Ds. C. Harinck - Hebreeën 2 : 17 - 18

Waarom de Zoon van God mens werd

Om de Hogepriester van Zijn volk te kunnen zijn
Om de zonden van Zijn volk te kunnen verzoenen
Om in de verzoekingen Zijn volk te kunnen helpen

Hebree├źn 2 : 17 - 18

Hebreeën 2
17
Waarom Hij in alles den broederen moest gelijk worden, opdat Hij een barmhartig en een getrouw Hogepriester zou zijn, in de dingen, die bij God te doen waren, om de zonden des volks te verzoenen.
18
Want in hetgeen Hij Zelf, verzocht zijnde, geleden heeft, kan Hij dengenen, die verzocht worden, te hulp komen.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 40: 4
Lezen : Hebreeën 2
Zingen : Psalm 144: 1, 2 en 7
Zingen : Psalm 118: 7
Zingen : Psalm 105: 24

Geliefde gemeente, één van de eerste grote christelijke werken is het boek van Athanasius: De Incarnatione Verbi – De menswording van het Woord van God. Voor Athanasius was het een verbazend wonder dat het eeuwige Woord, de Logos, de Zoon van God, mens is geworden. Daarom betoogt hij met grote overtuigingskracht dat dit het grote keerpunt is in de geschiedenis van de mensheid. God kiest daar de zijde van de mens in de strijd tegen de duivel. De oude belofte uit het Paradijs krijgt zijn vervulling: Ik zal vijandschap zetten (Gen.3:15). Zo is de menswording van de Zoon van God tot zaligheid voor de verloren mens. Daarover willen wij vandaag spreken. U vindt onze tekst in  Hebreeën 2 vers 17 en 18:

 

17. Waarom Hij in alles den broederen moest gelijk worden, opdat Hij een barmhartig en een getrouw Hogepriester zou zijn, in de dingen die bij God te doen waren, om de zonden des volks te verzoenen.

18. Want in hetgeen Hij Zelf, verzocht zijnde, geleden heeft, kan Hij degenen die verzocht worden, te hulp komen.

 

Onze tekst vertelt ons waarom de Zoon van God mens werd:

 

  1. Om de Hogepriester van Zijn volk te kunnen zijn.
  2. Om de zonden van Zijn volk te kunnen verzoenen.
  3. Om in de verzoekingen Zijn volk te kunnen helpen.

 

1. Om de Hogepriester van Zijn volk te kunnen zijn.

Waarom werd de Zoon van God mens? Met Kerstfeest denken we aan het Kind in de kribbe. Maar waarom werd God als méns geboren? Als we daar niet aan denken met Kerst gaat het echte kerstgebeuren aan ons voorbij. Paulus legt uit waarom het gebeurde. Daarmee begint onze tekst. Hij zegt: Waarom Hij in alles de broederen moest gelijk worden, opdat Hij een barmhartig en getrouw Hogepriester zou zijn.

Dat dus eerst. De Zoon van God werd mens om Hogepriester te zijn. Daarom moest Hij mens worden.  Waarom Hij in alles de broederen moest gelijk worden. Het moest  dus. Het  was  noodzakelijk. Op geen andere wijze kon Hij de taak van Hogepriester vervullen. Hij moest Zijn broeders in alles gelijk worden.

 

Onze tekst spreekt over broederen van Jezus.

Jongens en meisjes, had Jezus dan broertjes en zusjes? Ja, die had Hij. Jezus heeft later jongere broers en zussen gekregen.

In de tekst lezen we over Zijn broederen.  Dat zijn inderdaad  familieleden van Hem, maar op een heel bijzondere wijze. Het gaat over de hemelse  familie,  de gemeente van Gods uitverkorenen. In de Engeses wereld spreekt men over: The family of God. Het is de familie, die de Zoon van God al in de eeuwigheid heeft liefgehad. Hier worden ze aangeduid als ‘Zijn broederen’. Hen moest Hij gelijk worden.

 

Er staat niet dat Hij in sommige dingen, ook niet in veel dingen, maar in alles Zijn broederen moest gelijk worden. In alles, maar één ding uitgezonderd: de zonde. De zonde zou Zijn priesterschap verhinderd hebben. Wie zelf zonde heeft, kan voor de zonde van anderen niet betalen. Wie zelf bankroet is, kan andere failliete mensen niet helpen. Hij was zonder zonde, maar verder moest Jezus, de Zoon van God, Zijn broederen in alles gelijk worden, opdat Hij een barmhartig en een getrouw Hogepriester zou zijn. Hij moest een natuur aannemen die gelijk was aan de natuur van de gevallen mens. Een natuur, die onderworpen was aan honger en dorst, aan vermoeidheid en droefheid, aan vrees, aan angst en lijden. Een natuur die sterven kon. Zó moest Hij worden. Hij moest zijn broeders in alles gelijk worden, opdat Hij een barmhartig en getrouw hogepriester zou zijn.

 

We belijden dat Hij geworden is uit een vrouw. We kunnen dat misschien het beste begrijpen, als we in Hebreeën 5 lezen dat de Oudtestamentische hogepriester uit de mensen moest genomen worden. De hogepriester onder het Oude Testament had een erg belangrijk en heilig werk te doen. Hij droeg de efod met de namen van de stammen van Israël. Hij was de enige die mocht ingaan in het Allerheiligste, om daar voor Gods aangezicht, onder Gods ogen, het bloed te sprengen voor de ark en op het verzoendeksel. Als we eraan denken welk heilig werk die hogepriester moest doen, dan zeggen we misschien: ‘De Heere had toch beter een engel voor dat werk kunnen nemen? Dit is toch eigenlijk geen mensenwerk? Hogepriester zijn, is toch eigenlijk geen werk voor een zondaar, zoals ook dominee zijn eigenlijk geen werk is voor een mens, die  zondaar is?’

Waarom heeft de Heere toen geen engel genomen als hogepriester? Waarom zet God nu geen engelen op de preekstoel? Het antwoord geeft  Paulus hier in Hebreeën 5. De Hogepriester werd uit de mensen genomen opdat Hij behoorlijk medelijden zou kunnen hebben met de zwakheden van mensen. Een engel zou veel te ver van die zondige, ploeterende, zwoegende en strijdende Joden vandaan staan. Een engel zou niets kunnen begrijpen van dat zwoegen en strijden en tranen schreien. Hij zou niets begrijpen  van rouw dragen en bang zijn voor de dood. Daarom gaf de Heere aan Israël een mens als hogepriester. Zo-iemand zou de mensen die naar hem toe kwamen, kunnen begrijpen, en met barmhartigheid tegemoet kunnen treden. Dat is nu hier ook aan de orde. Daarom is de Zoon van God mens geworden. Zijn broederen in alles gelijk, uitgenomen de zonde, om een barmhartig Hogepriester te kunnen zijn.

Hij moest ook een getrouw Hogepriester zijn. Het woord getrouw wijst meer in de richting van God. Jezus  moest trouw zijn aan wat  Hij God beloofd had te doen. Hij moest getrouw, volhardend, tot het einde Zijn werk doen en de Vader gehoorzaam zijn tot in de dood, ja, tot in de dood van het kruis.

 

Dit is dus het antwoord op de vraag: ‘Waarom moest de Zoon van God mens worden?’ Allereerst dus om Hogepriester te kunnen zijn en om een barmhartige en getrouwe Hogepriester te ku8nnen zijn. Hij moest  de plaats van Zijn volk kunnen innemen. Als je een drenkeling wilt redden, of iemand wil reden uit een brandend huis, moet je jezelf in dat water en in dat brandende huis begeven. Christus kon de Zijnen niet redden als Hij op een verre afstand in de hemel bleef. Hij moest hen in alles gelijk worden, behalve in de zonde. Zo alleen kon Hij hun plaats innemen en kon Hij hen voor God vertegenwoordigen. Zo alleen kon Hij hun schuld en zonde verzoenen.

 

De tweede reden wordt in vers 18 genoemd: opdat Hij behoorlijk  medelijden zou kunnen hebben. Opdat Hij mededogen zou kunnen laten zien. God wilde dat Hij een Hogepriester zou zijn met een hart. Een Hogepriester met een warm en mededogend hart voor zondaren. Daarom moest de Zoon van God dus ook mens worden.

Onze tweede gedachte: Hij moest een getrouw en barmhartig Hogepriester zijn…

 

2. Om de zonden van Zijn volk te kunnen verzoenen.

De apostel schrijft verder: Opdat Hij een barmhartig en getrouw Hogepriester zou zijn, in de dingen die bij God te doen waren, om de zonden des volks te verzoenen.

Er waren heel veel dingen bij God te doen. De zonden moesten worden weggenomen. De rechtvaardige toorn van God moest worden weggedragen. De schade moest worden hersteld. God moest verzoend worden, tevreden gesteld worden. God wilde Zijn Wet volmaakt gehouden zien. Er moest straf volgen op de overtreding. God wilde Zijn rechtvaardigheid handhaven en de schuld betaald hebben. Om deze dingen, ‘die bij God te doen waren’, is de Zoon van God mens geworden. De apostel omschrijft dit nader in onze tekst. Hij licht er vooral één hoofdzaak uit: Om de zonden des volks te verzoenen.

Er waren veel dingen bij God te doen. Maar dit is de hoofdzaak: de zonden van het volk te verzoenen. Het volk, dat zijn diezelfde mensen als Zijn broeders. Dat zijn de mensen, die Jezus zo na aan het hart liggen dat Hij ze Zijn broederen noemt.. Mensen, die Hij liefheeft met een eeuwige liefde en voor wie Hij Borg is geworden. Om de zonden des volks te verzoenen. Zijn ganse uitverkoren Gemeente.

 

De apostel gebruikt het woord verzoenen. Dat heeft in zich de balans , het evenwicht herstellen. De Bijbel leert in de wetten van Mozes  wat dat betekent.Het betekent zo we lezen in Deut. 19: 21: Ziel om ziel, oog om oog, tand om tand, voet om voet.

 Kinderen, ik denk dat ook jullie het best wel kunnen begrijpen. Stel je voor: iemand sloeg jou een blauw oog. Dan mocht jij van de oudsten van de stad die ander ook een blauw oog slaan. Dan was de zaak weer in evenwicht. Dan was de verzoening tot stand gekomen. Oog om oog, tand om tand. Of iemand stal een schaap van zijn buurman. Dan moest hij die buurman schadeloos stellen. Hij moest vier schapen teruggegeven. Zo kwam er verzoening tot stand.

 

De Heere Jezus moest het evenwicht herstellen, Hij moest voldoening geven. Hij moest verzoening tot stand brengen. Hij moest echter geen mens maar God schadeloos stellen. Hij moest God voldoening geven. Verzoenen is een woord dat wijst op een begane misdaad. De misdaad moest worden weggenomen. Er is een Persoon beledigd. Gods goede wetten zijn overtreden. Zijn rechtvaardige toorn is opgewekt. Die toorn kan alleen worden weggenomen door verzoening door voldoening. Dat was er dus bij God te doen. Dat was het werk van de hogepriester. Hij moest God verzoenen met het volk en het volk met God..

 

Hoe deed die hogepriester dat? Hij nam dan een lam of een var of een bok en slachtte die in de plaats van het schuldige volk. Hij sprengde het bloed van dat dier op Gods altaar en zo kwam verzoening tot stand. Dat wees heen naar Christus, de volmaakte Hogepriester.

 

We lezenechter  in Psalm 40 en ook in de Hebreeënbrief, dat slachtoffers, brandoffers en offers voor de zonde, de zonde niet kunnen wegnemen. Het bloed van stieren, bokken en lammeren kon de schuld niet verzoenen. Toen de Zoon van God dat zag, zei Hij: Zie, Ik kom. Ik heb lust, o mijn God, om Uw welbehagen te doen (Ps.40:8,9). Hij verklaarde Zich bereid om Borg te worden en de schuld te betalen. Maar om dat te kunnen doen, om Hogepriester te kunnen zijn, moest Hij allereerst mens worden. Zijn broeders in alles gelijk, uitgenomen de zonde. Hij moest in hun plaats de Wet gehoorzamen, de schuld betalen door Zijn bloed te storten en  Zijn leven af te leggen. Op Golgotha ligt dan ook de verklaring voor Bethlehem.

 

Je kunt bij Bethlehem natuurlijk sentimenteel stilstaan. Je kunt over Bethlehem zingen en kaarsjes branden, maar als je vergeet waartoe de Zoon van God kwam en wat dat in doeken gewonden Kind komt doen, dan heb je niet het goede zicht op Bethlehem. Een oud gezegde luidt: Het hout van de kribbe is hetzelfde als het hout van het kruis. Zonder dit te bedenken, kijken we niet diep genoeg in de kribbe. De Zoon van God kwam doen wat wij in eeuwigheid niet kunnen doen. Hij kwam verzoenen. Daarom werd Hij mens, Zijn broederen in alles gelijk, uitgenomen de zonde. De verzoening is niet aangebracht door een vreemde, maar door Iemand Die de Broeder is van Gods Gemeente. De verzoening is aangebracht door de Losser, door de Goël, één van ons. Immanuël.

 

De verzoening is  gebaseerd op familieverwantschap, op de band, de vereniging tussen Christus en Zijn Kerk. Hij is onzer  ÉÉN  geworden. Daarom kon Hij in hun plaats staan. Het was alsof wij er zelf stonden. Hij is de Broeder van de Gemeente Gods en is hun in alles gelijk geworden, uitgenomen de zonde. Zo nam Hij hun plaats in. Hij gehoorzaamde voor hen de Wet. Hij droeg voor hen de vloek en de toorn van God over de zonde . Daarom zegt ons Avondmaalsformulier ‘dat Hij alle gehoorzaamheid en gerechtigheid van de Goddelijke wet voor ons vervuld heeft’. Hij is Hogepriester geworden om de dingen te doen die bij God te doen waren, om de zonden des volks te verzoenen.

Er was toch zoveel te doen bij God! Voordat u en ik in vrede kunnen sterven en de hemel kunnen binnengaan, moet er zoveel bij God gedaan worden. Dan moet voor onze zonde worden geboet en moet de straf die de zonde verdient, worden gedragen. Dan moet de wet volmaakt worden gehoorzaamd. Dan moet de vloek van de wet worden weggenomen. Dan moet de belediging God aangedaan worden uitgewist. De toorn van de rechtvaardig vertoornde God moet worden gedragen, doordragen en weggedragen. Weggedragen, zoals oudtestamentisch de bok de toorn van God wegdroeg. De bok, die met de zonden van het volk beladen de woestijn werd ingejaagd.  werd nooit meer terug gevonden.

 

Om de dingen te doen die bij God te doen waren. Gemeente, u en ik, wij hebben van onszelf geen juiste gedachte, wat een groot kwaad de zonde is in de ogen van een oneindig heilig en rechtvaardig God. Van de grote theoloog John Owen, kunnen we altijd veel leren. Hij zegt: ‘Zonde is een kwaad dat zich keert tegen God en tegen alles van God.’ Het keert zich tegen Gods goedheid. Zonde keert zich tegen Gods heiligheid en zonde keert zich tegen Gods rechtvaardigheid. Zonde keert zich vooral tegen God Zelf. En daarom is er niets dat Gods toorn en verbolgenheid zo opwekt als de zonde.

 

Wat dachten jullie, jonge mensen, van een God, Die de zonde onverschillig was? Kan een onverschillige houding ten opzichte van de zonde bij de heilige God bestaan? Moet Hij, Die het goede en reine bemint, het kwade en verkeerde niet haten? Daarom bracht de zonde scheiding. God en de mens schenen in het Paradijs nooit van elkaar gescheiden te kunnen worden. De mens was niet zomaar gemaakt; hij droeg Gods beeld. Zoals onze kinderen ons beeld dragen. Je zou zeggen: Die twee kun je nooit meer scheiden. Maar de zonde scheidde ze, scheidde God en de mens, die Zijn beeld droeg. Nog verschrikkelijker: de zonde bracht de dood in de wereld. De dood is iets verschrikkelijks. Ja, wij camoufleren de dood, maar er is geen grotere ontluistering dan de dood. Wat heeft de zonde allemaal teweeggebracht: de scheiding van Gods gunst, en de dood. We denken veel te gemakkelijk over de zonde.

 

Willen wij ooit zalig worden, dan moeten er dingen bij God gedaan worden. De zonde moet worden verzoend, zegt de apostel. Uw en mijn zonden staan bij God in een gedenkboek. Wij zijn in zonden ontvangen en geboren. Eigenlijk vinden we die erfzonde niet zo erg. Er staat echt er in onze geloofsbelijdenis dat de erfzonde zo lelijk en afschuwelijk is voor God, dat die genoegzaam is, om ook de jonge kinderen te verdoemen. Wat is de erfzonde erg! Het is de verdorven neiging in ons hart, de zaden van boosheid in onze ziel , waarmee wij in de wereld komen. Wij komen daarom reeds als een zondaar en kind des toorns in de wereld.

En dan de dagelijkse zonden. Wanneer je zou kunnen zeggen: Ik doe iedere dag slechts één zonde, hoeveel zonden heb je dan gedaan als je 20 jaar bent, of 50, of 80? En als je zou kunnen zeggen: Ik doe geen zonden in daden, wat zondig je dan in je woorden en hoe ziet je gedachtewereld er dan uit? Wij zijn terecht blij dat niet op ons voorhoofd staat geschreven wat wij denken. Wij hebben die zonden weggestopt. Wij hebben ze begraven en er een bord boven gezet: Verboden op te graven. Maar dat helpt niet, want er is een gedenkboek voor Gods aangezicht. En wij allen moeten geopenbaard worden voor de rechterstoel van Christus, opdat eenieder zal wegdragen wat door het lichaam geschied is.

 

Wat moet er dan gebeuren met onze zonden? Zij moeten verzoend worden. Zij moeten zo bedekt worden dat God ze niet meer ziet. De straf die onze zonden verdienen, moet worden gedragen. De toorn die onze zonden opwekken, moet worden weggedragen. Alleen wanneer dat gebeurt, zullen wij vrede vanbinnen hebben. Vrede met God. Alleen dan zullen wij na dit leven de zaligheid  ontvangen.

Dát zijn de dingen die bij God te doen zijn. Ken je die dingen? Zorgt dat voor onrust en bekommering?

De Heilige Geest overtuigt ons van de dingen die bij God te doen zijn.. Als de Heilige Geest ons bekeert, beginnen wij aan onze zonden te denken. De herinnering en het geweten zijn voor God poorten om ons leven binnen te komen. De Heilige Geest maakt daar gebruik van. Hij brengt ons onze zonden in onze herinnering. Hij stelt ze vóór ons, levendig en waarachtig. Hij neemt ons mee terug en Hij zegt: ‘Daar en toen!’

De Heilige Geest maakt ook ons geweten wakker. Dat begint te spreken en dat kun je dan zelf niet meer tot zwijgen brengen. Het begint ons te veroordelen en te zeggen dat we al Gods geboden hebben overtreden en geen daarvan hebben gehouden.

Wat is dat nodig!

Wat was het eerste dat de verloren zoon zei toen hij tot zichzelf kwam?

Sommigen willen dat het eerste wat hij zei was:  ‘Halleluja, ik ben gered?’

Nee! Het eerste wat die jongen zei, was: ‘Ik heb gezondigd tegen de hemel, en voor u.’ Als God ons bekeert, krijgen we met onze zonden te doen. Dan gaan we niet alleen zien wat we verkeerd gedaan hebben, maar we gaan zien dat het verderf binnenin ons zit. David roept: ‘Het is niet alleen dit kwaad, dat roept om straf, maar ik ben in zonden ontvangen en in ongerechtigheid geboren.’ Dan denken we vooral ook aan het Evangelie dat we veracht hebben, aan de tranen van Jezus, waarmee we gespot hebben. We voelen dan dat we het dierbaar bloed van Jezus onrein geacht en met onze voeten hebben vertreden. Zo’n zondaar vraagt zich af: Zou er nog wel hoop zijn? Is er voor zo iemand als ik ben nog behoud? Dan wordt een onrust en droefheid geboren, die doet vragen: ‘Wat moet ik doen om zalig te worden?’

 

Wij proberen het altijd zelf met God in orde te maken. Wat dat betreft verloochenen wij niet dat wij geboren zijn onder het werkverbond. Zodra er onrust in ons leven komt, vluchten we tot het werkverbond. We beloven God beterschap; we beginnen ernstig en nauwgezet de Wet  van God te houden; we beginnen te bidden en te lezen en te schreien en denken het op die manier met God in orde te kunnen krijgen. Dat zal de farizeeër wel lukken. maar als Gods Geest in ons werkt, blijft de onrust. Wat je ook doet, hoe ernstig ook, de onrust blijft. En het mislukt iedere dag. Iedere avond moet je met schaamte en met bittere tranen belijden: O God, wie ben ik ook vandaag weer geweest! Weer de schuld vermeerderd! We beleven het: De boosheid in ons hart is niet te genezen. Dan wordt het aan onze zijde zo verloren en kwijt, en moeten wij roepen: Zo Gij, Heere!, de ongerechtigheden gadeslaat; Heere, wie zal bestaan? (Ps.130:3).

 

Maar luister nu. De Zoon van God is mens geworden. Waarom? Niet om in een praalwagen naar Jeruzalem gevoerd te worden en op de troon van David te gaan zitten. Nee, Hij is mens geworden om de dingen te doen, die bij God te doen zijn. De dingen die wij in eeuwigheid niet kunnen doen. Hij is mens geworden om de zonde te verzoenen, om verzoening aan te brengen, om Zijn ziel te geven tot een rantsoen voor velen. En het is gebeurd! Het hoeft niet meer te gebeuren. Het werk is gedaan! Het is volbracht! Daarom zegt het Evangelie: O, alle gij dorstigen, komt tot de wateren, en gij die geen geld hebt, komt, koopt en eet, ja komt, koopt zonder geld en zonder prijs, wijn en melk (Jes.55:1). Maar wat zit het werkverbond ons in de weg. Altijd willen wij zelf iets aanbrengen. Het Evangelie echter zegt: Het werk is gedaan. Er is voor jou niets meer te doen dan je uit te leveren, je over te geven. Te komen zoals je bent. En hoe armer je komt, hoe schuldiger, hoe meer vroordeeld, hoe meer welkom je bent.

Het is de genade van het Evangelie! Het is alles zonder prijs en geld.

Maar wat is er een verzet in onze harten tegen het vrije van het Evangelie. En wat is dat verzet tot oneer van Christus! Als God je dat laat zien, dan zie je het zelfde wat Paulus  de Galaten, die zo hard bezig waren om naast Christus' werk ook iets aan te brengen lie zien,  dat je Christus opnieuw kruisigt.

U zult zeggen: ‘Kan dat?’ Christus opnieuw kruisigen? Dat is toch eens en voor altijd geschied? De apostel bedoelt dat je dan doet alsof Christus niet genoeg geleden heeft. Dan wil je Hem opnieuw kruisigen.

Wat een oneer van Christus, om er iets bij te willen doen, om er iets aan toe te willen doen. Wat een hoogmoed om te denken dat wij dat kunnen. Daarom moeten we goed beseffen: er zijn dingen bij God te doen en die kan ik in der eeuwigheid niet doen. Het is aan de zijde van de mens verloren.

 

Wat word je dan blij met het Evangelie. Dan ga je zien dat ook jij hebt meegeholpen aan de kruisiging van Jezus, en Christus zoveel oneer hebt aangedaan. Oneer, door je jarenlang maar in te spannen om iets aan te brengen, iets toe te voegen, aan dat werk van Christus. Oneer, door je verzet ertegen om als een ledige, een arme, een doemschuldige te willen komen. Als God dat verzet breekt, wat ben je dan beschaamd en vernederd. Wat is de zonde dan bitter, maar wat wordt Jezus dan zoet en Zijn werk tot troost.

Er hoeft van ons niets bij. Hier mag een zondaar zalig worden om niet. Hier mag hij zalig worden, niet door de werken, maar door het geloof, door zich toe te betrouwen, zich over te geven.

O, laat de storm u naar deze Haven doen vluchten. Werp hier uw anker uit, bij dit Kind in Bethlehem, bij de Gekruisigde op Golgotha. Versta dat Hij mens is geworden om de dingen te doen die bij God te doen zijn. Hij is mens geworden om de zonden van het volk te verzoenen. Zo krijgen we zicht op Christus en op Zijn werk. Dan gaan we verstaan waarom Hij mens moest worden, ons in alles gelijk, uitgenomen de zonde. Dat maakt Jezus zo dierbaar voor het verslagen hart.

 

Maar, we hebben nog een  derde gedachte. Er is nog een tweede reden waarom de Zoon van God mens werd:

 

3. Om in de verzoekingen Zijn volk te kunnen helpen.

Er is een dubbele oorzaak waarom de Zoon van God mens werd. De tweede oorzaak lezen we in vers 18. Want in hetgeen Hijzelf verzocht zijnde, geleden heeft ons te hulp kan komen. Paulus leert ons hier dat Jezus niet alleen verzocht en beproefd is, maar ook dat Hij in de verzoekingen geleden heeft.

Het is een zaak die steeds weer correctie verdient. Wij denken misschien: Jezus is wel verzocht, maar dat had eigenlijk niet zoveel te betekenen. Dat deed Hem niet zo veel. Hij kon niet vallen. Hij kon de vijand en de sterkste verzoeking gemakkelijk aan. Hij was de sterke God Zelf. Hij heeft wel geleden, Hij is wel gestorven op het vreselijke kruis, natuurlijk, maar het heeft Hem niet zoveel pijn gekost, want Hij was God.

Maar dan kijken we er toch verkeerd naar. Dan vergeten we één belangrijk deel van wie Jezus is. Hij was ook mens, heel echt mens. Daarom heeft Hij geleden in de verzoekingen.

Zijn heilige, reine mensheid heeft geleden onder de verzoekingen van Satan. De duivel volgde Hem op al Zijn wegen. De hellehond sloop altijd rondom Jezus. Daar heeft Hij onder geleden. Zeker, de duivel kon Hem niet besmetten en kon Hem niet ten val brengen. Maar de duivel kon Hem wel pijn en strijd en angst bezorgen. Denk maar aan de Hof van Gethsémané. Daar lees je zulke aangrijpende dingen van Jezus. Voor ons is het allemaal zo gewoon geworden, maar heidenen op de zendingsvelden, die vragen hoe het kan dat Jezus droevig en zeer beangst begon te worden. Jezus angstig? En zo angstig, dat Zijn zweet werd als grote druppels bloed? Dat is toch niet te bevatten!

Gemeente, die verzoekingen en dat lijden zijn niet zomaar langs Hem heen gegaan. De duivel heeft tegen Hem gezegd: Ziet U wel? God heeft U verlaten. De zaak waarvoor U in de wereld bent gekomen, is mislukt. Zijn discipelen verlieten Hem. Petrus verloochende Hem. Judas heeft Hem verraden. En denk ten slotte aan de verlating door God. Wat heeft Hij daaronder geleden. God verliet Hem. Dat mensen Hem verlieten, was ontzettend, maar nu verliet God Hem. Hij moest roepen: Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? (Ps.22:2; Matth.27:46).

 

Jezus heeft in de verzoeking geleden. En waarom toch? Want in hetgeen Hij Zelf verzocht zijnde, geleden heeft, kan Hij degenen die verzocht worden te hulp komen. Een hogepriester die niets weet van verzoekingen en van beproevingen, een hogepriester die als een reine engel ver buiten het strijdperk van de gelovigen staat, kan eigenlijk geen hogepriester zijn. Maar Jezus staat niet ver buiten dat strijdperk. Hij staat er middenin en is verzocht geweest, opdat Hij degenen die verzocht worden, te hulp kan komen. Hij kan hen helpen.

En wat hebben  bekeerde menen die hulp nodig. Wat kijken wij verkeerd op bekeerde mensen. Wij denken die kunnen alles aan!

Allereerst moeten we zeggen, dat Gods kinderen door veel verdrukkingen ingaan in het Koninkrijk Gods. Zij hebben een oorlog te voeren, die onbekeerde mensen niet kennen. De duivel heeft het op de gelovige gemunt, want die heeft hem de gehoorzaamheid opgezegd. Een waar gelovige toont het beeld van God, en de duivel haat dat beeld. Een waar gelovige behoort Christus toe, en de duivel vervolgt Christus. Daarom zijn de gelovigen het mikpunt van de duivel. Al zijn pijlen richt hij op hen.

Verder kennen de gelovigen een voortdurende strijd tegen hun verdorvenheden, tegen de oude mens. Dat doet hen roepen: Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen van het lichaam dezes doods? (Rom.7:24). Ze kennen het verlaten-zijn van God, duisternissen in hun ziel. Ze kennen de smaad en de spot van de wereld. Ze kennen angst voor de dood, vrees voor dat donkere dal. En waar moet dan hun hulp vandaan komen? Van deze Hogepriester!

 

Want in hetgeen Hij Zelf verzocht zijnde, geleden heeft, kan Hij degenen die verzocht worden te hulp komen. Er staat: ‘te hulp komen’. Er staat niet, dat Hij de beproevingen en de strijd wegneemt. Er staat niet dat Christus ervoor zorgt dat Zijn volk zonder enige strijd, als zondagskinderen in de hemel kom. Nee, er staat iets beters. Hij komt hen te hulp. Wat kunnen de doornen en de distels van dit tranendal een mens verwonden. Wat kunnen ze een pijn doen. En waar is dan hulp?

Gods kinderen hebben daarnaast nog een extra strijd. Wat kan de geestelijke strijd hoog gaan! Wat kan zielsbenauwdheid hen overvallen, als de duivel hen toeroept: Ik zal je uiteindelijk tóch bezitten. Je zult in het zicht van de haven nog eeuwig schipbreuk lijden. Dan zeggen we weleens: ‘O, had ik maar een vriend die mij begreep. Had ik maar iemand die naast mij stond en mij troostte.’

Welnu, zo-iemand is er. Jezus Christus is de barmhartige Hogepriester! Want in hetgeen Hij, Zelf verzocht zijnde, geleden heeft, kan Hij degenen die verzocht worden te hulp komen. Er is een Vriend, Die altijd hoort; een Hogepriester, Wiens hart is aangedaan met medelijden. Hij weet welke verzoekingen, welke beproevingen, welke verlatingen, welke angsten en vrezen, wat voor kruis en verdriet, de gelovigen kunnen overvallen. Heeft Hij niet Zelf bij het graf van Lazarus gestaan? Zag Hij niet, stervende, Zijn bedroefde moeder aan de voet van het kruis? Is Hij niet Zelf door Satan aangevallen? Is Hij niet door God verlaten? Heeft Hij niet allerlei verzoekingen en duisternissen doormaakt? Hij kan te hulp komen. Hij zag Zijn discipelen in de storm. Hij zag dat ze de wind tegen hadden. Hij keek niet werkeloos toe. Hij kwam tot hun hulp.

 

Te hulp komen. Hoe komt Hij dan te hulp? Op een heel bijzondere manier. Er staat: Want in hetgeen Hij, Zelf verzocht zijnde, geleden heeft, kan Hij degenen die verzocht worden te hulp komen. Hij komt te hulp, doordat Hij Zichzelf aan ons laat zien in Zijn strijd en lijden.. Hij komt te hulp, en zegt: ‘Ook Ik ben die weg gegaan. Ook Ik ben benauwd geweest, verdrukt, bespot, vervolgd, verlaten van Mijn vrienden. Ook Ik heb zielsduisternissen en verlatingen doordragen. Ook Ik ben droevig en beangst geweest.’

Helpt dat ons? Jazeker! Hóé dat helpt weet alleen het geloof. Jezus te zien – dat brengt hulp. Dan zijn we niet meer alleen in de vurige oven. Dan is Hij met ons. Dan zeggen we met David: Als God mijn schild en hulp wil zijn, wat zal een nietig mens mij doen?

Ik heb enkele dingen gelezen bij de Engelse prediker Richard Sibbes. Die wil ik graag aan u doorgeven. Hij zegt: ‘Iedere zondvloed heeft zijn ark. Iedere ark heeft zijn duif. Iedere donkere wolk heeft zijn regenboog.’  Zo is dat bij Gods kinderen. Daarom willen ze er ook niets van af hebben. Daarom is het goed verdrukt te zijn geweest. Hij komt ze te hulp. In strijd en beproeving is Hij erbij, als de te hulp Geroepene. Dan sterkt Hij ons. Nee, Hij neemt het kruis niet weg. Hij haalde Paulus en Silas niet uit de gevangenis, maar Hij sterkte hen zo dat ze Gode lofzangen zongen in de gevangenis.’

Dat is onze Hogepriester. Zulk een Hogepriester betaamt ons. En zulk een Hogepriester heeft Gods volk: een barmhartig en een getrouw Hogepriester. Laten we daar nu samen eerst van zingen uit Psalm 118 vers 7:

 

De Heer’ is mij tot hulp en sterkte:
Hij is mijn lied, mijn psalmgezang.
Hij was het, Die mijn heil bewerkte,
Dies loof ik Hem mijn leven lang.
Men hoort der vromen tent weergalmen
Van hulp en heil, ons aangebracht;
Daar zingt men blij, met dankb’re psalmen:
‘Gods rechterhand doet grote kracht’.

 

Gemeente, er zijn dingen bij God te doen. De zonde moet worden verzoend, de schuld betaald, de smet afgewassen, de toorn van God weggedragen. Dat kan een man niet voor zijn vrouw doen, en omgekeerd ook niet. Dat kunnen ouders niet voor hun kinderen doen. Er is niets in de wereld zó je persoonlijk eigendom als je zonden. Daar sta je zelf voor. Die moeten verzoend en uitgedelgd. Gods toorn moet weggedragen en Gods rechtvaardigheid tevreden  gesteld.

Er zijn dingen bij God te doen. En die kunt u zelf in der eeuwigheid niet doen. Hoe eerder u dat gevoelt en weet, hoe beter het is. Afwezigheid van gevoel van zonde maakt de godsdienst leeg, koud en oppervlakkig. En is dat nu niet de godsdienst van velen? Het besef van de zonde ontbreekt erin.

 

Allereerst zou ik willen dat u niet te oppervlakkig over het kwaad van de zonde denkt, maar dat u ziet wat de zonde is in de ogen van een oneindig heilig en rechtvaardig God. Zonder kennis van de zonde is er geen kennis van de Zaligmaker. Dan is er geen zicht op Jezus. Dan is er geen nood die ons naar Hem toedrijft. Dan hebben we er geen belang bij. Maar gemeente, ik zou ook willen, dat u niet te groot van de zonde denkt. Niet zoals Kaïn: Mijn misdaad is groter dan dat zij vergeven worde (Gen.4:13). Dan breng je oneer op Christus. Dan zeg je: Christus’ macht en kracht schiet tekort. Maar die macht en kracht schiet nooit tekort! Waar de zonde meerder geworden is, daar is de genade veel meer overvloedig geweest (Rom.5:20). De brug is wijder dan de kloof. De genade wint het van de zonde. Ik zou niet willen dat één van ons huiswaarts gaat met de gedachte: De zonde is zo'n verschrikkelijk kwaad, en ik heb zoveel zonde gedaan; voor mij kan het niet. Nee, al zouden alle zonden van Adams nakomelingen op u liggen, het bloed van Jezus neemt ze alle weg.

 

Weet u wat God zegt tot zondaren? Hij zegt: ‘Komt!’ Hij zal ooke ens zeggen: Gaat weg van Mij. Tegen verharde zondaren, die het Evangelie ongehoorzaam zijn geweest, zal Hij eggen:  zeggen: Gaat weg. Maar nu zegt Hij nog tot de meest verharde en vuile zondaar: ‘Komt!’ Komt dan en laat ons samen rechten, zegt de Heere; al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw, al waren ze rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol (Jes.1:18).

Wordt er dan niet meer  geëist? Nee. Het zwaarste woord dat het Evangelie spreekt is: Komt! Zo weinig eist God van een zondaar.

Van Christus is veel geëist. O, álles is van Christus geëist! Hij moest voor voldoening zorgen. Hij moest de drinkbeker drinken. Hij moest de toorn van God dragen. Daarom kan er zo weinig van u geëist worden. Daarom wordt van u slechts geëist: Kom. Kom, zondaar. Kom en zie in deze Kribbe. Kom, zondaar, zie wat God op Golgotha gedaan heeft. Kom, zondaar. Al waren uw zonden als scharlaken, Ik maak ze wit als sneeuw. Wat houdt u tegen?

 

De bekende Rutherford zegt: Er is altijd een kwaad dat tussen Christus en ons staat. Een zonde die ons terughoudt. Er is iets in uw hart en leven waaraan u meer waarde hecht dan aan de Zaligmaker. Kom, laat de duivel het verliezen. Verlaat uw afgoden. Verlaat uw hoge plaats en kom tot Hem, Die roept en nodigt: Zo iemand dorst, die kome tot Mij en drinke (Joh.7:37).

Er zijn dingen bij God te doen die wij niet kunnen doen. Dat weten Gods kinderen. Dat is een les die je leren moet, die je weten moet, dat je zelf niet één penning kan betalen. Wanneer God met je in het gericht treedt, dat het dan verloren is. Want zo krijgen we zicht op Christus. Zo luisteren we met nieuwe oren naar het Evangelie. En zo brengt het ons redding: te horen dat Hij de dingen bij God gedaan heeft, die wij in eeuwigheid niet konden doen. Hij, Die in alles de broederen moest gelijk worden, opdat Hij een barmhartig en getrouw Hogepriester zou zijn in de dingen die bij God te doen waren, om de zonde des volks te verzoenen.

 

Amen.

 

Psalm 105 vers 24:

 

Die gunst heeft God Zijn volk bewezen,

Opdat het altoos Hem zou vrezen,

Zijn wet betrachten, en voortaan

Volstandig op Zijn wegen gaan.

Men roem’ dan d’ Oppermajesteit

Om zoveel gunst, in eeuwigheid.