Ds. D. Rietdijk - Openbaring 8 : 1 - 5

Het half uur stilzwijgen in de hemel

Het stilzwijgen een genadetijd is
Het stilzwijgen is een gebedstijd
Ná dat stilzwijgen komt de tijd van het gericht
Deze preek is met toestemming van de uitgever J.J. Groen en Zoon, overgenomen uit de bundel: Uw ogen zullen de Koning zien. (Leiden, 1994).
 

Openbaring 8 : 1 - 5

Openbaring 8
1
En toen Het het zevende zegel geopend had, werd er een stilzwijgen in den hemel, omtrent van een half uur.
2
En ik zag de zeven engelen, die voor God stonden; en hun werden zeven bazuinen gegeven.
3
En er kwam een andere engel, en stond aan het altaar, hebbende een gouden wierookvat; en hem werd veel reukwerks gegeven, opdat hij het met de gebeden aller heiligen zou leggen op het gouden altaar, dat voor den troon is.
4
En de rook des reukwerks, met de gebeden der heiligen, ging op van de hand des engels voor God.
5
En de engel nam het wierookvat, en vulde dat met het vuur des altaars, en wierp het op de aarde; en er geschiedden stemmen, en donderslagen, en bliksemen, en aardbeving.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 99: 1 en 2
Lezen : Openbaring 8Openbaring 8
Zingen : Psalm 33: 5, 6 en 11
Zingen : Psalm 72: 7
Zingen : Psalm 141: 1 en 2

Gemeente, in Prediker 8 lezen we: Omdat niet haastelijk het oordeel over de boze daad des mensen geschiedt, daarom is het hart van de kinderen der mensen in hen vol om kwaad te doen (Pred.8:11). Dus omdat het oordeel Gods niet spoedig over de boze daad komt, is het hart van de mens ‘vol om kwaad te doen’.

De Heere is traag tot toorn. Als de zonde begaan is, voltrekt de Heere niet direct het oordeel over die zondige daad. Dat ziet u in de geschiedenis; dat ziet u in uw eigen leven; u ziet dit ook in de Schrift. Als Adam gegeten heeft van de boom van de kennis van het goede en het kwade, staat de Heere niet dadelijk gereed om Adam van de aarde weg te doen. Als de goddeloze koning Achab al verder en verder van de Heere afwijkt, stelt de Heere Zijn straf uit. U ziet dit ook in de wereld om u heen. De goddeloosheid van de mens neemt toe. Op een zodanige wijze dat u misschien wel zegt: ‘Heere, hoelang zult U dit alles nog verdragen?’

Maar wanneer u nu eens bij het licht van de Heilige Geest uw eigen leven zou waarnemen, zou het dan geen wonder worden dat de Heere nog niet met u afgerekend heeft? Dus de Heere is traag tot toorn; Hij stelt Zijn gericht uit over de zonde. Het oordeel komt wel, maar niet dadelijk. Het is een uitstel, dat geen afstel is!

 

Gemeente, hoe gaan we nu om met het uitstel dat de Heere verleent? De Prediker zegt: Omdat niet haastelijk het oordeel over de boze daad geschiedt, daarom is het hart van de kinderen der mensen in hen vol om kwaad te doen. Dat wil zeggen: omdat de Heere niet onmiddellijk de zonde straft, daarom verheft zich de mens al bruter en al bruter tegen God in de zonde. Het hart van de mensen wordt vol om kwaad te doen.

Ziet u dat ook in uw eigen leven? Hoe gebruikt u de tijd van uitstel die God u geeft?

Er is nog iets. De Heere is traag tot toorn om de goddelozen te straffen, maar de goddeloze gebruikt het tot zijn verharding. Hij verhardt zich zelfs in het kwade.

 

De Heere is niet alleen traag tot toorn, maar Hij is soms ook traag om Zijn volk te hulp te komen. Dan is het alsof de Heere van hun omstandigheden niet afweet.

Een Jakob bij Laban. Tien keer werd zijn loon veranderd. Het is alsof de Heere dat niet ziet. Jozef in de gevangenis, daar in Egypte. In de ijzers geklonken. Het is net alsof de Heere het niet weet. Al is het dat de Kerk vanuit de verdrukking soms schreit: ‘Twist met mijn twisters, Hemelheer’, ga mijn bestrijders toch tekeer’, tóch lijkt het menigmaal alsof de Heere de vijand gelegenheid geeft om Zijn Kerk ten onder te brengen.

 

Dus enerzijds is Hij traag tot toorn en anderzijds schijnt het alsof Hij van Zijn Kerk niet afweet. Tóch lijkt het maar zo. Want Hij zal én de goddelozen straffen én Hij zal Zijn Kerk bevrijden. De Heere wacht alleen.

Waarom wacht Hij met het straffen van de goddelozen? Waarom wacht Hij met het te hulp snellen van Zijn Kerk?

De Heere wacht, zoals Jesaja zegt, om genadig te zijn. Die tijd van wachten is genadetijd. Zowel voor de goddelozen als voor Zijn Kerk.

Over die genadetijd spreekt onze tekst die we willen overdenken. Een genadetijd, een tijd van stilzwijgen, zoals die omschreven wordt in Openbaring 8. U vindt onze tekst in de verzen 1 tot en met 5:

 

1. En toen Het het zevende zegel geopend had, werd er een stilzwijgen in den hemel, omtrent van een halfuur.

2. En ik zag de zeven engelen, die voor God stonden, en hun werden zeven bazuinen gegeven.

3. En er kwam een andere Engel, en stond aan het altaar, hebbende een gouden wierookvat; en Hem werd veel reukwerk gegeven, opdat Hij het met de gebeden aller heiligen zou leggen op het gouden altaar dat voor den troon is.

4. En de rook des reukwerks met de gebeden der heiligen ging op van de hand des Engels voor God.

5. En de Engel nam het wierookvat, en vulde dat met het vuur des altaars, en wierp het op de aarde; en er geschiedden stemmen en donderslagen en bliksemen en aardbeving.

Tot zover onze tekst.

 

Gemeente, deze tekst spreekt over: Het half uur stilzwijgen in de hemel.

 

We zien daarbij dat:

 

  1. Het stilzwijgen een genadetijd is.
  2. Het stilzwijgen is een gebedstijd.
  3. Ná dat stilzwijgen komt de tijd van het gericht.

 

Dus ten eerste:

 

  1. Het stilzwijgen is genadetijd

Onze tekstwoorden vangen aan met: En toen Het het zevende zegel geopend had. Wie is die ‘Het’?

Wel, Degene Die dat zevende zegel opent, is het Lam. Johannes zag toen hij op de drempel van de hemelse tempel stond het Lam, in het midden van de troon. Staande als geslacht. Dat wil zeggen: Het Lam, de Heere Jezus, is wel ín de hemel, Hij is verhoogd, maar aan Zijn vernedering – het werk van Zijn vernedering, Zijn offerande – wordt in de hemel voortdurend gedacht. Het Lam staat daar ‘als geslacht’.

 

Het Lam heeft nu tot taak om een boekrol te openen. Een boekrol die met zeven zegels gesloten was. Het is de boekrol van het raadsplan van God. Het raadsplan van God dat Hij heeft met deze wereld en in het bijzonder met Zijn Kerk. Die boekrol met die zeven zegels gaat over het raadsplan van God van de tijd van de Hemelvaart van de Heere Jezus tot aan Zijn wederkomst.

Johannes heeft gehoord dat er geroepen werd in de hemel: Wie is waardig om die boekrol te openen? Wie is waardig, Wie is in staat om dat raadsplan van God met Zijn Kerk uit te voeren, hier op de wereld?

In de hemel of op de aarde was er niemand die voor die Kerk kon zorgen. Daarom weende Johannes. Hij zat op Patmos in ballingschap, verbannen van zijn gemeente. Hij zag dat de Kerk van de Heere ten onder ging, ten prooi lag aan de macht van keizer Domitianus, ten prooi aan alle satanische machten. Hij heeft geweend. Want die Kerk zou ten onder gaan als niemand waardig bevonden werd om die boekrol met zijn zeven zegels te openen en het raadsplan van God uit te voeren.

 

Toen is er een engel gekomen. Deze heeft gezegd: Ween niet, Johannes, want zie de Leeuw Die uit de stam van Juda is, Die heeft overwonnen en Die is waardig bevonden. Hij is in staat gebleken om die boekrol te openen. O, Johannes, de gang van de Kerk ligt in de doorboorde handen van uw verhoogde en verheven Koning.

Johannes kent zijn Koning, hij kent Zijn offer, hij heeft Hem ten hemel zien varen, waar Hij alle dingen bestuurt. En nu hij Hem ziet, kan hij vooruit. Want hij weet nu dat het gehele wereldbestuur in handen ligt van Sions grote Koning!

Gemeente, dat kan zo verborgen lijken. Als u de kranten leest en u leest wat er in de wereld gebeurt, dan zou u zeggen: ‘Ja, die Kerk is een afgedane zaak en het christendom is een hopeloze zaak. Want er is niemand van de leiders van de wereld die met de Kerk en met de Koning van de Kerk rekent.

En tóch, alle grote en kleine dingen die gebeuren in de wereld – ze liggen in handen van de Koning van de Kerk. Hij heeft haar immers met Zijn bloed gekocht. En nu kan er gebeuren wat er gebeurt, álles komt ten goede van Zijn Kerk. Al kan ze denken dat alles tegen haar is. Het is tóch Koning, Die alles regeert!

 

Dan zien we het Lam de zegels verbreken. Het eerste zegel wordt verbroken, dan het tweede zegel en het derde… Telkens weer gebeuren dan bepaalde dingen op de aarde. Het verbreken van die zegels brengt steeds iets nieuws teweeg.

Nu moet u dat niet zó lezen alsof er een tijdsperiode ligt tussen het verbreken van elk van die zegels. Nee. Het verbreken van die zeven zegels heeft al plaatsgevonden. Dat is al voorbij. Het is begonnen op de Pinksterdag. Want toen dat eerste zegel verbroken werd, zag Johannes een Man uitgaan op een wit paard. Er was een boog in Zijn hand en Hij ging uit ‘overwinnende en opdat Hij overwon’. De prediking van het heilig Evangelie over de aarde ving aan. Johannes heeft gezien dat het Evangelie zijn overwinning vieren zal in het samenbrengen van de uitverkoren Gemeente. Dat was het eerste zegel.

 

Het tweede zegel werd verbroken en het derde… en tenslotte het zevende. U ziet verschillende paarden: rode, hagelvlekkige en vale. U ziet de strijd opkomen tégen de prediking van het Evangelie. Door de tijden heen ziet u machten die de Kerk bestrijden. Ze zijn er tot op vandaag. Want waar de Heere Zijn Kerk bouwt, komt vijandschap en tegenstand openbaar. In het persoonlijke leven en in het kerkelijke leven.

In ons teksthoofdstuk zien we dus aan de ene kant de prediking van het Evangelie en de overwinning van Vorst Immanuël in het toebrengen van Zijn uitverkoren gemeente, aan de andere kant de vijandschap van de machten van de duisternis en de hel.

 

Ten slotte werd het zevende zegel geopend. Gods hele raadsplan ligt nu als het ware open. Nu denkt u misschien: Wel, nu zal die Kerk door al die paarden – die rode, die vale en die hagelvlekkige paarden – ten onder gaan.

Maar wat ziet Johannes? Nee, de Kerk zal triomferen. Want hij zag de Leeuw uit de stam van Juda, staande op de berg Sion, met de honderdvierenveertigduizend verzegelden, die de Naam des Vaders en het teken des Vaders aan hun voorhoofd droegen! Die Kerk zal erdoor komen.

Hij heeft ze zien wandelen in de hemel, in lange witte klederen. En de ouderling heeft gevraagd: Wie zijn ze? En vanwaar komen ze? Het antwoord was: Dezen zijn het die uit de grote verdrukking komen; en zij hebben hun lange klederen gewassen en hebben hun lange klederen wit gemaakt in het bloed van het Lam (Openb.7:14). De Kerk zal erdoor komen. Dwars door al de bestrijdingen heen.

Maar voor de wereld, voor de goddeloze wereld, zal er iets volgen. De bazuinen. Want er zijn niet alleen zeven zegels, er zijn ook zeven bazuinen. En die volgen op het zevende zegel.

 

Zo ziet u: zeven zegels, zeven bazuinen, zeven fiolen. Het gaat naar de voltooiing van alle dingen toe. Het gaat naar het eind der tijden toe, naar de voltooiing, de wederoprichting van alle dingen.

Wat zijn dan die bazuinen? Wel, die paarden zijn de bestrijdingen van het Evangelie. Maar nu zal de Heere Zijn Kerk niet straffeloos laten bestrijden. Hij zal met de vijanden van de Kerk afrekenen. Die bazuinen wijzen daarop. Die bazuinen zijn er al! O, het zijn de oordelen, waardoor de Heere als het ware met een geroep over de wereld laat klinken dat Hij ten gerichte komt.

Als u dit hoofdstuk gelezen hebt, hebt u gezien dat die bazuinen steeds een bepaald deel van de aarde troffen. Niet de hele aarde, maar steeds een derde deel. Dat wil zeggen: dáár hongersnood, dáár pestilentie en oorlogen. Steeds een derde deel, een gedeelte van de aarde. Dat is nu ook. Het roept ons toe: Hij komt! Hij komt om de aarde te richten.

Ten slotte lezen we over de fiolen; de flessen van de toorn van God. Het eindgericht; de verdelging van alle goddelozen. Want de fiolen van de toorn Gods worden uitgegoten over de gehele aarde.

 

Als het zevende zegel verbroken is, is er een stilzwijgen in de hemel van ongeveer een half uur. Dus het zevende zegel is verbroken, de bazuin moet nog geblazen worden – en daartussenin is er een stilte van omtrent een half uur.

Dit vindt u telkens in Openbaring. Na het zevende zegel, na de zevende bazuin, is er een pauze, een tijd van wachten. Dan vinden er geen nieuwe ontwikkelingen op de aarde plaats, maar dan ziet u als het ware de hemel de adem inhouden. Het is dan alsof de engelen en de gezaligden in de hemel van ontzetting de adem inhouden. Om de verschrikkingen die op de aarde komen zullen.

Maar niet alleen de engelen zwijgen, niet alleen de gezaligden zwijgen, maar ook God zwijgt. God zwijgt! Hij geeft geen nieuwe bevelen. Ook niet tot de engelen.

God zwijgt. Gemeente, dat betekent dat de Heere nog wacht met het uitvoeren van Zijn oordelen. De Heere zwijgt een half uur. Wanneer we hier nu in de kerk zitten, is dat een bewijs dat dit half uur in de hemel nog voortduurt. Een bewijs dat God nog zwijgt over ons leven. Want als Hij spreken zou over uw en mijn leven, dan zouden we hier niet meer zijn. Dan is ons leven afgelopen. Want dat half uur stilzwijgen is tijd die u krijgt van de hemel tussen wieg en tussen graf.

 

Wanneer breekt het einde van dat half uur aan? Wanneer klinken die bazuinen? Wanneer worden die fiolen uitgegoten? Op het moment dat u sterft; dan is dat half uur om. Maar nu geeft God nog genadetijd. Hij roept nog! Dat betekent dat stilzwijgen in de hemel. God heeft nog geen eind aan uw leven gemaakt. Hij roept u toe: Ik heb geen lust in de dood van de goddeloze, maar daarin heb Ik lust, dat u leeft en dat u zich bekeert.

O, er gaat een roepstem uit van dat stilzwijgen van een half uur. God zwijgt nog in liefde. Dat stilzwijgen in de hemel is de lankmoedigheid Gods, waarin Hij u toeroept: Wendt u naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde; want Ik ben God en niemand meer (Jes.45:22).

Het is een stilzwijgen van omtrent een half uur. Nu zijn in Openbaring alle getallen symbolisch. Het getal ‘zeven’ is symbolisch, maar ook ‘dat half uur’. Dat betekent dus niet dat het precies een half uur is, maar het wil zeggen dat het wel een werkelijkheid is. En wel de werkelijkheid dat de genadetijd die u van God krijgt, maar een korte tijd is. Het is omtrent een half uur! Het kan dus vijf en twintig minuten zijn, het kan vijf en dertig minuten zijn, maar het is slechts een ogenblik. Want wat is nu een half uur? Ach, een half uur, dat is maar een ogenblik in ons leven. Een half uur is iets wat zo om is. Die tijd snelt heen. En zó is nu ons leven: omtrent van een half uur.

Al zou u nu tachtig jaar leven, dan is dat nog maar een half uur ten opzichte van de eeuwigheid? Maar krijgt u tachtig jaar? Dat halve uur in uw leven duurt misschien maar tien, twintig of dertig jaar. Het is omtrent een half uur!

 

Gemeente, wat doet u met dat halve uur? Waaraan besteedt u het? Aan allerlei dingen, behalve aan het eeuwige? Dan zeg ik: het is de zonde van het halve uur. Dat halve uur is niet van u! U krijgt het van God, uw Schepper, Die nog geen lust heeft in uw dood. Geen lust in uw ondergang. Hij geeft u nog een half uur.

Besteedt u het in de wereld en in de zonde? Dan zult u straks eeuwig betreuren dat u dat half uur op die wijze hebt doorgebracht.

Maar als er nu genade komt in uw leven, dan gaat u die waarde van dat half uur zien, dan gaat u zien dat het maar een half uur duurt. Dat uw leven maar een handbreed gesteld is!

Daarom zegt David: Heere, maak mij bekend mijn einde en welke de mate mijner dagen zij; dat ik wete hoe vergankelijk ik zij (Ps.39:5). O, het is maar een handbreed!

Als u dat beseft dan gaat u met de tijd rekenen, dan krijgt u berouw over de wijze waarop u die tijd hebt besteed. Dan ervaart u het als een wonder dat de Heere nog niet met u heeft afgerekend. Dan gaat u ’s avonds slapen en wordt het een wonder als u weer ontwaakt. Dan wordt het een wonder wanneer u het zonlicht van het heden der genade weer ziet. Dan krijgt dat halve uur een betekenis in uw leven. Dan gaat u uzelf bij God aanklagen. Dan zegt u: ‘Heere, ik heb met dat half uur niets anders gedaan dan U getergd. En ik heb de genadetijd die U me gaf, in de zonde doorgebracht.’ Dan gaat u roepen, de tijd uitkopen. Dan gaat u zoeken en roepen om ontferming. ‘Gena, o God, genâ.’

 

Een stilzwijgen in de hemel, omtrent van een half uur. En die tijd wordt nu ten tweede gegeven als:

 

  1. Gebedstijd

Gemeente, we letten eerst op wat er in onze tekst staat terwijl dat half uur voortduurt: En ik zag de zeven engelen, die voor God stonden, en hun werden zeven bazuinen gegeven.

Zeven bazuinen. Er zijn engelen die voor de troon van God staan. Er is een orde in de hemel onder de engelenscharen. Er zijn engelen die een bijzondere plaats innemen. Denkt u maar aan de engel Gabriël, over wie geschreven staat dat hij zegt: Ik ben Gabriël, die voor God sta (Luk.1:19), en aan de eerste engel Michaël. Er is onder de engelen geen jaloezie, geen hoogmoed, geen neerzien op een ander die tot een geringere dienst geroepen is. Want er wordt over die engelen gezongen: ‘Wier lust het is om op Zijn wenk te staren.’ De engelen hebben maar één verlangen, en dat is de wil van God te doen. Zo staan de engelen, als gedienstige geesten voor de troon.

Nu krijgen ze bazuinen. En hun werden zeven bazuinen gegeven. Ze hebben die bazuinen niet gegrepen, maar kregen ze van God. En nu staan deze engelen voor de troon gereed om uit te gaan met die bazuinen en de oordelen over de aarde te brengen. Maar vóór deze engelen uitgaan – want ze gaan nog niet weg – duurt dat half uur nog voort.

 

Gemeente, dan staat er: En er kwam een andere Engel. Het is het wonder van dat half uur. Er is een ándere Engel; dáárom is er een half uur stilzwijgen in de hemel.

Wie is die andere Engel? Wel, die andere Engel is die geheel enige Engel, Die ver boven mensen en boven engelen uitgaat. Hij is die geheel Enige, Die in de hemel is, verheven boven alle engelen en machten. Hij is het Lam, Dat daar staat als geslacht. Hij is de Leeuw uit de stam van Juda. O, daar is een andere Engel. En omdat die andere Engel er is, daarom is er nu ook een stilzwijgen van een half uur. Want die andere Engel – de Heere Jezus Christus – staat daar in de hemel en Hij heeft een heel bijzondere dienst.

We lezen over Hem: En er kwam een andere Engel, en stond aan het altaar, hebbende een gouden wierookvat; en Hem werd veel reukwerk gegeven, opdat Hij het met de gebeden aller heiligen zou leggen op het gouden altaar dat voor de troon is. Dit is een beeld dat aan de oudtestamentische eredienst ontleend is. Want die tabernakeldienst was een afschaduwing van het hemelse. Dat zegt de apostel in de Hebreeënbrief.

 

Nu stond er in de tabernakel eerst het brandofferaltaar in het voorhof. De brandoffers en de slachtoffers werden daarop gebracht; de verzoenoffers voor de zonde van Israël. Met het vuur van dát altaar moest de priester naar het Heilige gaan, want in het Heilige stond vóór het voorhangsel van het Heilige der heiligen een gouden wierookaltaar. De priester moest daar ‘s morgens én ’s middags vuur op leggen; vuur van het brandofferaltaar. Vervolgens moest hij op dat wierookaltaar wierook strooien. En dan kon Israël het zien: die wierook steeg omhoog. Dan wist Israël – alleen door het geloof: ‘Mijn beê, met opgeheven handen, klimm’ voor Uw heilig aangezicht, als reukwerk voor U toegericht, als offers die des avonds branden.’

Het volk wist ook: die gebeden van Israël, die opgezonden werden voor het aangezicht Gods, hadden ook verzoening nodig. Daarom moest het vuur van dat verzoeningsaltaar op het gouden wierookaltaar gelegd worden. Dat reukoffer moest geheiligd worden voor het aangezicht des Heeren. Maar dan mocht Israël, dat daar in de voorhof geknield lag, het ook weten: Mijn beê, met opgeheven handen, klimm’ voor Uw heilig aangezicht, als reukwerk voor U toegericht, als offers die des avonds branden.

 

Gemeente, nu is er in de hemel ook zo’n dienst. Daar is Christus en Hij staat bij het altaar. Het is de dienst van Zijn eigen offerande. Nu moet Hij dát reukwerk, samen met de gebeden van alle heiligen, leggen op het gouden reukaltaar dat vóór de troon is, voor het aangezicht van God.

De gebeden van álle heiligen. Dus niet: van deze of gene. Nee, de gebeden van alle heiligen. Die gebeden stijgen als één gebed omhoog, want het is de ademtocht van de Kerk. En nu hebben die heiligen met al hun verschillende talen, toch maar één bede. Het is de bede die de Heere Zijn Kerk Zelf geleerd heeft: Uw Naam worde geheiligd, Uw Koninkrijk kome, Uw wil geschiede (Luk.11:2). Die gebeden aller heiligen worden nu op dat hemelse gouden wierookaltaar gelegd.

 

Maar zijn er wel heiligen op de aarde? Die gedachte is toch een beetje Rooms? Ja, de gezaligden in de hemel zijn heiligen. Maar heiligen hier op aarde?

Toch spreekt de Schrift over heiligen. Ze zijn geheiligd in Christus Jezus. U moet eens lezen in Psalm 32: Hierom zal U een ieder heilige aanbidden in vindenstijd. (Ps.32:6). Ieder heilige zal U aanbidden in vindenstijd.

Hoe kan dat?

Het voorafgaande vers zegt het:

 

Ik bekende, o Heer’, aan U oprecht mijn zonden;

Ik verborg geen kwaad dat in mij werd gevonden;

Maar ik beleed, na ernstig overleg,

Mijn boze daân; Gíj naamt die gunstig weg.

 

Daar hebt u de gebeden der heiligen. Hierom zal ieder heilige de Heere aanbidden in vindenstijd. Want in die vindenstijd zullen ze allemaal komen. Er zal er niet één uitgezonderd zijn. Ze komen met het gebed: ‘Ik bekende, o Heere, aan U oprecht mijn zonden.’

 

Die gebeden worden ook opgezonden in Psalm 51: ‘Genâ, o God, genâ, hoor mijn gebed; hoor hoe een boeteling pleit.’ Ze worden opgezonden door een tollenaar achterin de tempel, die zijn ogen niet meer durfde op te heffen naar de hemel. O God, wees mij, zondaar, genadig (Luk.18:13). De roepstem van Manasse in de kerker. Het gepiep van een zwaluw van Hizkia. Daar hebt u de gebeden der heiligen. O Heere, ik word onderdrukt, wees Gij mijn Borg (Jes.38:14).

De gebeden der heiligen. Het zijn onwaardige gebeden; het zijn onvolmaakte gebeden; het zijn gebeden waarvoor ze zelf niets durven te geven. Het zijn verzuchtingen. Het zijn gebeden waarbij soms gedachten binnensluipen in uw hart, zodat u zegt: ‘O God, hoe kan dat bestaan? Kan dat nu nog waarlijk bidden zijn?’

En toch, die gebeden klimmen op tot God voor de troon. Want er is die andere Engel in de hemel. Hij is altijd bezig om de gebeden van alle heiligen te nemen en te leggen op het gouden wierookaltaar dat voor de troon is.

Nu hoort God die gebeden. O, die gebeden, die klachten, die zuchten, dat geroep van Zijn ellendigen – God hóórt ze! U mag dus nooit zeggen: ‘Als ik zalig moet worden, word ik dat toch wel.’ Want dat is niet waar. De Heere geeft u een half uur. Dat halve uur geeft Hij u voor het gebed, voor gebedsworstelingen. Want er zal nooit iemand zalig worden, of hij zal gevoerd zijn met smeking en met geween. Ze zullen komen met hun gebeden, met die gebeden van alle heiligen.

 

‘Ja, maar ik ben onbekwaam om te bidden.’

De discipelen waren dat ook. Maar zij zeiden: Heere, leer ons bidden (Luk.11:1). Ook uw onwaarde is geen grond om het gebed om bekering na te laten. Nee, als de Heere genade bewijst, blijven al die redeneringen achterwege. Want dan komen er die gebeden der heiligen voor in de plaats. En die onwaardige gebeden gaat God horen. Daarvoor heeft Hij nu dat halve uur gegeven. In het raadsplan van God zijn die gebeden der heiligen opgenomen.

Hoe worden die gebeden dan verhoord?

Wel, die andere Engel in de hemel heeft veel reukwerk gekregen! Dat wordt gelegd in een wierookvat, dat Hij in Zijn hand heeft.

Wat is nu dat reukwerk? Wel, dat reukwerk is het reukwerk van Zijn volkomen Zelfofferande, waarmee Hij Zich vernietigd heeft tot in de dood en waarmee Hij Zich heeft overgegeven onder het recht van Zijn Vader. Hij is vermalen als dat reukwerk. Zo heeft Hij overvloedig reukwerk verkregen.

 

Er is veel te verzoenen bij die heilige troon. Maar er is ook véél reukwerk. Want er staat nadrukkelijk: Hem werd véél reukwerk gegeven. Er is veel te verzoenen, maar er is ook veel genade. Oneindig groot. O, dan is er genade, overvloeiende voor de grootste der zondaren. Er is een rivier Gods die vol water is. Voor ellendige zondaars, voor kruipende zondaars, voor zuchters, voor mensen die zich niets waard achten. Véél reukwerk! Uw gebed wordt dan – gelukkig is de mens die dat geleerd heeft – uw gebed wordt dan gevoerd langs dat altaar dat in de voorhof is.

Waar zien we dat altaar? Wel, op de kruisheuvel van Golgotha, waar Christus gehangen heeft en waarop Hij Zichzelf heeft doen vermalen als dat reukwerk. Dat offer wordt door de hand van Christus genomen en met de gebeden van alle heiligen gelegd op dat gouden wierookaltaar dat vóór de troon is.

 

Gemeente, ook onze smeekgebeden hebben verzoening nodig. Wat een verootmoedigende gedachte. Zelfs onze heiligste verrichtingen hebben verzoening nodig. Want we kunnen geen gebed opzenden dat door God gehoord kán worden. Dat kan niet meer.

Maar nu is er een dienst van die andere Engel. Die dienst van die andere Engel is om die gebeden met dat reukwerk te verzoenen, want er is vuur van dat altaar om dat gebed te heiligen. Hij veraangenaamt het gebed der Zijnen, Hij volmaakt het in de hemel.

Een verootmoedigende gedachte, maar ook een vertroostende gedachte. Want nu is er die dienst van die Engel in de hemel en nu gaan die gebeden opstijgen. Want er staat: En de rook des reukwerks met de gebeden der heiligen ging op van de hand des Engel voor God. Dan ziet u ze opgaan. O, door de hand van Christus gaan die gebeden op. Dan verhoort God, niet omdat er waardigheden in die gebeden liggen, maar dan verhoort Hij om de dienst van die andere Engel.

 

Gelukkig zijn degenen die daar achter komen: onze gebeden zijn het niet waard om verhoord te worden. Maar wie alle grond uit zijn gebeden verloren heeft, mag terechtkomen bij Hem Die gezegd heeft: Tot nog toe hebt gij niet gebeden in Mijn Naam (Joh.16:24). Dan gaat u bidden in Jezus’ Naam. We zeggen dat vaak aan het eind van ons gebed, en het is goed om dat te zeggen: om Christus’ wil, om Jezus’ wil. Maar het is zo langzamerhand het eindpunt geworden van ons gebed. We weten dat we dan aan het einde van het gebed zijn.

Maar gemeente, als u werkelijk eens gaat beseffen wat het zeggen wil – om Jezus’ wil – dan komt u terecht bij die andere Engel Die voor de troon is en Die daar staat om dat reukwerk te leggen op dat gouden wierookaltaar.

Dán gaat u bidden in Jezus’ Naam, en dán zegt de Heere: Al wat gij den Vader zult bidden in Mijn Naam, dat zal Hij u geven (Joh.16:23). Begrijpt u dat? In Zijn Naam bidden. Uw eigen gebedsgrond is dan weg, maar u vindt dan een gebedsgrond in Hem, Die Zich als dat enige Reukwerk heeft opgeofferd en Die nu in de hemel is als die grote Hogepriester, Die ook een vóórbiddende Hogepriester is. Dan stijgt de rook van het reukwerk met de gebeden der heiligen van de hand van de Engel op tot God. Wat een wonder. Dat is nu het geheim van dat halve uur.

 

Er is een half uur stilzwijgen. Omdat Hij in het oordeel geweest is en omdat Hij gezwegen heeft voor Kajafas. Omdat Hij gezwegen heeft voor het gericht. Omdat Hij het oordeel aanvaard heeft. Daarom krijgt u nog een tijd om te bidden. Daarom krijgt u nog een tijd om tot God te roepen. Omdat Hij een zwijgende hemel boven Zich gehad heeft en omdat Hij geroepen heeft, maar geen antwoord kreeg. Omdat Hij op Golgotha’s heuveltop heeft uitgeroepen: ‘Gij antwoordt niet.’ Daarom krijgt de Kerk een antwoord op haar zuchten, op haar gebeden. Zó kunnen de gebeden van de heiligen komen voor het aangezicht van de Vader.

 

Dat halfuur stilzwijgen, dat is een gebedstijd. Nu zit er misschien iemand, die zegt: ‘Zou de Heere óók mijn gebed en mijn zuchten willen horen?’

Ja, Hij zal het gewis willen horen, want er is in het Woord geschreven dat Hij naar de jonge raven hoort als ze tot Hem roepen. Hij hoort het gekir van een duif en het gepiep van een zwaluw. Daarom Hij het roepen van ellendigen horen, die Hem als Helper in de nood nodig hebben. Want is Hij gekomen, Hij heeft Zich opgeofferd, Hij heeft geroepen en de hemel heeft over Hem gezwegen, opdat degenen voor wie de hemel in eeuwigheid zwijgen zou, een antwoord zouden ontvangen.

 

Ja, Hij is die grote Koning van Wie de Kerk profetisch gezongen heeft: ‘Nooddruftigen zal Hij verschonen’ Als er nu van die heiligen zijn, die zo aan Zijn voeten liggen:

 

Nooddruftigen zal Hij verschonen;

Aan armen, uit genâ,

Zijn hulpe ter verlossing tonen;

Hij slaat hun zielen gâ,

Als hen geweld en list bestrijden,

Al gaat het nog zo hoog;

Hun bloed, hun tranen en hun lijden,

Zijn dierbaar in Zijn oog.

 

Deze psalm gaan we nu eerst zingen. Psalm 72 vers 7.

 

Gemeente, nu ten derde:

 

  1. Het stilzwijgen is een tijd van het gericht

Dat half uur heeft ook een einde. Daar leest u van in onze tekst. En de Engel nam het wierookvat, en vulde dat met het vuur des altaars, en wierp het op de aarde.

Dan staat daar wéér die Engel, die andere Engel. Hij staat bij het altaar. Hij staat daar wéér met dat wierookvat. Maar nu is er geen reukwerk meer. Veel reukwerk gekregen, veel reukwerk gehad, maar het reukwerk is op. Er zijn geen gebeden van heiligen meer te verzoenen. Er stijgen ook geen gebeden meer op van de aarde naar de hemel. De genadetijd is voorbij en de gebedstijd is voorbij.

Nu staat die andere Engel bij dat altaar en Hij neemt vuur van dat altaar. Welk vuur neemt Hij nu van het altaar?

Wel, het vuur op het altaar in Israël wees op de toorn van God tegen de zonden. Dat verteerde het slachtoffer. Wanneer Hij dus vuur van dat altaar neemt en in dat wierookvat doet en op de aarde werpt, betekent dat vuur: de ongebluste toorn van God. De wraak van God tegen de zonde wordt op de aarde geworpen. Dan kán er geen gebed meer opklimmen. Dan kunt u geen genade meer krijgen. Dan is het einde gekomen aan dat halve uur.

 

De tijd van het gericht is daar. Een ontzagwekkende tijd! Want als de Engel het vuur van de onverzoende toorn van God op de aarde werpt, dan leest u dat op aarde stemmen en donderslagen en bliksemen en aardbeving komen. De gehele wereld is beroerd! De ontzettende eindtijd, waarin de Koning komt, is aangebroken. O, dan zal de wereld vergaan! Dan zullen al de goddelozen van de aarde verdaan worden. Want dat vuur, die ongebluste toorn van God, zal alle goddelozen verdelgen. Dan is er geen gebedstijd en geen genadetijd meer. Maar alleen de tomeloze wraak van God over de zonde.

Dán zal het einde zijn. Dan zal de Heere al de Zijnen, al die heiligen wier gebeden Hij op het gouden wierookaltaar gelegd heeft, tot Zich nemen in heerlijkheid. Dan zullen ze altijd met de Heere zijn. 

 

Gemeente, nu is het voor u nog genadetijd. Maar houdt er rekening mee dat het maar een half uur is. Een korte tijd. Er is nog genade te verkrijgen, want er is veel reukwerk in de hemel. Maar er is haast bij, want het duurt maar een half uur. O, er is nog reukwerk en er is nog tijd. Maar het zal spoedig voorbij zijn.

Waar besteedt u nu die tijd aan?

Ga dat nu in uw eigen leven eens na. Zou u voor God kunnen verantwoorden, hoe u dat half uur besteedt? Want straks is het einde van dat halve uur aangebroken. Dat einde komt gewis wanneer de Heere wederkomt op de wolken van de hemel. Maar het komt ook op het moment dat u sterft. Wie weet het ogenblik? Elke dag kan voor u de laatste zijn. Zal er dan voor u plaats zijn in het Vaderhuis met die vele woningen?

 

De Heere zegt: Ik ga heen om u plaats te bereiden, want in het huis Mijns Vaders zijn vele woningen (Joh.14:2). Maar is er voor u een plaats bereid? Dat kunt u weten.

Dan zult u als een smekeling op de aarde gelegen hebben. Dan hebt u die genadetijd kostbaar leren achten. Dan zult u tot God geroepen hebben om genade en ontferming. Dan zult u God zijn aangelopen als een waterstroom. Dan zullen uw gebeden opgenomen zijn in het gebed van alle heiligen. Er zal niemand van achterblijven, er zal niemand overgeslagen worden. Kent u dat leven? Want anders kunnen we ons wel veel inbeelden, maar ach, dan zal de Heere tot ons zeggen: Ik ken u niet, vanwaar gij zijt (Luk.13:25). Ik heb u nooit gekend (Matth.7:23).

Wat bedoelt de Heere daarmee: Ik heb u nooit gekend?

De Heere bedoelt daarmee dat er geen plaats en geen uur in uw leven is aan te wijzen dat u aan Zijn voeten lag. Er is geen plaats en geen seconde aan te wijzen dat u Mij werkelijk eens nodig hebt gehad. Ik heb u nooit gekend. Ik heb u nooit aan Mijn voeten gezien. Gaat weg van Mij, gij die de ongerechtigheid werkt (Matth.7:23). Een afschrikwekkend oordeel!

 

Jongens, meisjes, zullen jullie eraan denken? Het is maar een half uur. Maar dat halve uur is voldoende. O, dat halve uur is zo voldoende dat straks de hemel zal zijn gevuld met een schare die niemand tellen kan. Ze zullen God groot gaan maken.

God groot gaan maken?

Ja, ze zullen God groot gaan maken voor die genade van dat halve uur. Die genade dat God naar ze omzag. Die genade dat God ze voerde aan Zijn voeten. Die genade dat God nog naar hen hoorde. Die genade dat er nu een Hogepriester in de hemel is, Die Zichzelf opgeofferd heeft om een Oorzaak van zaligheid te voor hen te zijn. Ze zullen God voor dat ene halve uur gaan bedanken. Eeuwig bedanken. Dat halve uur was voldoende. Het is kort, maar het is wel voldoende.

Voldoende omdat de Heere alles voor Zijn Kerk heeft gedaan. De Kerk wordt alleen maar zalig uit genade. Ze zal wel smeken, maar ze wordt niet behouden óm dat smeken. Op uw noodgeschrei – dat wel – deed Ik, de Heere, grote wonderen. Dan zullen ze eeuwig zingen gaan:

 

Mijn God, U zal ik eeuwig loven,

Omdat Gij het hebt gedaan;

 ‘k Verwacht Uw trouwe hulp van boven,

Uw waarheid zal bestaan.

 

Eeuwig God groot gaan maken. Eeuwig God eren en lof toebrengen aan die andere Engel. Gij, o Lam Gods, Gij hebt ons Gode gekocht met Uw dierbaar bloed. Hem zij de lof, de aanbidding en de dankzegging in der eeuwigheid.

De bruiloft begint: En zij begonnen vrolijk te zijn (Luk. 15:24).

Zult u onder hen zijn?

 

Amen.                                                                        

 

Psalm 141 vers 1 en 2:

 

‘k Roep, Heer’, in angst tot U gevloden,

Ai, haast U tot mijn hulp, en red;

Hoor naar de stem van mijn gebed,

Daar ik U aanroep in mijn noden.

 

Mijn beê, met opgeheven handen,

Klimm’ voor Uw heilig aangezicht,

Als reukwerk, voor U toegericht;

Als offers die des avonds branden.