Ds. C. Harinck - Mattheüs 1 : 23

Immánuël

De vervulling van Gods belofte
De redding van de zondaar
De troost van Gods nabijheid

MattheĆ¼s 1 : 23

Mattheüs 1
23
Ziet, de maagd zal zwanger worden, en een Zoon baren, en gij zult Zijn naam heten Emmanuel; hetwelk is, overgezet zijnde, God met ons.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 139:10
Lezen : Mattheüs 1: 18-25
Zingen : Lofz. Zach. vs. 1, 2, 5
Zingen : Psalm 89: 9
Zingen : Psalm 27: 7

Gemeente, wetenschappers, maar ook gewone mensen, vragen zich af: zijn we alleen in het universum? Er zijn miljarden sterrenstelsels en talloze planeten die groter zijn dan de aarde. De vraag is: is daar leven of is het heelal leeg? Zijn we hier alleen?

Ik kan al die mensen geruststellen: we zijn hier niet alleen. God is er. Hij vervult de hemel en de aarde met Zijn tegenwoordigheid. In Jezus Christus is God ook aanwezig in onze wereld. Joh schrijft: Het Woord is vlees geworden. God is mens geworden. Hij is één van ons geworden. Jezus wordt genoemd: ‘Immánuël’. Hij is de inhoud van onze tekst, die u kunt u vinden in Mattheüs 1 vers 23:

 

Zie, de maagd zal zwanger worden en een Zoon baren, en gij zult Zijn Naam heten Immánuël; hetwelk is, overgezet zijnde, God met ons.

 

Onze tekst spreekt over: Immánuël.

 

We staan stil bij drie gedachten:

 

  1. De vervulling van Gods belofte.
  2. De redding van de zondaar.
  3. De troost van Gods nabijheid.

 

  1. De vervulling van Gods belofte

De Evangeliebeschrijvingen benaderen de menswording van Gods Zoon vanuit verschillende gezichtspunten. Johannes kijkt ernaar vanuit de eeuwigheid en zegt: In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God (Joh.1:1). Dát eeuwige Woord, die eeuwige God, is in de volheid des tijds méns geworden.

Lukas richt zich vooral op alles wat er gebéúrd is. Hij spreekt over de boodschap van de engel Gabriël, over Maria, de geboorte in de stal en over de herders. En Markus begint eenvoudig bij Johannes de Doper, bij Jezus’ openbare optreden.

Mattheüs begint met een stamboom. Hij laat zien dat Jezus een nakomeling is van Abraham en dat Hij een Zoon van David is. Hij schrijft voor de Joden. Hij wil de Joden aantonen dat Jezus de door de profeten beloofde Messias is. Hij schrijft alleen over Jozef, maar zwijgt over Maria. Hij laat ons zien hoe Jozef gereageerd heeft op de zwangerschap van Maria. De man staat bij de Jood vooraan.

 

Drie maanden is Maria bij haar nicht Elisabet geweest. Als ze terugkomt, is ze zwanger. Wat moet Jozef daarvan denken? Hij denkt dat ze hem ontrouw is geworden.

Wat moet hij nú doen? Hij kan haar aanklagen bij de oudsten en bij zijn familie. De jonge Maria zal dan veracht worden. Maar hij besluit haar in het geheim te verlaten.

Dat laat ons de grote liefde van Jozef voor Maria zien. Want als Jozef zomaar met de noorderzon zal verdwijnen en Maria zwanger zal achterblijven, zullen alle mensen Maria in bescherming nemen. Ze zullen tegen haar zeggen: ‘Wat erg toch, wat je overkomen is. Jozef heeft je zwanger gemaakt en laat je nu in de steek.’ Hij is daarom van plan Maria stilletjes te verlaten.

Maar dan verschijnt de engel aan Jozef. Deze engel legt hem uit wat niet uit te leggen is. Hij verklaart hem wat niet te verklaren is. Hij verklaart hem de oorzaak van Maria’s zwijgen. Hoe kan ze aan Jozef uitleggen dat ze zwanger is van de Heilige Geest?

Nu echter verklaart de engel het aan Jozef. Hij legt hem alles uit. Hij vertelt hem dat haar zwangerschap door de Heilige Geest is gewerkt. Maria is hem niet ontrouw geworden. Zij draagt de beloofde Messias in haar schoot. Hij zal spoedig geboren worden.

 

De engel zegt ten slotte: En dit alles is geschied, opdat vervuld zou worden hetgeen van den Heere gesproken is door den profeet, zeggende: Ziet, de maagd zal zwanger worden en een Zoon baren, en gij zult Zijn Naam heten Immánuël; hetwelk is, overgezet zijnde, God met ons.

De engel brengt Jozef een wonderlijke boodschap. De profetie van Jesaja is aan Maria vervuld: Dit zal u het teken zijn: Zie, een maagd zal zwanger worden, en zij zal een Zoon baren (Jes.7:14). Deze Zoon zal de Immánuël zijn, de Verlosser, God met ons. Dat is het grote teken van God in de wereld. Het is Gods hoogste en duidelijkste teken, een uniek teken. Een teken dat alleen God kan geven. De maagd zal zwanger worden. Dát is in Maria vervuld.

Jozef en Maria kunnen dat niet begrijpen. Wij ook niet. Wij kunnen ons alleen maar verbazen en verwonderen. De Zoon van God wordt Immánuël – God met ons. Eén van ons wordt Hij. Ons in alles gelijk, behalve de zonde. God komt onze wereld binnen en Hij wil deel uitmaken van de mensheid. Hij doet dat door middel van Maria, want dat Kind zal vlees en bloed van Maria zijn. In de schoot van Maria groeit een Kind, Wiens Naam zal zijn: Immánuël.

 

Gemeente, wat een groot wonder. Het is zelfs groter dan dat eerste grote wonder: de schepping van de wereld uit niet. Dit is een groter wonder. God brengt uit een maagd een Kind voort. Wie kan dat verklaren? Wie kan dat verstaan? Het is voor ons niet te begrijpen en door ons niet te verklaren. Het is zo bovennatuurlijk. Het is zo Goddelijk, zo verheven. Een kind geboren, zonder verwekt te zijn door een man. Dat is toch een biologische wet? Kinderen worden geboren uit een man en een vrouw.

Maar in Bethlehem zal een Kind geboren worden zonder toedoen van een man. Toch is het een natuurlijk kind. Het heeft het vlees en bloed van Maria. Het is een mens, uit een mens geboren, maar zonder menselijke vader. De man staat erbuiten. Dit werk is immers door Gods vermogen en door Zijn hand alleen geschied.

Het is het grootste teken van God in onze wereld. Maar er is ook geen teken dat zo door de ongelovigen is bespot als juist de maagdelijke geboorte van Jezus. Dat kan toch niet? Een maagd kan toch niet zwanger worden? Het is voor velen een struikelblok om het christendom te geloven. Ze willen heel veel geloven, maar niet dat er een kind uit een maagd geboren is.

De moderne theologie past dit dan ook aan en zegt dat de eerste christenen zo over de geboorte van Jezus hebben gesproken en geschreven, om van Jezus een bijzonder Persoon te maken. De hele wereld zegt dat de maagdelijke geboorte van Jezus onmogelijk is. Ze denkt dat Gods mogelijkheden niet verder gaan dan onze mogelijkheden. Maar kan Hij Die het hele universum uit het niets heeft voortgebracht, kan Hij Die voortplantingskracht gaf aan het zaad, kan Hij niet in de schoot van Maria léven verwekken?

 

De wonderlijke profetie is vervuld: Zie, een maagd zal zwanger worden, en zij zal een Zoon baren, en men zal Zijn Naam heten Immánuël. Er blijft slechts bewondering en verwondering over. Maar waarom heeft God de Verlosser zó beschikt?  Waarom heeft God dat zó gedaan? In de oude belijdenis van Nicéa wordt het gezegd: ‘Die om ons, mensen, en om onze zaligheid is neergekomen uit de hemel.’

 

We letten daarop in de tweede gedachte:

 

  1. De redding van de zondaar

Het gaat in de menswording van de Zoon van God om de redding, de verlossing van de gevallen mens. Het is een heilsfeit. Het brengt heil en redding. Waarom wordt de Zoon van God Immánuël? Waarom wordt Hij ‘God met ons’?

Het antwoord is heel eenvoudig. Hij wordt ‘God met ons’, om ‘God vóór ons’ te kunnen zijn. Om de plaatsvervanger te kunnen zijn van mensen die gezondigd hebben, het doel gemist hebben, tegen God zijn opgestaan en vriendschap hebben gezocht met Gods grote tegenpartijder: satanas. Mensen die naar Gods rechtvaardig oordeel aan de eeuwige dood zijn onderworpen. Hij moet Immánuël worden om zulke mensen te redden. Hij moet mens worden uit een mens, ons in alles gelijk, uitgenomen de zonde.

Petrus schrijft van Jezus, dat Hij Zelf onze zonden in Zijn lichaam gedragen heeft op het hout (1Petr.2:24). Daar was een lichaam voor nodig. In de Hebreeënbrief lezen wij: Gij hebt Mij het lichaam toebereid (Hebr.10:5). Hij is Mens geworden om te kunnen lijden en sterven, om de plaats van gevallen mensen in te kunnen nemen.

 

In de Bijbel lezen we steeds dat het werk Jezus plaatsvervangend is.  Hij wordt arm om door Zijn armoede ons rijk te maken. Hij wordt gegeseld om door Zijn striemen ons te genezen. Hij wordt van God verlaten om door Zijn verlating ons tot God terug te brengen. Hij sterft een vervloekte dood om ons van de vloek van de wet te verlossen. Hij draagt de straf van de zonde om ons vrede te brengen. Hij wordt met de misdadigers gerekend, opdat God misdadigers zou kunnen vrijspreken. Hij draagt veler zonden, opdat de zonden van velen kunnen vergeven worden. Hij geeft Zichzelf als dat éne grote offer dat aan Gods gerechtigheid heeft voldaan en verlossing heeft teweeggebracht. Wat dreef Hem daartoe? Hij wordt er niet toe gedwongen. Waarom kwam Hij dan? Het oude kerstlied geeft ons het antwoord:

 

Wat deed uit ’s hemels zalen,

O Heer’ der heerlijkheên,

Op aarde U nederdalen?

Uw grote liefde alleen.

 

Zijn liefde tot Zijn Bruidsgemeente dreef Hem. Liefde tot een gemeente van gevallen zondaren. Liefde tot mensen die zichzelf in de grootste nood en ellende hebben gebracht. Mensen die tegen God gezondigd hebben en zich daardoor onder Gods oordeel hebben gebracht.

Hij wordt ‘God met hen’ om ‘God vóór hen’ te kunnen zijn. Het kwaad van de zonde moet verzoend worden en uit de wereld worden weggedragen. Daarom wordt Hij genoemd: Het Lam Gods, Dat de zonde der wereld wegneemt (Joh.1:29). Hij komt om te redden en te verlossen. Daartoe is Hij neergedaald uit de hemel die zo volmaakt, vol geluk en heerlijkheid is. Uit een werkelijkheid van engelen die God dienen. Uit een plaats waar alleen gelukzaligheid is. Waar Hij de volmaakte liefde geniet met Zijn Vader en de Heilige Geest. Een werkelijkheid vol gelukzaligheid, vol zalig geluk.

Hij komt door Zijn geboorte uit Maria in een wereld vol ellende, lijden, dood, bloedvergieten, boosheid en ongerechtigheid. Een wereld waar Satan omgaat als een briesende leeuw, zoekende wie hij zou mogen verslinden (1Petr.5:8). Een wereld, waarin Hem armoede en lijden en een vreselijke dood wacht. Echt, we moeten ons hier verwonderen. Komt, verwondert u hier, mensen. Hij doet het om het grootste kwaad, namelijk de zonde weg te nemen en om de zondeschuld te verzoenen.

Om dit verzoeningswerk te kunnen doen, moet Hij een Persoon zijn, Die twee naturen bezit. Hij verenigt in Zich God en mens. De catechismus zegt: ‘Hij moest sterker zijn dan mensen. Hij moest waarachtig God zijn, om de ontzaggelijke toorn Gods tegen de zonde te kunnen dragen en te kunnen wegnemen. En Hij moest mens zijn, om de plaats van mensen te kunnen innemen.’ Daarom verlaat Hij de hemel. Daarom wordt Hij mens, Immánuël, God met ons.

 

Als we aan deze Immánuël denken, kunnen we niet anders dan de apostel nazeggen: Zodanig een Hogepriester betaamde ons, heilig, onnozel, onbesmet, afgescheiden van de zondaren (Hebr.7:26). We zien hoe genadig God in de nood van de gevallen mensen heeft voorzien door Zijn Zoon in de wereld te zenden. Opdat een iegelijk die in Hem gelooft niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe (Joh.3:15).

Hij komt tot verlossing van kinderen des toorns, zegt de Bijbel. Hij komt ons verlossen van het allergrootste gevaar, onze echte en diepste nood.  En wat is die diepste nood?   

Dat God niet meer met ons is. Dat wij Zijn kinderen niet meer zijn. God is tégen ons. Wij zijn kinderen des troons, zegt het doopformulier. Want de toorn Gods wordt geopenbaard van den hemel over alle goddeloosheid en ongerechtigheid der mensen (Rom.1:18). Zonde wekt Gods heiligheid op tot toorn. Hij vertoornt Zich verschrikkelijk over aangeboren en werkelijke zonden, zegt de Catechismus. Daar moeten we met Kerst ook aan denken. Het gaat niet allen om vreugde en licht. Kerst staat tegen de achtergrond van onze diepe val in het Paradijs. Wij zijn van nature kinderen des toorns. We hebben door onze zonden God tot toorn verwekt.

 

Jongeren, denken jullie er weleens aan dat jullie zonden God tot toorn opwekken? De toorn van God is een vreselijke toorn. Wie zal daarvoor kunnen bestaan? Wat is ons zondebesef dikwijls oppervlakkig. Zeker we erkennen dat er heel wat aan ons mankeert. En dat er in de wereld ook heel vel mis is.  Maar dat God toornig op ons is, dringt weinig tot ons door. De Bijbel leert het ons. We zijn een kind des toorns. We hebben God tot toorn verwekt met onze zonden. De apostel schrijft: Want de toorn Gods wordt geopenbaard van de hemel over alle goddeloosheid en ongerechtigheid der mensen. (Rom. 1: 18).

Onze grootste nood is dat, wanneer dit zo blijft, het onze eeuwige verdoemenis zal worden. Wanneer je dat echt ziet, wie je bent voor een heilig God met je zonden en je verkeerdheden, met al je boze gedachten en daden, begrijp je dat God tégen je is. Dat Hij op je vertoornd is, omdat je Zijn geboden hebt overtreden en Zijn Evangelie veracht.

Het wordt dan werkelijkheid: God is tégen mij. W e zeggen dan met David: ‘Mijn zonden maken mij het voorwerp van Uw toorn, reeds van het uur van mijn ontvangenis af.

De wet is tegen ons, want de wet vervloekt iedereen die niet blijft in de geboden van de wet.

Ons geweten is tegen ons en zal ons aanklagen en benauwen. De duivel is tegen ons en hij zal roepen: ‘Je hebt geen heil bij God.’ Dan is alles tegen ons, omdat God tegen ons is.

 

Is dat weleens werkelijkheid geworden in je leven? Is dat je nood geworden: God is tégen mij? Hij is op mij vertoornd. Daarom is álles tegen mij. Daarom klaagt mijn geweten mij aan. Daarom veroordeelt mijn leven mij. Daarom schrik ik voor de dood en de Godsontmoeting. Zo kan het met de mens worden als het werkelijkheid wordt: ik heb door mijn zonden God tot toorn verwekt. Ik ben een kind des toorns. God is tégen mij.

 

Maar hoor dan het Evangelie van de menswording van Gods Zoon. Hij is Immánuël, God met ons, geworden. Hij is de brug tussen de vertoornde God en de schuldige zondaar. Hij is de verzoening voor onze zonden, schrijft Johannes. In Christus is God niet meer tégen ons, maar mét ons. Het Kind in de kribbe is niet God tégen ons, maar God mét ons. Daarom moest Hij die weggaan van kribbe naar kruis. Hij staat in de scheur en de kloof tussen God en de zondaar. Hij is de Middelaar Gods en der mensen.

 

God met ons. Wat is dat een rijke zegen, als je weten mag dat God niet meer tegen je is, maar met je is.   De apostel schrijft: Zo God voor ons is, wie zal tegen ons zijn? (Rom.8:31). Als God voor je is, wie zal zich dan tegen je durven keren? Dat zal allemaal tevergeefs zijn. In het Kind van Bethlehem, in de Gekruisigde van Golgotha, is God voldaan, en Zijn recht bevredigd. Hij heeft Zijn toorn afgelegd en is niet meer God tégen ons, maar God mét ons. Het wordt werkelijkheid, wanneer we in onze verlorenheid en verslagenheid zich op Jezus krijgen.

Wanneer God ons oog verlicht en je in je ellende en schuldverslagenheid ziet, dat God in Christus ‘God met ons’ is geworden. Wanneer je ziet dat Hij tot zonde is gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem.  Wat gaat dan de oude profetie van Jesaja in vervulling: En men zal Zijn Naam Immánuël heten.

Wat een verwondering, wanneer een schuldig en vrezend zondaar en geloofsgezicht ontvangt op deze Immánuël.  De zondaar staat dan in verwondering en ziet, Immánuël, God met ons!

 

Men’ zegt de profeet, zal Hem Immánuël heten. ‘Men’, dat zijn al de gelovigen. Men zal Hem Immánuël heten. Zó zal men Hem noemen: Immánuël. Zondaren zullen gedrongen worden om te zeggen: ‘Immánuël.’ Zij zullen voor Hem knielen en Hem aanbidden als Immánuël, God met ons Da Costa verwoordt dit in zijn gedicht, getiteld ‘God met ons’, en zegt:

 

Ik zag Hem,

mens met ons geworden,

voor mijn overtreding

tot zonde gemaakt;

ik zag Hem,

ik gaf mij!

De hel is geweken;

de hemel ging op,

uit Uw Woord in mijn ziel!

 

Ja, dan roept de zondaar evenals Da Costa:

 

Mijn Redder, mijn Goël, mijn Zondenvernieler,

Mijn Meester, mijn Heiland, Mijn Heer’ en mijn God!

Gezegend, geheiligd, beslist is mijn lot!

                                                                   

En men zal Zijn Naam Immánuël heten. Gemeente, daar gaat het om met Kerst. We kunnen Kerst niet herbeleven. Het feit van Kerst herhaalt zich niet. De heilsfeiten kunnen we niet overdoen. Maar we kunnen de troost ervan wel met ons hárt beleven. Ons geloof rust op de heilsfeiten. Het wordt Kerst in je ziel, als je bij het licht van Gods Wood in de geest bij de kribbe neerknielt. Wanneer dan je ziel zegt wat de profeet voorspelde: En men zal Zijn Naam heten Immánuël. Dan vinden we in Bethlehem God mét ons.

Dan ligt Bethlehem inderdaad in Nederland.

 

Misschien hebben we tóch nog een vraag. Bethlehem ligt achter ons, ook Golgotha, Pasen en Hemelvaart. Jezus is nu gezeten aan de rechterhand Gods. Hij is niet meer op aarde. De apostel schrijft: Ver boven alle overheid en macht en kracht en heerschappij, en allen naam die genaamd wordt, niet alleen in deze wereld, maar ook in de toekomende wereld (Ef.1:21). Kan Hij nú nog Immánuël zijn? Kan Hij ook vandaag nog mét ons zijn?

Ja, gemeente, dat belooft Hij als Hij de wereld verlaat: En zie, Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld (Matth.28:20). De catechismus zegt ons: ‘Naar Zijn genade, majesteit en Geest wijkt Hij nimmermeer van ons.’ Daarop letten we in de laatste gedachte, maar zingen we eerst Psalm 89 vers 9:

 

Gij hebt weleer van Hem Dien Gij geheiligd hadt,

Gezegd in een gezicht, dat zoveel troost bevat:

‘Ik heb bij enen Held voor Isrel hulp beschoren,

Hem uit het volk verhoogd; Hem had Ik uitverkoren.

‘k Heb David, Mijnen Knecht, Mijn Gunsteling gevonden,

En Hem, met heil’ge zalf, aan Mij en ‘t rijk verbonden.

 

  1. De troost van Gods nabijheid

Gij zult Zijn Naam heten Immánuël, dat is God met ons. We zijn niet alléén in het onmetelijke universum. We zijn niet alléén in een wereld vol lijden, vol ziekte, dood, bloedvergieten en oorlogsgeweld. Ook niet in een wereld, vol rampen en ziekten zoals het coronavirus. God is in de wereld gekomen. God is Immánuël geworden. In Christus is Hij verschenen. Het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als des Eniggeborenen van den Vader, vol van genade en waarheid (Joh.1:14). Hij is er. Ook nu, ook vandaag, in onze wereld. Al heeft Christus de wereld verlaten. Al zit Hij nu aan de rechterhand van de Vader in de heerlijkheid, door middel van Zijn Woord is Hij aanwezig op aarde. Door middel van het getrouwe Woord dat Hij laat verkondigen. En door middel van Zijn Geest, de andere Trooster, Die Zijn plaats op aarde heeft ingenomen.  Christus is present door de Heilige Geest.

 

Veel mensen vragen zich echter af: Waar is God? God schijnt de grote Afwezige te zijn in onze wereld. Waar merk je nog dat God er is? Waar zijn de mensen die kunnen zeggen: ‘God ís er. Hij is er ook vandaag.’ We lezen in het boek Richteren over Gideon. Hij leefde in een moeilijke tijd. De Midianieten vielen Israël binnen, roofden de oogst en het vee en namen ook de jonge meisjes met zich mee. Een vreselijke tijd.

Maar dan verschijnt de Engel des Heeren aan Gideon. Hij zegt: De Heere is met u, gij strijdbare held (Richt.6:12). Nu, dat was in geen enkel opzicht te zien.  Gideon antwoordde dan ook met: Zo de Heere met ons is, waarom is ons dan dit alles wedervaren? (Richt.6:13).

Wat zeggen veel mensen dat. Als de Heere met ons is, waarom is me dan toch dit alles overkomen? Hoe kan God veraf voelen! Wat kan Hij voor ons de grote Afwezige zijn.  In ziekte, in lijden en tegenspoed? In eenzaamheid, te midden van veel zorgen en verdriet? Wanneer de Heere ons gebed niet hoort en Zich van ons roepen niets schijnt aan te trekken. Dan zeggen wij met Gideon: Zo de Heere met ons is, waarom is ons dit alles wedervaren?

 

Zo was het ook bij Habakuk. Heere, hoe lang schreeuw ik, en Gij hoort niet? Hoe lang roep ik geweld tot U, en gij verlost niet? (Hab.1:2).

Wat zijn er veel raadsels en veel vragen in ons leven. Wat is er veel leed, waarvoor geen oplossing te vinden is. Het is dan ook geen wonder dat mensen, en ook veel jonge mensen, zeggen: ‘Waar is God in deze ellendige wereld?’ Vooral zieke en door lijden beproefde mensen zeggen dat dan. Asaf zei ook: Hoe zou het God weten, en zou er wetenschap zijn bij den Allerhoogste? (Ps.73:11).

Waar is dan troost en houvast te vinden?

In Immánuël. In de menswording van Gods Zoon.

Als je je afvraagt: ‘Waar is God?’ Als de duivel zegt: ‘Er is geen God.’ Dan moet je naar Bethlehem toe. Dan moet je in de kribbe kijken. Daar zie je in vervulling gaan wat de profeet Jesaja gezegd heeft: Zie, een maagd zal zwanger worden en zij zal een Zoon baren, en men zal Zijn Naam Immánuël heten. Tot Jesaja zei de Heere: Zeg den steden van Juda: Zie, hier is uw God (Jes.40:9). Hier is God: in doeken gewonden en liggend in de kribbe. Zó alleen is Hij Immánuël. Zó alleen kan Hij onze plaats innemen. Zó alleen kan Hij redden en verlossen.

 

Je moet steeds opnieuw lezen wat er boven de kribbe geschreven staat: Alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe (Joh.3:16).

Wat denken we dikwijls verkeerd van God! Maar kun je nog negatief denken van die God, Die Zijn eniggeboren Zoon niet gespaard heeft om zondaren te kunnen sparen?

God ís niet veraf. Hij is ons in Christus dichtbij gekomen.

Het omgekeerde is wél waar. Wíj zijn ver van God verwijderd. We zijn ver van God afgedwaald. We hebben God vergeten. Wij hebben met God gebroken.

Dat is wat we rondom ons zien en in het eigen leven helaas zo dikwijls terugvinden.

Het gaat zonder God ook goed. We hebben Hem niet meer nodig. Wij zijn heren, roepen we, wij zullen niet meer tot U komen (Jer.2:31).

Ja, zondaar, die klaagt dat God ver weg is. God is niet ver weg. Ú bent ver afgedwaald. De Heere zegt: Zie, de hand des Heeren is niet verkort, dat zij niet zou kunnen verlossen; en Zijn oor is niet zwaar geworden, dat het niet zou kunnen horen. Maar uw ongerechtigheden maken een scheiding tussen ulieden en tussen uw God (Jes.59:1,2).

Wat is dat een gelukkig uur, waarin God ons op onze plaats zet en ons laat zien bij wie de schuld ligt. De verwijdering ligt bij ons. Wij hebben Hém verlaten. Híj is er echter nog steeds. Hij heeft nog steeds geen lust in uw dood. Hij roept en nodigt: Wendt u naar Mij toe, wordt behouden (Jes.45:22).

 

Gelovigen, kinderen van God, Jezus is Immánuël. Hij heeft onze natuur aangenomen. Toen Hij ten hemel voer, heeft Hij die natuur niet afgelegd. Hij heeft die met Zich meegenomen en Hij draagt die tot in aller eeuwen eeuwigheid, zichtbaar, in de hemel.

Zal Jezus dan Zijn volk op aarde kunnen vergeten? Hij, Die zo verbonden is met hun menselijke natuur. Die hen zo in alles gelijk is geworden, behalve de zonde?

De Heere zegt bij monde van Jesaja: ‘Een moeder moge haar zuigeling vergeten, dat zij zich niet ontferme over de vrucht van haar buik, hoewel deze vergate, Ik zal u niet vergeten, zegt de Heere’, De Bijbel toont ons en God, Die niet veraf van ons is gebleven, maar dichtbij ons is gekomen, Hij is Immánuël, God met ons geworden.

Paulus schrijft: Wij hebben geen Hogepriester, Die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden. Hij zegt: zo’n Hogepriester hebben we niet. We hebben in Christus een Hogepriester Die in alle dingen gelijk als wij is verzocht geweest, opdat Hij ons in alles te hulp kan komen.  (Hebr.4:15). Hij kan ons in alles te hulp komen. Er is geen nood of Jezus heeft er kennis van en is erin geweest.  Jezus heeft bevindelijke kennis. Hij weet uit ervaring wat smaad en kruis, lijden en verlating, strijd en duisternis, eenzaamheid en satanische verzoekingen zijn. Hij is ons in alles gelijk geworden, behalve de zonde. Daarom kan Hij ons in al onze nood te hulp komen.

 

Gemeente, daarom lees je ook zo dikwijls in de zeven brieven die Jezus aan de gemeenten in Azië zond: Ik wéét… We lezen: Ik wéét uw werken, en uw arbeid en uw lijdzaamheid (Openb.2:2). Ik wéét uw werken, en waar gij woont, namelijk waar de troon des satans is (Openb.2:13). Ik wéét uw werken, en verdrukking, en armoede (Openb.2:9). Hij wéét het. Hij heeft het ervaren. Hij heeft er bevinding van. Hoe diep heeft Hij alles n ervaren! Hij kan u in alles te hulp komen.

Nee, dat lost al onze vragen niet op. Het is niet zo dat we dan kunnen zeggen: ‘Ik heb nu geen vragen meer. Ik heb geen raadsels meer.’ Maar we kunnen dan wel zeggen: ‘Ik ben niet meer alleen. De Heere is bij mij, ik zal niet vrezen (Ps.118:6).’ Er is een Hogepriester in de hemel, Die denkt aan mij. We mogen dan zelfs zeggen: Al ging ik ook in een dal der schaduw des doods, ik zou geen kwaad vrezen, want Gij zijt met mij (Ps.23:4).

 

In Immánuël is God, ‘God met ons’ geworden. Maar niet voor iedereen. Als Jezus Zijn discipelen uitzendt, laat Hij hen geen Evangelie preken, in de trant van: Wees maar gerust, het is allemaal in orde. Hij laat hen prediken dat ze zich moeten bekeren en geloven. Hij zegt er ook bij: Die niet zal geloofd hebben, zal verdoemd worden (Mark.16:16). Dat is de keerzijde van de boodschap ‘God met ons’: God is van nature tegen ons. Vooral als we in onze zonden blijven en ons niet van harte tot God bekeren.

Wanneer we ons niet bekeren en niet in Christus geloven, blijft de Heere ‘God tegen ons’. Als je de brede weg gaat, de zonde blijft dienen en weigert je tot God te bekeren en voor Christus te buigen, dan blijft God tegen je. Wat is dat vreselijk! God tegen je!

 

Wij weten dat alle dingen medewerken ten goede, voor degenen die God liefhebben, staat in de Romeinenbrief. Gemeente, jongeren, we weten echter ook dat álle dingen – de grootste voorspoed, rijkdom, het heerlijkste genot – medewerken ten kwade, voor degenen die zich weigeren te bekeren en in God te geloven.

Daarom, hoor de boodschap van Immánuël, God met ons. Besef, God is tégen mij! Bekeer je met berouw en met geloof. Vlucht tot deze Immánuël, Die Zichzelf gegeven heeft tot een verzoening voor de zonde.

De volle vervulling van Immánuël, God met ons, is in de hemel. We lezen in Openbaring 21: En ik hoorde een grote stem uit den hemel, zeggende: Zie, de tabernakel Gods is bij de mensen, en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen Zijn volk zijn, en God Zelf zal bij hen en hun God zijn. Dat is de toekomst van Gods kinderen. Dan zal God voor altijd Immánuël zijn, God met ons. Zij zullen ook altijd bij de Heere zijn.

 

Amen.

 

Slotzang.

 

Psalm 27 vers 7:

 

Zo ik niet had geloofd, dat in dit leven

Mijn ziel Gods gunst en hulp genieten zou,

Mijn God, waar was mijn hoop, mijn moed gebleven?

Ik was vergaan in al mijn smart en rouw.

Wacht op den Heer’, godvruchte schaar, houd moed:

Hij is getrouw, de Bron van alle goed;

Zo daalt Zijn kracht op u in zwakheid neer;

Wacht dan, ja wacht; verlaat u op den Heer’.