Ds. J. Driessen - Hooglied 2 : 8

Onderwerp

de adventsvreugde van de bruid over de komst van de Bruidegom.
zij hoort het woord van de Bruidegom
zij ziet de kracht van de Bruidegom

Hooglied 2 : 8

Hooglied 2
8
Dat is de stem mijns Liefsten, ziet Hem, Hij komt, springende op de bergen, huppelende op de heuvelen!

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 89:9
Lezen : Hooglied 2
Zingen : Psalm 42:3, 5, 7
Zingen : Psalm 25:4 en 7
Zingen : Psalm 98:2

Het Schriftwoord dat we vanmorgen met de hulp van de Heere overdenken, kunt u vinden in het gedeelte dat ons is voorgelezen, het Hooglied van Salomo, hoofdstuk 2: 8. We lezen daar het Woord Gods:

 

Dat is de stem mijns Liefsten, ziet Hem, Hij komt, springende op de bergen, huppelende op de heuvelen!

 

Dit Schriftwoord bepaalt ons bij de adventsvreugde van de bruid over de komst van de Bruidegom.

We staan stil bij twee punten:

 

1. zij hoort het woord van de Bruidegom;

2. zij ziet de kracht van de Bruidegom.

 

1. Zij hoort het woord van de Bruidegom

Het verlangen naar de komst van Christus in het vlees vinden we in heel het Oude Testament. Jakob zei op zijn sterfbed: ‘Op Uw zaligheid wacht ik, Heere.’ Van Abraham lezen we in de Schrift dat hij met verheuging heeft verlangd om de dag van Christus te zien. Het volk Israël zei: ‘Zouden Gods beloftenissen immer haar vervulling missen, vrucht'loos worden afgewacht, van geslachte tot geslacht?’ Zouden de herders in Efratha's velden niet gebeden hebben: ‘Och, dat Gij de hemelen scheurdet, dat Ge nederkwaamt, dat de bergen van voor Uw aangezicht vervloten’?

We vinden dit verlangen niet bij alle mensen. De Gadarenen bijvoorbeeld baden dat Jezus uit hun landstreek zou weggaan. Ze hadden meer op met hun rijkdom dan met Jezus. Zo is het nog. Velen hebben liever dat de Christus weggaat dan dat Hij komt. Ze moeten niets hebben van het Evangelie.

 

Maar anders is dat met de bruid uit het Hooglied. Ze verlangt naar de komst van haar Bruidegom en zodra ze Hem hoort, roept ze het uit: ‘Dat is de stem van mijn Liefste!’ U moet weten dat in het Hooglied, het lied der liederen, de liefdesverhouding getekend wordt tussen Christus en Zijn gemeente en zo tussen Hem en iedere gelovige persoonlijk. De gemeenschap met Christus geldt niet alleen de kerk van alle tijden en plaatsen, maar ze moet ook persoonlijk gekend worden door het werk van de Heilige Geest.

 

Nu vinden we in het Hooglied een profetische weergave van het huwelijk tussen Christus en de Zijnen, ontleend aan beelden van het huwelijk tussen Salomo en Sulamiet. Ook in het Nieuwe Testament is het aardse huwelijk beeld van de relatie tussen Christus en Zijn gemeente. Lezen we bijvoorbeeld wat de apostel Paulus schrijft aan de gemeente Efeze: ’Gij mannen, hebt uw eigen vrouwen lief, gelijk ook Christus Zijn gemeente liefgehad heeft en heeft Zichzelf voor haar overgegeven.’ Het geestelijk leven van de Kerk vindt in dit boek Hooglied dus zijn tekening, en daarin wisselen blijdschap en droefheid, gemis en verlangen elkaar af. Het is immers niet altijd blijdschap, ook niet bij de bruid uit het Hooglied.

In de voorgaande verzen zien we haar delen in de liefde van de Bruidegom. Hij voerde haar in het wijnhuis en Zijn liefde was de banier over haar. Maar in onze tekst blijkt dat de Bruidegom is heengegaan; waarom weten we niet. Door de tralies van de vensters van haar huis ziet ze Hem en hoort ze Hem weer terugkomen. Het is deze komst van haar Beminde die haar doet uitroepen: ‘Dat is de stem mijns Liefsten.’

De vreugde over de stem van de Bruidegom is ook de vreugde van Christus' bruid over de komst van de Zaligmaker in deze wereld en Zijn komst in het hart. Jezus Christus, de Zoon van God, heeft een bruid. Die bruid is Hem door de Vader van eeuwigheid geschonken en Hijzelf heeft die bruid gekocht met Zijn dierbaar bloed.

De Heilige Geest, de ware Bruidswerver, heeft die bruid ook bij Hem gebracht, zoals eenmaal Eliëzer Izak zijn bruid bracht. Ja, zegt de Heere niet Zelf tegen Zijn volk: ‘Ik zal u Mijner ondertrouwen in eeuwigheid.’ En Johannes op Patmos zag de Kerk des Heeren als een bruid die voor haar Bruidegom versierd was. En heel het werk van Christus loopt uit op de bruiloft des Lams.

 

Maar nu vergaat het de bruidskerk hier op aarde vaak als de bruid uit het Hooglied. Soms is de hemelse Bruidegom nabij, dan weer is Hij ver weg. Dan wordt Zijn gevoelige tegenwoordigheid gemist. Daar rijst de klacht op: ‘Ga ik voorwaarts, zo is Hij daar niet. Ga ik achterwaarts, zo verneem ik Hem niet.’ Gelukkig is Hij niet alleen een komende, een gaande, maar ook een wederkerende Zaligmaker. Zoals gezegd: de oorzaken van dit heengaan van Jezus kunnen verschillend zijn. Soms is het om de zonde van aardsgezindheid, van wereldgelijkvormigheid, ook wel door een dorheid en dodigheid van het hart. Het kan echter ook zijn om te beproeven of om te onderwijzen. Tot Zijn discipelen zei de Heere: ‘Het is u nut dat Ik wegga, want anders kan de Heilige Geest, de Trooster, niet tot u komen.’

 

Maar nu is in dit alles het opmerkelijke: in alle gemis blijft desondanks de afwezige Christus de Liefste van de bruid. Dat kan ook niet anders, want er is een onverbrekelijke band gelegd tussen Jezus, de Bruidegom, en Zijn bruidskerk. De bruidskerk kent Hem immers in Zijn opzoekende liefde. Zij heeft Hem lief, omdat Hij haar eerst liefgehad heeft. ‘Dat is de stem mijns Liefsten’, roept de bruid. De liefde luistert scherp. De liefde blijft altijd liggen op de bodem van het hart van Gods kinderen. Gods kinderen kunnen in alles bestreden worden. Ze kunnen soms in het donker rondgaan, zelfs weleens als Petrus hun Meester verloochenen, maar nooit kunnen zij ophouden om Hem lief te hebben. Niet dat dit liefhebben altijd beleefd wordt. Wat kunnen er immers ook een inzinkingen zijn. Maar als de Heere komt en als de Heere weer tot het hart spreekt, dan is het: ‘Dat is de stem mijns Liefsten!’ Wat is het een wonder dat Hij tot Zijn zwarte bruidskerk op aarde wil spreken! Van dat wonder heeft de kerk dan ook gezongen: ‘Hoe zoet zijn mij Uw redenen geweest. Geen honing kon het gehemelte beter smaken.’

 

De adventsvreugde van de bruid over de stem van haar Liefste is eigenlijk dezelfde vreugde als in het Paradijs, toen de Heere tot de slang zei: ‘Ik zal vijandschap zetten tussen u en deze vrouw, tussen uw zaad en haar zaad. Datzelve zal u de kop vermorzelen en gij zult het de verzenen vermorzelen.’ Al dadelijk na onze vreselijke afval van God was dat de stem van de Bruidegom. Ook Jakob, hij hoorde die stem toen hij profeteerde: ‘Juda, gij zijt het! U zullen uw broeders loven.’ En de profeet Jesaja hoorde die stem toen hij uitriep: ‘Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven en de heerschappij is op Zijn schouders en men noemt Zijn naam Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader der eeuwigheid, Vredevorst.’ Zo was er adventsvreugde in de harten van de vromen van het Oude Testament, telkens weer als de Heere sprak over de komst van Zijn Zoon. Hoe verlangend zagen dan ook allen uit, al die Israëlieten die gebogen gingen onder hun zonde en schuld, die een Verlosser nodig hadden, die een Zaligmaker nodig hadden. Geen wonder dat er vreugde was bij de ware vromen, toen de profeet Maleachi, de laatste profeet van het Oude Testament, de boodschap van God deed horen: ‘Ziet, Ik zend Mijn Engel, Die voor Mijn aangezicht de weg bereiden zal en snellijk zal tot Zijn tempel komen die Heere die gijlieden zoekt, te weten: de Engel des verbonds aan welke gij lust hebt.’ Zie, dat is de stem mijns Liefsten! De bruid, gemeente, heeft naar die boodschap van God leren luisteren. De bruid heeft oren gekregen om werkelijk te horen, want daar moeten we immers oren voor krijgen.

Van nature zijn onze oren gesloten, doof voor het Evangelie der genade. Waar geen zondenood is, waar we niet ontdekt zijn aan onze nameloze verlorenheid, waar we niet zaligmakend overtuigd zijn van zonde, gerechtigheid en oordeel – daar heeft het evangelie van advent geen enkele bekoring. Dan gaat de boodschap van Gods genade in feite langs ons heen. Maar dan missen we ook de adventsvreugde die die bruid mocht kennen. Dan missen we de blijdschap dat God in Christus een weg tot zaligheid ontsloten heeft voor doemwaardige zondaren. Dan missen we de vreugde van het met God verzoend zijn door het werk van Zijn Zoon. Zoals gezegd: alleen de bruidskerk hoort de stem van haar Liefste en zij neemt die stem ook ter harte.

 

Velen horen nog wel naar het Evangelie, maar ze nemen het niet ter harte! Hebben de Farizeeën en de Schriftgeleerden de boodschap van de profetie ter harte genomen? Nee, want dan hadden ze geloofd dat het Kind dat in Bethlehem geboren was, de beloofde Messias was. Dan hadden ze gezegd, toen de wijzen uit het Oosten kwamen die vroegen naar de geboren Koning der Joden: ‘Dat is de stem mijns Liefste!’ Heeft het Joodse volk die boodschap van de Heere ter harte genomen? Nee, ook zij niet, want dan hadden ze de Heere Jezus niet verworpen. Dan zouden ze in Hem geloofd hebben. Ze waren blind voor de vervulling van Gods beloften in de Heere Jezus Christus.

 

De adventsvreugde werd het deel van Jozef en Maria, toen de engel Gabriël kwam met de boodschap van de komst van de Zaligmaker. De wijzen uit het Oosten, maar ook de oude Simeon en Anna hebben de stem van hun Liefste gehoord in de verschijning van de engel of in een andere openbaring van God. Met welk een vreugde zijn de herders naar de kribbe van Bethlehem gegaan! Welk een vreugde heeft de ziel van de oude Simeon vervuld, toen hij in de tempel de Beloofde der vaderen in zijn armen mocht nemen.

 

En zo is het nog, gemeente. Want ook nu nog mag de bruidskerk de stem van haar Liefste horen in het Woord van God. De Heilige Schrift is immers het gewaad waarin de Heere vandaag tot ons komt. Dat Woord des Heeren is dan ook de toetssteen van alle ware bevinding. Als onze bevinding geen grond vindt in het Woord, zal dat ook niet standhouden. De stem van de Bruidegom, de stem van de Koning, wordt vernomen uit het Woord. En naar Zijn profetische bediening spreekt Christus tot ieder die onder dat Woord leeft. Hij spreekt van de heilige Wet om ons van zonde te overtuigen en om ons uit te drijven tot Christus. Dat Woord spreekt ook van het Evangelie dat verloren zondaren de weg van behoud aanwijst in de gekomen Zaligmaker. ‘Maar in het bijzonder’, zegt Comrie in zijn ABC des geloofs, ‘spreekt Christus woorden waarnaar we vooral moeten luisteren.’

 

Dat zijn in de eerste plaats, zo zegt hij, vragende woorden. Bijvoorbeeld deze vraag: ‘Wáárom toch weegt gijlieden geld uit voor hetgeen geen brood is en uw arbeid voor hetgeen niet verzadigen kan? Wat beweegt u toch om uw kostbare tijd door te brengen in datgene wat uw kostbare ziel nóóit zal kunnen redden?’

De woorden die Christus spreekt, zijn in de tweede plaats wenende woorden: ‘Jeruzalem, Jeruzalem, gij die de profeten doodt en stenigt die tot u gezonden zijn, hoe dikwijls heb Ik geprobeerd u bijeen te vergaderen, gelijk een hen haar kiekens, doch gijlieden hebt niet gewild.’

Het zijn in de derde plaats aanbiedende woorden die de Heere Jezus spreekt. Heden komt Christus in het Evangelie tot ons en Hij komt als het ware in een gevangenis en brengt algehele vergiffenis met Zich mee, en dat voor de grootste van de zondaren. Daarom, wee hem die Zijn hand afslaat, die Zijn heilsgoederen veracht. Daarvan geldt: ‘Het zal Tyrus en Sidon verdraaglijker zijn in de dag des oordeels dan ulieden.’

De Heere heeft van de hemel geroepen: ‘Deze is Mijn geliefde Zoon, in Dewelke Ik al Mijn welbehagen heb.’ Nu is het nodig dat we die stem ter harte nemen. Nu is het nodig dat we onszelf gewonnen leren geven, opdat op ons niet van toepassing zal zijn het Woord: ‘Dewijl Ik geroepen heb en er niemand was die antwoordde.’

 

Zo spreekt Christus door Zijn Woord op velerlei manier, maar in het bijzonder spreekt Hij tot Zijn bruidskerk. Hij onderwijst haar door Zijn Woord en Geest. Reeds direct in de wedergeboorte beginnen Zijn lessen, ook al kennen wij Zijn stem nog niet als de stem van onze Zaligmaker, want het ontdekkend Woord gaat aan Zijn vertroostend Woord vooraf. De Heilige Geest past dat Woord toe en vertroost ons hart als Hij ons in dat Woord doet zien dat er voor zondaren genade is in het offer van Christus. Hij openbaart immers Christus in dat Woord als Borg en Zaligmaker, Die gekomen is in deze wereld voor verlorenen, voor hen die moeten belijden: ‘Ik ben, o Heer', Uw gramschap dubbel waardig.’

 

0, hebt u ooit bij het lezen van Gods Woord of bij het luisteren naar de verkondiging daarvan mogen ervaren dat alles als het ware wegviel en het Woord voor u werd als een Woord van genade, als een Woord van verzoening? Als dat door de Heere Zelf in uw ziel gelegd wordt, valt de boodschapper van dat Woord weg. Dan blijft alleen de Heere Zelf over. Dan wordt er iets van waar, wat we lezen van de discipelen in het Evangelie, toen ze op de berg der verheerlijking waren: ‘En zij zagen niemand dan Jezus alleen.’ En al naar we nodig hebben, zal Zijn Woord soms vermanen en waarschuwen; soms zal het bemoedigen en vertroosten; soms zal het Gods Kerk lokken of aansporen. Dan weer zal het hen klein maken of opbeuren. Dat Woord verbindt ons in ieder geval aan de Heere. Dat Woord maakt ons klein en verwonderd. Als we Zijn stem in het Woord mogen horen, is er toch geen beter plekje dan met Maria te zitten aan Zijn voeten? Daar mogen we gedurig dieper ingeleid worden in de waarheid van onze nameloze ellende en in het heilgeheim van Zijn heerlijke verlossing!

 

Niet alleen spreekt de Heere tot het hart van Zijn bruid onder het lezen of onder het horen van Zijn Woord, maar Hij spreekt ook tot het hart van Zijn bruid in de omstandigheden waarin zij verkeert. Tot een verbrokene van hart buigt Hij Zich neer: ‘Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde.’ Voor de verslagenen van geest heeft Hij verruiming als Hij zegt: ‘Ik delg uw overtredingen uit als een nevel.’ De zwakken geeft Hij kracht in het kruisdragen als Hij hen toespreekt: ‘Mijn genade is u genoeg, want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht.’ De stervenden doet Hij in vrede nederliggen: ‘Waar Ik ben, aldaar zal ook Mijn dienaar zijn.’

Maar wat zien we nu? We zien nu dat ook de bruid nog zo onoplettend kan zijn en dat het haar soms maar erg weinig boeit dat haar Heere spreekt. Wat gebeurt het helaas nog vaak dat de bruid de stem van haar Bruidegom verwaarloost. Dan zijn er andere stemmen die voorrang hebben, bijvoorbeeld de stem van de satan die liegt of de stem van de wereld die ons verleidt, de stem van de binnenpraters die benauwen, de stem van de oude mens die ons de Heere verdacht doet houden.

 

Verwaarlozing van de stem van de Bruidegom zien we ook bij de bruid in het vijfde hoofdstuk van het Hooglied: ‘De Bruidegom klopte op de deur: Doe mij open, Mijn zuster, Mijn vriendin, Mijn duive, Mijn volmaakte, want Mijn hoofd is vervuld met dauw en Mijn haarlokken met nachtdruppen.’ Maar de bruid antwoordde: ‘Ik heb mijn rok uitgetogen, hoe zal ik hem weder aantrekken? Ik heb mijn voeten gewassen, hoe zal ik ze weder bezoedelen?’ De bruid ligt op het bed van zorgeloosheid neer. Waarom nu weer die moeite? Waarom nu weer de strijd in en weer de aanvechting. Maar weet dan dat het kloppen van de Bruidegom een teken is van Zijn trouw. En uit Zijn spreken blijkt de hartelijke liefde van de Bruidegom tot Zijn bruid. Hij wil Zijn bruid zien! De bruid mag tot Hem naderen om datgene te smaken wat Hij voor haar wilde doen: ‘Ik voor u, daar gij anders de eeuwige dood had moeten sterven.’

 

Misschien is er iemand die met zegen des Heeren Avondmaal mocht vieren, maar die zich nu afvraagt: ‘Zou het bij mij niet allemaal zelfbedrog geweest zijn?’ Zulken komt de Heere tegemoet. Hij laat dan zien dat Hij het sacrament gegeven heeft om het zwakke geloof van Zijn kinderen te versterken. Daarom: de Heere verlevendige uw ziel, opdat u vandaag de stem van uw Liefste zou horen en opdat u ook de trekkende kracht van de Bruidegom zou mogen ervaren.

Daarop letten we in onze tweede gedachte.

 

2. Zij ziet de kracht van de Bruidegom

De bruid roept, wanneer ze de stem van haar Bruidegom hoort: ‘Dat is de stem mijns Liefsten! Ziet Hem, Hij komt, springende op de bergen, huppelende op de heuvelen.’ Groot was haar verlangen naar Zijn komst. Zo hebben al Gods kinderen onder het Oude Verbond uitgezien naar de komst van de hemelse Bruidegom, Jezus Christus. In de volheid des tijds is de Zoon van God in het vlees gekomen. Hij kwam op deze aarde om Zijn borgwerk te gaan volbrengen. Wat een vreugde bij allen die de vertroosting van Israël verwachtten, toen de beloofde Messias geboren werd! En Hij kwam op Zijn tijd en dat is nog zo. Hij komt door Woord en Geest telkens nog tot de Zijnen. De Koning komt tot Zijn volk. Moest dit eigenlijk niet andersom zijn? Hoort een zondaar niet tot Jezus te gaan? Inderdaad, zo behoorde het, maar al zou hij het willen, hij kán het niet, want er zijn bergen en er zijn heuvels die scheiding maken, die de weg versperren. De missende bruidskerk weet geen weg om tot haar Bruidegom te gaan. Daar is geen weg. Daar zijn wel bergen van zonde, bergen van schuld, bergen van ongeloof en kleingeloof, van mismoedigheid. Daar zijn heuvels van dwalingen, van wereldgezindheid en ál die bergen en heuvels maken scheiding tussen God en de ziel. Zegt de Heere immers niet door de profeet: ‘Het zijn uw ongerechtigheden die scheiding maken tussen u en uw God. Het zijn de bergen van Bether.’

 

Die naam 'Bether' betekent 'scheiding'. Het zijn dus de Betherbergen van onze aangeboren zonden, van onze dagelijkse zonden die een absolute scheiding maken tussen God en onze ziel. De Heere neemt het erg nauw met Zijn heilige Wet en de zondaar. De overtreder moet dan ook om zijn zonden Gods gunst en Zijn gemeenschap missen. Het baat ons niet, ook al proberen we onze zonden wat te bedekken. Het helpt ons niet, al proberen we onze zonden wat te verdoezelen of ze te kleineren. Als de Heere door de kracht van Zijn Woord en Geest tot ons komt, worden die zonden werkelijk tot bergen van schuld die ons alle uitzicht benemen en ons van God gescheiden doen leven. 0, als de Heere werkelijk schuld tot schuld, zonde tot zonde voor ons maakt, als God werkelijk God voor ons wordt door ontdekkende genade – dan voelen we ook de smart van de scheiding die er is tussen God en ons. Want het ergste is nog niet dat die bergen, die heuvels van onze ongerechtigheden er zijn, maar veel en veel erger is dat wij die bergen, die heuvels van zonden niet zien, dat we er blind voor zijn! Veel erger is dat die scheiding ons niet terneer drukt, dat het ons hart niet biddend maakt, dat het ons hart niet zoekend maakt.

 

Bij de bruid vinden we de smart van de scheiding. Wie door Gods genade is opgezocht, gemeente, die weet zich een kind des toorns te zijn, die weet dat hij midden in de dood ligt. Hij kent de bergen van zonde en schuld en weet niet hoe hij ooit over die bergen heen moet komen. Natuurlijk, we gaan wel aan het werk en we gaan proberen ons over die bergen van zonde en schuld heen te werken. Maar het is absoluut onmogelijk. We zijn daar absoluut onbekwaam toe. Geen enkel goed werk van ons, geen enkele deugd, geen enkele plicht van onze kant, geen enkele traan of zucht zal ons ooit kunnen brengen over die bergen van zonde en schuld tot God. Nee, het is nodig dat de Heere Zelf komt. En dat heeft Hij gedaan in Christus Jezus. Dat is de adventsvreugde van de bruidskerk! Daarom: als u, ontdekte en verlegen zondaar, vermoeid van uw strijd met de driehoofdige vijand terneer zit, als u geen weg meer ziet, als u alleen maar hoge bergen ziet van zonde en schuld, van uw eigen onmacht, dood en dodigheid – dan, dan komt uit eeuwig welbehagen die hemelse Bruidegom, Jezus Christus! Hijzelf baant Zich een weg over de bergen van zonde en schuld. Hij baant Zich een weg waar u in eeuwigheid geen weg meer weet! De adventsvreugde van Gods Kerk is dat zij in de geboren Koning der Joden haar Zaligmaker mag zien: ‘Dat is de stem mijns Liefsten! Ziet Hem, Hij komt, springende op de bergen en huppelende op de heuvelen!’

 

En waar komt Hij vandaan? Wel, Hij komt vanuit de eeuwige vrederaad die in de stilte der eeuwigheid al gehouden is, waar de drie-enige God de mens gevallen zag liggen. Daar heeft de Vader geëist dat aan Zijn geschonden gerechtigheid volkomen genoeg gedaan zou worden. Daar heeft de Borg Zich gegeven en daar heeft de Heilige Geest op Zich genomen om die eenmaal verworven zaligheid aan verloren mensen te schenken. God was van eeuwigheid in Zichzelf bewogen en Hij wilde gevallen zondaren redden van het eeuwige verderf. Daarom gaf Hij uit eeuwige zondaarsliefde Zijn eniggeboren Zoon tot een Zaligmaker. ‘Want alzo liefheeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.’ Ziet Hem! Hij komt, de Christus, vanuit het eeuwige welbehagen van God. Ziet Hem! Hij komt vanuit de heerlijkheid des Vaders om in deze zondige wereld, in een Gode-vijandige wereld zelfs, te gaan lijden en sterven, om de ontzettende toorn van God over de zonde te dragen en die weg te dragen. Zie, Hij komt om die geschonden wet van God genoegdoening te geven. Hij komt op de heuvel van helse bestrijding. Hij komt in de vallei van Godsverlating om Zich te geven tot een rantsoen voor velen. Zie Hem! Hij komt, Hij komt op de heuvel Golgotha, om daar de vervloekte kruisdood te sterven voor Zijn volk; en Hij komt om een volkomen gerechtigheid, om de eeuwige zaligheid aan te brengen.

Hij komt ook na Zijn opstanding op de Olijfberg om van daar ten hemel te varen, om aan de rechterhand van Zijn Vader gedurig werkzaam te zijn ten behoeve van Zijn bruidskerk, totdat Hij straks zal wederkomen op de wolken des hemels. Zonder de komst van Jezus Christus in het vlees zal er nooit enig uitzicht zijn op heil en zaligheid, want de bergen van zonde, de bergen van onze schuld benemen alle uitzicht. Zonder Jezus zit menig kind van God te treuren en uit te zien naar Zijn komst in het hart. Hoor dan, gij bedrukte, gij door onweder voortgedrevene, gij ongetrooste! Het is juist tot u dat de adventsboodschap komt, dat Christus gekomen is om de berg van onze zonde en schuld. Dat is de stem mijns Liefsten. Zie Hem! Hij komt, springende op de bergen en huppelende op de heuvelen!

 

Springend, net als een ree of een jong hert. De kinderen hebben misschien weleens gezien dat die kleine hertjes zomaar van het ene rotsblok op het andere springen. Dat zegt nu als het ware de bruid uit het Hooglied. De Bruidegom komt, springend als een hert! Hij is Jezus. Hij is geboren in Bethlehem. Hij is een gewillige Zaligmaker. Hij komt, springende op de bergen van zonde en schuld, de bergen van ongeloof en bijgeloof, van mismoedigheid en dwaasheid. Hij is een bekwame Zaligmaker, bekwaam om de schuld weg te dragen, om de schuld te verzoenen. Bekwaam is Hij om dood en hel te overwinnen. Bekwaam is Hij om ons zondegraf te openen, gemeente! Bekwaam is Hij om het hardste zondaarshart te verbreken. 0, Hij is bekwaam, Hij is gewillig om uw ziel te redden van het verderf, om u van de hel te verlossen. Hij is bekwaam om de hemel voor Zijn kerk te openen. Hij is bekwaam om een zwarte bruidsgemeente tot de Vader te leiden. Hij is bekwaam om u te troosten. Hij is bekwaam om uw tranen van de ogen te wissen. Hij is bekwaam om u vreugde en blijdschap te geven.

 

Niet alleen springend, maar ook huppelend komt Hij op de bergen van onze verlorenheid, huppelend van blijdschap, want dat wordt voornamelijk in dit woord 'huppelen' tot uitdrukking gebracht. Het is Zijn vermaak om zondige, schuldige mensen te redden. Hij is zo'n bereidwillige Zaligmaker. Reeds tot Zijn Vader heeft Hij gezegd: ‘Zie, Ik kom, o God! In de rol des boeks is van Mij geschreven: Ik heb lust om Uw welbehagen te doen en Uw wet is in het midden Mijns ingewands.’ Tot een onreine melaatse zei Hij: ‘Ik wil, word gereinigd!’

 

O, dat dan niemand van ons, gemeente, dat dan niemand van ons zou twijfelen aan de bereidwilligheid van de Heere Jezus om zondaren zalig te maken. Zie wat Hij niet allemaal gedaan heeft om een weg te banen voor verloren zondaren voor God! Zie wat een bemoeienissen de Heere tot op de dag van vandaag met u maakt!

Zie eens wat een arbeid de Heere voortdurend aan u besteedt! U wordt de weg der zaligheid verkondigd in de geboren Zaligmaker! 0, het ligt niet aan God, maar het ligt aan ons. Het is eenvoudig zo: wij willen niet, of wij willen niet zoals de Heere het wil. Zie, dat is de stem mijns Liefsten! Hij komt, springende op de bergen, huppelende op de heuvelen. Daarom kon Paulus schrijven dat Jezus, in de vreugde Hem voorgesteld, het kruis verdroeg en de schande verachtte. Het was Zijn blijdschap, de blijdschap van Zijn hart om in deze wereld te komen. En er is blijdschap bij de engelen Gods over één zondaar die zich bekeert. Blijdschap in het hart van de Heere Jezus wanneer Hij na gescheiden te zijn weer met de Zijnen verenigd is. Hij verlangt naar Zijn bruidskerk en er is geen berg, geen heuvel die Hem in de weg kan staan. Wanneer het Zijn begeerte is Zich aan Zijn volk weg te schenken, is er niets dat Hem kan verhinderen. En dan nadert Hij, springende op de bergen en huppelende op de heuvelen, om Zijn heil te doen zien. Daarvan heeft de kerk gezongen, en wij doen dat nu ook samen uit Psalm 25: 4 en 7.

 

’s HEEREN goedheid kent geen palen;
God is recht, dus zal Hij door
Onderwijzing hen die dwalen,
Brengen in het rechte spoor.
Hij zal leiden ’t zacht gemoed
In het effen recht des Heeren;
Wie Hem need’rig valt te voet,
Zal van Hem Zijn wegen leren.

 

Gods verborgen omgang vinden
Zielen waar Zijn vrees in woont;
’t Heilgeheim wordt aan Zijn vrinden,
Naar Zijn vreeverbond, getoond.
D’ ogen houdt mijn stil gemoed
Opwaarts, om op God te letten;
Hij, Die trouw is, zal mijn voet
Voeren uit der bozen netten.

 

Christus, de grote Bruidegom, zegt: ‘Ik ben de Alpha en de Omega. Ik ben de Eerste en de Laatste.’ Niets is er wat Zijn komst in de weg staat. Geen macht van Augustus, geen zwaard van Herodes, geen afstand van Nazareth naar Bethlehem – niets kon Hem weerhouden om de gestalte van een dienstknecht aan te nemen en Zijn broeders in alle dingen gelijk te worden, uitgenomen de zonde. Zoals Hij gekomen is in de volheid van de tijd op aarde, zo zal Hij ook in de harten van Zijn bruidskerk komen. Soms kan Hij Zich geruime tijd verborgen houden, zodat de bruidskerk Hem niet ziet en de bruid zich verlaten voelt. Maar als het uur van Zijn welbehagen slaat, komt Hij; dan openbaart Hij Zich! Dan roept de bruid: ‘Ziet, Hij komt, springende op de bergen, huppelend op de heuvelen!’

 

Nogmaals, het wijst ons, gemeente, op de vreugde die Hem vervult wanneer Hij Zijn bruid opzoekt. Wat houdt die bruid de Heere dikwijls verdacht in Zijn liefde. Dan denkt de bruidskerk dat zij zich eerst Zijn liefde moet waardig maken. Maar wat zegt de Bruidegom? ‘Ik heb u lief met een eeuwige liefde!’ Wat een wonderlijke zaak! Blijdschap in Jezus' hart als Hij Zich na een tijd van scheiding weer met de Zijnen gaat verenigen. Dan wordt het Bijbelwoord bevestigd: ‘Te dier ure verheugde Zich Jezus in de Geest.’ Zijn volk kan Hem niet missen, maar omgekeerd kan Hij Zijn volk ook niet missen.

 

De discipelen waren verblijd toen zij de Heere zagen, zo lezen we na Zijn opstanding uit de doden. Maar omgekeerd was de Heere verblijd toen Hij Zijn discipelen zag. Ja, Hijzelf was het Die hun blijdschap gaande maakte! De adventsvreugde van de bruidskerk was: Zie Hem! Hij komt, springende op de bergen, huppelende op de heuvelen.’ Die uitroep is vrucht van Zijn spreken: ‘Mijn vermakingen zijn met de mensenkinderen.’ Hij maakt hun liefde, hun verlangen gaande om Hem als de Bruidegom te ontmoeten. Dan horen we de Zijnen vol verwondering uitroepen: ‘Dat is de stem mijns Liefsten! Ziet Hem! Hij komt, springende op de bergen, huppelende op de heuvelen!’

 

Gemeente, mag u dat ook zeggen? Is Hij u dierbaar geworden? Dan hebt u in uw leven de bergen en de heuvels van uw zonde en schuld leren bewenen. Dan bent u als een arme zondaar of zondares tot de Heere uitgedreven, met de bede in uw hart: ‘0 God, wees mij, zondaar, genadig!’ Dan hebt u naar Zijn komst in uw hart leren uitzien, want voor een arme, zwarte bruid is Christus het hoogste Goed. Wanneer we door de genade van de Heilige Geest voor het eerst en bij herhaling iets van Zijn schoonheid leren zien, stemmen we in met de bruid: ‘Alles wat aan Hem is, is gans begeerlijk. Zulk één is mijn Liefste! Zulk één is mijn Vriend, gij dochters van Jeruzalem!’

 

En nu nodigt de Heere zulke mensen, mensen die in zichzelf niets dan de dood vinden, maar die alles in de Bruidegom zoeken, om tot Hem te komen en te leven van Zijn genade. Tot hen zegt Hij nu: ‘Ulieden daarentegen, die Mijn Naam vreest, zal de Zon der gerechtigheid opgaan.’

 

Gemeente, we leven in de adventstijd. Wat wil dat eigenlijk zeggen? Wel, voornamelijk dit: in het verborgene de Heere zoeken met de bede: Heere, zou U deze Zon der gerechtigheid willen doen opgaan in mijn hart? Advent betekent uitzien en verlangen. Dat is vrucht van een nieuw leven. Dan is er een beginsel van het vertrouwen dat de Heere naar u omgezien heeft, een afkeer van de zonde, een mishagen van uzelf en een begeerte om naar al Gods geboden te mogen leven.

Wanneer deze dingen door Zijn genade niet in uw hart leven, hebt u geen deel aan de adventsverwachting. Wat bent u dan nameloos arm. Want dat betekent dat u voortreist op uw levensweg, zónder hoop voor de toekomst. Want leven zónder adventsverwachting naar Jezus' komst in ons hart, gemeente, wil ook zeggen: zónder adventsverwachting leven naar Jezus' wederkomst op de wolken des hemels. Het betekent dat u zónder Zijn liefde, zónder Zijn gemeenschap, zónder Zijn genade voortleeft op weg naar de buitenste duisternis.

 

Nog roept de stem van de Bruidegom het uit in het Woord en Hij zegt: ‘Wendt u naar Mij toe en wordt behouden, want Ik ben God en niemand meer!’ Jezus is gekomen in deze wereld, om te zoeken en zalig te maken wat verloren is en Hij is bereidwillig om ook u te reinigen!

0, bedel dan toch de Heere of Hij u wil leren buigen, opdat de adventsvreugde van de bruid ook in uw hart zal mogen leven: ‘Dat is de stem van mijn Liefste! Ziet Hem, Hij komt, springende op de bergen en huppelend op de heuvelen.’ Dat mocht de oudtestamentische gemeente uitroepen, en ook de nieuwtestamentische gemeente mag die roep overnemen, ziende op Jezus' wederkomst op de wolken des hemels. Als Hij verschijnen zal, zal alle oog Hem zien, ook degenen die Hem doorstoken hebben. Zij zullen Hem zien met schrik. Zij zullen Hem zien met grote vreze. Zij zullen roepen: ‘Bergen, valt op ons, heuvelen, bedekt ons voor het Aangezicht Desgenen Die op de troon zit en voor de toorn van het Lam.’

De verwachtende bruidskerk zal echter aan Zijn voeten neerzinken en Hem aanbidden, want dan komt Hij om nóóit meer heen te gaan! Dan zal de bruidskerk altoos bij de Heere zijn. Zo dan, vertroost elkander met deze woorden: ‘Ziet Hem! Hij komt, springende op de bergen en huppelend op de heuvelen’!

Amen.

 

Slotzang: Psalm 98: 2

 

Hij heeft gedacht aan Zijn genade,
Zijn trouw aan Isrel nooit gekrenkt;
Dit slaan al ’s aardrijks einden gade,
Nu onze God Zijn heil ons schenkt.
Juich dan den HEER’ met blijde galmen,
Gij ganse wereld, juich van vreugd;
Zing vrolijk in verheven psalmen
Het heil dat d’ aard’ in ’t rond verheugt.