Ds. H. Brons - Filemon 1 : 11 - 12

Onésimus, een nuttige helper

Wat Onésimus eerst niet was
Dat hij nu erg nuttig is
Dat hij ook heel waardevol is

Filemon 1 : 11 - 12

Filemon 1
11
Die eertijds u onnut was, maar nu u en mij zeer nuttig; denwelken ik wedergezonden heb.
12
Doch gij, neem hem, dat is mijn ingewanden, weder aan;

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 135 : 3
Zingen : Psalm 26 : 6
Lezen : Filémon 1 : 3-21
Zingen : Ps. 1:1, 2, 4
Zingen : Morgenzang : 4
Zingen : Morgenzang : 5
Zingen : Psalm 115 : 7

Gemeente,

Het Woord van de Heere dat ik u, met Zijn hulp, mag prediken, vindt u in het voorgelezen gedeelte van de brief aan Filémon. Uitgangspunt zijn de verzen 11 en 12:

 

11 Die eertijds u onnut was, maar nu u en mij zeer nuttig; dewelken ik wedergezonden heb.

12 Doch gij, neem hem, dat is mijn ingewanden, weder aan;


We staan vandaag stil bij Onésimus, een nuttige helper en letten daarbij op drie

aandachtspunten:

  1. Wat Onésimus eerst niet was;
  2. Dat hij nu erg nuttig is;
  3. Dat hij ook heel waardevol is.

 

Dus als eerste: wat Onésimus eerst helemaal niet was. Dat lezen we in vers 11, het eerste stukje: Die vroeger u onnut - helemaal niet nuttig - was.

Als tweede dat hij nu erg nuttig is. Er staat: maar nu u en mij zeer nuttig.

Tenslotte: hij is ook waardevol. Dat is ieder mens, dus ook Onésimus. Er staat: neem hem, dat is mijn ingewanden, weder aan. Hij is op een bijzondere manier waardevol. Meer dan een gewoon schepsel, als een nieuw schepsel, is hij voor Paulus waardevol.

Bij de betekenis van ‘de ingewanden van Paulus’ willen we straks in het derde punt stilstaan.

 

  1. Wat Onésimus eerst niet was

In deze dienst gaat het over een brief van een ouder iemand over een jongen. Hoe oud deze jongen precies was weten we niet. Paulus noemt hem ‘mijn zoon’. Hij moet een generatie jonger geweest zijn dan Paulus. Misschien zelfs twee, want Paulus noemt zich in deze brief een ‘oude’ man. Misschien was Paulus meer een soort opa voor hem.

 

Het zal vandaag over verschillende mensen gaan. Natuurlijk over Paulus, degene die deze brief heeft geschreven. Soms zijn de brieven van Paulus best moeilijk, daarom wil ik ook iets zeggen over de mensen over wie deze brief gaat.

 

Paulus schrijft de brief aan Filémon, een man uit een andere stad dan waar Paulus nu in de gevangenis zit. Filémon woont waarschijnlijk in Kolosse, een stad in Turkije.

Die Filémon is een rijke man. Hij heeft een slaaf, waarschijnlijk zelfs meer. Hij is ook een belangrijke man; vooral voor de gemeente van Kolosse heeft hij veel mogen betekenen.

 

Het gaat in de brief ook over Épafras. Dat is de medewerker die in deze brief genoemd wordt. Over die Épafras wordt ook geschreven in de brief van Paulus aan de gemeente van Kolosse, de Kolossenzen. Daar lees je dat Épafras, zeg maar, dominee is geweest in Kolosse. Maar nu is hij bij Paulus, hij zit met Paulus in de gevangenis.

 

Dan gaat het over nog iemand en dat is Onésimus, de jongeman die Paulus zijn zoon noemt. Niet omdat Paulus zijn echte vader is, want Paulus is niet getrouwd geweest. En toch is hij de zoon van Paulus. Zo heeft Paulus dat gevoeld in de gevangenis. Daar heeft hij een ‘nieuwe’ geboorte van Onesimus meegemaakt.

 

Over deze mensen gaat het: Filémon, Épafras en Onésimus.

 

Paulus schrijft deze brief dus aan Filémon. Waarom? Hij zegt: ‘Straks komt Onésimus bij je. Sterker nog: hij staat nu voor je als je deze brief leest. En zoals je mij aanvaardt, Filémon, aanvaard zo ook deze jongeman Onésimus. Want ik hou zoveel van hem. En ik hoop dat jij ook heel veel van hem houdt.’

Waarom zegt Paulus dat? Omdat Onésimus weggelopen was bij Filémon. Onésimus hoorde in het huis van Filémon. Hij was bij deze rijke man een dienaar, een slaaf. Maar hij is bij Filémon weggelopen. Later is hij bij Paulus terecht gekomen, in de gevangenis.

Maar Paulus heeft gezegd: ‘Je hoort hier niet, Onésimus; je hoort bij Filémon. Ga terug naar Filémon. Ik zal een brief schrijven en dan bid ik, dan hoop ik en vraag ik aan de Heere, maar ook aan Filémon, om heel goed voor je te zorgen, Onésimus.’

Daarom schrijft Paulus deze brief.

 

Heb jij wel eens een brief gestuurd? Een brief waar heel veel vanaf hing? We schrijven niet meer zo heel vaak brieven. Het kan ook een appje of een mail zijn waar heel veel vanaf hangt. Maar een brief is toch anders. Denk aan een sollicitatiebrief; daar kan ontstellend veel vanaf hangen. Zo’n brief komt niet onmiddellijk aan. Hij moet bezorgd worden en dat kost tijd.

 

Hier is iemand op weg, met een brief bij zich. Zie hem gaan. Wie is dat? Dat is die jongen, Onésimus. Hij heeft een brief bij zich waar heel veel, waar álles vanaf hangt. Zijn leven! Zijn vrijheid! Zijn toekomst!

Onésimus is op weg naar Kolosse waar Filémon, aan wie de brief gericht is, woont. Hij reist niet alleen. Dat kun je lezen als je de brief aan Kolosse ernaast legt. Je leest in Kolossenzen 4 :7-10 dat ene Tychikus een andere brief brengt. Samen zijn ze op weg.

Twee mensen – elk met een brief – op weg naar Kolosse. En het is zo ontzettend spannend voor Onésimus. Hoe zal het gaan in het huis van zijn vroegere baas, waar hij slaaf is geweest, waar hij is weggelopen? Hoe zal hij daar ontvangen worden?

Van de brief die hij vandaag bij zich heeft, hangt alles af.

 

Laten we eerst kijken hoe Paulus ertoe gekomen is om deze brief te schrijven.

Laten we daar eerbiedig naar proberen te luisteren.

 

Paulus schrijft de brief terwijl hij in de gevangenis zit. Hij noemt zich geen gevangene van de keizer, of van welke koning dan ook. Hij noemt zich een gevangene van de Heere Jezus Christus. Hij is gebonden; hij kan niet zomaar de gevangenis uit. Maar zijn woord is wél vrij, dat kan overal heen. Vanbinnen is Paulus vrij.

Hij is in de gevangenis niet alleen. Épafras is bij hem, de vroegere dominee van Kolosse.

Paulus noemt hem daarom in de brief een medewerker. Zo heeft Paulus meer medewerkers: Filémon, Archippus en andere mensen die in de brief worden genoemd.

Medewerker. Dat is heel iets anders dan een tegenwerker. Als medewerker zoek je het goede voor de verbreiding van het Koninkrijk van God. Nu zoekt Paulus bij Filémon een bevestiging dat hij nog steeds een medewerker is. Dat hij de wil van God niet zal tegenwerken.

Het gaat er vandaag om dat er niet alleen toen medewerkers waren, maar ook nu. Dat we de boodschap van de Heere niet tegenwerken, maar Hem van harte willen dienen. Dat is heel rijk, zegt Paulus, als dat gebeurt.

 

Paulus doet de hartelijke groeten aan de ontvanger van de brief, dat is Filémon, en hij wenst hem op die manier veel goeds toe.

Hij zegt in vers 3: Genade zij ulieden en vrede van God onzen Vader en den Heere Jezus Christus. ‘U en heel je huis, Filémon.’

Er wonen daar dus meer mensen dan alleen Filémon. Zijn vrouw, zijn kinderen, anderen – slaven waarschijnlijk. ‘Genade zij jullie allemaal. En vrede.’

Hij wenst dat de genade, de vrede, stroomt als een rivier. Dat de levensboom van alle mensen in het huis van Filémon geplant is aan die rivier. De Heere doet dat. Hij geeft een nieuw hart en leven.

Dat is zoals in Psalm 1 staat: Geplant aan waterbeken, die zijn vrucht geeft op zijn tijd. Een vrucht van vrede, blijdschap - genoeg hebben aan wat je ontvangt - en gerechtigheid. Dat wil Paulus zijn lezers, Filémon en zijn huis, toewensen.

Hij wenst het ook ons allemaal die het in deze dienst horen. Dat je aan die rivier leeft en uit deze rivier ontvangt: vrede! Dat verandert je. Steeds mag Paulus het tegen de gemeenten zeggen: Genade en vrede: dat verandert je.

Ik heb van je gehoord, van Épafras die vanuit Kolosse hier bij me is. Ik heb gehoord hoe het is in je leven. Ik hoor van je liefde en geloof. De liefde tot en het geloof in de God Die leeft. Alzo ik hoor uw liefde en geloof, hetwelk gij hebt aan den Heere Jezus, en jegens al de heiligen (Fil.1:5).

 

Het woord geloof betekent hier iets heel erg moois. Want wat is het bijzonder mooi als je een echte vriend of vriendin mag zijn van iemand. Dat je op elkaar aan kunt, dat je die persoon nooit afvalt. Dat zit hier in dat woord ‘geloof’. Daar zit ‘trouw’ in, een trouw die onverbrekelijk is, gegrond op genade en vrede. Er is dan herkenning bij elkaar en je wilt nooit meer van elkaar af. Dat heeft Paulus gehoord, zo is het in Kolosse.

Dat zijn de vruchten van die levensboom aan het water. Dan ben je vol trouw en vol liefde aan elkaar. Dat is Paulus’ wens en hij hoopt dat dat nog meer groeit ook. Dat het samenzijn met de gemeente niet alleen mooi is omdat je in hetzelfde gebouw bent, maar in het bijzonder hierin: dat je van dezelfde wortel, van dezelfde stam bent. Overgeplant uit de oude Adam in de tweede Adam, de Heere Jezus Christus. Dat je samen uit Hem de vruchten ontvangt waardoor de ontmoeting, de gemeenschap, krachtig wordt.

 

Na deze bijzondere wens, deze introductie, komt Paulus bij de echte vraag.

Filémon zal de brief aannemen, openmaken en het zegel verbreken dat Paulus op deze brief heeft gezet. Filémon zal kijken naar de man die voor hem staat. Die kent hij heel goed; het is Onésimus, zijn weggelopen slaaf. Een postbode met een aanbevelingsbrief, die daarmee tegelijk… zichzelf terugbrengt. Misschien wel erg verlegen. Misschien durfde hij niet goed terug te komen in dat huis, maar hij had het aan Paulus beloofd.

Wat zou er gebeuren?

 

Ooit was Onésimus weggelopen uit dit huis. Wat was dat voor een dag?

Misschien is Filémon de dag begonnen zoals jij een dag begint.

Hoe begin je je dag? Met de Heere natuurlijk. Je leest een stukje uit de Bijbel. Dat hoeft niet lang te zijn maar wel met aandacht. Als je dat niet elke dag doet, dan wil ik je vragen dat wél te gaan doen. Het is zo belangrijk, het is nodig om zo wat van God te ontvangen. Naar Hem te horen, naar Hem te vragen en van Hem te lezen.

Ik denk wel dat Filémon, de rijke man uit Kolosse, vooral hierin rijk en gezegend was. Dat hij zo zijn dag begon, misschien wel samen met zijn huisgezin. Dat is mooi hè?

Het lukt niet altijd om het ‘samen’ te doen. Soms moet je vroeg op pad. Maar het is goed om, als de gelegenheid er is, dat als gezin samen te doen.

 

Toen was er die morgen, daar in Kolosse, de ochtendwijding waar iemand ontbrak. Ze hebben gezocht. Zijn slaapplek was leeg, onbeslapen en koud. De slaaf Onésimus was namelijk weggelopen.

Er moet iets in de houding van Onésimus geweest zijn waardoor hij een lastige jongen genoemd werd. Er staat in vers 11: Die vroeger u onnut was. Filémon had Onésimus in zijn huis en deze jongen hoorde voor hem te werken, want hij was een slaaf die moest doen wat de meester opdroeg. Maar eigenlijk had je niets aan hem.

Dat kan hè? Paulus heeft het over medewerkers. Maar je kunt ook tegenwerkers hebben. In je eigen huis, in je eigen hart. Ze zouden moeten meewerken, maar ze verknoeien en verprutsen alles. Ze zijn geroepen om goede dingen te doen, maar wat ze ook aanraken – het gaat allemaal mis. Zo iemand is Onésimus geweest. Hij was een slaaf, maar meer een tegenwerker dan een medewerker. Onnut! Hij was zelfs schadelijk.

 

Nu is hij weggelopen. Misschien wel vanwege die ochtendwijding, dat hij daar moeite mee had. Hoeveel mensen zijn er niet die vanuit zichzelf een diepe afkeer hebben van de dingen van de Heere. Het is vreselijk om dat te beseffen. Over de Heere horen, maar ten diepste het liefst heel hard weglopen.

Het is eerlijk om het hier te benoemen. Hoeveel mensen zijn dat hier in de gemeente… die eigenlijk liever niets willen horen van de God van de Bijbel, er hard van weglopen? Waar moeten we die mensen zoeken?

Uit deze brief van Paulus aan Filémon kunnen we leren dat we ze niet ver hoeven te zoeken. Onésimus was in een christelijk huis, het huis van Filémon die zo toegewijd was aan de Heere. Zo toegewijd dat hij een slaaf die hem onnut was, bij zich hield. Hij heeft niet gezegd: ‘Ga jij maar naar een andere meester’; hij heeft hem niet op de slavenmarkt verkocht. Maar hij heeft hem bij zich gehouden om goed voor hem te kunnen zorgen.

Hoeveel mensen zijn er die op zondagmorgen in een christelijk gezin wakker worden, maar helemaal niet aan God denken. Hoe ver moeten we die vandaag zoeken? Wat is uw gebed, jouw gebed geweest vanmorgen? En gisteren? Heb je toegeleefd naar vandaag? En hoe zal het morgen zijn? Hoe ben je van plan de dag vandaag te eindigen en hem morgen te beginnen? Dat tegenwerken hoeven we niet ver te zoeken.

 

Onesimus was voorheen dus een tegenwerker van Gods genade.

Toch is het anders geworden in het leven van Onésimus. Hoe dan? Misschien wel zo: Paulus zat daar in de gevangenis. Soms was hij zelfs vastgeketend.

Mogelijk was dat niet zo in de periode dat hij de brief aan Filémon schrijft. Waarschijnlijk mocht hij vrij rondlopen, maar het huis mocht hij niet verlaten. Misschien was het een echte gevangenis. In ieder geval was hij gevangen.

Épafras was bij hem. Paulus vertelt over die gevangenschap geen details. Dat is niet het belangrijkste, om met die moeilijkheden te koop te lopen. Daar gaat het Paulus niet om.

Maar op een bepaald moment komt er iemand in die gevangenis, misschien als een bewaker. En Épafras zegt: ‘Hé, maar jou ken ik!’

Die bewaker is Onésimus. Dan zeggen Épafras en Paulus niet: ‘Wat doe jíj hier? Maak dat je wegkomt; je hoort hier niet.’ Nee, ze zien dat deze jongen een mens is… een mens voor God. Paulus opent zijn hart en ook zijn mond.

 

Een medewerker zou hij moeten zijn, maar hij was een tegenwerker, die Onésimus. Dat herkende Paulus heel goed. Hij heeft zelf God ook zo vaak en zo lang tegengewerkt, met alles wat in hem was. Hij, en ook Épafras herkenden het: we hebben allemaal van die tegenwerkende krachten in ons hart. Als het aan ons ligt zijn we mensen die weglopen voor alles wat heilig is. We trappen het kapot. Vanuit onszelf hebben we liever de modder van de wereld, dan het Woord van God dat alles anders en nieuw kan maken.

In mijn banden is hij geteeld, geboren, voortgebracht. Door Gods eigen Woord dat Paulus in de gevangenis heeft mogen spreken, is er iets nieuws gekomen in Onésimus. Hij is als het ware een klein kindje geworden, een nieuwe mens.

 

Er moet bij deze jongeman, die zo had tegengewerkt, iets gebeurd zijn waardoor het totaal, radicaal, tot in de wortel, anders geworden is in zijn hart.

Als dat bij jou gebeurt, dan ben je niet langer een tegenwerker. Dan ben je niet langer een wegloper. Hoewel, als de Heere het licht van Zijn Woord laat schijnen in je hart, kan het zijn dat je in je eigen ervaring nog steeds een dwarsligger bent. Je werkt dan misschien met je handen en met je voeten minder tegen, maar je ervaart steeds meer hoe diep het vanbinnen zit, dat tegenwerken, die wortel van het weglopen van God. Je weet dat je binnenste een vijand van God is.

Je bent een slaaf, een knecht van iemand anders. Een slaaf van de zonde. Ook als je zegt: ‘Ik wil me losmaken. Ik wil vechten tegen die zonde.’ Dan merk je toch dat je steeds vaster komt te zitten… van binnen.

 

Paulus heeft iets van die worsteling gezien bij Onésimus. We lezen niet hoe dat was, maar wel dat er een omkeer kwam in zijn hart. Van een wegloper werd hij iemand die toevlucht nam, die vluchtte naar de God van Paulus. Van iemand die heel onnut is, werd hij iemand die zegt: ‘Hier ben ik.’ Om heel vrijwillig de God van Paulus, de God van de Bijbel, te dienen.

‘Heere, hier ben ik. Met mijn handen, met mijn voeten, met mijn ogen, met mijn oren, met mijn hart, met mijn leven, met mijn aandacht, met mijn vriendschap. Met de studie die ik doe, met de talenten die ik heb. Hier ben ik, en U mag het allemaal hebben, want ik heb het van U ontvangen.’

Je wordt dan een dienstknecht, een dienstmeisje. Ben je dan een slaaf? Nee, het is dan vrijwillige liefde. Een liefde die een spiegel is, een reflex op de liefde die tot je komt.

Dat is de radicale omkeer in het leven van Onésimus. Paulus zag dat bij Onésimus gebeuren. Daarover gaat ons tweede punt. Maar eerst gaan we zingen van de Morgenzang het vierde vers:

 

Zie op ons neder in genâ,

Opdat ons werk voorspoedig ga,

En scheld ons alle misdaân kwijt,

O HEER’, Die vol ontferming zijt.

 

 

  1. Dat Onésimus nu erg nuttig is

Onésimus, een nuttige helper. Eerst helemaal niet! Maar nu beseft hij hoe onnuttig hij is geweest. Niets mee te beginnen. Dat inzicht is het keerpunt. Hij wordt naar het Licht getrokken. Nu zegt Paulus van hem: ‘Eerst was hij u onnut, maar nu u, Filémon, en mij, Paulus, zeer nuttig, dewelke ik wedergezonden heb.’

De postbode Onésimus staat voor Filémon, hij heeft de aanbevelingsbrief gebracht en daarmee zichzelf. Filémon leest de brief van Paulus.

 

Nu erg nuttig… Paulus speelt hier met de naam van Onésimus. Onésimus wil in het Grieks zeggen: ‘de nuttige’. In eerste instantie was hij het tegendeel van zijn naam. Maar in de brief zegt Paulus: ‘Hij is nu van groot nut, van grote betekenis. Hij is een belangrijke jongen - was het een slavin geweest, een belangrijk meisje - geworden in de dienst van de Heere.’

Vroeger totaal onbruikbaar, hoeveel talenten hij ook had. Onbruikbaar, want hij was alleen op zichzelf gericht. Zo egoïstisch. Niet te verdragen. Daar kon de hemel niets mee beginnen. Maar door die omkeer is het zo anders geworden. Nu is hij nuttig.

 

Het kan zijn dat Paulus doelt op wat Onésimus is gaan doen. Dat zal zeker ook zo zijn. Maar hij doelt vooral op wie Onésimus geworden is. Zou het daar niet vooral mee te maken hebben?

Wat Onésimus is gaan doen? Een slaaf moest doen wat zijn meester hem opdroeg. Maar een onnutte slaaf maakt zijn werk niet af, hij bederft het zelfs. Dan heb je alleen maar last van zo’n jongen.

Maar nu is hij ‘nuttig’ geworden. Wat hij doet? Paulus hoeft niet eens om zijn hulp te vragen, Onésimus voelt zomaar vanzelf aan wat belangrijk is voor Paulus. Hij dient hem met liefde, met alle liefde van zijn hart.

Hij is dus nuttig geworden om wat hij doet? Zeker! Misschien zit je nu wel zo biddend in de kerk. ‘Heere, mag ik dingen doen die in het nut zijn van Uw dienst!’

 

Maar ik zei net al: het heeft er vooral mee te maken dat hij juist nuttig is in wie hij ís. De Heere mag niet alleen zijn handen, zijn oren en ogen hebben, maar ook zijn hart. Hij mag Onésimus helemaal hebben! Zoals wanneer je wordt uitgezonden naar de zendingsvelden. Dan krijgt de Heere niet alleen wat je zegt en doet, maar dan mag de Heere je hele ‘zelf’ hebben.

Dat geldt echter niet alleen voor zendingswerkers, maar ook hier, in de gemeente. Als de Heere je roept in Zijn dienst– en dat doet Hij nu, vandaag - dan zegt Hij: ‘Ik wil in de eerste plaats jouzelf.’ Mijn zoon, mijn dochter, geef Mij je hart (Spr.23:26).

Waarom zegt de Heere dat zo? Als de Heere je hart heeft, dan heeft Hij ook je tijd, je geld – ook al ben je niet rijk, dan mag Hij ook alles van hebben. Dan krijgt Hij alles: dat wat je oog ziet, wat je oor hoort dat wat je met je liefde doet. De Heere wil het allemaal hebben. Hij wil niet dat je gaat splitsen, gaat verdelen. Op maandag de wereld een deel en op zondag een stukje voor de Heere. De Heere wil alles hebben. En de Heere weet: als Ik het hart heb, dan krijg Ik het allemaal. Mijn jongen, mijn meisje, geef Mij je hart.

 

Paulus heeft iets van de nuttigheid van Onésimus mogen merken, van de liefde die sprak. Misschien was hij een onhandige jongen, maar wat hij deed, deed hij met liefde. Daarom was het toch nuttig, want zijn liefde sprak er uit.

Het is niet zo belangrijk of het volmaakt is. Begrijp me goed, de Heere vraagt volmaaktheid! Maar weet je wat het allerbelangrijkste is? Dat het uit liefde is gedaan. Niet uit liefde voor jezelf, maar voor de levende God. Dan is het toch volmaakt. Niet in jezelf, maar in een Ander, in Christus Jezus.

Onze oudvaders noemen dat een evangelische heiligmaking. Dan doe je niet meer de dingen om de hemel te verdienen. Dan doe je het niet om te laten zien: kijk mij eens goed presteren. Ik heb een streepje voor en verdien het wel dat God naar mij omziet.

Nee, dan mag je alles ontvangen – en teruggeven – uit genade en door Christus’ Liefde die de Eerste is.

 

Onésimus is nuttig geworden in wat hij mag doen, maar bovenal nuttig in wie hij mag zijn. Wat je doet, komt voort uit wie je mag zijn voor God.

Onésimus mag vanuit een nieuw begin leven, dat is uit Gods genade. Dat zagen we in vers 3. De genade die als een rivier, als een bron is. Die niet te stoppen is en een rijke zegen geeft. Onuitputtelijke genade, overvloeiende genade. Die geeft zo’n liefde en een groot verlangen om de Heere te dienen.

Ik hoop dat je merkt dat de Heere dat ook vandaag wil geven. In het omgaan met Zijn Woord. Niet dat je dan kunt zeggen: ‘Nu is alles op orde in mijn leven.’ Maar ik weet zeker dat de Heere het zegenen wil als een jongen of een meisje Hem zoekt, eerbiedig naar Hem vraagt en zegt: ‘Hier ben ik, Heere.’ En als je dan ’s avonds de dag weer aan Hem teruggeeft, dan wil de Heere dat zegenen; dan wil Hij nabij komen. Want in de Bijbel staat: die Mij nederig valt te voet, zal van Mij Mijn wegen leren.

 

En dan wil je vrijwillig dienen - uit vrijwillige liefde. Dan zeg je: laat mij dan maar een slaaf zijn, als de wereld mij zo noemt. ‘Maar U weet beter, Heere! Het is niet uit dwang, ik wil het zelf. Tot Wie zou ik anders heengaan? U hebt de woorden van het eeuwige leven (Joh.6:26). U bent het eeuwige Leven, de genadefontein van eeuwig Leven.’

Die fontein geeft die liefde, dat geloof, die trouw aan de Heere. En aan de mensen die de Heere op je weg plaatst. Aan mensen die iets van dat geheim mogen kennen, waar je misschien vanmorgen naar hunkert. Of mag je er al uit leven?

 

Weet je wat het ook geeft? Vrijmoedigheid! Dat staat in de brief. Als Paulus na zijn introductie overgaat naar het eigenlijke onderwerp van de brief, dan zegt hij in vers 8: ‘Ik heb grote vrijmoedigheid.’

Het woord ‘vrijmoedig’ is een opmerkelijk woord. Wij, Nederlanders staan bekend als een heel direct volk. Dat is niet hetzelfde als deze ‘vrijmoedigheid’. Je kunt direct zijn op een manier die op het botte af is en waarbij je in wezen alleen jezelf bedoelt. Dat is niet altijd eerlijk, omdat je de ander niet echt ziet. Het is geen eerlijk ‘gesprek’ met de ander.

Hier bij Paulus is er volop oog voor de ander. Liefde voor Onésimus die de post bezorgt, maar ook voor Filémon die de post ontvangt. Liefde… en vrijmoedigheid, met een geopend hart, met een biddend hart. Deze vrijmoedigheid is een vrucht van genade, van die rivier, die fontein, die stroomt en leven geeft.

 

Het is een genadegave. We lezen dat vaker in de brieven van het Nieuwe Testament. De oproep om met vrijmoedigheid toe te gaan tot de troon der genade (Hebr.4:16). Dan is dat diezelfde vrijmoedigheid. Een geschenk van God.

Ik weet dat we on-vrijmoedig kunnen zijn. Daarom zegt ook de Hebreeënbrief: laat ons met vrijmoedigheid toegaan. Dat heb je niet zomaar vanuit jezelf. Er kan zoveel in de weg staan. Bijvoorbeeld dat je worstelt omdat je denkt dat je jezelf ‘beter’ moet maken. Of dat je ervaart dat je zo vast zit in de banden van de zonde en daaruit niet los kunt komen. Je probeert de knopen uit de war te krijgen, maar het lukt je niet. Dan heb je geen vrijmoedigheid, dan zit je klem, muurvast.

 

Deze vrijmoedigheid is een geschenk. Ook daarom zegt de Hebreeënbrief: laat ons met vrijmoedigheid toegaan. Bedoeld wordt: als je geen vrijmoedigheid hebt, ga dan toch maar. Je mag bidden om vrijmoedigheid, maar ga naar de troon van genade. Waar de bron van genade is, waar de God is Die leeft, in de hemel. Laat ons toegaan, … om geholpen te worden... Om de eeuwige stroom van heil die nooit vergaat te ontvangen en daaruit bediend te worden.

De stroom van heil die uit de hemel afdaalt is de stroom van Goddelijke liefde waaruit Hij ook Zijn Zoon naar deze wereld gezonden heeft. Opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve (Joh.3:15), niet sterft in duisternis en ongeloof, in vreselijke angst en pijn, maar leeft, eeuwig leven heeft.

 

De Heere wil aan de troon van genade die vrijmoedigheid schenken, waar Paulus zo volop uit mocht leven. En hij heeft er vast ook iets van mogen meegeven aan Onésimus. ‘Jongen, ga maar terug naar Filémon. Niet omdat je vrijmoedig bent, maar ga omdat je iets hebt goed te maken. Je bent nu wel vrij man, maar je zult ervaren: het is beter om terug te gaan. Doe het maar. De Heere zal je in die weg vrijmoedigheid geven.’

Jongens en meisjes, als je de weg gaat van de Heere, dan wil de Heere dat zegenen, ook met een vrijmoedigheid die je niet van jezelf hebt, maar die een genadegave is.

Dat geeft een dienen van de Heere in de praktijk. Leven uit Zijn genade, waarbij je altijd aan Hem en aan de ander denkt. Lees maar in vers 4 waar staat: Ik dank mijn God, uwer altijd gedachtig zijnde in mijn gebeden.

En dan vraagt Paulus of Filemon hem blij wil maken. Hij zegt dat in een tekst die misschien moeilijk is. Maar hij is wel belangrijk. We lezen in vers 20: Laat mij uwer hierin genieten in den Heere; verkwik mijn ingewanden in den Heere. Hij wil zo graag dat Filemon dezelfde vreugde kent in het dienen van de Heere als Paulus. Een vreugde in den Heere. Dan ben je elke dag bij de Heere. Dat wil je dan zo graag! Ga maar steeds naar Hem toe. Aan het begin van de dag, aan het eind van de dag… zo vaak je kunt. Natuurlijk moet je ook je werk doen, je studie, je stage, je zaterdagbaan, maar toch… in de Heere zijn. Dan zoek je van die lichtpuntjes, openingen om met de Heere te spreken.

 

Dit leven wil de Heere ook aan Onésimus geven. Een leven in ontzag voor Hem. Het Oude Testament noemt dat vaak: in de vreze des Heeren. Een ontzag voor Zijn heilige Naam, vermengd met een totale liefde, een totale overgave en een diepe verwondering. ‘Wat wilt U, Heere, dat ik doen zal? U wilt naar mij omzien al kan ik dat vanuit mezelf niet geloven.’

En toch is het waar: de Heere zoekt het verlorene! Zou je zo’n God niet liefhebben en eren? Dat is wat Paulus hier zegt.

 

In de Heere leven. Elke dag Hem zoeken. Met eerbied en diepe afhankelijkheid en je overgeven aan Hem. De Heere verbindt dat aan een leven in Zijn dienst. Aan een zoeken van Hem, beslissingen nemen, zoals Onésimus hier doet, al gaan ze dwars tegen je ‘vrijheid’ in. Dwars tegen je zelfgekozen weg, die ver van God vandaan loopt, in. Al staat het er haaks op… doe het maar wel, geef je over. In die weg wil God liefde geven en vrijmoedigheid.

 

Even terug naar de brief: Paulus wijst in vers 20 op zijn geestelijke band met Filémon. ‘Filémon, je wilt toch ook voor Gods aangezicht leven?  De samenvatting van Gods wet is liefde. Als je God liefhebt dan heb je toch ook je naaste lief? Dan wil je toch dat de glans die van de hemel afstraalt – misschien wel ontvangen in je ochtendwijding – afstraalt op de mensen om je heen?’

Dat is ‘genieten in de Heere.’ Dan zal dat wat je van Hem ontvangt, doorwerken in je leven. Daartoe roept Paulus ook Filémon op. Hij zegt eigenlijk: ‘Filémon, zoek ook de Heere en wees consequent daarin. Zoals de Heere jou heeft vrijgemaakt, laat zo ook deze jongen vrij. Ontvang hem in genade.’

 

Paulus, Onésimus en nu ook Filémon. Je ziet: alle drie hebben ze een leven heel dicht bij Hem nodig om de juiste beslissingen te kunnen nemen.

We gaan eerst weer zingen uit de Morgenzang. Nu het vijfde vers:

 

Verlicht ons hart, dat duister is,

Wil ons, naar Uw getuigenis,

Doen vlieden alle kwade paân,

En ijv'rig in Uw wegen gaan.

 

Onésimus, een nuttige helper. Dat was hij eerst helemaal niet, nu is hij het wel. Ons derde punt:

 

  1. Onésimus is heel waardevol

Ieder mens is waardevol. Denk aan het ongeboren leven, het is door de Heere gewild. Daarom is de abortuswetgeving zo vreselijk.

Ook jouw leven is door de Heere gewild. Het is van waarde. Want houd dat vast: ieder mens is belangrijk voor God. Hij wil niet de dood van de goddeloze. Als je nog onbekeerd bent, wil Hij dat je je bekeert en leeft! En als je dan leeft, echt leeft, zoals hier Onésimus, dan is zo’n leven nog waardevoller. 

Hoe noemt Paulus zulke mensen, zulke jongens en meisjes? Dat lees je in vers 12: ‘Neem hem aan. Alsjeblieft Filémon, neem hem aan, aanvaard hem, dat is mijn ingewanden.’ Als Paulus zegt ‘mijn ingewanden’, dan bedoelt hij: zijn hart. Je hart kun je niet missen, dat ben je zelf. Paulus zegt daarmee: ‘Hij is een stuk van mezelf. Neem hem alsjeblieft aan. Als je hem wegdoet, schuif je ook mij weg. Dat kan toch niet? Als je in Christus leeft, Filémon, dan mag je mij toch niet wegschuiven? En Épafras niet, die zo belangrijk geweest is in Kolosse. En ook deze jongen niet, schuif hem niet weg.’

 

Intussen ligt er wel een vraag. De vraag uit het begin. De vraag hoe het zit met slavernij. Er ligt nog een tweede vraag over dat aannemen van Onésimus. Daarop kom ik zo terug.

 

De eerste vraag gaat over de slavernij. Ds. Smytegelt kon dan wel zeggen: ‘Je moet niet in slaven handelen.’ Maar had hij dan de Bijbel niet tegen?

Hier, in de brief aan Filémon, schrijft Paulus: ’Ik heb deze jongen weer teruggestuurd naar u, Filémon, want hij hoort bij u.’ Is Paulus dan de slavernij niet aan het goedkeuren, aan het goedpraten?

We moeten niet te snel zijn in die conclusie. Want wat gebeurt hier eigenlijk?

Niet alleen ds. Smytegelt, maar in de 19e eeuw heeft bijvoorbeeld ook William Wilberforce uit Engeland zich sterk verzet tegen de slavernij. En neem het boek De negerhut van oom Tom, dat geschreven is vanuit christelijke kring, daar lees je dat mensen er fel op tegen waren…  en ze hadden de brief van Filémon ook. Waarom?

Filémon krijgt hier te horen (vers 16) dat Onésimus meer is dan een slaaf. Hij is voor Paulus als mens ook een geliefde broeder. Als je nu zegt dat iemand je broer of je zus is, dan kan die toch geen slaaf blijven? Als jij vrij bent, dan moeten je broer en je zus toch ook vrij zijn.

Paulus zegt: ‘Aanvaard deze jongen als mijn broer, als jouw broer.’ Daarmee zegt hij: Hij moet toch vrij zijn. Dat is dus het eerste wat Paulus zegt.

 

Paulus zegt niet: ‘Je moet de hele maatschappij omkeren’, of: ‘Je moet op de barricade om alle slaven vrij te vechten.’ Dat zegt Paulus niet. Hij zegt wel: ‘In een christelijk huisgezin moet je zo’n slaaf ontvangen als je broeder. Niet alleen in de ochtendwijding, maar in alles.’

 

Hij zegt ook: ‘Als een slaaf moet je hem ontvangen in het vlees.’ Dat is een verwijzing naar het Oude Testament, naar een heel belangrijk hoofdstuk in de Bijbel.

In Exodus 20 staan de Tien Geboden geschreven. En direct daarna, in hoofdstuk 21, zegt de Heere: Als gij een Hebreeuwsen knecht kopen zult, die zal zes jaren dienen; maar in het zevende zal hij voor vrij uitgaan, om niet. Als je dan een slaaf van je eigen volk hebt, een broeder naar het vlees, dan mag dat nooit voor lang zijn. Er kunnen redenen voor zijn. Bijvoorbeeld als iemand een schuld bij je heeft, maar failliet gaat. Dan mag je die broeder een poosje voor je laten werken, maar nooit voor altijd. Je moet hem ook weer vrijlaten. Je moet hem ook goed behandelen. En deze ‘slavernij’ mag maximaal zes jaar duren.

Het kan zijn dat zo’n slaaf dan zegt: ‘Maar ik wil altijd bij u blijven, heer.’ In dat geval nam de heer zijn slaaf mee naar de deurpost, pakte een priem met een scherpe punt en prikte het oorlelletje van die slaaf vast. Dat doet geen pijn, maar laat wel een gaatje na. Daarmee werd gezegd dat de slaaf altijd bij dat huis, bij deze goede meester wilde horen. Hij werd vanuit eigen keuze een vrijwillige dienaar.

 

Vrijwillig dienen. Zo is Onésimus hier bezig. Als mens is hij voor Paulus een broeder. Hij geeft zichzelf vrijwillig aan u, Filémon. Aanvaard hem dan als een gelijke, als een schepsel, een beelddrager van God. En zorg goed voor hem.

Paulus keurt de slavernij niet goed, integendeel. In een christelijke maatschappij, door christelijke verhoudingen gekleurd, waarin Gods Woord doorwerkt in de menselijke verhoudingen, daar kan en mag slavernij niet bestaan, zegt Paulus hier.
Uitbuiting, mensen vertrappen en ze daarna weggooien… dat wil de Heere niet. Want ieder mens is van waarde.

 

De tweede vraag is deze: Paulus legt een grote morele druk op Filémon om de jongen weer aan te nemen. Maar kan dat zomaar? Er moet toch eerst iets rechtgezet worden?

Dat is natuurlijk ook zo. Er moeten woorden gegeven worden aan wat niet goed was. Maar daar ligt niet de volle nadruk op. Waarom niet?  Omdat Paulus weet van Gods weg van genade en Gods wonderen van genade.

Hijzelf werd stilgezet bij Damascus; een stem die sprak uit de hemel. Drie dagen van duisternis en toen – in dat volle licht. Hij mocht weer zien en Jezus zien. Dat is Paulus, dezelfde Paulus die de aanbevelingsbrief schrijft aan Filémon: Neem Onésimus aan! Hij is een stuk van mezelf. God heeft mij aangenomen. Mij, Paulus, de wegloper, de tegenwerker, de zelfbedoeler, die op het heilige getrapt heeft en God zoveel verdriet en smaad heeft aangedaan.

Filémon, God heeft jou aangenomen en Épafras ook. God heeft ook jou willen aannemen, en opgeraapt uit de modder van de zonde. Hij heeft het kwaad willen vergeven dat jij Hem gedaan hebt. En mij, Paulus ook. Daarom schrijf ik deze brief. Neem hem alsjeblieft aan! Ook wel om wie hij is, maar bovenal om de God die leeft. Die zo goed en zo gaarne vergevend is.

 

Weet je van Wie Paulus hier een type is?

Dat vind je vaak in het Oude Testament, dat iemand een type is van de Heere Jezus. Jozef bijvoorbeeld. Hij lijkt op de Heere Jezus als hij zijn broers wel eerlijk behandelt maar tenslotte vergeeft.

Hier is Paulus een type van de Heere Jezus. Je kunt zulke beelden niet zomaar doortrekken en zeggen dat Filémon in alles het beeld is van God de Vader. Filémon is een gebrekkig mens.

De nadruk ligt hier op het beeld van Paulus als een advocaat, zoals de Heere Jezus dat is.

Vader, Ik wist dat Gij Mij altijd hoort (Joh.11:42). Zo bad de Heere Jezus, zo bidt Hij nog.

Zoals Jezus bad en dat nog steeds doet, zo bidt en pleit Paulus in deze aanbevelingsbrief: Neem hem aan! Deze zondaar, deze wegloper, deze tegenwerker, dit onmogelijke geval, deze knoeier, deze prutser, deze onhandige. Die vaak zijn best heeft gedaan, maar ook zo vaak niet. En elke keer weer wegloopt in zijn gedachten. Die zijn hart er niet bij kan houden. Niet om hemzelf – ík beveel hem u aan.

Nu is Paulus een gebrekkig mens. Dat zegt hij zelf ook in zijn brieven, want Paulus is eerlijk gemaakt, dat doet Gods genade. En Paulus weet heel goed dat Onésimus geen rechten heeft naar Filémon, Onésimus is maar een wegloper.

 

Maar Paulus beveelt hier Onésimus bij zijn vorige baas aan in de Naam van de Heere Jezus. Die Naam heeft grote kracht. Want Jezus Christus is de volmaakte Pleiter en Advocaat. Hij eist de zijnen op bij Zijn Vader. Vader, hier ben Ik en Ik eis ze op in Uw Naam. En in Zijn Naam mag ook vandaag een wegloper bidden en pleiten. Niet omdat je rechten hebt, wel omdat je de Heere niet missen kunt.

Dat mag vrijmoedigheid geven. Er is een bron van genade uit Gods eeuwige troon. De Vader zond in Zijn eeuwige ontferming Zijn Zoon Christus gezonden heeft. En dit is de grónd van genade: het volbrachte werk van de Hemeladvocaat.

Het moet wel eerlijk gaan. Zou Onésimus ook niet zijn excuses hebben aangeboden?

En gezegd hebben: ‘Hier ben ik, met al mijn onhandigheid en mijn onmogelijkheid. Neem me aan als een broeder, als een vriend. Ik wil dienen in de hoekjes van uw huis.’ Je wilt dat het eerlijk gaat, ook nu. Zeg maar tegen de Heere: hier ben ik, met wat ik verkeerd heb gedaan en wat ik steeds weer niet goed doe.

Dan zegt de vader van de verloren zoon: ‘Kom binnen. En tegen zijn dienstknechten: ‘En brengt het gemeste kalf, en slacht het; en laat ons eten en vrolijk zijn (Luk.15:23).

Graag willen we weten hoe het afloopt. Het is een beetje teleurstellend dat dit niet in de brief staat. In veel geschiedenissen in de Bijbel lees je hoe het afloopt maar in deze geschiedenis niet.

Dat is eigenlijk ook wel heel mooi. Waarom? Omdat het in uw, in jouw handen ligt hoe het afloopt. Natuurlijk heeft het in de handen van Filémon gelegen. Of hij gezegd heeft, zoals de vader van de verloren zoon: ‘Jongen, kom maar terug bij mij. Ik vergeef wat je hebt gedaan. Je bent zo welkom dat ik een feestmaal ga houden.’ Zou het zo niet afgelopen zijn?

Maar ik bedoel nu dit: Het ligt vandaag in jouw handen hoe het afloopt. Hoe ga jij om met mensen die op je tenen hebben gestaan? Die jouw ruimte hebben ingenomen? Natuurlijk mag je daar wel wat van zeggen, maar dan niet alleen eerlijk maar bovenal liefdevol. Echte eerlijkheid ís liefdevol, ziet ook de ander, walst niet over een ander heen. Het ligt daarom in jouw handen, hoe je omgaat met mensen die jou tegenwerken en tegenvallen.
Dat is hoe je de brief zelf zou kunnen afmaken.

 

Weet je hoe je de brief ook kunt eindigen?

Door deze brief vandaag als een aanbevelingsbrief mee te nemen op een stil moment. En dat iedere dag van je leven te doen. Zeggen: ‘Heere, hier ben ik. Ik ben net zo’n tegenwerker als Onésimus. Elke keer weer gaat het mis. Hier ben ik met alles dat zo onnut is, zonder waarde. Met alles wat zo lastig is voor U en voor mij. U kunt niets met mij beginnen, maar hier is deze brief.’

Dan mag je eraan denken dat er Iemand in de hemel is die een nog veel krachtiger brief heeft geschreven dan Paulus. Christus, met Zijn eigen bloed, met Zijn eigen leven, Die zegt: Ik bid voor hen; Ik bid niet voor de wereld, maar voor degenen, die Gij Mij gegeven hebt, want zij zijn Uw’ (Joh.17:9).

Mag je die vrijmoedigheid hebben? Ik weet, het is genade om die te ontvangen. Als de vrijmoedigheid ontbreekt, mag je toch toegaan. Laat ons met vrijmoedigheid toegaan (Hebr.4:16). Je kunt je leven biddend neerwerpen voor de God van menigerlei genade.

Ook al val jij jezelf vaak zo tegen, de Heere valt nooit tegen. Dan mag je bidden of de Heere zo met de brief omgaat als Filémon zou doen bij Onésimus.

 

Neem dan God aan, neem Gods Woord aan, zoals Paulus schrijft aan de Thessalonicensen, niet als der mensen woord, maar (gelijk het waarlijk is) als Gods Woord (1 Thess.2:13).

Opdat het Woord je als een pijl raakt, je verandert en in brand zet. Dat het je niet meer afhoudt van de troon, maar je ernaar toetrekt met de koorden van Zijn liefde, zodat je je hart, je leven aan Hem mag geven.

 

Dan wil je niet anders dan vrijwillig dienen, uit vrijwillige liefde. Onrein en onbekwaam in jezelf. Maar het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde (1 Joh.1:6). Helemaal!

 

Amen.

 

De slotzang is Psalm 115 vers 7:

 

Elk, die Hem vreest, hoe klein hij zij of groot,

Wordt van dat heil, die weldaân, deelgenoot.

Hij zal ze groter maken,

En z' u, zowel als 't kroost, dat gij bemint,

Dat nevens u, zich aan Gods wet verbindt,

In dubb'le maat doen smaken.