Ds. W. Harinck - Job 33 : 23 - 24

Het spreken van Elihu

Job 33
Het lijden van Job
Het ingrijpen van God

Job 33 : 23 - 24

Job 33
23
Is er dan bij Hem een Gezant, een Uitlegger, een uit duizend, om den mens zijn rechten plicht te verkondigen;
24
Zo zal Hij hem genadig zijn, en zeggen: Verlos hem, dat hij in het verderf niet nederdale, Ik heb verzoening gevonden.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 106:1
Lezen : Job 33:1-24
Zingen : Psalm 116:10
Zingen : Psalm 116:2, 3, 4 en 5
Zingen : Psalm 145:6
Zingen : Psalm 66:4

Gemeente, de prediking voor vanavond is uit Job 33. Onze tekst zijn de verzen 23 en 24:

 

23. Is er dan bij hem een gezant, een uitlegger, één uit duizend, om den mens zijn rechten plicht te verkondigen,

24 Zo zal Hij hem genadig zijn en zeggen: Verlos hem, dat hij in het verderf niet nederdale, Ik heb verzoening gevonden.

 

We luisteren naar: Het spreken van Elihu.

Elihu spreekt over:

 

  1. Het lijden van Job;
  2. Het ingrijpen van God;

 

  1. Het lijden van Job

Het is stil geworden rond Job. Hoofdstukken lang ging het debat maar door, tussen Job en zijn vrienden Bildad, Elifaz en Zofar. Maar nu zijn ze uitgepraat. Hun vergeldingstheologie dat Job van Godswege gestraft wordt vanwege verborgen zonden in zijn leven, heeft Job niet getroost. Maar ook Job is ten slotte stil geworden. Stromen van woorden zijn van zijn lippen gekomen. Maar nu wordt het stil. Hij heeft geen licht gekregen in die grote waaromvraag. Het ‘waarom’ van zijn lijden, van zijn strijd en eenzaamheid.

 

Zie hem daar zitten, jongens en meisjes, gemeente. Job zit daar op de ashoop. Op de puinhoop, figuurlijk en letterlijk. As op zijn hoofd, een zak over zijn schouder. Je ziet de bulten, de zweren, zijn zieke en magere lichaam. En zijn vrienden daar bij hem. Met een potscherf in zijn hand krabt hij af en toe wat aan zijn wonden, aan zijn bulten en zweren. In zijn grote eenzaamheid, in zijn grote verdriet hoor je Job uitroepen: ‘Is er dan níemand die mij hoort? Is er dan geen mens die mij begrijpt?’ Ja, zo eenzaam kan het zijn in het verdriet en de moeite van je leven. Dat die vragen er liggen in je hart: weet niemand dan meer van mij af? Is er nog wel een God in de hemel die van mij afweet?

 

Zover is het nu gekomen bij Job. Hier in deze hoofdstukken. En er zal wat moeten gebeuren! Óf Job gaat ten onder, óf de hemel gaat open en God grijpt in en God gaat spreken. Wat zal er gaan gebeuren? Mensen zwijgen. Iedereen is uitgepraat. Redeneren helpt ook niet. Niemand weet meer raad.

Maar dan: dan is daar weer een stem. Een mensenstem. Ja, een mensenstem die spreekt vanwege God. Elihu gaat spreken. Gods Geest geeft Elihu te spreken. En Elihu – ik denk dat je zijn spreken zo moet zien – is een voorbereider, een wegbereider op die grote openbaring van God aan Job. Dat wordt hier door de Heere stap voor stap voorbereid.

 

Elihu heeft erbij gezeten. Hij heeft al die woorden gehoord. Hij heeft die oudere mannen eerst uit laten spreken. Lang heeft hij gewacht. Hij was de jongste onder de vrienden van Job. Met respect had hij gewacht en geluisterd. Maar nu kan hij niet langer zwijgen. Er is ook verontwaardiging in hem. In zijn jonge hart bruist het! Er is ook ergernis in hem. Want Elihu is het met die drie vrienden van Job niet eens. Zij hebben Job beschuldigd van grote zonde. Kan hij een oprecht kind van God zijn als God zó tegen je is? Dat kan toch niet zijn? Elihu is het daar niet mee eens. Hij kan zich niet vinden in het standpunt van Job zijn vrienden. Hij zegt: ‘Jullie hebben niet namens God gesproken!’ Maar ook met Job is Elihu het niet eens. ‘Job, durf jij te zeggen dat God onrechtvaardig is? Dat God op je ondergang uit is?’

 

Gemeente, deze Elihu blijkt een diep inzicht te hebben in hoe God met mensen handelt. Later worden de drie vrienden van Job bestraft. God bestraft ze: ze hebben niet recht gesproken. Elihu wordt niet bestraft. Hij heeft recht gesproken. Dus Elihu neemt een heel ander standpunt in. Job, jouw lijden is geen straf van God. Elihu zegt: ‘Kijk er nu eens anders naar!’

Die vrienden zijn zo bezig geweest met wat de oorzaak was van Job zijn lijden. Daar hebben ze maar in zitten roeren. Elihu benadert het zo heel anders. Wijs. Pastoraal. Daar kan je ook als ambtsdrager van leren. Hij gaat zeggen: ‘We moeten veel meer letten op Gods bedóeling.’ Wat is Gods bedoeling, Job, met de dingen die gebeuren in je leven? Hij wil het zien als loutering, als beproeving, als kastijding.

Het Bijbelboek van Job laat ons zien dat God bedoelingen heeft met dingen die gebeuren in ons leven. Die zien wij niet altijd direct. Maar Gods bedoelingen zíjn er wel. Het hele betoog van Elihu komt hierop neer, dat hij zegt: Dáár moet je naar kijken. God heeft heilige bedoelingen. God wil een bepaald doel in je leven bereiken met die onbegrepen wegen. Met die vragen, met die waaromvragen. God doet het om je te redden van verderf. Om je te zuiveren, te reinigen, te bekeren, te heiligen en dichter bij Zichzelf te brengen. God wil Zijn werk verheerlijken.

 

Wij weten de achtergrond van Jobs lijden. Daar voltrekt zich die grote strijd tussen God en satan. Een oude strijd eigenlijk, van het verloren paradijs. De strijd tussen wat waarheid en wat leugen is. Die strijd is gaande. Maar weet Job daarvan? Job is zichzelf kwijt en Job is het zicht op God kwijt. De satan weet je zwakke plek. Ook die van Job. En daar wil Satan zijn kansen pakken, om die strijd te winnen. Hij zal niet triomferen. Maar het spant er wél om! Dat voel je hier in deze hoofdstukken.

Elihu krijgt een bijzondere plaats. Hij is een uitlegger, de boodschapper van God, die Job op die goede plaats gaat wijzen. Hij bereidt hem voor op die heerlijke verschijning en ontmoeting van God. Corrigerend is het spreken van Elihu geweest. Hij zegt eerlijk waar de dingen op staan. Kijk maar in vers 12: Zie Job, hierin zijt gij niet rechtvaardig. Hierin. Dus Elihu zegt: ‘Ik ga niet mee in die beschuldigingen van die andere broeders, maar hierin, op dit punt, Job, ben je niet rechtvaardig.’ Waarin dan? Nou hierin: Job heeft God verwijten gemaakt. Dat God tegen hem is. Dat het onbillijk is wat God doet. Hij heeft gezegd in hoofdstuk 23 bijvoorbeeld: ‘Als ik wist dat ik God kon vinden, dan zou ik voor Zijn stoel gaan staan en ik zou voor mijn eigen recht opkomen. Ik zou dat de Heere eens ordelijk voor ogen stellen. Voor mijn eigen verdediging.’

 

Is dat nou diezelfde man, gemeente, die zo hartelijk buigen mocht? Die zo hartelijk belijden mocht: De Heere heeft gegeven; de Heere heeft genomen. De Naam des Heeren zij geloofd! (Job 1:21). Ja, zover kan het komen. Met Job en met kinderen van God. Want in die strijd, in die onbegrepen weg, in dat gevecht met het lijden is Job alles kwijt geraakt. In het grote leedgevecht dat Job aan het vechten is, gaat hij helemaal onder. Hij spartelt, hij schopt, hij zoekt vooruit, hij zoekt achteruit, hij zinkt weg in de  waarom-vraag. Het brengt bitterheid in zijn hart.

Kan een kind van God soms moeten zeggen: Mijn weg is voor de Heere verborgen en mijn recht gaat van mijn God voorbij? (Jes. 40:27). Weet de Heere nog wel van mij af?

En dat punt maakt Elihu, gemeente. Hij zegt: ‘Hierin ben je niet recht voor God, Job. Hierin wijk je af van het rechte spoor.’


Hieruit blijkt wel dat Elihu een echte dienaar, een gezant van God is geweest. Hij gaat helemaal aan de kant van God staan. Wat anderen er ook van denken of zeggen, dát zal hij zijn: Gods dienaar! Hij staat aan Gods kant. Job, waarom heb je tegen God gestreden? Waarom strijd je zo tegen God? God is toch geen mens dat Hij verantwoording moet afleggen aan ons mensen van al Zijn daden? Hij is immers veel groter en veel meer dan wij?
Het zijn woorden, gemeente, die ons ook aangaan. Hoe dikwijls zien wij er ook aan voorbij, aan die grootheid en soevereiniteit van God. Dat God Gód is. En dat wij maar mensjes zijn: uit het stof genomen. Dat God veel groter is dan wij. Dat God veel meer weet en veel meer ziet dan wij. Dat God al onze paden en dat Hij al onze wegen kent. En dat Hij aan mij geen verantwoording schuldig is. Paulus moet dat ook zeggen in Romeinen 9, als het over die grote dingen gaat van predestinatie, Goddelijke verkiezing en verwerping. Dan zegt Paulus: Wie zijt gij, o mens, die tegen God antwoordt? (Rom. 9:20).

 

Zo is Elihu dus met Job in gesprek. Hij doet nog meer dan dat. Hij werpt ook ander licht op de vragen die Job heeft. Hij zegt: ‘Job, er is een spreken van God in je leven. Alles wat er gebeurt: God is daarin, God spreekt daardoor. Maar God spreekt eens of tweemaal, doch men let niet daarop. (vers 14). Eénmaal, tweemaal: God spreekt van heel dichtbij. Het is alsof God – ik bedoel het eerbiedig – je in je kraag grijpt. ‘Van zó dichtbij spreekt God,’ zegt Elihu.
Roepstemmen klinken. Liefdevol. Waarschuwend. Gods spreken is erin: éénmaal, tweemaal. Begrijp het niet verkeerd. Elihu bedoelt niet te zeggen dat God maar éénmaal, hooguit tweemaal, spreekt in een mensenleven. Nee, het is een getalsspreuk in het Hebreeuws. En die getalsspreuk wil duidelijk maken dat God nu zo duidelijk tot Job spreekt in deze weg.
Hoe spreekt God dan? Nou, Elihu gaat het verklaren in vers 15 en 19. Hij kan spreken tot je in de nacht. In een droom, in een gezicht of visioen. Hij spreekt tot je op je ziekbed. Als je ligt te verzwakken en de krachten uit je wegvloeien. Op zoveel verschillende manieren spreekt God. U begrijpt dat Elihu dat spreken van God hier plaatst in de tijd waarin Job leefde. Er was nog geen beschreven Woord van God. Er was nog geen Bijbel zoals wij die wel hebben.
Maar nu spreekt God nóg op allerlei manier. Vooral door Zijn Woord. Vooral door de prediking. Maar ook door al die dingen die er geschieden in ons leven, gemeente. In voorspoed. In tegenspoed. Wat zijn er soms tijden en gebeurtenissen, dan is het echt: dat de Heere éénmaal, tweemaal spreekt! Maar dikwijls letten wij daar niet op, leven we eraan voorbij. Dan hebben we wel oren, maar we horen niet wat God ons zegt.
 

Gods stem is erin. Dat is Elihu’s boodschap. En God kastijdt je niet om je te verwonden, om je te doden, maar God slaat om te behouden (vers 17 en 18). Om je af te wenden van het verderf. Om je te louteren van ongerechtigheid. Dat is het licht dat Elihu wil laten schijnen over de vragen van Job. En dat is ook een boodschap voor ons.
De puritein Thomas Brooks zegt: ‘God kastijdt onze lichamen om onze gewetens te genezen.’ Hij verdrukt onze lichamen om onze zielen te behouden. Zoals sterren het helderst blinken in de nacht. En druiven… wanneer brengen druiven sap en wijn voort? Pas als ze geperst worden. Zo gebruikt de Heere de nacht van tegenspoed en kruis, van verdrukking, opdat Zijn werk gaat schitteren. Opdat het gezien wordt dat Hij God is.

Dat was de grote inzet van dit grote levensleed in Job zijn leven.
Denk aan de vraag van satan: Is het om niet dat Job God vreest? (Job 1:9). Meent U, Gij God der goden, dat Job U lief heeft? Dat Hij U écht dient om Uzelf? Omdat U God bent? ‘Ik geloof er niets van’, zei satan, ‘het is omdat U hem zo rijk gezegend hebt. Daarom is het dat Job u dient en liefheeft. Maar neem hem z’n bezittingen af, z’n zegeningen af, zijn kinderen af. Laat zijn vrouw zich van hem losscheuren. Laat zijn vrienden, hem beschuldigend, in onbegrip hem in de ogen kijken. U zult zien dat al zijn ernst, zijn liefde voor U en voor Uw dienst, allemaal de dood zal sterven.’
‘Nee’, zei God, ‘beproef hem dan maar. Want Mijn werk zal in Job schitteren.’ En het hééft geschitterd! Dan schrijft Job niets ongerijmds aan de Heere toe. Zo schitterde het genadewerk van God in het begin toen Job hartelijk de lof van de Heere uitsprak in zijn lijden.

 

Maar al spoedig zakte Job weg in die diepe, donkere waaromvraag. Want hij wist niet – en dikwijls weten wij het ook niet – dat God het toelaat dat satan Zijn lieve kinderen benauwt en bestrijdt. Opdat Zijn genadewerk schitteren zal. Toen Jobs vrienden kwamen, hebben ze stil, zeven dagen met Job meegeleefd. Mooi dat ze gekomen waren; het waren échte vrienden. Wat moet dat Job goed gedaan hebben.
Toen ze gingen spreken was het óók goed. Zij spraken tenminste tót Job en niet óver Job. Wat gebeurt dat vaak, dat we wel óver een ander spreken, maar dat we niet tót de ander spreken in zijn leed en strijd en kruis. Goede dingen van die vrienden van Job. Het waren ook mannen van God, denk ik, mannen die God vreesden. En wat ze zeiden was niet verkeerd, dat is op zich waar geweest. Maar de toepassing klopte niet. Wat ze zeiden klopte niet bij Job, het paste niet.
Niet alleen lijdt Job aan zijn vrienden maar ook aan zijn vrouw. Zijn vrouw die hem verlaat, geestelijk zich van Job losscheurt. Zij kan het niet meer begrijpen en meemaken om haar lieve man zo te zien lijden en strijden. Het is alsof ze zegt: ‘M’n lieve Job, je kunt maar beter sterven dan dat ik dit allemaal nog aan moet zien. Zegen God, en sterf’ (Job 2:9).

Op dat punt zijn we hier gekomen, gemeente. En dan is daar die gezant: Elihu. Hij is een knecht en boodschapper. Hij gaat spreken tot Job en gaat Job rechtzetten. Hij gaat ander licht werpen op de waaromvragen en op Job zijn strijd. En dat doet Elihu niet alleen. Hij komt ook tot Job met de vertroostingen van het Evangelie. Gouden woorden van God. Woorden uit Gods hart. Zo heeft Elihu tot Job mogen spreken. Dan komen we bij de woorden van de verzen 23 en 24. Maar we gaan eerst zingen: Psalm 145, daarvan het zesde vers.

 

            De Heer is recht in al Zijn weg en werk;

            Zijn goedheid kent in ’t gans heelal geen perk.

            Hij is nabij de ziel die tot Hem zucht;

            Hij troost het hart, dat schreiend tot Hem vlucht.

            Dat ongeveinsd, in ’t midden der ellenden,

            Zich naar Gods troon met zijn gebeên blijft wenden;

            Hij geeft de wens van allen, die Hem vrezen;

            Hun bede heeft Hij nimmer afgewezen.

 

 

  1. Het ingrijpen van God

Gemeente, je voelt en merkt dat Elihu indringend met Job gesproken heeft. Job, hierin ben je niet rechtvaardig. God heeft bedoelingen, heilige, wijze bedoelingen om ons af te wenden van ons zondige werk. Maar daar heeft Elihu het niet bij gelaten. Mensen doen dat vaak wel. Zij weten je vaak precies te vertellen wat er niet klopt en wat er niet deugt en hoe het anders moet. En dan laten ze het daarbij. Maar toen zei Elihu niet: ‘Nu heb ik niks meer te zeggen, Job. Nu laat ik je achter.’ Nee, Elihu gaat verder spreken in de verzen 23 en 24. En dan komt hij met troost. Hoop. Uitzicht. Is er dan bij Hem een Gezant, een Uitlegger, een uit duizend om den mens zijn rechte plicht te verkondigen; zo zal Hij hem genadig zijn en zeggen: Verlos hem, dat hij in het verderf niet nederdale, Ik heb verzoening gevonden.

 

Je merkt dat Elihu goed geluisterd heeft. Hij heeft vooral geluisterd naar de antwoorden die Job gegeven heeft. Dat blijkt hier uit de antwoorden die Elihu geeft in vers 23 en 24. Want als u terug gaat in het spreken van Job, zijn er van die momenten dat er even iets openbreekt bij Job. Dan hoor je hem zeggen in hoofdstuk 9: Is er een scheidsman?
Hij bedoelt: Is er een middelaar tussen God en mij die zijn hand op ons beiden leggen mocht? (Job 9:33). In hoofdstuk 13 breekt ook iets door van dat uitzien en van die hoop bij Job. Ook zal Hij mij tot zaligheid zijn (Job 13:16). En wie kent de woorden niet uit dat negentiende hoofdstuk, vers 25, waar Job het uitwondert (wat een hoogtepunt in zijn lijden en strijden): Ik weet, mijn Verlosser leeft!

Zo waren er van die tijden voor Job, ook in zijn strijd en eenzaamheid, dat het openbrak, dat het geloof opleefde. Dat is nu alweer even geleden. Jobs geloof lijkt wel ingezonken, lijkt wel aan scherven te liggen. We horen die roemtaal van Job niet meer. Van die Losser, van die Scheidsman, van die Pleitbezorger, van die Verlosser, op Wie hij zijn hoop stelt in leven en sterven. Het is donker geworden voor die man. Het geloof kan zo bedolven liggen. Het geloofsgezicht op Wie de Heere in je leven is, kan zo begraven liggen onder de strijd, onder de beproeving. Dan is er geen zicht op de gezegende Verlosser, de Middelaar en Zaligmaker. Dan kan je er niet meer bij.

 

Job zit daar arm en ellendig. De verzen 19 t/m 22 tekenen iets uit van hoe hij eraan toe is. Hij is er zo erg aan toe, gemeente, dat hier alles ophoudt. Hier kan geen mensenkind meer redden. Maar dan komt de redding van Góds kant. En daar is Elihu een boodschapper van geweest. Hij heeft Job gewezen op God. Hij noemt drie namen: een Gezant, een Uitlegger, Eén uit duizend.
Job, het is kwijt. Het is verloren. Maar als er een Gezant is, als er een Uitlegger is, Eén uit duizend… Die u uw rechte plicht gaat leren. Dan zal Hij hem genadig zijn. Dan zal Hij zeggen: Verlos hem! Dat hij in het verderf niet nederdale. Ik heb verzoening gevonden.


Drie namen noemt Elihu.

Eerst: een Gezant, letterlijk: een engel. Een engel is een gezant, een gezondene, een boodschapper, die een grote afstand overbrugt. Die komt bij je om je de dingen te gaan vertellen, om je die goddelijke boodschap te brengen.

De tweede naam die hij geeft, is ‘Uitlegger’. Uitlegger van dingen die verborgen zijn, dingen die je niet begrijpt. ‘Waaroms’ waar je in vastloopt en geen antwoorden op hebt. Als je alleen maar bange vragen hebt. Maar dan: een Uitlegger, Die het uit gaat leggen, Die het donker op gaat klaren. Eigenlijk staat er: een tolk. En wat doet een tolk? Die gaat het in je eigen woorden zeggen. Die gaat het in jouw eigen taal zeggen, zodat je het verstaat en begrijpt. Zodat het bij je binnenkomt. Want als een boodschapper jouw taal niet spreekt, jouw woorden niet spreekt, wat heb je dan aan die boodschapper? Maar deze Boodschapper, deze Gezant, is een Uitlegger. Is een tolk.

En Hij wordt genoemd: Eén uit duizend. Je vindt Hem niet op iedere hoek van de straat. Heel bijzonder, heel uniek is deze Uitlegger. Nu kunnen de verklaringen verschillen bij deze tekst van vers 23 en 24. Maar voor mij tekent Elihu hier de contouren van Christus, van die dierbare Zaligmaker, van die grote Godsgezant. De Heere Jezus Christus, Die de kloof overbrugt. Die de boodschap van de verzoening schenkt.
 

Calvijn spreekt van Christus als ‘de Ambassadeur van de verzoening.’ Een ambassadeur is een gezant van de koning. Dat is Christus. Hij is die grote Gezant van de levende God, de Ambassadeur van de hemel. En Hij is de Uitlegger Die het verklaart aan je hart, Die de verborgen raad en wil van God gaat uitleggen, als die grote Profeet en Leraar. Hij is die Eén uit duizend.
Hij draagt een Naam boven alle Naam. Bij wie zullen we Hem vergelijken? En Elihu zegt niet alleen van Wie de verlossing komt, maar ook wat die Verlosser dóet. Die Gezant, die Uitlegger, die Eén uit duizend, Hij zal jou, Job, je rechte plicht leren. Om de mens zijn rechte plicht te verkondigen. Wat wordt daarmee bedoeld, met de rechte plicht leren? Daar wordt mee bedoeld, dat deze Gezant, deze Uitlegger, je recht zal zetten voor God. Hij zal je op je rechte plaats brengen voor God. Dat is je rechte plicht. Dat je stil wordt voor God. Dat je je vernedert voor Zijn aangezicht. Hij zal je je rechte plicht leren, o mens. En als je je rechte plaats, je rechte plicht hebt geleerd, dan zal Hij je genadig zijn. Dan zal God je, o zondaar, genadig zijn en Hij zal tot je zeggen: verlos hem, dat hij in het verderf niet nederdale. Ik heb verzoening gevonden.

 

Dus waar de mens zijn rechte plicht leert, waar de mens buigt als een boeteling voor God, daar krijgt die Gezant, die Uitlegger, Eén uit duizend de opdracht: Verlos hem, dat hij niet neerdaalt in het verderf. En waarom niet? Want Ik heb verzoening gevonden. Verzoening. Er staat eigenlijk: losprijs gevonden. Ik heb het rantsoen, de losprijs gevonden. In de King James Bijbel staat het er mooier, vind ik: I have found a ransom. Een losprijs, een prijs die wordt betaald voor een slaaf. Een gebondene. Een gegijzelde. Een gevangene. De prijs is betaald. Verlos hem.
Dan mag het licht van het Nieuwe Testament hierover schijnen, gemeente. Dan zien we hier het werk Gods in de Heere Jezus Christus. Christus heeft de losprijs betaald. Gods eer en recht is hersteld. Christus heeft Zijn ziel gegeven tot een rantsoen, tot een losprijs en verzoening. Omdat Hij zich overgaf tot in de dood, kan God zeggen: Ik heb – in Mijn Christus – verzoening gevonden. Daarom kan die zondaar niet verloren gaan en mág die zondaar niet verzinken in het verderf. Dan zal Ik hem genadig zijn. Dat is Elihu’s Evangelieboodschap geworden. Toen voor Job en nu voor ons. Verlossing. Goddelijke verlossing. Want er is verzoening gevonden.

 

Beginnen we de boodschap van Elihu tot Job te begrijpen, gemeente? Job, leer je rechte plicht! Je hebt een Gezant, die Uitlegger, Eén uit duizend nodig. Jouw zelfverdediging, Job, houdt geen stand! Leer je rechte plicht te doen. Geef het aan God over. Werp je aan Zijn voeten. Hij zal je genadig zijn, want er is een losprijs betaald. Er is verzoening in het bloed en offer van de Heere Jezus Christus. Elihu heeft Job proberen te bewegen. Hij was een kleine gezant en een kleine uitlegger. Maar hij wijst op die grote Gezant en op die grote Uitlegger. Er is verzoening.
Gemeente, dat was de weg voor Job en dat is ook voor u en jou en mij de Weg. Verzoening. God biedt die verzoening aan in de prediking van het Evangelie. Hij zegt: ‘Jongen, meisje, man, vrouw. Laat u met God verzoenen. Er is een losprijs. Er is zaligheid voor de grootste van de zondaren.’
Verzoening. Zou je het niet goed willen hebben tussen God en je hart? Zou je geen vrede willen hebben in al je strijd, in al je moeite? In al je nood en verlorenheid? O, strijd dan niet langer tegen God, want je staat jezelf in de weg. Doet Hij het dan zo verkeerd in uw leven, in jouw leven? Er is een Gezant, een Uitlegger. Hij wil ons, mensen, onze rechte plicht leren. Dat we buigen met de tollenaar. Dat we bidden: O God, wees mij de zondaar toch genadig (Luk. 18:13). Dat gebeurt als God je naar binnen laat kijken bij jezelf. Als Hij je af doet dalen in de put van je eigen schuld en verlorenheid. Dan vinden we niets meer om ons op te beroemen. Dan vinden we niets meer om ons te verzoenen. Dan moet er een losprijs komen. Is er nog een weg? Is er nog een middel?

 

Wat een wonder, als die Gezant gaat komen. Als die Uitlegger gaat spreken. Als die Eén uit duizend je als klein verloren mensje je die rechte plaats gaat leren. Als Hij naar je hart gaat spreken. Als God gaat zeggen: Ik zal hem genadig zijn. Verlos hem, dat hij in het verderf niet nederdale, Ik heb verzoening gevonden. Niet in je tranen, niet in je gebeden, niet in je bekeringen. Maar in Jezus. In Zijn bloed en in Zijn offer.
Wat een Gezant, wat een Uitlegger is Jezus. Hij is die Tolk, die twee talen spreekt, die Hemeltolk. Hij spreekt de taal van God en Hij spreekt de taal van de mens. Want Hij is niet alleen God, waarachtig God. Maar Hij is ook geworden waarachtig mens. Hij kan Zijn hand op God leggen en Hij kan Zijn hand op een mens leggen. Zo verloren als je bent. Hij kent de taal van je hart en die bange vragen van je hart. Hij is die Hemeltolk, die Uitlegger, die van God gezonden Jezus, Die naar je hart gaat spreken. O, zalig om Zijn stem te horen. Want Hij praat het niet alleen goed, Hij máákt het ook goed! Hij heeft de losprijs betaald. Zo wordt Sion door recht verlost, en haar wederkerenden door gerechtigheid (Jes. 1:27). Er is verzoening gevonden. Dan gaan een heilig God en een verloren zondaar, dan gaan God en die zondaar, rusten in diezelfde verzoening. In diezelfde losprijs. Het werk van Christus, op Golgotha volbracht.

 

Zo wordt de strik gebroken. Zo gaan de deuren van de troost voor het hart, open. Dat is voor Job ook gebeurd. Toen ging zijn hand op zijn mond. Toen had hij berouw in stof en as (Job 42:6). Maar wat een verlossing. Hij daalde niet neer in het verderf en de ondergang. Zo leert God ons om ons kruisje te dragen. Want wat is mijn kruis in vergelijking met Zijn kruis? Wat is mijn smart in vergelijking met Zijn smart? Die ene moordenaar daar op Golgotha, die leerde deze dingen. Die rechte plaats. Wij lijden toch rechtvaardig, want wij ontvangen straf, waardig hetgeen wij gedaan hebben; maar Deze heeft niets onbehoorlijks gedaan (Luk. 23:41). Het was op het nippertje, maar hij was daar wel op die rechte plaats. En wat was barmhartigheid toen dichtbij. Heden zult gij met Mij in het paradijs zijn (Luk. 23:43). Verlos hem, dat hij in het verderf niet nederdale. Ik heb de losprijs, Ik heb verzoening gevonden.

 

Amen.

 

            Looft, looft den Heer der legerscharen,

            O volken, heft een lofzang aan;

            Hij wil ons in het leven sparen,

            Ons hoeden op de steilste paân,

            Voor wank’len onzen voet bevrijden.

            Gij hebt ons voor een tijd bedroefd,

            En ons gelouterd door het lijden,

            Gelijk het zilver wordt beproefd.