omdat gij Mij berooft, zelfs het ganse volk.
10
Brengt al de tienden in het schathuis, opdat er spijze zij in Mijn huis; en beproeft Mij nu daarin, zegt de HEERE der heirscharen, of Ik u dan niet opendoen zal de vensteren des hemels, en u zegen afgieten, zodat er geen schuren genoeg wezen zullen.
11
En Ik zal om uwentwil den opeter schelden, dat hij u de vrucht des lands niet verderve; en de wijnstok op het veld zal u geen misdracht voortbrengen, zegt de HEERE der heirscharen.
12
En alle heidenen zullen u gelukzalig noemen; want gijlieden zult een lustig land zijn, zegt de HEERE der heirscharen.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Lezen : Genesis 14: 13-24
Lezen : Maleachi 3: 6 -12
Lezen : Mattheüs 23: 23-33

Gemeente,

 

Het is ons allemaal duidelijk dat je je liefde aan iemand kenbaar maakt door te geven. Het is ook meestal zo dat van wie we het meest houden, we het meest geven. Je gave is dan een uitdrukking van wat die persoon voor jou waard is. Hoe meer iemand je waard is, hoe meer je dat uitdrukt in iets waardigs. Laten we dat eens doortrekken naar God.

 

Wat zijn wij voor God waard? Dat is best een vreemde vraag. Wij zijn immers niets waard. We hebben toch alles verzondigd. We zijn het waard om voor eeuwig van deze wereld te worden verbannen. En juist in het licht van die waarheid schijnt de grootheid van God. Wat wij voor God waard zijn, blijkt uit wat Hij gaf: "Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft." Als Paulus in 2 Korinthe 9 de gemeente vermaant om rijk te geven, schiet zijn gemoed ineens vol en hij roept het uit: “Doch Gode zij dank voor Zijn onuitsprekelijke gave.” Het was niet alleen onuitsprekelijk in wat Hij gaf, maar ook hoe Hij gaf. Hij gaf niet spaarzamelijk, maar in overvloed. Hij gaf niet gedwongen, maar vanuit Zijn liefdevol hart. Hij gaf niet uit droefheid, zoals wij soms met grote moeite iets waardevols weggeven dat we liever zelf zouden houden. Nee, Hij gaf als een blijmoedige Gever. En niet goud en zilver, maar Hij gaf Zijn Zoon – in de dood;- de vervloekte dood, en dat voor onwaardige of helwaardige zondaren. God toonde Zijn liefde door de waarde en de waardigheid van Zijn geven, zoals nooit een schepsel het kan doen. Paulus gebruikt die waarheid om de Korintiërs aan te moedigen in het geven voor de zaak van de Koning. Zo spreekt Gods Woord vandaag ook tot ons.

In de loop van de jaren hoorden we preken over het achtste gebod: “Gij zult niet stelen.” Ongetwijfeld worden we dan ook bepaald bij de positieve kant van dit gebod: “Gij zult geven.” Er is echter een aspect in het Bijbelse onderwijs over het geven dat danig onderbelicht blijft. Persoonlijk ben ik opgegroeid in een christelijke context waar ik nog nooit een preek gehoord had over het ‘geven van onze tienden’. Het werd mij niet van huis uit aangeleerd om een tiende van mijn eerste verdiende geld af te zonderen voor God. Ik verwacht dat er ook hier velen zijn die hier nog nooit een preek over gehoord hebben en misschien hun hele leven nog nooit een tiende voor Gods zaak hebben afgezonderd. Toch zal het goed zijn, en het blijft ook nodig, dat we samen aan de voeten van het Woord gaan zitten om te horen wat God over dit aspect van ons geven spreekt.  

 

In een van de Engelse Puriteinen las ik een vraag die me raakte: “Geven we aan God wat overblijft of wat Hem toebehoort?” Dat is een onderzoekende vraag. Al lezend over Samuel Chadwick, de Engelse Puritein, las ik van hem deze woorden: "Ik ben ervan overtuigd dat er niets is waarover het christelijk geweten zo slecht geïnformeerd is als het onderwerp van christelijk geven." Wat denkt u? Heeft hij gelijk? Hoe vaak bestuderen we het Woord van God over dit onderwerp? Er zijn andere onderwerpen die te weinig belicht worden. Bijvoorbeeld, er wordt veel over het gebed gepreekt, maar wanneer krijgt vasten dezelfde aandacht die de Heere Jezus het gaf in Mattheus 6? En daarnaast sprak de Meester ook over het geven van de aalmoes. Hij gaf dus ook in die zaken duidelijk onderwijs. Ik nodig u uit om samen te luisteren naar Gods geopenbaarde wil over het geven van de tienden in het licht van het achtste gebod.

 

In het achtste gebod zet de Heere een beschermde beschutting rondom het bezit dat Hij ons in Zijn soevereiniteit toewijst. Hij, als de Allerhoogste en de Enige Eigenaar van alles wat we hebben, maakt ons een rentmeester. En daar mogen we mee werken. We mogen dat bewerken. We mogen, door er mee te werken, het vermeerderen of zelfs verbeteren. We mogen er ook van genieten en natuurlijk anderen er ook van laten genieten, zeker van het extra dat we hebben en niet écht nodig hebben.

Toen ik in Nieuw Zeeland predikant werd, hebben ze een pastorie in een weiland gebouwd. Ik werd de rentmeester en mocht het weiland in een tuin veranderen. Met veel vreugde heb ik daar in mijn vrije tijd 13 jaar aan gewerkt en het was een vreugde om het kale weiland te bewerken. Maar ik was geen eigenaar. Ik was rentmeester. En dat zijn we allemaal. Ieder krijgt een stukje, kleiner of groter, maar vergeet niet het etiket dat op alles staat: “De aarde is des Heeren mitsgaders hare volheid, de wereld en die daarin wonen.” (Ps. 24:1) David erkende dat in 1 Kronieken 29:11: “Uwe, o HEERE! Is de grootheid en de macht en de heerlijkheid en de overwinning en de majesteit, want alles wat in de hemel en de aarde is, is uwe; uwe, o HEERE, is het koninkrijk, en Gij hebt U verhoogd tot een Hoofd boven alles.” Denken we zo? Wees eens eerlijk? Hoe vaak hebben we het over mijn huis, mijn auto, mijn geld, mijn land ... Denken we dan als ‘rentmeesters?

 

God spreekt over het geven van de tienden in de Schriftgedeelten die we lazen. Het geven van tienden is het geven van 10% van ons inkomen. Dus als we honderd euro verdienen, vraagt de hemelse Bezitter van hemel en aarde ons tien euro aan Hem te geven. Niet dat Hij die nodig heeft voor Zichzelf, maar Hij gebruikt dat weer voor anderen.

 

“Ja maar ...” Heel vaak krijg ik zulke antwoorden als ik dit Bijbelse onderwerp belicht. Mensen zeggen dan tegen me: "O, dat is niet zo, de tienden geven, dat is verleden tijd. Dat is iets oudtestamentisch. En dat is iets wat de Roomse kerk vroeger deed en die namen zelfs nog veel meer dan de tienden. En nu vind je dat ook nog in evangelische kringen. Maar wij hoeven dat niet meer te doen."

 

Naast deze antwoorden hoor ik ook sommige mensen de tienden afwijzen als een Bijbelse verplichting voor elke christen met het antwoord: “O, dat is de godsdienst van de rijke jongeling." Inderdaad, als we denken er de hemel mee te kunnen verdienen, zijn we abuis. Maar er zijn ook mensen die dat proberen met veel gebed, of met stipte gehoorzaamheid. Zullen we dan ook het bidden maar afwijzen? Zullen we het ook maar niet te nauw nemen met een stipt leven? Ik neem aan dat we zo niet denken.

 

Daarnaast zijn er misschien hier een aantal die denken: "Ik heb dit nog nooit eerder gedaan. Mijn ouders hebben hier nooit met mij over gesproken en het ook niet voorgeleefd. Mijn grootouders hebben dat ook nooit gedaan. Waarom zou ik tienden moeten betalen?" Gemeente, wat komt er nu boven onze ouders? Gods Woord toch? Daar zijn we het toch over eens. “Zo zegt de Heere...” staat toch boven wat ouders, grootouders en predikanten zeggen? Daar wil ik uw aandacht voor vragen.  

 

Een volgend argument is vaak: "Tienden geven, dat is de Mozaïsche wet. Dat hoort thuis in de oudtestamentische tijd. Maar nadat Christus stierf aan het kruis en we in het Nieuwe Testament gekomen zijn, zijn de burgerlijke wetten vervallen.” Ik wil er nu niet de tijd voor nemen om uit te leggen wat er fout is in deze gedachtegang. Maar is de veronderstelling correct dat het ‘geven van tienden’ afkomstig is van de burgerlijke wetten uit het Oude Testament?

 

Ten slotte wordt er vaak naar Handelingen 2 en 4 gewezen. Daar was het duidelijk een vrijwillig geven. Inderdaad. Wat was dat een gezegende tijd voor de kerk van God! Gemeente, als we zo met elkaar een gevende gemeente zijn, wat zal dat een boodschap en getuigenis zijn! Als we nu echt alle extra’s die we niet nodig hebben aan de behoeftigen geven, wat zal dat een kracht zijn! Zovelen die tot de algemene Christelijke Kerk behoren leven in volstrekte armoede, haast niet wetend waar ze hun dagelijks brood en water vandaan moeten halen. Toch is dit vrijwillig en overvloedig geven in Handelingen 2 en 4 geen antwoord op de vraag of Gods wil over het geven van de tienden is vervallen.

Laten we eerlijk zijn met elkaar. De diepste reden waarom we bezwaar maken tegen het geven van tienden, is wat er in mijn hart ook leeft. We zijn toch zo gehecht aan ons bezit! Om de tienden aan God te geven betekent dat er veel minder overblijft voor alles wat ik zo nodig denk te hebben! En dan zeggen we het nog netjes. Eerlijker is dat er minder overblijft voor al de extra’s die ik toch niet graag zou willen opgeven.

Ik wil met u Gods wil betreffende het geven van tienden onderzoeken. We hopen te letten op drie gedachten:

 

1. de Bijbelse feiten;

2. de Goddelijke redenen;

3. de Goddelijke beloften.

 

1. De Bijbelse feiten

Laten we dus eerst eens luisteren naar enkele verwijzingen in het Oude Testament. Een ervan heb ik u al voorgelezen, namelijk Abram en Melchizedek. Abram is de overwinnaar geworden in de strijd tegen Kedor-Laomer. Alle mensen en spullen uit Sodom en Gomorra zijn nu in handen van Abram. Maar hij houdt het niet voor zichzelf. Bijna alles wordt teruggegeven aan de koning van Sodom. Iedereen die meegestreden heeft, mag een gedeelte als het zijne beschouwen. Maar, en dat is toch bijzonder, een tiende van alles is voor de HEERE God. Abram geeft dit aan Melchizedek die als de priester van de Allerhoogste is aangesteld. Tot tweemaal toe in deze passage lezen we dat de Allerhoogste de hemel en de aarde bezit (vs. 19, 22). Abram besefte dat alles aan Hem toebehoorde en in erkentenis daarvan gaf hij een tiende aan Melchizedek.

 

Verderop in Genesis lezen we het verhaal van Jakob in Bethel, in Genesis 28. Jacob krijgt een indrukwekkende boodschap van God, door middel van een droom. De boodschap staat vol van Gods rijke genade voor een onwaardige bedrieger. Nadat Jacob wakker is geworden, deed hij ook een belofte aan God in vs. 20-22: “En Jacob beloofde een gelofte, zeggende: Wanneer God met mij geweest zal zijn, en mij behoed zal hebben op dezen weg dien ik reis, en mij gegeven zal hebben brood om te eten, en klederen om aan te trekken, en ik ten huize mijns vaders in vrede zal wedergekeerd zijn: zo zal de HEERE mij tot een God zijn, en deze steen, dien ik tot een opgericht teken gezet heb, zal een huis Gods wezen, en (dan komt het relevante gedeelte voor ons onderwijs), alles wat Gij mij geven zult, daarvan zal ik U voorzeker de tienden geven.”

 

Merk op dat deze twee passages in Genesis staan. Dit is zo’n 400 jaar vóór de Mozaïsche wetgeving. Dus als wij denken: Dit is alleen een kwestie van de burgerlijke wet van Mozes – dan klopt dat niet, vrienden. Het geven van de tienden werd trouw beoefend door de aartsvaders vanaf het begin van de wereldgeschiedenis. Hoe wisten ze dit? Is dit een natuurlijke wet? Zit dat in onze genen? Was dit een gewoonte? Het is beter dat we aannemen dat de HEERE dit aan Zijn kinderen bekend gemaakt heeft. Niet alles is beschreven wat Hij door Zijn Geest en Woord bekend maakte. Hoe wist Abel over het offeren van een lam? Hoe wist Noach over de onreine en reine dieren?

 

Het boek van Genesis is het boek van de oorsprong. Alle essentiële leerstukken zijn oorspronkelijk te vinden in het boek Genesis: de schepping, het werkverbond, het huwelijk, de zondeval, Gods genadeverbond, de eredienst, de rechtvaardigmaking, de heiligmaking en nog veel meer. Maar ook de oorsprong van het geven van de tienden. We kunnen het dus niet afdoen met een verwijzing naar de wetgeving onder Mozes.

In de Mozaïsche wetgeving wordt het geven van de tienden duidelijk geregeld. We beperken ons nu tot één van de vijf of zes passages die in Leviticus, Numeri en Deuteronomium gevonden worden: Leviticus 27:30. Formeel wordt nu als wet gegeven wat al eeuwenlang de praktijk was onder de godzaligen: “Ook alle tienden van het land, van het zaad van het land, van de vrucht van het geboomte, zijn des HEEREN, zij zijn den HEERE heilig.” Dit is een samenvattende verklaring van verschillende andere van zulke passages in het boek Deuteronomium en Numeri. "Het is heilig voor de HEERE." Iets wat heilig is, is iets speciaals, iets wat is afgezonderd voor God. We hebben het over het heilige water in de Doop, het heilige brood en wijn in het Avondmaal. God gebruikt nu ook dit woord ‘heilig’ voor de tienden. Dat is heel bijzonder. Dat is iets wat is toegewijd. Dat behoort aan God. Hij heeft daar Zijn heilige stempel op gezet.

Nu zijn er in de rest van het Oude Testament heel veel passages waarin de profeten spreken tegen de praktijk van hebzucht. Hoewel ze niet altijd rechtstreeks verwijzen naar het verzuimen van het geven van de tienden, spreken ze heel veel over het materialisme van het Joodse volk.  Een voorbeeld uit Jeremia, en spreekt het niet over onze tijd: “Want van hun kleinste aan tot hun grootste toe pleegt een ieder van hen gierigheid, en van den profeet aan tot den priester toe bedrijft een ieder van hen valsheid.” (Jer. 6:13)

 

Slechts drie keer in de hele oudtestamentische geschiedenis lezen we dat de praktijk van tienden geven nieuw leven werd ingeblazen. Het is tijdens de regering van Hizkia, Josia en Nehemia. Drie hervormers die God deed opstaan onder de koningen. Door hun invloed zien we dat de natie Israël terugkeert naar de Mozaïsche eis en de praktijk van hun voorouders. Maar voor de rest lijkt het erop dat in de oudtestamentische tijdsperiode hetzelfde gebeurt als er vandaag onder veel christenen gebeurt: een algemene verwaarlozing van de praktijk van de tienden.

 

Het laatste Bijbelboek Maleachi is gepredikt rondom de jaren van Nehemia. We lezen de verzen in Maleachi 3 nog eens vanaf vs. 7: “Van uwer vaderen dagen af zijt gij afgeweken van Mijn inzettingen, en hebt ze niet bewaard: keert weder tot Mij en Ik zal tot u wederkeren, zegt de HEERE der heirscharen.” Dus al vanaf het begin is er ongehoorzaamheid geweest. Het zal alles te maken hebben met de zonde waarover Paulus sprak: “Doch die rijk willen worden, vallen in verzoeking en in den strik, en in vele dwaze en schadelijke begeerlijkheden, welke de mensen doen verzinken in verderf en ondergang, want de geldgierigheid is een wortel van alle kwaad: tot welke sommigen lust hebbende, zijn afgedwaald van het geloof, en hebben zichzelve met vele smarten doorstoken.” (1 Timotheüs. 6:9-10)

God riep het Joodse volk ‘terug te keren’. Zij antwoordden Hem: "Waarin zullen wij wederkeren?" Gods antwoord is een verbluffende tegenvraag: "Zal een mens God beroven? Maar u berooft Mij.” Dit is heel ernstig. Een mens beroven is al heel slecht, maar God beroven... Dat is heel ernstig. Sta er eens bij stil. Hij Die alles ziet en weet, en Hem dan te beroven! Het is niet alleen de grootste diefstal, maar ook de grootste dwaasheid.

Hoe zal God het bedoeld hebben wanneer Hij hun vraag herhaalt: "Waarin beroven wij U?" Het klinkt alsof God hun onkunde aan de kaak stelt. Zijn antwoord is de keiharde waarheid: “Jullie beroven mijn van de tienden en het hefoffer. Met een vloek zijt gij vervloekt, omdat gij Mij berooft, zelfs het gansen volk.”  Wat een ernstige aanklacht. Al de jaren in Babel hebben dit kwaad niet uitgeroeid. Ze zullen wel hun excuses gehad hebben, zoals: “Ja, maar als alles herbouwd moet worden, kost dat veel geld. En we zijn toch ook allemaal bezig met een nuttig werk.”

 

Als we in het Nieuwe Testament zoeken, vinden we inderdaad niet de brede aandacht aan het geven van de tienden als in het Oude Testament. Maak daar niet de toepassing van dat dit betekent dat het voor God niet meer hoeft in de nieuwtestamentische tijd. De eerste referentie in Mattheüs 23:23: “Wee u, gij schriftgeleerden en farizeeërs, gij geveinsden! Want u vertient de munt en de dille en de komijn, en u laat na het zwaarste van de wet, namelijk het oordeel en de barmhartigheid, en het geloof. Deze dingen moest men doen en de andere niet nalaten.” De Heere Jezus vermaant hier hun genadeloze houding ten opzicht van tollenaren en zondaren, terwijl ze vlekkeloos zijn in het geven van tienden in de minste van de munt, de dille en de komijn. Dat zijn zaadjes van specerijen die eigenlijk heel weinig waard waren. Maar met ware precisie telden ze die zaadjes om de tiende af te zonderen. Maar om barmhartigheid en liefde te betonen aan gevallen en afgedwaalde medemensen, dat konden ze makkelijk overslaan. De Heere haat zo’n houding. Maar in Zijn correctie zegt Hij niet dat de tienden niet meer nodig zijn. Duidelijk zei Hij dat ze dat niet achterwege moesten laten.

Daarnaast herinnert 1 Korinthe 16:1-2 ons aan het geven van tienden: “Aangaande nu de verzameling die voor de heilige geschiedt, gelijk als ik aan de gemeente van Galatië verordend heb, doet ook u alzo. Op elken eerste dag der week legge een iegelijk van u iets bij zichzelven weg, vergaderende een schat, naar dat hij welvaren verkregen heeft.” Let op in het lezen van deze tekst het woordje ‘iets’ cursief gedrukt is. Het staat niet in de oorspronkelijke tekst. Wat we afzonderen, is naar gelang de Heere ons deed welvaren. Elke zondag brachten de gelovigen dat samen. Paulus had dit ook in Galatië geleerd, zelfs al was hij daar heel kort! Je zou zeggen dat in de korte tijd de prediker beter op de grote zaken de nadruk moest leggen. Dat was duidelijk niet de mening van de grote apostel zelf.

Nu is de uitdrukking "legge een iegelijk van u iets bij zichzelven weg" een Hebreeuwse uitdrukking in het Grieks vertaald. Toch is het een typisch Hebreeuws gezegde. Paulus was zelf ook een Jood, door en door vertrouwd met het Oude Testament. Deze uitdrukking verwees altijd naar het afzonderen van de tienden. Zij namen dat dan mee naar Jeruzalem en brachten het naar de priester in de jaarlijkse reizen. Nu brengt Paulus dit over in de nieuwtestamentische gemeente. En zou dat dan ineens betekenen: “Geef maar wat je graag zou willen geven? Het hoeven echt niet de tienden te zijn?”

 

Tot zover het doorlopen van een aantal Bijbelse gegevens. Voordat we onze tweede gedachte overdenken, laten we eerst samen zingen met Psalm 119 vers 24:

 

'k Zal Uw geboôn, die ik oprecht bemin,

Mijn hoogst vermaak, mijn zielsgenoegen achten;

Ik reken die mijn allergrootst gewin;

Ik grijp er naar, en zal er heil uit wachten;

Ik heb ze lief en zal met hart en zin,

Al 't geen Gij ooit hebt ingezet, betrachten.

 

2. De Goddelijke redenen

In onze tweede gedachte denken we over de Goddelijke redenen voor het geven van tienden.

Voordat we een aantal antwoorden bezien, een vraag over de wet. Hoe zien wij de wetten van God? Zien wij de wet als goed? Als de openbaring van Gods heilig en goed Wezen? Onze Schepper zoekt voor ons het beste en heeft ons omringd met de beschermende wet. Bijvoorbeeld het zevende gebod over echtbreken. God bewaart daarin ons huwelijk. Niemand mag ons huwelijk verbreken en uw man of vrouw nemen. Die hoort aan u toe. Zo mag ook niemand uw huis, uw goederen, uw fiets stelen en wij mogen ook nooit de dingen stelen die van anderen zijn. Zo beschermt God ons en ons welzijn door Zijn wet. Het is dus niet zo dat de wet een harde regel is die mijn vreugde wegneemt en mijn vrijheden belemmert. Zo denken we allemaal in een onwedergeboren staat. Als we nog steeds zo denken, is het duidelijk dat we nog totaal blind zijn voor de goedheid van God in Zijn wetgeving.

 

God heeft ook wijze en goede redenen voor Zijn eis om Hem de tienden terug te geven.

Ten eerste, het is om ons eraan te herinneren dat wij geen bezitters zijn. Wij zijn rentmeesters. Hij blijft altijd de Bezitter van hemel en aarde; van alles wat in mijn huis staat, in mijn tuin groeit, wat op mijn bankrekening staat. Hebben we niet allen de neiging dit te vergeten?  Om telkens weer de 10 % af te zonderen in onze geld-maatschappij, is een herinnering om Hem dank te geven dat Hij ons het Zijne laat gebruiken om ervan te genieten, maar ook een herinnering om nooit te vergeten dat we geen eigenaar zijn. We behoren het te gebruiken voor Zijn eer en na de nodige dingen voor ons zelf, ook te gebruiken voor hen die rondom ons zijn en niet genoeg hebben. Hebben wij die herinnering niet telkens weer nodig?

 

Ten tweede snijdt dit gebod heel diep in onze vleselijk hart. Het vraagt de aandacht voor het feit dat ik Christus als Zaligmaker zo nodig blijf hebben. De oproep om de tienden getrouw af te zonderen en aan God terug te geven roept weerstand op in ons zondige hart. Ongetwijfeld zitten er hier velen te luisteren met een groeiende weerstand tegen het weggeven van 10 % van ons inkomen. Misschien zegt u wel: “Geen sprake van! Dan heb ik nooit genoeg geld over om alle rekeningen te kunnen betalen!”

Ik kom daar nog op terug, maar voelt u aan wat Gods wet doet in ons hart! Het brengt onze zondigheid van gierigheid, begeren, hebzucht naar boven.  Dat zien we van jongs af aan. Als mijn kinderen hun eerste geld verdienen, moet ik hen helpen om die tienden weg te leggen voor zondag. Ik hoor ze het nog zeggen: “Ja, maar papa, dat is een hoop geld dat ik moet weggeven. Ik heb er zo hard voor gewerkt.” Mijn antwoord is dan meestal: “Kind, wat is de Heere goed. Jij hoeft Hem alleen maar 10 % te geven terwijl Hij je 90 % in je hand laat. Is dat niet milddadig?”

Het is ook praktisch want God weet dat wij dat geld nodig hebben om te leven, om eten en kleren te kopen, om de hypotheek te betalen, de medische kosten en al de andere nodige kosten om onze kinderen te verzorgen met het noodzakelijke en daarom is het overgrote deel voor ons eigen gebruik.

En daar zit juist de angel! Want wat ik nodig acht, is vaak veel meer dan ik nodig heb. Mijn verlanglijstje staat vol met extra’s die de meeste mensen in onze wereld nooit zullen hebben. Velen van hen zijn niet alleen onze medemensen, maar behoren zelfs tot onze christelijke familie. En nu vinden we het zo moeilijk om de diakenen onze tienden te geven, zodat zij in de nood van anderen kunnen helpen.

Voelt u aan hoe we Christus hierin nodig hebben? Voelt u aan hoe ons hart moet veranderen? Ziet u de noodzaak van de Zaligmaker, die niet Zijn tienden gaf maar Zijn tien maal tienden gaf in het komen naar deze wereld? De wet van de tienden zoekt ons te bewaren van de geldgierigheid die miljoenen in het verderf trekt! De Engelse vertaling van 1 Tim. 6:10 is letterlijk: “De liefde van het geld is de wortel van al het kwaad.”  Gemeente, door de wet van de tienden wil God voorkomen dat de liefde-voor-het-geld-wortel dieper en dieper ons hart in de ban van het verwoestende materialisme doet komen. O, Hij heeft ons welzijn voor ogen als Hij vordert dat wij de tienden Hem geven. Verdenk Hem toch niet, zelfs niet in Zijn wetten. De Heere is goed en vol van liefde.

 

De derde reden waarom God de wet van de tienden heeft ingesteld, is om ons geloof te testen. Als je een groeiend gezin hebt, heb je veel kosten. Ik kan me voorstellen dat we soms van tevoren zitten te rekenen hoe we ooit al onze rekeningen kunnen betalen. Onvoorziene rekeningen kunnen snel oplopen en soms is een salaris al uitgegeven voordat het ontvangen is. Als dit het geval is, neem ik aan dat dit niet het gevolg is van te hoge uitgaven en extra leningen voor de dingen die we graag hebben. Vroeger hoorde ik de ouderen het zeggen: “Je geeft het geld dat je niet hebt, niet uit.” Met andere woorden: dan leen je ook niet, tenzij het echt nodig is. Vandaag leven we echter op een kredietmaatschappij. We lenen voor alles en nog wat: een groter huis dan nodig, een mooiere auto, een caravan of vakantiehuisje. Als we op die manier leven, begrijp ik dat we met die tienden wel heel erg in de knoop komen.

Maar laat ik aannemen dat er hier zijn die niet zo leven en toch moeite hebben om de eindjes aan elkaar te knopen. En dan nog eens 10 % opzij zetten voor God… Hoe moet het dan? Hoe kan ik dan voor mijn gezin zorgen? Het wordt een geloofstest, gemeente. Ik ken die strijd ook, vooral toen we vele jaren geleden met een veel lager inkomen en een groeiend gezin met allerlei medische rekeningen tobden. Soms keken mijn vrouw en ik naar elkaar: "Hoe moet het deze maand gaan?” Wat is de verleiding dan groot, en het klinkt ook logisch: "De Heere zal het best begrijpen als we het deze maand maar bij 5% laten." Het wordt dan een geloofsbeproeving en dat is ook een reden voor de wet van tienden. Maar er ligt een belofte in Gods Woord waar we Hem dan ook op mogen wijzen. Ik kom daar in de laatste gedachte nog op terug.

 

Ten vierde, het geven van de tienden heeft een praktische kant. Het werd afgezonderd om te voorzien in de zorg voor de Levieten, maar ook voor de armen in Israël. De Levieten waren niet afhankelijk van de liefdadigheid van het volk. God betaalde hen door de tienden van de anderen. Zo zouden ook de armen vanuit het kerkelijk centrum Jeruzalem worden verzorgd.  In onze tijd is dit nog steeds zo. Om een predikant, koster en hun gezinnen te onderhouden, om een kerkgebouw te bouwen en te onderhouden, daar heeft de kerk geld voor nodig. Maar ook om als kerkelijke gemeente mee te dragen in alle andere taken van de christelijke gemeente, is het nodig dat de tienden aan kerk en diaconie worden gegeven. Dat deed immers Abram al, die zijn tienden aan de ‘priester-koning’ Melchizedek gaf, je zou zeggen, de voorloper van het diaken- en ouderlingambt.

 

Ten slotte letten we in onze derde gedachte op de goddelijke beloften die God gedaan heeft op het getrouw geven van de tienden. Maar laten we eerst samen zingen met Psalm 19 de verzen 5 en 6:

 

Des HEEREN vrees is rein;

Zij opent een fontein

Van heil, dat nooit vergaat.

Zijn dierb're leer verspreidt

Een straal van billijkheid,

Daar z' all' onwaarheid haat.

Z' is 't mensdom meerder waard,

Dan 't fijnste goud op aard';

Niets kan haar glans verdoven;

Zij streeft in heilzaam zoet,

Tot streling van 't gemoed,

Den honig ver te boven.

 

Dus krijg ik van mijn plicht,

O God een klaar bericht.

Wat is 't vooruitzicht schoon!

Hij, die op U vertrouwt,

Uw wetten onderhoudt,

Vindt daarin groten loon.

Maar, HEER, wie is de man,

Die op 't nauwkeurigst kan

Zijn dwalingen doorgronden?

O bron van 't hoogste goed,

Was, reinig mijn gemoed

Van mijn verborgen zonden.

 

3. De Goddelijke beloften

We zongen net in Psalm 19:6 dat ‘in het houden van Zijn geboden groot loon is.’ Als we daarbij Spreuken 3:9-10 betrekken, zien we dat de Heere God dit invult met: “Vereer den HEERE van uw goed en de eerstelingen van al uwe inkomst.” We hebben de inhoud van dit bevel al overwogen, maar hoor dan hoe de Heere hier een rijke belofte aan vastbindt: “... zo zullen uw schuren met overvloed vervuld worden, en uw perskuipen van most overlopen.” Met andere woorden: “Hen die Mij eren zal ik eren.”  In Spreuken 11:24-25 is de taal ook duidelijk: “Daar is een die uitstrooit, denwelke nog meer toegedaan wordt; en een die meer inhoudt dan recht is, maar het is tot gebrek. De zegenende ziel zal vet gemaakt worden, en die bevochtigt , zal ook zelf een vroege regen worden.”

John Bunyan haalde in een van zijn preken deze tekst aan en maakte er een klein gedicht over. De strekking is: wat is het vreemd dat een man die hoe meer hij weggaf, hoe meer hij had; terwijl een andere man die minder weggaf, op het eind ook veel minder had.

 

Maar de rijkste belofte, waar ik persoonlijk toch vaak op heb mogen pleiten, is Maleachi 3. U herinnert zich dat God het volk Israël beschuldigt dat het Hem beroofde van de tienden die heilig zijn voor God de HEERE. Met grote ernst sprak God over een vloek die op hen zal rusten die Hem beroven. Maar dan spreekt de HEERE der heirscharen nog meer in vs. 10: “Breng alle de tienden in het schathuis, opdat er spijze zij in mijn huis; en beproeft Mij nu daarin, zegt de HEERE der heirscharen,of Ik u dan niet zal opendoen de vensteren van de hemel, en u zegen afgieten, zodat er geen schuren genoeg wezen zullen.”

Horen we wat God in deze tekstwoorden spreekt? Hij stelt Zichzelf op de proef voor ons: “en beproef Mij nu daarin ...” Zo spreekt Hij nog tot ons. Breng Mij je tienden in het schathuis en laat Mij bewijzen dat Ik Mijn Woord zal vervullen. “Beproef me toch” is een oproep tot gelovig gehoorzamen. Juist als het krap is, als de rekeningen binnenkomen, als onverwachte noden zich voordoen – leg dan uw vinger maar biddend op deze tekst als u de tienden tot Hem brengt, en roept het uit tot Hem: “Heere, U hebt beloofd de vensters van de hemel te openen. U hebt beloofd dat er genoeg zal zijn, zelfs als ik deze tienden tot U breng. O, mogen we zien dat U een Waarmaker bent van Uw Woord.” Matthew Poole schrijft in zijn commentaar: "De profeet biedt in de naam van God aan om het op een korte proef te stellen. Probeer, door uw plicht te doen, of Ik mijn belofte niet nakom en u een zegen geef in plaats van een vloek."

De vensters van de hemel, staat er. Er zijn maar drie plaatsen in de Bijbel waar deze uitdrukking wordt gebruikt. De eerste was tijdens de zondvloed in Genesis 6. God opende de vensters van de hemel en het regende een overvloed van water over de aarde. De tweede keer is gedurende de hongersnood in Samaria in 2 Koningen 7:2. Elisa mag aankondigen dat de volgende morgen er een overvloed van eten zal zijn. Spottend antwoord de hoofdman hem, “Zie, zo de HEERE vensters in den hemel maakte, zou die zaak kunnen geschieden.” En wat gebeurde er de volgende dag? De Heere bracht een overvloed aan eten. Werkelijk, het was als het ware dat de vensters van de hemel opengingen.

De derde keer dat deze uitdrukking wordt gebruikt is in Maleachi, bij Gods beloften op het geven van tienden. Vanuit mijn eigen leven mag ik getuigen dat de Heere die belofte altijd vervuld heeft. Hoe krap het soms ook leek te worden, Hij bracht altijd weer genoeg. De Heere is een Waarmaker van Zijn Woord.

 

Ik wil deze preek afsluiten met een aantal antwoorden op vragen of gedachten die waarschijnlijk in uw hart leven. Iemand zal zeggen: “Ik heb dit nog nooit zo gehoord of zelfs geweten en daarom nooit gedaan.” Dat erken ik. Ik hoorde dit onderwijs ook niet in mijn jonge jaren, maar nodig u uit dit verder te onderzoeken. God is gaarne vergevend en daarom moeten we ook Zijn genadetroon zoeken voor de zonde in onwetendheid gedaan. Onkunde pleit ons immers niet onschuldig, maar wat groot dat er bij God vergeving is. Maar vanaf deze dag kunnen we geen ‘onkunde’ meer bepleiten. Bespreek het met elkaar, met de kinderen, als gezin. Ja, dat zal betekenen dat we best eens zullen moeten schrappen, maar u zult zien dat een eenvoudiger leven geen slechter leven is, vooral niet als we daarin Gods gunst mogen ervaren.

 

Een andere vraag is of we al de tienden aan de kerk moeten geven of dat we ook vrij zijn een gedeelte ervan aan andere christelijke organisaties te geven. Daar is geen duidelijk Bijbels antwoord op. Maleachi 3 riep hen toe al de tienden naar de schatkamer van de tempel te brengen. Dat betekende toen dat alles door de priesters doorgegeven werd. In de Bijbelse tijd waren er echter geen andere stichtingen en voorzieningen voor weduwen, behoeftigen en gehandicapten, zoals wij die kennen. Persoonlijk deel ik de overtuiging dat daarom vandaag alle tienden niet perse aan uw eigen kerk hoeven te worden gegeven, tenzij uw lokale kerkelijke gemeente uw tienden nodig heeft om voor de gemeente te zorgen.

De Bijbelse richtlijn in Galaten 6:10 past ook op het geven van de tienden dat we eerst voor de ‘huisgenoten van het geloof’ moeten zorgen. Natuurlijk betekent dat niet alleen de ‘lokale’ huisgenoten, maar we mogen die toch niet verwaarlozen. Zo is het onze verantwoordelijkheid eerst onze eigen kerkelijke gemeente in al haar behoeften te voorzien. Diakenen horen dan ook een duidelijk beeld te hebben van de gemeente, zodat zij weten van de behoeften die er zijn.

 

En de derde vraag die altijd wordt gesteld: "Moet ik mijn tienden geven uit mijn bruto, of uit mijn netto-inkomen, dus vóór of na belasting?" We begrijpen allemaal waar die vraag vandaan komt. De tienden zullen beduidend minder zijn als het alleen over mijn inkomsten na de belastingen wordt gegeven. Deze vraag is in zekere zin beantwoord in 1 Samuel 8:10-18. Samuel waarschuwde daar het volk van Israël over hun dwaasheid om een koning zoals al de andere landen te begeren. Hij zegt het ronduit: “Mensen, als jullie die kant op willen, zal het duur worden voor je. Hij zal je zonen nemen voor soldaten. Hij zal je dochteren nemen voor baksters. Hij zal je tienden nemen van je zaad, je akkers en je wijngaarden en zelfs van je kudden.”

Heeft de opgelegde tiende die de koning eiste voor zijn regering het ‘heilige tiende deel’ van God opgeheven? Of mag het Joodse volk nu Gods tienden in 8% of in 6 % veranderen, omdat die koning ook zijn gedeelte opeist? Ik deel de opvatting daarom dat onze tienden van ons volledige salaris, dus vóór de belastingen eraf getrokken zijn, behoren genomen te worden. Dit maakt het moeilijker en dat is nu juist een wekelijkse herinnering dat de gevolgen van de zonde duur zijn.

 

Tenslotte, vrienden, God houdt van een blijmoedige gever. Het is niet de hand waar God naar ziet. Het is ook niet wat uit je hand komt waar de Heere op ziet, zelfs al is het precies een tiende. Maar het gaat hoofdzakelijk om wat er in het hart is wanneer de hand Hem geeft. Dit wordt duidelijk in Markus 12 waar de Heere Jezus in de tempel tegenover de schatkist zat. Hij zag de weduwe door de drukte van mensen heen komen. Die schatkisten waren drie grote trompetachtige bakken die aan de kant van het tempelplein stonden. Ze waren van metaal gemaakt zodat iedereen goed kon horen hoeveel muntjes je er in gooide.

De Heere Jezus zag hoe de schare van mensen hun geld in de schatkist wierpen. De rijken gooiden veel en kregen veel pluimpjes. Maar Jezus’ oog rustte op de weduwe die niemand aandacht gaf. Het waren immers maar twee kleine penningen. Je kon ze amper horen. Maar Jezus hoorde en zag het. Heel bewust vestigt Hij de aandacht van Zijn leerlingen op die weduwe. Een vrouw die helemaal afhankelijk is van de goodwill van de gemeenschap. Luister naar Zijn woorden over haar in Markus 12:43-44: “Voorwaar, Ik zeg u, dat deze arme weduwe meer ingeworpen heeft dan allen die in de schatkist geworpen hebben; want zij allen hebben van hun overvloed daarin geworpen, maar deze heeft van haar gebrek, al wat zij had, daarin geworpen, haar ganse leeftocht.”

Wat gaf zij de Heere? Zij gaf Hem niet de 10 %, de tienden, want die waren immers niet van haar. Het echte geven begint eigenlijk pas na de tienden. En wat gaf deze weduwe aan de zaak van God? Ze gaf de 90 % die God haar gaf voor eigen levensbehoeften. God en Zijn dienst waren die vrouw zoveel waard dat ze er alles voor over had.

Zoals Samuel Chadwick zijn onderwijs besloot, zo besluit ik ook deze preek. Hij schreef deze vergaande woorden: “Een tiende geven is niets om over te pochen, want echt geven begint pas nadat je God je tiende hebt gegeven.”

Leg dit onderwijs vanuit Gods Woord niet naast u neer. Doorzoek het hart en zie in hoeverre de ‘liefde voor het geld’ ons in bedwang heeft. Hoeveel in ons hart is verankerd in het aardse? Wat geven we door aan onze kinderen als ze merken hoeveel we kunnen uitgeven voor een buitenlandse vakantie, terwijl we minimaal geven aan de zaken van Gods Koninkrijk? We leven in een van de rijkste landen van de wereld en dat gaat ook onze gezinnen niet voorbij, maar waar heeft het ons gebracht?

God zegene Zijn Woord en make ons rijk door Zijn Geest.

Amen.

 

Psalm 24:1

 

Al d' aard' en alles wat zij geeft,

Met al wat zich beweegt en leeft,

Zijn 't wettig eigendom des HEEREN.

Hij heeft z', in haren ochtendstond,

Op ongemeten zeên gegrond,

Doorsneden met rivier en meren.