Ds. C. Harinck - Psalmen 36 : 8

Gods goedertierenheid

Psalmen 36
De verwondering over Gods goedertierenheid
De veiligheid van Gods goedertierenheid

Psalmen 36 : 8

Psalmen 36
8
Hoe dierbaar is Uw goedertierenheid, o God! Dies de mensenkinderen onder de schaduw Uwer vleugelen toevlucht nemen.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 59: 10
Lezen : Psalm 36
Zingen : Psalm 136: 1, 2, 3, en 4
Zingen : Psalm 36: 2
Zingen : Psalm 89: 1

Gemeente, in Psalm 86:5 lezen we: Want Gij, HEERE! zijt goed, en gaarne vergevende. Wanneer we letten op de volgorde, zien we dat eerst wordt gezegd dat de Heere goed is, en daarna gaarne vergevende. Vergeving vloeit uit Gods goedheid. Goedheid, oneindige, voor ons niet te bevatten goedheid, is de diepe oorzaak van de vergeving en van de zaligheid van mensen die Gods geboden hebben overtreden.

Het is mijn voornemen daarover te spreken. De tekst kunt u dan ook vinden in Psalm 36, vers 8, waar we lezen:

Hoe dierbaar is Uw goedertierenheid, o God! Dies de mensenkinderen onder de schaduw Uwer vleugelen toevlucht nemen.

 

Het gaat in deze tekst over Gods goedertierenheid.

We letten op twee aandachtspunten:

  1.  De verwondering over Gods goedertierenheid;
  2.  De veiligheid van Gods goedertierenheid.

 

1. De verwondering over Gods goedertierenheid

Gemeente, David is de dichter van Psalm 36. Het is dus een heel oud gedicht, want David leefde elfhonderd jaar voor Christus. Als we dit lied zingen, zingen we dus een heel oud lied. Dit lied werd gezongen in de tempel door het machtige tempelkoor. In 1 Kronieken 25 lezen we dat David de zangers in afdelingen verdeelde. Hij wilde dat er voortdurend een koor in de tempel zou zijn. In totaal waren er 4000 zangers. Hij stelde drie dirigenten aan, Heman, Asaf en Jeduthun, allen uit de stam van Levi. En hij zorgde ervoor dat er 12 mannen uit elke familie waren die de muziekinstrumenten bespeelden. Het leert ons wat een belangrijke plaats muziek en zang hebben ingenomen in de tempeldienst.

 

Psalm 36 begint met een beschrijving van het karakter van de goddelozen. De overtreding des goddelozen spreekt in het binnenste van mijn hart. Er is geen vreze Gods voor zijn ogen Want hij vleit zichzelf in zijn ogen, als men zijn ongerechtigheid bevindt, die te haten is.

David is diep in zijn hart doordrongen van de ijdele grootspraak van de goddelozen. Hun woorden zijn woorden van onrecht en bedrog. De goddeloze laat na te verstaan tot weldoen. Hij bedenkt onrecht op zijn leger; hij stelt zich op een weg, die niet goed is. En het kwaad verwerpt hij niet. Er is geen vreze Gods voor zijn ogen.

De goddeloze heeft geen ontzag voor God, noch voor Zijn geboden. De woorden die hij spreekt zijn niet te vertrouwen. Zijn gedachten zijn vol van kwaad. Hij bedenkt zelfs nog onrecht op zijn bed. Wanneer hij zich te rusten legt, beraadslaagt hij hoe hij nog meer onrecht kan doen in de wereld. Zo beschrijft deze Psalm het hart en het karakter van de goddelozen. En dat hart en karakter van de goddelozen is slechts boosheid en verkeerdheid.

 

Na deze beschrijving van de goddelozen beschrijft David het karakter en het hart van God. Hij zegt: O HEERE! Uw goedertierenheid is tot in de hemelen; Uw waarheid tot de bovenste wolken toe. Uw gerechtigheid is als de bergen Gods, Uw oordelen zijn een grote afgrond; HEERE! Gij behoudt mensen en beesten (Ps. 36:6-7).

In een wereld vol goddeloosheid toont God Zijn goedertierenheid. Uw goedertierenheid, zegt David, is tot in de hemelen. Uw goedertierenheid reikt tot in de hoogste hemel. Uw waarheid is tot in de bovenste wolken toe. Uw betrouwbaarheid is boven de wolken verheven. En Uw gerechtigheid, zegt David, is als de bergen Gods. Gods recht is zo stabiel en betrouwbaar als de bergen. En Uw oordelen, zegt hij, zijn een grote afgrond. Ze zijn ondoorgrondelijk.

David besluit met te zeggen: Gij behoudt mensen en beesten. U zorgt in Uw goedheid voor mens en dier. Zo beschrijft David het karakter van God. Het is een karakter van enkel goedheid en barmhartigheid. Hoger als de hemel rijst Zijn liefde. Tot in de bovenste wolken reikt Zijn ontferming. Hij zorgt voor mens en dier.

 

Dan volgt vers 8: Hoe dierbaar is Uw goedertierenheid, o God! David is zo vol van het karakter van God dat hij in verwondering uitroept: Hoe dierbaar is Uw goedertierenheid, o God!

Het is een uitroep van verwondering, van verbazing. Waar verwondert David zich dan over en waarover is hij verbaasd? Over Gods goedertierenheid.

Gods goedertierenheid – wat is dat, gemeente? Het is een eigenschap van God, een aanbiddelijke eigenschap, die tot het wezen en karakter van God behoort.

Het Hebreeuwse woord voor ‘goedertierenheid’ is ‘chèsèd’. Chèsèd is eigenlijk verbondstrouw. Iemand chèsèd bewijzen, wil zeggen dat je trouw bent aan wat je eens aan iemand beloofde. Ook al handelt die persoon nog zo onbetrouwbaar met jou.

Zo bewees David ‘weldadigheid’, dat is chèsèd, aan Mefiboseth. David hield zich aan het verbond met Jonathan, de vader van Mefiboseth, waarin hij beloofd had zijn nageslacht goed te doen.

 

Maar chèsèd is tegelijkertijd zoveel meer dan verbondstrouw. Chèsèd is een begrip dat ons verstand te boven gaat. Gods goedertierenheid, Gods chèsèd, is vooral de trouw van God aan een ontrouwe en overspelige verbondspartner. Goedertierenheid is een gezindheid in iemands hart. Een gezindheid van liefde, trouw, erbarmen en goedheid. Een gezindheid die zelfs uitgaat naar een ontrouwe verbondspartner.

 

De Engelse William Tyndale heeft in de zestiende eeuw voor het eerst de Bijbel in het Engels vertaald. Hij is daarvoor op de brandstapel gestorven. Tyndale was wel een groot taalkundige, maar hij schrijft dat hij toch moeite had met de overzetting van verschillende Hebreeuwse woorden. Dat is ook wel te begrijpen. Ik herinner me dat dominee Vreugdenhil mij vertelde hoe moeilijk het was om onder de mensen in Papoea te spreken over: Zie, het Lam Gods dat de zonde van de wereld wegneemt. De mensen kenden alleen maar varkens, ze kenden geen lammeren. Hoe ga je dat dan verantwoord in de eigen taal overzetten?

 

Tyndale kwam verschillende woorden tegen die hij moeilijk in het Engels kon vertalen. Eén van die woorden was het Hebreeuwse woord chèsèd. Hij kon er geen Engels woord voor vinden. Tyndale heeft toen een nieuw Engels woord ontworpen. Het was het woord ‘lovingkindness’, wat betekent: liefdevolle gezindheid. De Statenvertalers hebben het woord chèsèd vertaald met het Nederlandse woord ‘goedertierenheid’, wat betekent: welwillendheid. Enkele malen hebben zij het vertaald in het woord ‘weldadigheid’. En Luther, hoe heeft hij het gedaan? Luther heeft het woord chèsèd vertaald met ‘erbarmen’. De Lutherbijbel leest: Hoe dierbaar is Uw erbarmen, o God!

 

Waarom is het toch zo moeilijk om een goed Engels, Nederlands of Duits woord te vinden voor het Hebreeuwse woord chèsèd? Het komt omdat er geen vergelijking bestaat! Het is een eigenschap die niemand van ons bezit. Het is een eigenschap die al het menselijke ver te boven stijgt. Gods chèsèd, belangeloos liefhebben en trouw blijven liefhebben, ook als de andere partij ontrouw is, is nauwelijks te vinden onder de mensen.

 

Het begrip chèsèd vinden we vooral terug bij de profeet Hosea. Hosea moest een overspelige vrouw trouwen. Wanneer die vrouw na dat huwelijk trouw was geworden aan haar man, zouden wij zeggen: Hosea heeft die vrouw op het rechte spoor gebracht. Maar ze bleef hoereren, ook nadat ze met Hosea was getrouwd. En toch zegt de Heere tegen Hosea: Je mag haar niet verlaten en je moet zelfs kinderen bij haar verwekken.

Hosea is daarin een beeld van de Heere, de God van Abraham, Izak en Jakob, Die Israël getrouwd heeft. Hij blijft trouw aan de ontrouwe verbondspartner. Want Israël was ontrouw aan God en aan Zijn verbond en hoereerde met andere goden.

 

Chèsèd, goedertierenheid. Het is een gezindheid in God. Het gaat over Gods hart en Gods liefde die uitgaat naar een ontrouwe, afvallige bondgenoot. Maar ondanks die trouweloosheid laat de Heere die bondgenoot nooit vallen en bewijst hij hem chèsèd, liefdevolle gezindheid.

 

Wanneer we het samen willen vatten, kunnen we het beste zeggen dat het in het woord chèsèd gaat om een gezindheid, een gezindheid in het hart van God, een gezindheid van trouw, van genade, van liefde en erbarmen. Het is het neerbuigen in erbarmen van de eeuwige, oneindige God tot diep gevallen mensen, die Zijn verbond gebroken en Zijn heilig gebod overtreden hebben. Mensen die Zijn goedheid veracht en met de duivel tegen Hem samengespannen hebben. En ondanks dit alles bewijst God zulke mensen chèsèd, goedertierenheid.

Gods goedertierenheid toont zich in Zijn zorg, verdraagzaamheid en lankmoedigheid met een schuldige wereld. Hij regent over rechtvaardigen en onrechtvaardigen en laat Zijn zon opgaan over bozen en goeden. Hij verzorgt een wereld die vol van wreedheid en ongerechtigheid is. Wanneer de Bijbel dan ook over Gods goedertierenheid spreekt, horen wij Jeremia zeggen in de Klaagliederen: Het zijn de goedertierenheden des HEEREN, dat wij niet vernield zijn. En Jakobus spreekt over Gods chèsèd, die roemt tegen het verdiende oordeel. En de barmhartigheid, roemt tegen het oordeel (Jak 2:13). Het woord ‘roemt’ wijst hier op ‘zich ergens in verheugen’. God verheugt Zich in het bewijzen van chèsèd, in ontferming en trouw te bewijzen aan zondaren die Zijn oordeel verdienen.

 

Gods goedertierenheid openbaart zich het duidelijkst in Christus, en dan vooral in Zijn zending in de wereld. In Titus 3:4 lezen we: Maar wanneer de goedertierenheid van God, onze Zaligmaker, en Zijn liefde tot de mensen in Jezus Christus verschenen is.

In de komst van Christus verschijnt Gods goedertierenheid. We mogen zeggen dat Gods chèsèd dan tastbaar en zichtbaar wordt. Christus komst in de wereld om hier bespot, verworpen en gekruisigd te worden, is een openbaring van Gods chèsèd, Gods goedertierenheid. Een openbaring van iets onbegrijpelijks voor ons, van iets wat bij de mens niet gevonden wordt. Het is een openbaring van onbevattelijke liefde tot en erbarmen over een trouweloze bondgenoot.

 

Gods goedertierenheid wordt zichtbaar in de bekering van zondaren. Wat een goedertierenheid van God om te zoeken naar een mens die naar Hem niet zoekt – een afkerige zondaar, die met woorden en daden roept: Ik heb geen lust aan de kennis van Uw wegen.

Wat een goedertierenheid om mensen die alleen maar de zonde liefhebben en hun boze hart volgen, zodanig te vernieuwen dat ze een verlangen ontvangen om God te dienen en in Zijn wegen te wandelen. Paulus wijst de christenen in Efeze op God, Die rijk is in barmhartigheid en op Zijn grote liefde, Die Hij betoont heeft door hen levend te maken toen zij dood waren door de zonden en de misdaden. Maar God, Die rijk is in barmhartigheid, door Zijn grote liefde, waarmede Hij ons heeft liefgehad, ook toen wij dood waren door de zonden en de misdaden, heeft ons levend gemaakt met Christus (Ef. 2:4).

Ze waren geestelijk dood. De zonden en misdaden maakten hen dood voor God. Ze waren gelijk aan het kindje uit Ezechiël 16, dat weggeworpen en om te sterven achtergelaten was in de dorre en verlaten woestijn. Maar de HEERE bewees dat kind chèsèd, goedertierenheid, en sprak: Leef; ja, Ik zeide tot u in uw bloed: Leef! (Ez.16:8) Het blijft een oorzaak van verwondering voor Gods kinderen dat de Heere naar hen heeft omgezien in een tijd toen zij naar Hem niet omzagen.  

 

Chèsèd, verbondstrouw, bewijst de Heere aan de gelovigen. Zij zijn geen trouwe bondgenoten, want wat zijn ze dikwijls ontrouw! De Heere moest Israël beschuldigen dat ze Hem vele dagen vergeten hadden. Mijn volk heeft Mij vergeten, dagen zonder getal (Jer.2:32). Er zijn dagen en perioden in het leven van de gelovigen dat zij ontrouw zijn aan de Heere en hun hart wordt ingenomen door de wereld en alles wat de wereld te bieden heeft. Ja, ze kunnen in oude zonden en gewoonten terugvallen. Wat zou het dan rechtvaardig zijn als de Heere ook ontrouw zou worden aan wat Hij hun beloofd heeft. De Heere zegt echter: Maar Mijn goedertierenheid zal Ik van hem niet wegnemen en in Mijn getrouwheid niet feilen.

Gods chèsèd, Zijn goedertierenheid, blijft Gods kinderen vergezellen tijdens de gehele reis door dit leven. David zegt ervan: Immers zullen mij het goede en de weldadigheid volgen, al de dagen mijn levens (Ps.23:6).

 

Gemeente, zo heb ik getracht iets te zeggen over Gods chèsèd, Gods goedertierenheid. Woorden schieten hier tekort. We moeten ervan zeggen: De helft ervan is mij niet aangezegd.

We zien een hoge, heilige God Zich neerbuigen tot wat verloren en schuldig is voor Hem. We zien God zoeken naar mensen die Hem níet zoeken. We zien ontrouwe bondgenoten, terwijl God hun altijd trouw blijft en nooit verlaat.

In dit alles schittert Gods goedertierenheid, Zijn liefdevolle gezindheid, Zijn ontferming over het verlorene, Zijn trouw aan de ontrouwe. En zoals Luther zegt: Zijn erbarmen.

 

David is er verwonderd over. Hij roept: Hoe dierbaar is Uw goedertierenheid, o God! Hoe dierbaar, hoe kostbaar, hoe uitnemend en onbevattelijk is Uw goedertierenheid!

Het is een uitroep van verwondering. Het is geen verstandelijke vaststelling. Het is geen wetenschappelijke uitleg. Het is geen dogmatische kennis. Het is een getuigenis van ervaring. Het is een bevindelijk getuigenis. Hier is een man aan het woord, die de zoetheid van Gods goedertierenheid heeft geproefd. Hier is geen vroom gepraat. Hier is verwóndering, verwondering over Gods goedertierenheid. David roept: Hoé, ja hoe, hoe onbevattelijk, hoe dierbaar is Uw goedertierenheid, o God!

 

David heeft Gods chèsèd dikwijls ervaren. Wanneer je naar Davids leven kijkt, wat zie je dan? Geen trouwe verbondspartner. Je ziet een man die bóven vele mensen rijk gezegend is. Van herdersjongen is hij kóning geworden. Wanneer dat vandaag gebeurde, stonden de kranten er vol van. Een herdersjongen die koning wordt over Israël. Zo begenadigd was David!

Maar wat was hij ontrouw aan Gods verbond. Wat is hij diep in zonde gevallen. En toch, toch nooit van God verlaten, steeds gered, altijd weer opgericht, altijd weer vergeven. Als je naar Davids leven kijkt, zie je chèsèd, liefdevolle gezindheid, trouw van God aan een ontrouwe. Wanneer David dan ook aan het einde van zijn leven is, zegt hij: Hoewel mijn huis alzo niet is bij God, nochtans heeft Hij mij een eeuwig verbond gesteld, dat in alles wel geordineerd en bewaard is (2 Sam. 23:5).

Het bracht David tot de uitroep: Hoe dierbaar is Uw goedertierenheid, o God!

 

Kent u deze verwondering over Gods goedertierenheid? Het oude Schotse gezegde luidt: ‘Slechts wanneer je je over God verwondert, is het echt.’

David noemt Gods goedertierenheid dierbaar, kostbaar. Is Gods goedertierenheid voor ons ook kostbaar geworden? Of lijken we op Ezau, die zei: Zie, ik ga sterven; en waartoe mij dan de eerstgeboorte? (Gen. 25:32) Zijn we dezelfde levensvisie toegedaan en zeggen wij ook: ‘Een mens leeft maar één keer, dus moet je er uithalen wat te krijgen is’.

Hoe komt het toch, dat wij niet verwonderd en verbaasd zijn over Gods goedertierenheid? Hoe komt het dat wij ’s morgens bij het opstaan nooit eens verwonderd zijn dat we weer het licht van een nieuwe dag mogen zien, dat we nog in het heden van de genade zijn en dat God nog steeds geen lust heeft in onze dood?

Hoe komt het dat we dit alles zo gewoon vinden? Het komt omdat we niet weten hoe schuldig, verdorven en strafwaardig we eruitzien in Gods ogen. Wanneer die kennis in ons hart was, zouden we Gods lankmoedigheid, verdraagzaamheid en goedertierenheid meer opmerken.

 

Gelovigen hebben een diepe indruk van Gods goedertierenheid, al vanaf het begin van hun bekering. Het is een indruk die niet los te maken is van een bevindelijke kennis van onze zondigheid en strafwaardigheid voor God. Dat alleen doet ons zeggen in ons hart: Het zijn de goedertierenheden des Heeren, dat wij niet vernield zijn (Klaagl. 3:22).

Gods kinderen weten ervan om toorn en straf te verdienen en in plaats daarvan genade te ontvangen. Toen ze schuldig voor God bogen, ontvingen ze genade in plaats van straf. Ze verdienden toorn en ontvingen genade; ze verwachtten de vloek en de Heere sprak van vrede. Ze belijden met Jesaja: Wij dwaalden allen als schapen, wij keerden ons een iegelijk naar zijn weg. Doch de Heere Hij heeft onzer aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen (Jes. 53: 6). Ze hebben gezien hoe God in de kruisdood van Christus de wereld met Zichzelf verzoende en de zonden hun niet toerekende. Ze zijn tot de gekruisigde Jezus gevlucht en hebben verstaan: Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld, de straf die ons de vrede aanbrengt was op Hem en door Zijn striemen is ons genezing geworden (Jes. 53:5). Ze hebben vrede met God gevonden in Zijn bloed, en het leven in Zijn dood.

Maar bovendien hebben ze in dit alles een spiegel gezien van Gods goedertierenheid.

 

Gemeente, dan komt er een glans te liggen op Gods chèsèd, Gods goedertierenheid. Het is zo waar wat Paulus schrijft aan Titus dat de goedertierenheid van God, onze Zaligmaker en Zijn liefde tot de menen verschenen is (Tit. 3:4).  Gods goedertierenheid, van eeuwigheid in Zijn hart verborgen, is in Christus verschenen. De geloofskennis daarvan zal ons met David doen zeggen: Hoe dierbaar is Uw goedertierenheid, o God! Het is een kennis, die redding, troost en veiligheid brengt.

 

We letten erop in de tweede gedachte, en spreken over de veiligheid van Gods goedertierenheid.

 

2. De veiligheid van Gods goedertierenheid

David spreekt niet alleen over het feit dat God goedertieren is, en dat dit dierbaar is. Hij zegt vervolgens: Dies de mensenkinderen onder de schaduw Uwer vleugelen toevlucht nemen.Dies’, is een verouderd Nederlands woord. Het betekent gewoon ‘daarom’. We kunnen dus lezen: Daarom nemen de mensenkinderen onder de schaduw Uwer vleugelen toevlucht. De mensenkinderen zullen dit doen. In het Hebreeuws staat er ‘de kinderen van Adam’.

De kinderen van Adam, het nageslacht van de van zijn heerlijkheid vervallen Adam, zullen toevlucht nemen onder de schaduw van de vleugelen van Gods chèsèd, Gods erbarmen over ontrouwe verbondspartners.

 

Wat is toevlucht nemen? Het is vanuit gevaar naar veiligheid vluchten. Het gaat in ‘toevlucht nemen’ om twee dingen. Het gaat om gevaar en om veiligheid.

Welk een gevaar bedreigt ons?

We zijn omringd van vele gevaren. ‘Midden in het leven’, zegt een oud middeleeuws gedicht, ‘zijn wij door de dood omgeven’. We zijn omringd door veel gevaren. Het echte gevaar, het gevaar dat voor ieder mens dreigt, is het gevaar van het eeuwig verloren gaan. God, onze Schepper, hebben wij vertoornd met onze zonden. Zijn ongenoegen over ons overtreden van Zijn heilig gebod hangt als een donkere wolk boven ons hoofd.

De apostel Paulus schrijft aan de gemeente van Rome: Want de toorn Gods is geopenbaard van de hemel over alle goddeloosheid en ongerechtigheid der mensen (Rom. 1:18). En Mozes getuigt: Wie kent de sterkte Uws toorns, en Uw verbolgenheid, naar dat Gij te vrezen zijt? (Ps.90:11) Bij onze doop is gezegd dat wij kinderen des toorns zijn, die in het Rijk van God niet kunnen komen, tenzij wij van nieuws geboren worden.

 

Wij zijn werkelijk in gevaar. Het gevaar dat ons bedreigt, is onze ziel te verliezen, de eeuwigheid te moeten doorbrengen in een hel van duisternis en verbolgenheid van God over de zonde. Dát is het gevaar, niet meer en niet minder. Het was de eerlijke boodschap van Jezus: Wijd is de poort en breed is de weg, die tot het verderf leidt en velen zijn er die door dezelve ingaan (Matth. 7: 13). Hij leerde dat het pad van de zonde in de eeuwige duisternis eindigt. Hij wekte de mensen op met het kwaad van de zonde te breken en preekte: Indien dan uw rechteroog u ergert, trek het uit en werpt het van u. Want het is u nut, dat één uwer leden verga en niet uw gehele lichaam in de hel geworpen worde (Matth.5:30).  

 

Jezus waarschuwde de mensen voor het gevaar dat dreigt. Zijn boodschap was heel eerlijk! Wat ontbreekt die eerlijkheid in de prediking van veel kansels! Van veel kansels hoort men alleen: ‘God heeft alle mensen lief, en Jezus is voor ons allen gestorven.’ Men stelt de mensen gerust en zegt: God zal het uiteindelijk met ons allemaal goed maken. Men verzwijgt de hel en het gevaar van het voor eeuwig verloren gaan. Men vindt het hard en liefdeloos om over de hel te spreken.

De vraag is echter: Is dat nu echt liefdeloos en wreed? Is het niet veel wreder en liefdelozer om, wanneer je iemand naar een afgrond ziet rennen, tegen hem te zeggen: ‘Wees maar niet bezorgd, het komt allemaal in orde’? Het is juist de liefde tot de zielen van de mensen, die Jezus bewoog hen te waarschuwen voor dat allergrootste gevaar, namelijk het voor eeuwig verloren gaan. Paulus schrijft: Wij dan, wetende de schrik des Heeren, bewegen de mensen tot het geloof.

God draagt Zijn dienaren op om de mensen te waarschuwen voor hun verderf; niet om hard of wreed te zijn, maar hen te redden van het verderf. De dienaar mag het leven van de mensen niet in een hel veranderen door steeds over de hel te preken. Zijn opdracht is vooral het Evangelie te preken, maar dat kan niet zonder te spreken over het voor eeuwig verloren gaan. Dat maakt het Evangelie tot evangelie, tot een goede boodschap.

 

Beseft u uw gevaar? Is het bestaan van een eeuwige hel voor zondaren die zich niet tot God bekeren en niet in Christus geloven, al werkelijkheid voor u geworden? We willen daar niet graag aan denken, gemeente. We sluiten daarvoor onze ogen en stellen onszelf op vele manieren gerust.

We spiegelen onszelf voor dat het met ons wel goed zal aflopen, omdat we toch anders zijn dan andere mensen. We lezen de Bijbel, we bidden en we bezoeken de kerk. We zijn gedoopt en geloven de Bijbel. We leven naar Zijn geboden en hangen de zuivere leer aan. God zal zulke mensen echt niet in de hel werpen. De hel is voor de goddelozen, maar niet voor mij, niet voor ons.

Maar als we buiten Christus sterven loopt het niet goed met ons af. Want buiten Jezus is geen leven, maar een eeuwig zielsverderf.

In de waarachtige bekering worden die dingen werkelijkheid, namelijk al die dingen waar de Bijbel over spreekt en waar wij zo achteloos overheen lezen en leven. Het bezit van een ziel, de brede weg die eindigt in het verderf en het staan voor Gods rechterstoel. Deze zaken worden dan werkelijkheid. De rust wordt ons opgezegd en de zielennood geboren. Het brengt tot de roep van de stokbewaarder: Wat moet ik doen, opdat ik zalig worde? Wat moet ik doen om gered te worden? Is er nog een weg en een middel om de welverdiende straf te ontgaan?

 

Gods weg met mensen is niet altijd dezelfde. Ieder beleeft zijn zonden, zijn verloren bestaan en het gevaar waarin hij of zij verkeert, niet even diep. Er is een groot verschil tussen de bekering van Zacheüs en de bekering van de stokbewaarder. Maar ieder moet er zóveel van kennen dat hij naar veiligheid begint te zoeken. U moet zóveel van uw gevaar kennen, dat het u dringt om naar een veilige schuilplaats te zoeken.

En er is een veilige Schuilplaats. We worden door God niet opgewekt om naar veiligheid te zoeken, zonder dat Hij ons zegt dat er veiligheid is. Er ís een plaats van veiligheid, er ís een toevluchtsoord.

 

David wijst die Schuilplaats aan in deze Psalm, namelijk: Gods goedertierenheid. Gods genadige gezindheid, aan het licht gebracht in de komst en in de dood, in het lijden en sterven van de Heere Jezus Christus. Vanwege Jezus Christus, het Lam Gods dat de zonde der wereld wegneemt. Het is op grond van Christus’ verzoenend lijden en sterven dat er bij God veiligheid, vergeving en verzoening is voor de grootste van de zondaren. Er is bij God goedertierenheid, een gezindheid om de schuldige te vergeven. Het is geen goedertierenheid die ten koste gaat van Zijn rechtvaardigheid. Paulus zegt dat de genade in Christus niet ten koste van, maar door rechtvaardigheid heerst. Opdat de genade zou heersen door rechtvaardigheid, tot het eeuwige leven door Jezus Christus, onze Heere (Rom. 5:21).

Genade heeft nu de heerschappij. Dat is de veilige Schuilplaats. Op grond van Jezus’ zoen- en kruisverdienste is er bij God genade voor de schuldige, en vergeving en barmhartigheid voor de ellendige zondaar.

Dies [daarom] de mensenkinderen onder de schaduw Uwer vleugelen toevlucht nemen, zegt David. Om die reden zullen gevallen mensen onder de bedekking van Gods goedertierenheid een veilige toevlucht vinden. Gods chèsèd, Gods onbevattelijke verbondstrouw ten opzichte van ontrouwe verbondspartners, maken zij tot hun toevluchtsoord.

 

Gemeente, ik zou willen dat u zich met mij eens afvroeg: Hoe durfde David na de zonde met Bathseba en na de moord op Uria, God onder de ogen te komen? Hoe durfde hij tot God te gaan en te smeken: Wees mij genadig, o God! Naar Uw goedertierenheid; delg mijn overtreding uit, naar de grootheid Uwer barmhartigheden (Ps. 51).

Omdat hij hoopte op Gods chèsèd! Hij smeekt of God hem genade wil bewijzen, naar Uw goedertierenheid. Dat is: overeenkomstig Zijn verbondstrouw. En hij pleit: Naar de grootheid Uwer barmhartigheden, dat is: in overeenstemming met de alles overtreffende chèsèd, de alles overtreffende bewijzen van Uw goedertierenheid. Gods chèsèd, Gods onbevattelijke genade voor ontrouwe bondelingen, werd David tot een toevluchtsoord. Hij vluchtte daar heen met al zijn zonden en ontrouw.

 

David heeft de boodschap voor ons achtergelaten. Dies de mensenkinderen onder de schaduw Uwer vleugelen toevlucht nemen. Het is een beeld, genomen uit de natuur. Het beeld van een vogel die zijn jongen onder de vleugelen beschermt. Dat wordt duidelijk zichtbaar in de manier waarop een hen haar kuikens beschermt. Als er gevaar dreigt, waarschuwt ze haar kuikens en biedt hun een schuilplaats onder haar vleugelen.

Midden in New York, de miljoenenstad met zijn hoge wolkenkrabbers, is een groot en prachtig park. Er was eens een geweldige brand in dat park, die een deel ervan verwoestte. Een parkwachter zag na de brand allerlei verkoolde dingen liggen, ook verkoolde dieren. Hij zag ook een verkoolde duif liggen. Toen hij erin porde met een stok, kwamen er twee kleine duifjes van onder tevoorschijn. De moederduif had die jonge duiven met haar leven beschermd.

 

Gemeente, dat heeft Jezus gedaan. Hij verklaarde: Ik ben de goede Herder; de goede herder stelt zijn leven voor de schapen. Hij heeft de vloek gedragen die op óns had moeten dalen. Hij heeft de straf ondergaan die onze zonden verdienen. Hij heeft de helse smarten doorgemaakt, die wij zouden moeten doormaken. Hij heeft de toorn van God waaronder wij anders voor eeuwig hadden moeten verzinken, gedragen en weggedragen. Daarom is er bij Jezus veiligheid. Dies de mensenkinderen onder de schaduw Uwer vleugelen toevlucht nemen.

De oude Joodse rabbijnen zeggen in de Talmoed van het verzoendeksel op de ark waarop het verzoenend bloed van het offer werd gesprengd, dat dit de woonplaats van God is en Zijn genadestoel. Onder de uitgebreide vleugelen van de engelen, die op het verzoendeksel staan, vindt de ontrouwe bondgenoot, de overtreder van Gods geboden, de verzoenende en vergevende God.

Laten we daar nu eerst van zingen uit Psalm 36:2.

 

Uw goedheid, HEER’, is hemelhoog,

Uw waarheid tot den wolkenboog;

Uw recht is als Gods bergen;

Uw oordeel grond’loos; Gij behoedt

En zegent mens en beest, en doet

Uw hulp nooit vrucht’loos vergen.

Hoe groot is Uw goedgunstigheid!

Hoe zijn Uw vleug’len uitgebreid!

Hier wordt de rust geschonken;

Hier ’t vette van Uw huis gesmaakt;

Een volle beek van wellust maakt

Hier elk in liefde dronken.

 

David spreekt in Psalm 36 over de schaduw Uwer vleugelen. Hoe ontstaat schaduw? Doordat er iets tussen ons en de brandende zon komt. Zo heeft Jezus voor veiligheid, voor schaduw, voor verzoening gezorgd, door Zichzelf te stellen tussen de vertoornde God en de schuldige zondaar. Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld. De straf die ons de vrede aanbrengt, was op Hem. Vanwege Zijn offer en Zijn bloed is er schaduw, is er veiligheid. Daarom kan David zeggen: Dies de mensenkinderen onder de schaduw Uwer vleugelen toevlucht nemen.

 

Gemeente, in het gehele universum is er voor een gevallen mensenkind maar één veilige Schuilplaats, het kruis van Golgotha. We kennen bosbranden, ze nemen ook steeds maar toe. In Noord-Amerika kende men prairiebranden. We weten van predikanten die onder de Indianen werkten, zoals Jonathan Edwards heeft gedaan, dat de Indianen een uitspraak hadden, die luidde: Het vuur komt niét waar het al is geweest. Zij bezigden in hun preek de uitdrukking: Sta waar het vuur geweest is. Er is maar één manier om aan een prairiebrand te ontkomen. Je moet een strook droog prairiegras tussen jezelf het naderende vuur in brand steken. Wanneer de prairiebrand nadert waar alles reeds is verbrand, ben je veilig, zeker veilig. Daar is voor het vuur niets meer te verbranden.

 

Bij de gekruisigde Christus, Die de toorn van God tegen de zonde heeft gedragen, is veiligheid voor de zondaar. Op Golgotha is Gods toorn tegen de zonde uitgewoed en Zijn gramschap geblust. En nu biedt Hij in het Evangelie veiligheid en verlossing aan ieder die daar zijn veiligheid zoekt. Nu Gods toorn op Jezus als de Borg van zondaren is gevallen, kan het vuur op u niet meer vallen; het kan niet meer komen op de zondaar die bij Jezus schuilt. Er is niets meer voor de prairiebrand overgebleven om zich mee te voeden. Op Golgotha, in de gekruisigde Jezus, is de toorn van God uitgewoed. Daar is Zijn gramschap geblust. Daar is vrede gemaakt door het bloed des kruises. Daar hebben goedertierenheid en waarheid elkaar ontmoet, gerechtigheid en vrede elkaar gekust.

Daarom is er veiligheid op Golgotha. Sta en verberg je daarom waar de brand reeds is geweest. Vlucht met alle je veroordelingen en vrezen tot de gekruisigde Zaligmaker.

 

Indien je dit Evangelie verwerpt en deze boodschap niet ter harte neemt, wacht slechts één alternatief: dan zal het vuur van Gods toorn over uw zonden u verslinden. Vlucht daarom naar de plaats waar het vuur reeds is geweest; vlucht naar de Jezus van Golgotha! Haast u en spoed u om uws levens wil!

 

Gemeente, we vroegen ons al eerder af waar David na zulke afschuwelijke zonden bedreven te hebben, de vrijmoedigheid vandaan haalde om tot God te gaan en te bidden: Wees mij genadig, o God! En te bidden: Delg mijn zonden uit.

Het antwoord is: naar Uw goedertierenheid. De chèsèd van God, de onbevattelijke bereidheid om de ontrouwe, schuldige en helwaardige zondaar Zijn genade en vergeving te bewijzen, was Davids pleitgrond.

Laat het ook uw pleitgrond zijn.

Kaïn zei: Mijn misdaad is groter, dan dat zij vergeven worde (Gen. 4:13). En Judas sprak: Ik heb gezondigd, verradende het onschuldige bloed (Matth. 27:4). Maar zij deden niet wat David deed. Zij smeekten niet: Wees mij genadig o God, naar Uw goedertierenheid (Ps. 51:3).

 

Het leert ons dat zonder hoop op Gods genade de schuldige mens met zijn zonde en ellende niet tot God vlucht. De kennis van Gods goedertierenheid, de hoop op dat onbevattelijke in God, de hoop op Zijn eindeloos erbarmen, is onmisbaar om tot God te vluchten met je nood en verlorenheid. Wij dwazen denken dat het vooral nodig is dat je helemaal tot wanhoop komt. Maar dat brengt je nergens. Ja, het brengt je op de weg van Kaïn en Judas. Maar in de diepste nood en ellende zicht hebben op Gods goedertierenheid, op Zijn onbevattelijke genade en bereidheid om te vergeven – dat doet ons de toevlucht nemen onder Gods vleugelen. En dit toevlucht nemen is een eigenschap van het geloof.

 

Gemeente, dominees kunnen soms over dwaze dingen twisten. In de achttiende eeuw is er getwist of een toevluchtnemend geloof wel het echte geloof is. Sommigen stelden heel nadrukkelijk dat het geloof zekerheid bevat. Dus alleen een geloof dat zeker is, mag je geloof noemen. Een toevluchtnemend geloof is eigenlijk nog niet het juiste geloof. De bekende Alexander Comrie beleed dat het geloven zekerheid met zich meebrengt. Tegelijk echter beleed hij dat het geloof altijd toevlucht neemt. Het doet nooit anders. Het neemt altijd toevlucht. Reeds in de eerste geloofsoefening en bij alle volgende daden en ten slotte bij de laatste daad. Bij het sterven blijft slechts over toevlucht nemen onder de schaduw van Zijn vleugelen. Je mag daarom niet zeggen, wat sommigen doen: Het is nog maar een toevluchtnemend geloof.

 

David getuigt: Hoe dierbaar is Uw goedertierenheid. Dies de mensenkinderen onder de schaduw Uwer vleugelen toevlucht nemen.

Een veilige Schuilplaats. In Christus is ze bereid. Daar heeft God in voorzien. Hij heeft die weg bedacht, die weg van borgtocht, die weg van verzoening. En waar komt dat nu allemaal uit voort? Waar komt Bethlehem, waar komen Goede Vrijdag en Pasen vandaan? Waar komt dat allemaal vandaan? Wat zit daarachter? Gods onbevattelijke chèsèd, Gods goedertierenheid. Het bracht David tot de uitroep: Hoe dierbaar is Uw goedertierenheid, o God!

 

De vraag die rest, is: Behoort u tot die mensenkinderen, tot dat deel van Adams gevallen geslacht dat toevlucht neemt onder de schaduw van Gods vleugelen? U bent in gevaar. Het zwaard van een vloekende wet en een vertoornd God hangt al boven ons hoofd als we geboren worden. We zijn van nature kinderen des toorns.

We lezen in Openbaringen 20 over de oordeelsdag; dan zullen de boeken opengaan. Ons levensboek zal dan opengaan. Dat is een boek waarin alles staat geschreven wat we gedaan hebben. Je zou het kunnen vergelijken met een dagboek. Sommige mensen houden een dagboek bij. Maar deze mensen willen voor geen honderd werelden dat iemand anders dat dagboek leest. Je vertrouwt daar immers alles aan toe. Je schrijft daarin je intiemste gedachten en gebeurtenissen. En toch zal dat boek eens opengaan, namelijk op de dag waarop God ons oordelen zal. En waar zul je dan een toevluchtsoord vinden? Waar zul je dan verzoening vinden voor al je zonden? Er is maar één toevluchtsoord, het dierbare bloed van Christus.

Wat ben je in gevaar zolang je buiten Christus bent. O, dat het voor ons allen waar mag worden: Dies de mensenkinderen onder de schaduw Uwer vleugelen toevlucht nemen.

 

Maar, zegt misschien iemand, ik ben zo zondig en mijn bestaan is zo onrein. Ik heb ook zoveel zonden gedaan… Wat is er in de Bijbel te vinden om zo iemand als ik ben te bemoedigen? David zegt het: Gods goedertierenheid. En laten we dan ook eens kijken naar vers 6. Daar zegt David: O HEERE! Uw goedertierenheid is tot in de hemelen. Gelijk als het water van de zondvloed boven de hoogste berg steeg, zo stijgt Gods onverdiende genade boven de hoogste berg van schuld en van zonde. Er mag nog zoveel reden zijn in uw zonden om u te verdoemen, er is altijd meer kracht en hoop in Jezus’ bloed om u te redden.

Denk aan uw gevaar. Er dreigt een ontzaglijk gevaar om uw ziel voor eeuwig te verliezen. Maar er is een toevluchtsoord, Gods chèsèd, Gods genadige ontferming over een zondaar die Hem verlaten en onteerd heeft. O, als u zich nergens meer op kunt beroepen, laat dit dan uw bede zijn: Heere, red mij naar Uw goedertierenheid, naar de grootheid Uwer barmhartigheden.

 

David verwonderde zich. Ik heb bij een oude puritein gelezen dat een gevallen mens, een mens die onbekwaam is tot enig goed en geneigd tot alle kwaad, ook al is hij een bekeerd en gelovig mens geworden, God alleen kan dienen met verwondering en aanbidding. Verwondering en aanbidding over Gods goedertierenheid. Daarmee zal God tot in alle eeuwigheid gediend worden. Hoe dierbaar is Uw goedertierenheid, o God!

 Amen.

 

Slotzang: Psalm 89:1

 

’k Zal eeuwig zingen van Gods goedertierenheên;

Uw waarheid t’ allen tijd vermelden door mijn reên;

Ik weet hoe ’t vast gebouw van Uwe gunstbewijzen,

Naar Uw gemaakt bestek, in eeuwigheid zal rijzen;

Zomin de hemel ooit uit zijnen stand zal wijken,

Zomin zal Uwe trouw ooit wank’len of bezwijken.