Ds. L. Huisman - Exodus 16 : 7

Het Brood der heerlijkheid

Exodus 16
Als een wonder van Gods almacht
Als een wonder van Gods liefde

Exodus 16 : 7

Exodus 16
7
En morgen, dan zult gij des HEEREN heerlijkheid zien, dewijl Hij uw murmureringen tegen den HEERE gehoord heeft; want wat zijn wij, dat gij tegen ons murmureert?

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 81: 1-12
Lezen : Exodus 16: 1-19
Zingen : Psalm 78: 12-13
Zingen : Psalm 105: 22-24
Zingen : Psalm 75:1

Geliefden, het Woord van God, dat wij u op deze laatste adventsmorgen voor het kerstfeest willen prediken, vindt u in Exodus 16:7a:

 

En morgen, dan zult gij des Heeren heerlijkheid zien.

 

Deze tekst spreekt ons van het Brood der heerlijkheid.

  1. Als een wonder van Gods almacht;
  2. Als een wonder van Gods liefde.

 

1. Als een wonder van Gods almacht

Israël heeft zojuist in een klein stukje paradijs, midden in de woestijn, adem mogen scheppen. Zij hebben opnieuw de lof des Heeren gezongen. Maar Israël moest verder. Niet Elim was de eindbestemming, maar Kanaän. Daarom zet de grote karavaan zich weer in beweging en laten ze de zilveren beekjes en de zacht ruisende palmen van Elim weer achter zich. Daar is het goed geweest. Daar hebben ze in het bijzonder Mozes en Aäron geprezen als kundige leidslieden. Zij hadden het volk in zo’n heerlijk oord weten te brengen na een vermoeiende reis door de woestijn Sur.

Voort trekken ze nu, een andere woestijn in, de woestijn Sin. Een woestijn die beslist niet beter of vrolijker of herbergzamer is dan de woestijn waar ze vóór Elim doorgetrokken zijn. Nee, ook de woestijn Sin is een van die harde, onherbergzame streken van de wereld, waar geen dauw of regen valt, waar stekende doorns en pijnlijke distels groeien, waar geen enkele vrolijkheid of vriendelijkheid bij een waterstroom of bij een vruchtbare landstreek te vinden is.

Op weg naar Sinaï trekt het volk dus door die woestijn Sin. Nadat ze enige tijd Elim verlaten hebben, gaat er een gemompel door de schare. Ze denken terug aan dat kostelijke Elim, waar ze zo genoten hebben, waar ze allemaal uitgerust zijn, waar ze zo hartelijk gezongen hebben en waar ze allemaal zo goed met elkaar waren. Er komt een omslag onder het volk!

De oversten van het volk komen bij elkaar. Er worden geheimzinnige vergaderingen gehouden en men ziet alleen strakke gezichten. Wat is er aan de hand? De een zegt het, een ander bevestigt het, en de aanvoerders durven het ten slotte niet meer te ontkennen: er is geen eten meer…. 

Daar had Israël totaal niet op gerekend. Bij de uittocht uit Egypte hadden ze immers genoeg brood en meel meegenomen. Wie had dat nu kunnen denken? Het is al ongeveer een maand na de uittocht. Wie had nu kunnen denken dat ze een maand door de woestijn zouden zwerven? Dat ze er een maand over zouden doen om van Egypte in het beloofde land te komen? Het was toch maar een eindje? Nou ja, ze hadden wel veel kinderen bij zich en vee, maar toch … Al loop je erg langzaam en al heb je met allerlei moeilijkheden te kampen, dan nog kan het nooit een maand duren. Zo hebben ze in het begin gedacht.

 

Maar het schijnt dat Gods wegen ook nu weer anders zijn dan de wegen van de mens, anders dan de wegen van Zijn volk. Men zit er dan toch maar mee in die woestijn Sin: het brood is op! Er is geen voedsel meer. En weer komt de dood op hen af. Eerst bij de Schelfzee door het gewette zwaard van de farao. Daarna in die vorige woestijn door de dorst. Ze hadden zich begerig gestort hadden op de wateren van Mara, maar die wateren bleken alleen maar bitter te zijn.

En dan nu de dood door honger. Honger is een scherp zwaard. De verslagenen van het zwaard, staat er ergens in de Bijbel, zijn gelukkiger dan de verslagenen van de honger. Dat wil zeggen, dat wie de hongerdood sterft een pijnlijke en smartelijke dood sterft. Het is beter door het zwaard te sterven dan door de honger. Deze vijand komt op hen af, ja, hij is al midden onder hen. Ze hadden wel eten meegenomen, maar niet zoveel dat ze zelfs na een maand nog genoeg op voorraad hadden. Het voedsel is op! Het was ook zo’n grote schare, bijna niet tellen. Meer dan een half miljoen mannen, en dan al de vrouwen en kinderen nog. Natuurlijk hebben ze gedacht aan het vee dat ze hebben meegenomen. Maar alles wat geslacht kon worden, is nu op.

 

Zoals op een zwoele zomeravond de lucht geladen is, zo is nu ook de stemming onder het volk. Heet is als een onweer dat je aan voelt komen vóórdat je iets van de donderslagen en bliksemstralen merkt. Zo begon het ook te broeden en te gisten onder het volk. Ten slotte zijn er een paar schreeuwers, die het juiste woord weten te vinden. Die dringen zich naar voren en de rest volgt dan natuurlijk wel. Hoor maar eens.

Argumenten hebben ze genoeg, want zulke redenaars weten listig bepaalde feiten bij elkaar te brengen en zijn goed in het verzwijgen van andere. Oproerkraaiers en revolutionairen verstaan de kunst bepaalde feiten alle nadruk te geven en alleen dat te zeggen wat in hun kraam te pas komt. Dan komt de schare wel achter hen aan. Zo is het ook hier. De hele vergadering murmureerde tegen Mozes en Aäron in de woestijn.

U moet eens horen welke argumenten ze aandragen. Ze zeiden tegen Mozes en Aäron: Och, dat we in Egypteland gestorven waren door de hand des Heeren. Hoort u wat een vrome mensen het zijn? Door de hand des Heeren. Ze bedoelen waarschijnlijk met dit door de hand des Heeren: waren we maar gewoon van ouderdom gestorven. Niet door de honger of door het zwaard of hoe dan ook, maar hadden we toch maar gewoon onze tijd kunnen uitleven, totdat de Heere de tijd rijp vond om ons uit deze wereld weg te nemen. Dat we in Egypteland gestorven waren. Dat onze slavernij – nee, dat zeggen ze natuurlijk niet, maar dat zit er wel aan vast – dat onze slavernij maar geduurd had tot aan onze dood toe! Dat we in Egypteland gestorven waren door de hand des Heeren. Dat moet het goed maken: door de hand des Heeren.

 

Het zijn echt wel mensen die aan de Heere denken en die geloven dat ons leven in Gods hand is. Deze vrome woorden moeten daarom de pil vergulden die volgt. Want dan zeggen ze: Toen we bij de vleespotten zaten, toen we tot verzadiging brood aten! Hoort u het? Ze zeggen: Want in Egypte hadden we het goed; daar hadden we vleespotten en korven vol brood. Wat hebben ze het daar goed gehad. In Egypte was brood en daar was vlees.

Maar wat ze niet vertellen – en dat was er ook – ze vertellen niet van de zweep en niet van de Nijl. Ze vertellen niet van de ijzeren bakovens, waar ze tussenzaten en waar ze vermagerden onder de zweep van de drijver. Daar moesten ze stenen leveren en zelf het stro gaan zoeken, totdat ze kreunden en kermden en geen raad meer wisten. Daar moesten ze met hun eigen handen hun zonen overgeven om gedood te worden in de Nijl. Dát zeggen ze niet!

 

Ongeloof is altijd onredelijk, ook in haar zogenaamde redelijkheid. Het was redelijk, zou je zeggen, want ze hadden daar brood en vlees; dat is waar, dat kan niemand ontkennen. Maar dat argument wordt onredelijk als u ziet onder welke omstandigheden ze dat vlees en dat brood hebben gegeten. Ze hebben het al stervende ontvangen. Ze hebben het gehad, terwijl ze uitgebuit werden door de Egyptenaren en uitgeteerd raakten. Ze hebben het gehad op het moment dat de kracht van hun volk vernietigd werd door het water van de Nijl. Dát waren de werkelijke omstandigheden. Maar dat verzwegen ze. Het ongeloof denkt altijd dat het met de feiten uit het verleden God schaakmat kan zetten. Maar het ongeloof liegt altijd, omdat het ongeloof alles uit het juiste verband trekt.

Dan worden het redenen om niet alleen tegen Mozes en Aäron, maar in feite tegen God Zelf te strijden. Dan worden alle wonderen van God genegeerd. Op dat moment denken ze ineens niet meer aan de wonderlijke uittocht. Ze denken niet meer aan dat het vergaan van de Egyptische paarden en wagens in de Schelfzee. Ze denken niet meer aan het water dat op Gods bevel van bitter zoet geworden is en ze denken zelfs niet meer aan het schone Elim, waar ze zojuist voor enige tijd op adem mochten komen.

 

Nee, Mozes en Aäron moeten het ontgelden. Luister maar naar wat ze verder aanvoeren. Want gijlieden hebt ons uitgeleid in deze woestijn om deze ganse gemeente door de honger te doden. Het was toch wel schandalig om dit bittere verwijt, deze pijl van laster te schieten naar het hart van Mozes en Aäron. Ze zeggen: Weten jullie wel waar het jullie om te doen is? Het is jullie te doen om de dood van ons allemaal! Jullie willen ons dood hebben door de honger in deze woestijn. Dat zijn de argumenten die ze aanvoeren.

Arme Mozes, arme Aäron. Wat moet je in een woestijn zo’n volk te eten geven? Hoe moet je hier redding brengen? Het speurend oog zou misschien hier of daar nog een beek, een bron, of een fontein in de woestijn kunnen ontdekken; dat komt meer voor. Maar brood groeit er niet in de woestijn Sin, dat is zeker. En deze mensen zijn alleen met brood te kalmeren. Waar moet Mozes dat nu vandaan halen?

Ook Mozes weet het niet. Ook Mozes loopt vast met de leiding die hij heeft over het volk van de Heere. Voor Mozes blijft er hier maar één plaats over; ook hij kan niet helpen. Elke oplossing die hij hier aan de hand zou doen, stelt niets voor. Mozes moet het hier helemaal van de Heere alléén hebben.

Maar nu komt de Heere ook! Hij hoort hem! Het staat hier niet uitdrukkelijk, zoals de vorige keer toen de kinderen Israëls murmureerden over het bittere water, dat hij tot de Heere geroepen heeft. Misschien is het hier wel zó geweest dat de Heere hem gehoord heeft vóór hij riep. Misschien was hij wel zo moedeloos over de ontrouw en de opstand van het volk, dat hij niet durfde naderen tot God om te vragen of Hij het in Zijn goedgunstigheid nog voedsel wilde geven. Het is best mogelijk. Dan blinkt de trouw van de Heere nog schoner over Mozes en het volk.

God gaat namelijk aan dit volk, aan Mozes en Aäron, bekendmaken dat zij de heerlijkheid des Heeren zullen zien: En morgen, dan zult gij des Heeren heerlijkheid zien.

Dat was een wonder van de almacht van God. Hier kon zelfs Mozes niet helpen. Het volk was aan het eind, ze waren vastgelopen, ze hadden geen brood, ze murmureerden, ze waren in opstand tegen God. En Mozes durfde misschien niet eens tot God naderen. Hij kon niet helpen.

En toen kwam God. Toen liet God de heerlijkheid des Heeren neerdalen. Toen gaf God brood. En dat brood is sacrament van hét Brood des levens, van de Heere Jezus Christus. Dat heeft Jezus Zelf gezegd, toen Hij op de aarde wandelde te midden van Zijn volk: Uw vaders hebben het manna gegeten in de woestijn en ze zijn gestorven (Joh 6:49).

Dat brood in de woestijn was een sacrament, een afschijnsel van de heerlijkheid des Heeren. Maar Ík ben, zegt Christus, het levende Brood, het verborgen Manna. Wie dit Brood eet, wie deze heerlijkheid des Heeren aanschouwt, zal in der eeuwigheid niet meer hongeren.

 

Gemeente, kijk nu eens in welke situatie God dat hemels brood heeft doen nederdalen. Wij zijn op weg naar het kerstfeest en we gaan het Kerstgebeuren weer overdenken. Kom, ik wil het proberen aan uw hart te leggen. Breng deze situatie eens over op uw eigen leven. Bent u er klaar voor om Kerstfeest te vieren? Nu ja, zegt u, wel aardig; mijn huis en alles wat er zo te doen is voor de kerst heb ik geregeld of ben ik aan het regelen.

Goed, dat neem ik aan. En verder, in uw hart? Is het in uw hart zo dat u bereid bent om Hem te ontvangen, die als de heerlijkheid des Heeren in de woestijn van deze wereld gekomen is? Is er een onstuimig verlangen in uw ziel naar de levende God? Is al het andere eten op? Begeert u alleen dit levende Brood? En smeekt u het van uw God, Die het u alleen geven kan? Is uw ziel zo teer dat u het de dichter nazegt: ‘Mijn ziel, vol angst en zorgen, wacht sterker op de Heer', dan wachters op de morgen; de morgen, ach wanneer?’

Het zou toch kunnen zijn dat het niet zo is... Het kan toch dat u zou opschrikken als ik u vroeg: Is uw levenshuis al ingericht om het hemels Brood te ontvangen? Is uw hart al zo verootmoedigd door de genade van God, dat Christus plaats kan nemen in uw leven? Het zou toch kunnen dat de schrik u om het hart slaat en dat u moet zeggen: Om eerlijk te zijn, daar heb ik nog niet zo aan gedacht. Ik ben zo vol van deze of die omstandigheid… en er is zoveel in mijn gezin en in mijn leven! Er is zoveel in mijn hart en op mijn werk, tussen mij en mijn kinderen, tussen mij en mijn vrouw, tussen mij en mijn familie, ik lig helemaal overhoop. In plaats van te bidden, voel ik me soms zeer opstandig. En als ik aan het Kerstfeest denk, ben ik dikwijls meer moedeloos dan hartelijk verheugd.

 

Welnu, gemeente, kijk dan nog eens naar deze geschiedenis. Misschien hoort u wel bij die mensen die het tegenloopt in de woestijn van dit leven. Dat het zó tegenloopt dat u zelfs de vorige goedertierenheden Gods niet eens meer bemerkt. Dat het zó tegenloopt, dat u een doortocht door de Rode Zee, een verandering van bitter in zoet water, een neerzitten bij waterfonteinen en palmbomen allemaal niets is. Of, misschien moet ik het voor sommigen of voor de kinderen nog duidelijker zeggen. Misschien bent u door uw tegenwoordige ellende wel zóver van het heilspoor af dat u zegt: Nu, ik geloof toch echt niet dat de Heere voor mij het Kerstfeest heeft ingesteld, en dat ik enige reden heb om met blijdschap Zijn komst in mijn hart af te wachten. Misschien voelt u in uw hart wel opstand, net als het volk Israël dat murmureert. En misschien gaat u allerlei bittere verwijten uiten, tegen… nu ja, nog niet rechtstreeks tegen God; dat durft u evenals als dit volk misschien nog niet.

Ze gebruiken nog wel een paar vrome woorden, maar de diepe grond van al hun argumenten is toch vijandschap tegen God. En misschien is dat bij u ook wel zo. O, kom er nu eens eerlijk mee voor de dag, voordat het Kerstfeest wordt. Zeg het nu eens eerlijk tegen God. U hebt misschien al twintig keer het Kerstfeest meegemaakt, zonder dat u in verwondering bij de kribbe bent neergeknield en zonder dat u ooit dit Kind in de armen van uw geloof ontvangen hebt. Laat het dan nu eens anders worden onder de zegen van God. Laat daartoe uw hart eens ontdekken.

Ach nee, u behoeft niet beter te zijn dan dit trouweloze volk om de heerlijkheid des Heeren te zien. Want trouweloos waren ze. Ja toch? Dat bent u wel met me eens. In opstand tegen God. Ze geloofden het allemaal niet meer. En sommigen hoorde ik zeggen: ‘Voor mij hoeft het ook niet meer, want we gaan toch allemaal dood in de woestijn.’ Ach, ik hoor wel eens meer van die moedeloze kreten: wat baat het je allemaal, al dat zitten in de kerk, al dat lezen in je Bijbel? Voor mij hoeft het allemaal niet meer. Ik heb het al zo lang gedaan en het zegt me allemaal zo weinig.

Maar bent u het dan vergeten, bent u dan werkelijk vergeten wat God hiervóór gedaan heeft? Hoe Hij Zijn wonderen verheerlijkt heeft van geslacht tot geslacht? Hoe Hij voor al degenen die in de nood tot Hem gevlucht zijn, altijd hun Redder is geweest? Bent u vergeten hoe Hij de eenzame heeft opgezocht en de hongerige gevoed, de naakte gekleed en de blinde het gezicht heeft gegeven? Bent u vergeten dat Hij van Zichzelf getuigd heeft dat Hij onze krankheden op Zich genomen heeft en onze smarten gedragen heeft? Hij is waarachtig Dezelfde!

Misschien zegt u: ‘Ja, maar het ís toch gewoon zo, we hádden daar toch vlees en we hadden er toch brood?’ Goed, dat is waar, in de wereld had u dat, maar had u er vrede bij? Hoorde u toen bij het volk van God? Kermt u nu omdat u onder het kruis van Christus gekomen bent en de weg niet meer weet? Luister dan naar het antwoord dat God geeft. Hij zegt tegen Mozes en Aäron en tegen al de kinderen van Israël, ook tegen die grote schreeuwers, ook tegen die openbare oproerkraaiers en tegen al de kinderen van Israël: Aan de avond, dan zult u weten dat u de Heere uit Egypteland uitgeleid heeft; en morgen, dan zult gij des Heeren heerlijkheid zien.

 

Zo, zó zou God het doen. ‘s Avonds zouden ze er een voorproef van krijgen in de kwakkelen, de patrijzen, waarvan ze mochten eten tot verzadiging toe. En tegen de morgen zouden ze het hemels brood ontvangen en daarmee zou de Heere hen voeden totdat ze in Kanaän waren. Daarom is het wonder van de morgen nog groter dan het wonder van de avond.

We zien nu dat er toch nog een onderstroom van geloof is in het midden van het volk, want als Mozes hun deze belofte geeft, zwijgen ze stil en gaan ze verlangend uitzien naar de avond. De atheïst is niet meer te troosten, die is niet meer terug te brengen, die spuwt op al Gods beloften. Maar zover is dit volk nog niet. Ze hebben wel luid gemurmureerd, maar als Mozes hun geklaag stilt met het Woord van God, dan is er tóch iets waardoor ze God niet verder durven tegen te spreken. Dan wachten ze op de Heere.

Als het dan avond is, zien ze een wolk aankomen. Nee, geen regenwolk, het is een vleeswolk. God liet het vlees neerdalen in het leger: kwakkelen, een soort patrijzen, een ronde vlezige vogel. Bij duizenden strijken de moede dieren neer binnen het leger van Israël. De Israëlieten grijpen ze en plukken de vogels. Ze maken ze schoon en ze eten van het vlees en met gevulde magen mogen ze gaan slapen, totdat de volgende morgen het grote wonder, de heerlijkheid des Heeren, zal neerdalen.

 

Als het morgen wordt en de Israëlieten hun tenten openen en als de dauw optrekt, dan zien ze het: buiten het tentenkamp ligt een wit kleed, bestaande uit kleine korreltjes, net korianderzaad. Ze proeven het, het smaakt als honingkoeken. En ze zeggen: Wat is dat? Man noemen ze het. Ja, zegt Mozes, dat is de heerlijkheid des Heeren! Dit is het Brood, dat God uit de hemel voor u doet neerdalen. En dan geeft de Heere er het voorschrift bij. Ze moeten dat brood verzamelen, elke dag weer opnieuw. Ze moeten dat brood bereiden en van dat brood mogen ze leven, totdat ze in Kanaän aankomen, in het land vloeiende van melk en honing. Zo verwekt Gods almacht over dit murmurerende volk een broodregen. Dat is de heerlijkheid des Heeren.

Welnu geliefden, dat is het geloofsgeheim van ons kerstgebeuren. Dat manna is een voorbeeld van het hemelse Manna, dat God in de kerstnacht heeft doen neerdalen op een volk dat het niet meer verwachtte. O zeker, het was tóch nog het volk van God, hoe weinig er ook waren, die werkelijk de Heere vreesden. Er was toch nog een onderstroom, een Simeon, een Anna, en er waren mensen in het gebergte van Judea, die verblijd waren over al het wonderlijke dat ze gehoord hadden over de komende geboorte van Johannes. Er waren toch nog wat herders die de Heere verwachtten. Maar als volk, nee, als volk hebben ze Hem niet met open armen verwacht. Daarom was er voor Hem zelfs geen plaats in de herberg.

Daar in de woestijn heeft God geen biddende monden, maar mopperende en scheldende monden gestild, verzadigd met hemelspijs. Dat is een wonder van Gods almacht. God liet dat manna in de woestíjn neerdalen. U weet dat in de woestijn geen koren groeit. Daar kan geen koren groeien, in die dorre woestijn kan geen levensbrood groeien. God heeft het toch gedaan. Zo is het ook wat wij gaan herdenken op het Kerstfeest.

 

De wereld, uw en mijn hart, is aan de woestijn gelijk. Er is geen voedsel, er kan geen koren groeien. Weet u dat? Bent u daarvan overtuigd, dat als u echt kerstfeest gaat vieren, u dan deel zal hebben aan het wonder dat God iets doet wat u niet verdient? God stopt monden van mensen, die hun mond met revolutionaire taal en verdraaiing van feiten, met vloeken en lasteren tegen Hem geopend hebben! God voedt hongerigen die het niet van Hem verwachten! Gelooft u dat? Of denkt u bij uzelf: Wat baat het me dat ik hier in de kerk zit? Mijn oordeel zal er alleen maar zwaarder om worden, als God me niet verkoren heeft... Daar heb je nu die gemene taal van het ongeloof! Dat woelt maar al te veel in het hart van ons, murmurerende mensen.

En nu komt God en die zegt: Morgen, op het Kerstfeest, zul je des Heeren heerlijkheid zien. Dan zal God door Zijn almachtige kracht voedsel geven aan hen die het niet verdiend hebben. Dat is nu het geheim van het Kerstfeest. Dat is nu het grote wonder, dat altijd weer bewonderd wordt door allen die van dat verborgen Manna mogen proeven. Dan is het Kerstfeest geen gezelligheidsfeest, dan gaat dit feest niet op in wat uitwendigheden, maar dan is het voor ons het feest van het wonder dat God brood gegeven heeft in de woestijn. Hij heeft leven gegeven in de dood. Hij heeft met Zijn licht geschenen heeft in de duisternis. Hij heeft Zijn genade gepredikt aan hen die zondaren zijn. Hij heeft mij, míj bezocht, terwijl ik er geen recht op had, terwijl mijn mond en hart vervuld waren met argumenten tegen Hem en de ‘waaroms’ naar de hemel geslingerd werden.

Toen gaf God brood! Hebt u dat weleens beleefd? Dat is wat verwachting wekt. Dat is waardoor u ook verwachting mag koesteren - u die uzelf leerde kennen als een Lo-Ammi, níet Mijn volk; als een Lo-Ruchama, een níet ontfermde.

Dan mag u verwachting hebben, als u dit aan God belijdt, als u uw leven zo ziet in het licht van de ontdekking van de Heilige Geest. Dan zal God op het Kerstfeest, morgen en ook vandaag al zeggen: Ammi, Ruchama – Ik zal Mij weer over u ontfermen, Mijn volk! Dan mag u zeggen: O mijn God.

Laten we samen zingen uit Psalm 105, de verzen 22 en 24.

 

Zij werden daag'lijks begenadigd:

Met manna, hemels brood, verzadigd.

Gods hand bracht, in dat dorre oord,

Rivieren uit een steenrots voort.

Hij dacht aan 't geen Hij aan Zijn knecht,

Aan Abraham, had toegezegd.

 

Die gunst heeft God Zijn volk bewezen,

Opdat het altoos Hem zou vrezen,

Zijn wet betrachten, en voortaan

Volstandig op Zijn wegen gaan.

Men roem' dan d' Oppermajesteit

Om zoveel gunst, in eeuwigheid.

 

2. Als een wonder van Gods liefde

Het is ook een groot wonder van Gods liefde. Hij legt het brood in de monden van hen die Hem lasteren. Er staat: dewijl Hij uw murmureringen tegen de Heere gehoord heeft. Je zou haast zeggen dat er behoort te staan: Ondanks dat Hij uw murmureringen tegen de Heere gehoord heeft. Maar nee, er staat: dewijl [omdat] Hij uw murmureringen tegen de Heere gehoord heeft.

Dus God heeft uw gemurmureer gehoord en daarom zal Hij u brood geven. God heeft uw zonde gezien en daarom zal Hij u genezen. God heeft uw ontrouw gepeild en daarom zal Hij u trouw zijn. Ach, hier is alle logica zoek. Hier is alle verband dat u zou willen leggen tussen geschiktheid en tussen de gaven voor altijd weg. Hier is niets dan een kloof, die door niemand en niets te overbruggen is dan door God alleen.

En dat doet God nu in Zijn eeuwige liefde. Dit manna geeft God als voorsmaak van het levende Brood. De heerlijkheid des Heeren is de heerlijkheid die de herders omscheen, toen de engelen hun de boodschap van Christus’ geboorte brachten. ‘U is heden geboren de Zaligmaker, Jezus Christus, de Heere. Gij zult het Kindeke vinden in doeken gewonden en liggende in de kribbe’ – als een wonder van Gods liefde.

 

Waarom doet de Heere dat? Ach, Hij heeft Zijn volk verkoren. Hij heeft een verbond gemaakt met dat volk en Hij heeft beloofd dat Hij hen in Kanaän zou brengen. En ondanks al hun opstand houdt Hij Woord. Hij zegt het hier in het begin van het hoofdstuk: en dan zal Ik hen beproeven of ze in Mijn wet gaan.

Toen zeide de Heere tot Mozes: zie, Ik zal voor ulieden brood uit de hemel regenen; en het volk zal uitgaan en verzamelen elke dagmaat op haar dag, opdat Ik het verzoeke, of het in Mijn wet ga, of niet.

Daarom gaf de Heere brood. Daarom laat Hij het ook Kerstfeest worden om u te beproeven of u in Zijn wet zal gaan. Of Zijn inzettingen u lief zijn. Of Zijn dienst u een liefdedienst geworden is. Daarom gaan we naar het Kerstfeest, en daarom mogen we weten dat God Zijn Zoon gezonden heeft. Daarom is Hij gekomen in de gestalte van een Dienstknecht, opdat we in Zijn wet zouden gaan, opdat we naar de regel van de dankbaarheid ons leven voor God zouden leven. Of niet...!

 

Ja, dat blijkt telkens weer opnieuw. Het blijkt dat veel mensen het aardse manna gegeten hebben en toch geen deelgehad hebben aan dat hemelse Manna. Het aardse manna is echter vergankelijk, want het is slechts een afspiegeling van het ware Brood des hemels.

Zo is het ook nu.  Velen vieren met ons het Kerstfeest en overdenken dat Jezus Christus in de wereld gekomen is om het verlorene te zoeken. En toch zullen ze verloren gaan, omdat ze met hun ziel niet de zoetheid geproefd hebben van dit hemelse Brood en omdat ze niet naar Gods wet hebben geleefd.

Maar geheel anders is het met hen die bij het Kerstfeest sprakeloos gestaan hebben over Gods liefde. Die gezegd hebben: ‘O God, dat klopt toch niet. En morgen zult gij des Heeren heerlijkheid zien, dewijl Hij Uw murmureringen tegen de Heere gehoord heeft. Dat moet toch zijn: Morgen zult gij het oordeel ontmoeten! Morgen zal de nacht zich over u uitstrekken. Morgen zal de duisternis u voor eeuwig bedekken, omdat Hij uw gemurmureer tegen de Heere gehoord heeft. Dat is toch logisch? Zo hoort het toch? Niemand kan dat toch tegenspreken? Maar kijk, Kerstfeest is het feest van de verwondering over de liefde Gods.

 

Mozes heeft gezegd: Zo ga nu Heere in het midden van ons, want dit is een hardnekkig volk (Ex.34:9). En de dichter van de psalm heeft ervan uitgeroepen: Vergeef mijn overtreding, want die is groot. Zo ook hier: Heere, laat het Kerstfeest worden, omdat mijn gemurmureer tegen U door U gehoord is. Gebruik zo eens je zonde, gebruik zo je geesteloosheid, gebruik zo al de ellende van je verloren leven. Stal zo de nacht van je verloren bestaan eens voor God uit. Gebruik ook dat ‘dewijl’, dat ‘omdat ‘. U mág het! God leg het u op de lippen om te zeggen: Vader, Vader van Jezus Christus, barmhartige God in de hemel, zie in ontferming op me neer. Laat het Kerstfeest voor me worden, omdat Gij gezien hebt dat ik een zondaar ben! En dan, dan zult u het zien: morgen, mórgen dan zult ge des Heeren heerlijkheid zien.

Amen.

 

Slotzang: Psalm 75:1

 

U alleen, U loven wij;

Ja wij loven U, o HEER;

Want Uw naam, zo rijk van eer,

Is tot onze vreugd nabij;

Dies vertelt men in ons land,

Al de wond'ren Uwer hand.