Ds. S. Maljaars - Genesis 3 : 9

Adventsroep in het paradijs

tot wie komt die roep?
van Wie komt die roep?
om Wie is dit een roep?

Genesis 3 : 9

Genesis 3
9
En de HEERE God riep Adam, en zeide tot hem: Waar zijt gij?

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 130:2
Lezen : Genesis 3
Zingen : Psalm 139:1, 4 en 14
Zingen : Psalm 95:4
Zingen : Psalm 85:4

Op deze adventszondag willen we het Woord prediken uit Genesis 3 vers 9:

En de Heere God riep Adam en zeide tot hem: Waar zijt gij?

 

We schrijven onder deze tekst: Adventsroep in het paradijs. Drie vragen:

  1. tot wie komt die roep?
  2. van Wie komt die roep?
  3. om Wie is dit een roep?

 

Het gaat over de adventsroep in het paradijs: ‘Waar zijt gij?’ Het zijn de eerste woorden die klinken na de zondeval. Eerst denken we na over de vraag tot wie die roep komt: tot Adam. Vervolgens over de vraag van Wie die roep komt: van de Heere God. Ten slotte zien we om Wie dit een roep is: om Christus.

Dus de adventsroep in het paradijs: tot wie, van Wie, om Wie?

 

Gemeente, de vier zondagen voor Kerst noemen we de adventszondagen. Advent komt van het Latijnse woord ‘adventus’, dat komst of aankomst betekent. Het is de tijd in het kerkelijk jaar dat we denken aan de komst van de Heere Jezus Christus in deze wereld en aan het verlangen naar Zijn komst.

Waarom zijn er eigenlijk mensen gaan uitzien naar de komst van de Heere Jezus? Is er op een gegeven moment bij die mensen vanzelf een bepaald verlangen gegroeid? Nee, de Heere heeft dit uitzien gewerkt door Zijn woord. Die adventsverwachting komt dus bij God vandaan, eenzijdig van Zijn kant.

De Heere kwam Zélf tot de mens. Híj sprak tot mensen over de verlossing en over de Verlosser. Door Zijn Geest legde Hij het verlangen naar die verlossing en naar die Verlosser in hun hart. God sprak Zijn woord en daarom kwam er een adventsvolk dat uitzag naar de komst van de Heere Jezus. Denk aan Abraham. Hij kreeg de belofte van de komende Messias en dat gesproken woord deed hem hopen en uitzien. Zo zouden we meer voorbeelden uit het Oude Testament kunnen noemen. Gods spreken wekte verlangen op.

 

Er is nóg een volk dat uitziet naar de komst van de Heere Jezus. Niet naar Zijn komst in de wereld, want die ligt achter ons. Dit adventsvolk ziet uit naar de komst van Christus in het hart. Het is hun verlangen of de Heere hen wil onderwijzen over de verlossing en over de Verlosser. Of het werk van de Heere Jezus Christus toegepast mag worden in hun hart.

De verwachting van dit adventsvolk richt zich ook op de komst van Christus op de wolken van de hemel. Dan zal Hij alle dingen vervullen en het Koninkrijk weer teruggeven aan Zijn Vader. Dan komt er een nieuwe hemel en een nieuwe aarde waarin gerechtigheid woont.

 

Advent is in de eeuwigheid begonnen. Daar heeft God al aan de verlossing van Zijn volk gedacht. En nu wil de Heere HeereZijn eeuwige gedachten in de tijd openbaren. Zijn gedachten worden woorden. We zien dat hier in Genesis 3 in de allereerste vraag die de Heere in het paradijs stelt: ‘Waar zijt gij?’

Weet u, weet jij waar de échte kerstviering begint? Als de Heere ons meeneemt naar het paradijs, als we gaan zien op onze zonden, op onze schuld, op onze verlorenheid. Zo alleen komt er plaats voor de Verlosser, de Heere Jezus Christus, om Wie dit adventswoord roept. In het paradijs staan twee verloren zondaren, in Bethlehem ligt de Zaligmaker van zondaren! Hém hebben we nodig, ook u, ook jij.

Kom, gemeente, luisteren we vandaag naar de adventsroep in het paradijs: ‘Waar zijt gij?’

 

  1. Tot wie komt die roep?

En de Heere God riep Adam en zeide tot hem: Waar zijt gij?

Het verband van de tekst brengt ons in het paradijs. We lezen over Gods scheppen, Gods komen, Gods spreken. Deze adventsroep komt tot Adam. Het Hebreeuwse woord ‘adam’ betekent mens. Adam-mens, mens-Adam. De Heere spreekt de mens Adam heel persoonlijk aan.

 

Het eerste Bijbelboek heet Genesis. Het woord ‘genesis’ betekent oorsprong, wording of ontstaan. We lezen in Genesis 1 en 2 over de genesis, het ontstaan van de hemel en de aarde. Jongens en meisjes, jullie kennen de eerste tekst uit de Bijbel vast wel uit je hoofd: In den beginne schiep God den hemel en de aarde (Gen. 1:1). Mozes beschrijft aan het begin van zijn eerste boek de schepping van hemel en aarde.

Aan het slot van Genesis 1 lezen we dat de Heere zegt: Laat Ons mensen maken, naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis (Gen. 1:26). Zo wordt op de zesde dag de mens geschapen. De Heere zet de kroon op Zijn schepping. We kunnen dat de genesis, de wording of het ontstaan van de mens noemen.

De Schepper vormt Adam uit het stof der aarde als een mooi kunstwerk. Er staat in hoofdstuk 2 vers 7: En de Heere God had den mens geformeerd uit het stof der aarde en in zijn neusgaten geblazen den adem des levens; alzo werd de mens tot een levende ziel. De woorden ‘adam’ (mens) en ‘adamah’ (aarde) zijn een woordspeling en onderstrepen dat de mens uit de aarde is genomen. Eva werd uit een rib van Adam gemaakt. Ze zijn aan elkaar gegeven als man en vrouw.

 

Er wandelen twee goed geschapen mensen in het paradijs: een goed geschapen man en een goed geschapen vrouw. Samen leven ze in de staat der rechtheid voor God. Beiden zijn geschapen naar Gods beeld en lijken in alles op hun Schepper.

De catechisanten weten de begrippen wel die bij het beeld van God horen: kennis, gerechtigheid en heiligheid. Adam kende God volmaakt en had een volmaakte kennis van alle dingen. Adam bezat gerechtigheid. Hij stond in de rechte verhouding met de Heere zijn God. De mens Adam was ook heilig. Innerlijk en uiterlijk stemden volkomen overeen. Van binnen was alles zuiver en naar buiten toe was alles rein. Er was geen spoor van schaamte tussen Adam en Eva. Ze waren beiden naakt en schaamden zich niet voor elkaar.

Een goed geschapen mens. Dat wás Adam. En tot deze Adam zegt God heel terecht: Waar zijt gij? Waar bent u?

 

Nu naar ons, gemeente. Adam is de vader van ons allen. God is onze Schepper van Wie we zingen in Psalm 139: ‘Eer iets van mij begon te leven, was alles in Uw boek geschreven.’ We komen voort uit het stof der aarde. We zijn kleine en broze mensen, in alles diep afhankelijk van de Heere. God geeft en neemt het leven.

We zijn ook goed en naar Gods beeld geschapen. Na de schepping lezen we: En God zag al wat Hij gemaakt had, en zie, het was zeer goed (Gen. 1:31). Daarom zijn wij ook verantwoordelijke mensen. Als de Heere God hier zegt: Adam, waar zijt gij? dan is dat een hele terechte roep, want Adam was goed geschapen en kon de Heere gehoorzamen.

Als de Heere ons in deze adventspreek aanspreekt Waar zijt gij? en ons wijst op onze verantwoordelijkheid om Hem te dienen, dan is dat volkomen terecht. De Heere mág dit eisen van ons, omdat we naar Gods beeld zijn gemaakt. Het is onze eigen schuld dat we Hem niet meer kunnen dienen en gehoorzamen.

Jongeren, jullie lopen misschien ook wel eens tegen dit punt aan: Is dit nu wel eerlijk? Mag God eisen wat wij niet kunnen? Dit kan overigens ook een strik voor ouderen zijn. O, vraag toch of we goede en grote gedachten van de Heere mogen krijgen en kleine gedachten van onszelf. Of de Heere ons op de juiste plaats zet voor Hem.

 

En de Heere God riep Adam en zeide tot hem… Het is zo anders geworden. Adam was goed geschapen, maar hij is zo diep gevallen. Daar wijst Genesis 3 ons op. Genesis 1 en 2 zijn de witte bladzijden uit Gods Woord. God zag al wat gemaakt had, en zie, het was zeer goed. Genesis 3 is de zwartste bladzijde van de Bijbel. Daar is het allemaal verkeerd geworden. Nu ziet God de mens, en zie het is zeer kwaad.

Zo gaat het boek Genesis niet alleen over de oorsprong van hemel en aarde en over de wording van de mens, maar ook over het ontstaan van de zonde. Na de twee lichte bladzijden uit Genesis komt de inktzwarte bladzijde Genesis 3. Dit hoofdstuk hebben we aan het begin van de dienst gelezen. We zien daar het komen van satan, het komen van Eva, het komen van Adam.

De duivel is gekomen. Hij maakte gebruik van de slang. Eerst kwam hij met list, daarna met geweld. Hij sloop naar Eva toe met een listige vraag. Jongens en meisjes, jullie hoorden het hem zeggen: Is het ook dat God gezegd heeft: Gijlieden zult niet eten van allen boom dezes hofs? Hoor je het: Is het ook?... De duivel plaatste een vraagteken. Dat doet hij nog steeds: Is het ook? Is het wel echt zo? Vraagteken, vraagteken…

Vervolgens kwam satan met geweld. In vers 4 lezen we: Gijlieden zult de dood niet sterven. Satan zette er een uitroepteken achter. Dus eerst een vraagteken Is het ook? en daarna een uitroepteken Het is niet zo!

En Eva heeft geluisterd naar de duivel. Ze heeft haar oor geneigd naar de verleider. Ze keek eens goed naar die boom. Wat zag die er toch mooi uit, wat een heerlijke vruchten! En ze heeft haar hand uitgestoken, de vrucht geplukt en ervan gegeten.

Toen heeft ze Adam erbij geroepen. Ze heeft hem van de vrucht gegeven en ook hij heeft gegeten. We lezen het zo ingrijpend: En zij nam van zijn vrucht en at; en zij gaf ook haar man met haar, en hij at (vers 6).

Gemeente, in deze enkele woorden is onze diepe zondeval getekend: Zij gaf ook haar man met haar en hij at. O, mens Adam, had dat toch nooit, nooit gedaan! Maar Adam heeft het wél gedaan. De mens, het juweel van Gods schepping, at van de boom der kennis des goeds en des kwaads. Moedwillig heeft de mens gezondigd, vrijwillig gekozen, hij heeft de zonde zélf gedaan. De volle verantwoordelijkheid ligt op Adam. Hij had dit niet hoeven doen. Er waren genoeg bomen. Maar hij heeft wél van de verboden vrucht genomen en gegeten. En nemen en eten betekent sterven! De Heere had het uitdrukkelijk gezegd: Want ten dage als gij daarvan eet, zult gij den dood sterven.

 

In de Nederlandse Geloofsbelijdenis artikel 17 staat dat Adam zichzelf in de lichamelijke en in de geestelijke dood heeft geworpen en zich geheel ellendig heeft gemaakt. We hebben onszelf in de afgrond buiten God gestort. Ontzettend! Geheel ellendig, buiten God, zonder God, totaal verloren. Dat is de werkelijkheid vanaf Genesis 3.

O geliefde gemeente, jongeren en ouderen, kon ik dit op uw en jullie hart binden! Dit is onze staat en toestand voor God: geheel ellendig. We zijn als kerkmensen zo aan deze boodschap gewend geraakt. We horen het al vanaf onze kinderjaren. Goed geschapen, diep gevallen. We praten er misschien wat beschouwend over of we leven er oppervlakkig overheen, menend dat het allemaal wel goed is of dat het straks aan het einde van ons leven alles wel meevalt.

Het kan ook zijn dat iemand die in de kerk zit of die thuis meeluistert deze boodschap uit de Bijbel voor het eerst hoort. O, dat deze werkelijkheid door de werking van Gods Geest vandaag ons aller hart zou mogen raken. Wat was de schepping goed, maar wat is onze val ontzaglijk diep, peilloos diep!

 

Wat is het gevolg van de zondeval? Schamen, beven en vluchten. Adam en Eva schamen zich, want ze zijn naakt (vers 7). Ze beven voor God, lees maar in vers 10: Ik hoorde Uw stem in den hof, en ik vreesde… Ze vluchten voor God tussen het struikgewas (vers 8). In de Nederlandse Geloofsbelijdenis artikel 17 staat: ‘Toen hij al bevende voor Hem vlood’. Adam en Eva zijn bevend voor God weggevlucht en proberen zich te verbergen tussen de struiken van de hof van Eden.

Dat is nu de mens, dat is Adam. En tot die diep gevallen mens, tot die bevende en vluchtende Adam komt de roep: Waar zijt gij? De Heere zou rechtvaardig zou zijn als Hij die beide mensen in de diepte van de zondeval had laten liggen zodat ze voor eeuwig zouden omkomen. Maar nu komt de dringende roep: Waar zijt gij? O mens, Adam, waar bent u?

 

Die paar woorden Waar zijt gij, waar bent u? zijn een ontzaglijke roep. Die roep bepaalt ons bij de diepte van Adams val.

Heeft de Heere u persoonlijk al bij de diepte van úw zondeval stilgezet? Heeft God jóu al eens in het paradijs gebracht? Want we kunnen erover praten en redeneren, maar Adams schuld is ook míjn schuld. Adam is ons verbondshoofd en wij zijn mét hem in de zonde gevallen. Lees Romeinen 5 maar. Adam heeft gezondigd en heeft zijn hele nageslacht in de val meegesleurd. Wij zijn medeplichtig. Adams zonde wordt ook míj toegerekend. De zondeval maakte van ons geen slachtoffers, maar schuldenaars.

Na de zondeval was het schamen, beven en vluchten. Uiteindelijk God uit handen willen blijven. Hoe lang zijn wíj daar al mee bezig? Hoe lang probeert u dat al? Hoe lang zul jij daar mee doorgaan? Maar niet teveel over God en over de verhouding met Hem nadenken. Afwachten, uitstellen, verdergaan tussen de struiken van ons leven…

Vandaag zegt de Heere tot ons allen, tot u, tot jou, tot mij: Waar zijt gij? O mens, goed geschapen, diep gevallen, waar bent u, waar ben jij?

 

Gemeente, we hebben in het eerste punt van de preek gezien dat de adventsroep in het paradijs kwam tot Adam, goed geschapen, diep gevallen. We gaan naar onze tweede gedachte.

 

  1. Van Wie komt die roep?

Wie roept er? En de Heere God… staat er in de tekst. Dus deze adventsroep komt van de Heere God. Jehova Èlohim staat er in het Hebreeuws.

Jehova, Heere met allemaal hoofdletters, dat is Gods verbondsnaam. Die Naam komen we dikwijls in de Bijbel tegen. Hij is de Heere, de onveranderlijke en getrouwe Verbondsgod Die Zich met mensen wil inlaten. Daarnaast lezen we de Naam Èlohim, God. Die Naam wijst op Gods macht en grootheid. Van Hem lezen we in Genesis 1:1: In den beginne schiep Èlohim de hemel en de aarde.

 

Hij is de Heere God, de Schepper. Als Hij hier in het paradijs tot Adam komt, is dat Zijn recht. De Heere God had immers de hemel en de aarde en alles wat daarin is geschapen? Hij had Adam geformeerd, gevormd uit het stof der aarde. Hij had Eva gemaakt uit een rib van Adam. Hij is hun Schepper en daarom mág Hij komen. De Heere God mag aan deze twee schepselen vragen: Waar zijt gij?

De Heere God is ook de Wetgever. Hij had de mens een proefgebod gegeven. Tot de mens had Hij gesproken: Van alle bomen dezes hofs zult gij vrijelijk eten. Maar van de boom der kennis des goeds en des kwaads, daarvan zult gij niet eten; want ten dage als gij daarvan eet, zult gij den dood sterven (Gen. 2:16,17). En nu hébben ze gegeten en daarom zál hun Wetgever komen. Het is Zijn recht.

 

Vanwege hun zonde is de Heere God nu hun Rechter geworden. En de Heere God riep Adam… Daar staan ze als twee gedaagden voor de Rechter. En deze Rechter spreekt altijd recht!

Heel duidelijk laat de Heere God Zijn stem horen. Er is geen enkele twijfel bij Adam Wíe hem roept. Hij weet het, dit is de stem van de Heere God. Het eerste wat Adam zegt is: Ik hoorde Uw stem in den hof (vers 10).

De Rechter roept ook heel krachtig: Waar zijt gij? In de oorspronkelijke taal staat het er nog korter: ‘Waar gij? Waar u?’ Het zijn als het ware twee korte bazuinstoten die heel doordringend klinken: waar u?

Hun Rechter roept heel persoonlijk. En de Heere God riep Adam en zeide tot hem: Waar zijt gij? God roept Adam. Het gaat om hém. Adam, waar bent ú?

Het is een zeer ontdekkend roepen. In deze korte vraag ligt ook het woordje nú opgesloten: ‘Waar bent u nú?’ Adam, geef eens rekenschap: O mens, waar bent u nu toch? O, het is zo waar wat we zojuist uit Psalm 139 hebben gezongen:

 

Niets is, o Oppermajesteit,

Bedekt voor Uw alwetendheid.

Gij kent mij, Gij doorgrondt mijn daân.

Gij weet mijn zitten en mijn staan.

 

Nu naar ons toe. Deze roep van de Heere God is een krachtige en onwederstandelijke roep. Calvijn zegt: ‘Uit het dicht geboomte trekt God hem tegen zijn zin en tegenstribbelend tevoorschijn.’ Als de Heere God niet was gekomen, dan was Adam in dat struikgewas gebleven. Maar de Heere God riep Adam en zeide tot hem: Waar zijt gij? En zo komt hij tegenstribbelend tevoorschijn.

Die krachtige roep is in óns leven ook onmisbaar nodig. We moeten geroepen worden uit onze doodsstaat. We moeten inwendig krachtdadig en onwederstandelijk geroepen worden in de wedergeboorte. God moet de Eerste zijn in ons leven. Anders blijven we in het struikgewas zitten. Daarom hebben we het werk van Gods Geest zo nodig.

Gemeente, ik wenste dat deze roep vandaag in uw, in jouw leven met Goddelijke kracht zou doorklinken: Waar zijt gij? Zo heel persoonlijk: Waar bent ú, waar ben jíj, en vul dan je eigen naam maar in. Dat het zo heel persoonlijk mag worden, want we kunnen onszelf niet achter een ander verbergen. Adam zal dat straks wel proberen als hij zegt ‘de vrouw’. En Eva zal het ook doen als ze zegt: ‘de slang’. Zo proberen ze de schuld op een ander te schuiven.

Straks zullen ook wij staan voor onze Rechter, heel persoonlijk, alleen. Dan kunnen we ons niet verbergen achter een ander, achter onze vader of moeder, achter onze broer of zus, achter onze vriend of vriendin. Dan klinkt het: Waar zijt gíj? Waar bent ú? Waar ben jíj?

 

De roep Waar zijt gij? is ook ontdekkend. Adam en Eva hadden zich verborgen tussen de struiken van het paradijs. Het eerste mensenpaar moet tevoorschijn komen.

Zo zitten ook wij verborgen tussen de struiken. Niet letterlijk, maar figuurlijk. Misschien zitten we in het struikgewas van de wereld waar je het goed naar je zin hebt. Je doet je ding, je trekt op met je vrienden en hebt voor je gevoel genoeg in dit leven. Misschien zijn we druk met het leven van alledag. Ons gezin vraagt aandacht, ons werk neemt ons in beslag, ons bedrijf moet draaien. En de roep Waar zijt gij? komt niet binnen.

Misschien zitten we tussen de bomen van onze eigen godsdienst. Heel rechtzinnig en degelijk, uiterlijk is er geen vinger op ons te leggen. We weten precies hoe het geestelijk allemaal moet gaan. Voor een ander meten we alles haarfijn uit. En ja, verder is het toch zo dat God het mij moet geven? Daar kan ik verder ook niets aan veranderen. Deze vormengodsdienst kan er ook zijn naar de oppervlakkige kant. Het is allemaal wel goed. Denk vooral niet te naar en niet te zwaar. God is Liefde en de Zaligmaker kwam voor zondaren en dus ook voor mij. We stellen ons met een inbeelding gerust en bedriegen ons voor de eeuwigheid. Maar of we nu tussen de bomen zitten van de rechtzinnigheid of van de oppervlakkigheid, de klemmende vraag Waar zijt gij? raakt ons niet.

Het kan zijn dat we tussen de bladeren van onze eigengerechtigheid verborgen zitten. Wat spannen we ons in voor de eeuwigheid. Maar we zoeken onze eigen grond om voor God te kunnen bestaan. Nu zegt de Heere: ‘Kom eens tevoorschijn. Waar zijt gij? Waar bent u? Waar ben jij?’

 

Het is ook een ernstige roep. De Heere zegt heel indringend tot Adam: Waar zijt gij? De mens wordt als het ware voor de rechtbank gedaagd. Zo worden wij in iedere preek voor Gods rechtbank geplaatst. Er loopt van de preekstoel een lijn naar Gods rechterstoel. De Heere komt op Zijn Woord terug. In iedere preek spreekt God tot allen die het Woord horen en zegt Hij: ‘Waar bent u, o zondaar?’ O, hoe zal ik het dan maken als ik onverzoend God moet ontmoeten? De preek is nooit vrijblijvend. Onder iedere preek wordt voor de ware gelovigen het Koninkrijk Gods geopend en voor de ongelovigen toegesloten.

Dit geeft een grote verantwoordelijkheid voor degene die het Woord bedient. Hij moet getrouw de woorden Gods verkondigen. De lijn van de preekstoel naar de rechterstoel dient een zuivere lijn te zijn. We moeten preken naar de zin en mening van Gods Geest. Dan mogen we u als dienaar van het Woord niet met allerlei zaken buiten God en Christus gerust stellen. Maar dan moet de boodschap van zonde en van genade eerlijk en getrouw verkondigd worden: Het wél van de rechtvaardige en het wee van de goddeloze. Bij iedere preek moet iets van de ernst gevoeld worden: We zijn op reis naar de rechterstoel. Hoe zult u, hoe zul jij rechtvaardig verschijnen voor God?!

Het is ook een grote verantwoordelijkheid hoe we horen. Hoe vaak hebben we al onder Gods Woord gezeten? In hoeveel verschillende toonaarden is ons de boodschap al gebracht? Dat we het in ons hart wel eens voelden: Het Woord dat gepreekt wordt, is Gods Woord. Dit Woord is de waarheid en ook ík zal eens staan voor de rechterstoel van God. Dat er beslag van Gods Woord in ons hart lag. Maar waar brachten die indrukken ons?

Als God ons vandaag vraagt Waar zijt gij? hebben wij dan een antwoord? O, we kunnen duizend keer beter nú voor Gods rechtbank gedaagd worden, dan straks ná het leven wanneer het te laat is. Nu kan het goed komen met God, straks niet meer.

 

Gemeente, het is Gods recht dat Hij hier komt, maar hieruit spreekt ook Zijn onbegrijpelijke liefde. In deze woorden gaat het Evangelie open. Want er staat: En de Heere God riep Adam… De Heere, Jehova, de Verbondsgod. Deze Verbondsgod neemt redenen uit Zichzelf om die bevende, vluchtende mens te zoeken. Dat had Hij helemaal niet hoeven doen. De Heere God had rechtvaardig kunnen zeggen: ‘Adam, nu heb je het verzondigd, voorgoed verzondigd. Je hebt gekozen voor je ondergang. Nu laat Ik je gaan en zal Ik een nieuwe mens scheppen. Iemand die Mij wellicht beter gehoorzamen zal.’

Maar nee, nu staat er: En de Heere God riep Adam… Eigenlijk kunnen we het niet beter zeggen dan opnieuw met de woorden uit artikel 17 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Guido de Bres schrijft daar zo treffend: ‘Wij geloven dat onze goede God, door Zijn wonderlijke wijsheid en goedheid (…) Zichzelf begeven heeft om de mens te zoeken, toen hij al bevende voor Hem vlood.’

De Heere God heeft Zichzélf begeven om te zoeken. De oorzaak ligt dus in alleen in Hem. Niet de ellende van de mens was de oorzaak dat God ging zoeken, maar Hij heeft Zichzélf begeven om de mens te zoeken. We zeggen dan: De Heere neemt redenen uit Zichzelf. Híj zocht de mens op, omdat Híj dit wilde. Dit is nu eeuwige liefde, Goddelijke goedertierenheid. Dat had de Heere God niet hoeven doen. Maar dit zoeken kwam voort uit Zijn liefdehart. De Heere God, Jehova Èlohim, Die in de eeuwigheid het genadeverbond heeft gesloten met Christus en in Christus met Zijn uitverkoren gemeente komt eenzijdig en genadig tot de mens.

Gemeente, hier in het paradijs schittert iets van Gods eeuwige raad tot verlossing van zondaren. Die verlossing is al ver vóór de zondeval uitgedacht. En daarom zoekt de Heere God in Zijn wonderlijke wijsheid de mens op. Daarom laat Hij Zijn stem horen aan de wind des daags (vers 8). Hij wil Zijn eeuwige liefde tot verlossing van verloren zondaren openbaren. Hij gaat door deze scherpe adventsroep plaatsmaken voor de Trooster. De genadige God roept de mens. En zeide... In het woord ‘zeide’ zit iets van verkondigen. De Heere God proclameert hier het adventsevangelie.

In het boek Genesis horen we over de oorsprong van de hemel en de aarde, over de wording van de mens en over het ontstaan van de zonde. Maar hier worden we ook gewezen op de oorsprong van het heil dat in de stilte van de nooit begonnen eeuwigheid is uitgedacht en in de tijd wordt geopenbaard. De Heere God maakt bij Adam en Eva plaats voor het heil in de Middelaar, voor Hem Die gezonden zal worden in de volheid van de tijd.

 

Waar zijt gij? Wat is dit een neerbuigende roep. Daarin openbaart de Heere God iets van Zijn eeuwige en eenzijdige zondaarsliefde. Hij buigt Zich zó laag neer en zegt tot de verloren mens: Waar zijt gij? De Heere zegt niet: ’Adam, ga maar! Verdwijn voor altijd uit Mijn ogen. Ga voor eeuwig van voor Mijn aangezicht weg.’ Dat zou rechtvaardig zijn. Maar nu zegt de Heere God in deze roep: ‘Adam, kom toch terug!’

Waar zijt gij? Het is een genadige roep. Een verklaarder merkt bij deze tekst op: ‘Dit is een arrestatie ten leven.’ Adam wordt hier door de Heere gearresteerd, niet om de doodstraf te krijgen, maar om genade te ontvangen en eeuwig te leven.

Waar zijt gij? Het is ook een uitdrijvende roep. Deze vraag Waar zijt gij? moet ons leiden naar de vraag uit Zondag 5 van de Heidelbergse Catechismus: ‘Aangezien ik dan naar het rechtvaardig oordeel Gods tijdelijke en eeuwige straf verdiend heb, is er enig middel waardoor ik deze straf zou kunnen ontgaan en wederom tot genade komen?’ In de weg van schuldbelijdenis komt er plaats voor de Middelaar, de Heere Jezus Christus. Straks gat de Heere God Hem aanwijzen in het paradijs.

Waar zijt gij? Het is een hartelijke roep die ook vandaag in de prediking doorklinkt. Heden komt de boodschap tot u en tot jou: Laat u met God verzoenen (2 Kor. 5:20). De Heere God roept ons door Zijn Woord terug: Waar zijt gij? O, verhard u dan niet, maar laat u leiden.

 

We gaan ervan zingen uit Psalm 95:4:

 

Want Hij is onze God, en wij

Zijn 't volk van Zijne heerschappij,

De schapen, die Zijn hand wil weiden;

Zo gij Zijn stem dan heden hoort,

Gelooft Zijn heil- en troostrijk woord;

Verhardt u niet, maar laat u leiden.

 

Adventsroep in het paradijs. Eerst hebben we gezien tot wie die roep komt: tot Adam, goed geschapen en diep gevallen. Vervolgens ging het erover van Wie die roep komt: van de Heere God, een roep van Zijn recht en van Zijn liefde.

Nu komt de derde en laatste vraag aan de orde:

 

  1. Om Wie is dit een roep?

Waar zijt gij? Gemeente, uiteindelijk is dit een roep om Christus. De Heere God werkt toe naar de moederbelofte, de eerste belofte uit de Bijbel over de Middelaar, Genesis 3:15: En Ik zal vijandschap zetten tussen u en tussen deze vrouw, en tussen uw zaad en tussen haar Zaad; Datzelve zal u den kop vermorzelen, en gij zult Het de verzenen vermorzelen.

 

Hier in het paradijs wordt de komst van de Heere Jezus Christus aangekondigd. Het gaat om Hém. De eerste Adam die goed was geschapen is zo onpeilbaar diep gevallen. Maar nu komt er een tweede Adam die verloren en verkoren mensen uit de diepte van de zondeval val gaat oprapen. O, onuitsprekelijk wonder van genade, hier wordt Hij aangewezen, de Heere Jezus Christus. De adventsroep Waar zijt gij? is een roep om Christus.

Als de Heere God roept tot Adam Waar zijt gij? moet Adam verstommen. De eerste Adam moet zeggen: ‘Ik ben hier in het struikgewas van de hof van Eden, om mijn eigen schuld.’ Maar nu is er de tweede Adam, de Meerdere van Adam, de zondeloze Adam, Jezus Christus. Hij kan en wil uit genade de zonde van de eerste Adam verzoenen en teniet doen.

 

O, gemeente, mogen we op Zijn komst wijzen? In de stilte van de eeuwigheid was Hij daar in Zijn verlossend komen. Toen de Vader vroeg Waar zijt Gij? is de Zoon naar voren getreden en heeft Hij gezegd: Zie, Ik kom; in de rol des boeks is van Mij geschreven (Ps. 40:8). ‘Hier ben Ik, o Vader. Mijn liefde en Mijn ijver branden.’ Zie deze Zaligmaker, zo volkomen gewillig en bereid!

In de volheid van de tijd was er Zijn vernederend komen. Want de Zaligmaker is Zijn belofte nagekomen. De Vader wilde Zijn Zoon geven, maar de Zoon wilde ook Zelf gaan. Op de kerstdag zullen we het horen: En zij baarde haar eerstgeboren Zoon en wond Hem in doeken en legde Hem neder in de kribbe (Luk. 2:7). Jongens en meisjes, Kerst betekent dat de Heere Jezus in deze wereld is gekomen. Waar zijt Gij? In de kribbe van Bethlehem. Zie Hem komen in Zijn menswording. Zie Hem komen in de staat van Zijn diepe vernedering.

 

Zijn komen was ook een verzoenend komen. De Heere Jezus is 33 jaar lang in deze zondige wereld geweest. Aan het einde van Zijn leven hier op aarde gaat Hij naar een hof. Niet naar de hof van Eden, maar naar de hof van Gethsémané, aan de voet van de Olijfberg. Daar begint de Borg droevig en zeer beangst te worden. In deze olijvenhof klinkt tot Christus de vraag: Waar zijt Gij? De Borg heeft Zich niet verscholen. De discipelen zijn alle kanten opgevlucht tussen de bomen en de struiken van de olijvenhof. Maar de Borg Christus is naar voren getreden en heeft het gezegd: Indien gij dan Mij zoekt, zo laat dezen heengaan (Joh. 18:8). ‘Vader, als U in Uw Goddelijk en heilig recht Mij dan zoekt, zie hier ben Ik. Maar laat dezen vrijuit gaan.’ Zie deze plaatsbekledende Borg in de hof, Die alles doet voor een volk dat wegvlucht en tegenwerkt.

Deze Held gaat verder naar Golgotha. Daar hangt Hij in de drie-urige duisternis, in de verzengende hitte. Daar wordt Hij door Zijn Vader gezocht met de eis Waar zijt Gij? De volle, ondeelbare toorn komt neer op Sions betalende Borg. Daar op de kruisheuvel is Hij opgekomen voor de eer van Zijn Vader en heeft Hij voldaan aan het recht van Zijn Vader. Hij heeft Gods eer hersteld, Gods recht bevredigd, Gods volk verlost. Hij heeft het verbond der genade en verzoening besloten toen Hij het in Zijn kroonwoord heeft uitgeroepen: ‘Teteléstai’, het doel is bereikt, het is volbracht (Joh. 19:30).

 

Waar zijt Gij? In de hof van Jozef van Arimathéa was er Zijn overwinnend komen. De Vader wekte Zijn op uit de dood tot een teken dat Zijn recht volkomen was bevredigd. Christus zocht Zijn weggevluchte jongeren op en troostte hen met Zijn Middelaarswerk. Bang hadden ze de vraag gesteld Waar zijt Gij?, maar toen Jezus op de Paasavond binnenkwam achter de gesloten deuren kwam het verlossende antwoord: ‘Zie hier ben Ik, Ik ben uw heil alleen, vrede zij ulieden!’ In Zijn wonden mochten ze het geheim van hun zaligheid lezen. Ze werden verblijd bij het zien van hun Heere.

Op de veertigste dag na Zijn opstanding keerde de Borg terug naar de hof van de hemel. Zie Hem in Zijn verheerlijkt komen! Waar zijt Gij? De apostel schrijft in de Hebreeënbrief: Om nu te verschijnen voor het aangezicht Gods voor ons (Hebr. 9:24). Voor óns, Zijn schuldig en strafwaardig volk, bracht Hij Zijn eigen bloed in het binnenste heiligdom. Wie kan het bevatten?

 

Waar zijt gij? Deze vraag is een verdiepende vraag in het leven van Gods volk. De Heere gaat immers dieper ontdekken aan de zonde, de schuld en de verlorenheid. Als de tranen van hartelijk berouw opdrogen, als onze innige gebeden verflauwen, als de bemoedigingen verminderen, als we onder onze offers ‘tekort’ moeten gaan schrijven. Als de Heere komt met Zijn recht en het drukt op onze ziel: Waar zijt gij? Als we inleven dat het struikgewas ontoereikend is en de vijgenbladeren ons niet helpen.  Als we, zoals Calvijn zegt, als een schuldige voor Gods rechtbank worden gedaagd. Dan moet de hand op onze mond, dan moeten we zwijgen en het oordeel aanvaarden. Dan moeten we op de vraag Waar zijt gij? doorleven: ‘O, Heere, ik ben buiten U en zonder U, om eigen schuld. Uw doen is rein, Uw vonnis gans rechtvaardig.’

 

Als Gods kinderen moeten verstommen bij de vraag Waar zijt gij?, als zij moeten zwijgen en het oordeel toestemmen, komt er ruimte van de andere kant. Christus treedt voor hen naar voren en zegt: Vader, verlos hem (of haar), dat hij (of zij) in het verderf niet nederdale, Ik heb verzoening gevonden (Job 33:24). Dan is er behoudenis in een Ander. Een wonder als de Heilige Geest door Gods Woord deze vrijspraak bevestigt in het hart.

O gemeente, dat is toch nooit te begrijpen?! Voor de zondeloze tweede Adam Gods recht en toorn, voor de zondige eerste Adam Gods genade en leven. Voor allen die in Christus zijn is er genade op grond van het recht dat de Zaligmaker heeft voldaan. Dan is mijn ongerechtigheid verzoend, dan is er een eeuwige gerechtigheid aangebracht door het offer van Christus. Dan is de vraag Waar zijt gij? volkomen beantwoord door de Borg Jezus Die voor mij in de plaats wilde staan.

Dan doorleven we iets van de laatste woorden van de Nederlandse Geloofsbelijdenis in artikel 17, waar staat dat God de mens heeft getroost met de komst van Zijn Zoon om hem ‘gelukzalig’ te maken.

Hebben we weleens iets van dat woord ‘gelukzalig’ geproefd? Wanneer je nu als zo’n rampzalige zondaar doorleeft: ‘Heere, ik heb verdiend om eeuwig buiten U om te komen’, maar dat dit nu nooit zal gebeuren omdat Christus voor mij de losprijs wilde betalen. Dan smaken we iets van dat woord ‘gelukzalig’, vol van het ware en hoogste geluk.

 

Gemeente, jongeren en ouderen, hoe is het met ons op deze adventszondag? De roep van de Heere God klonk in het paradijs: Waar zijt gij? Waar bent u, waar ben jij? Die adventsroep klinkt ook nu.

 

Waar zijt gij? Straks zal het voor ons zo’n vreselijke vraag zijn, als we gebleven zijn in onze zonde. Dan kunnen we niet meer vluchten en onszelf bedekken. Weet je wat we dan zullen roepen? Niet: ‘Bomen valt op ons en bladeren bedekt ons’, maar: Bergen valt op ons en heuvelen bedekt ons (Luk. 23:30). O, geliefde gemeente, zullen we eraan denken wat het betekent om onbekeerd door te leven en straks onbekeerd te sterven?

Daarom is het ook zo’n dringende vraag: Waar zijt gij? Die vraag geldt ons allen, hier in de kerk of thuis in het meeluisteren. Bedenk toch, nú is het de welaangename tijd, nú is het de dag der zaligheid. En dan hoeft niemand van ons te wanhopen aan de genade die er bij God in Christus te krijgen is. Deze genade is bij de Heere ruim voorhanden. Zoek Hem dan toch in de dag van uw, van jouw zaligheid. En dat is nú.

Kinderen des Heeren, het is ook een vertroostende vraag: Waar zijt gij? Op de dag van uw sterven zal er door het werk van de Borg Jezus Christus volkomen zaligheid zijn naar de ziel. En op de dag van de wederkomst zal deze Borg naar voren treden en zeggen: ‘Zie, Vader, Ik en de kinderen die Gij Mij gegeven hebt. Er is niemand achtergebleven, Ik heb hen allen gevoerd uit het verloren paradijs en hen gebracht in het hemels paradijs.’

 

Gemeente, met het oog op onze eeuwige toekomst klinkt in deze preek voor de laatste keer de roep: Waar zijt gij?

Neem de vraag mee: Waar zal ík straks zijn in de eeuwigheid?

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 85: 4

 

Dan wordt genâ van waarheid blij ontmoet;

De vrede met een kus van 't recht gegroet;

Dan spruit de trouw uit d' aarde blij omhoog;

Gerechtigheid ziet neer van 's hemels boog;

Dan zal de Heer’ ons 't goede weer doen zien;

Dan zal ons 't land zijn volle garven biên;

Gerechtigheid gaat voor Zijn aangezicht,

Hij zet z' alom, waar Hij Zijn treden richt.