Ds. A.T. Vergunst - Lukas 17 : 5

Een gebed om vermeerdering van het geloof

Lukas 17
De aanleiding tot dit gebed
De inhoud van dit gebed

Lukas 17 : 5

Lukas 17
5
En de apostelen zeiden tot den Heere: Vermeerder ons het geloof.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 72: 1, 4
Lezen : Lukas 17: 1 - 6 en Handelingen 3: 11 - 26
Zingen : Psalm 6: 1, 2 en 8
Zingen : Psalm 51: 1 en 4
Zingen : Psalm 130: 2 en 4

Gemeente, jonge vrienden, er zijn twee zaken die misschien wel de moeilijkste zijn in de verhouding tussen God en mensen. Beide hebben te maken met vergeving.

Eerst de vergeving van onze zonden door God. Als je werkelijk oog krijgt voor hoe erg de zonden tegen God zijn, dan zal je worstelen om te geloven dat God bereid staat om je te vergeven. Je vergeeft jezelf niet voor het kwaad dat je deed en dan te geloven dat God het wel doet, zal een worsteling zijn.

Het wonder wordt nog groter als je luistert naar wat Micha, de profeet, schreef. In Micha 7 vers 18 vroeg hij eerst, Wie is een God gelijk Gij, Die de ongerechtigheid vergeeft en de overtreding van het overblijfsel Zijner erfenis voorbijgaat? Het antwoord is duidelijk. Er is werkelijk geen god zoals de HEERE God! Vergeving uit genade is totaal onbekend bij alle andere godsdiensten. Maar dan voegt Micha er in vers 18 nog iets groters en verrassenders aan toe: Hij houdt Zijn toorn niet in eeuwigheid; want Hij heeft lust aan goedertierenheid. Dat betekent: Gods hart is helemaal gericht op vergeven. Hij vindt daar zelfs vreugde in. Is het niet moeilijk om te geloven, dat Hij vreugde vindt in vergeven, hoewel Hem dat Zijn Zoon kostte?

In vers 19 voegt hij er nog een kostbaar detail aan toe: Hij zal Zich onzer weder ontfermen; Hij zal onze ongerechtigheden dempen; ja, Gij zult al hun zonden in de diepten der zee werpen. Zonden in de diepten van de zee werpen houdt in dat Hij ze als het ware begraaft in de diepe oceaan van Zijn liefde. In Psalm 103 gebruikt God een ander beeld: Zo ver het oosten is van het westen, zo ver doet Hij onze overtredingen van ons. Dat betekent dus dat Hij onze overtredingen nooit meer ter sprake zal brengen of ons behandelen zal naar onze zonden.

 

Het spreekt voor zich dat God de zonden niet vergeet. Want hoe zou de Alwetende iets kunnen vergeten, of iets niet meer weten? Het betekent echter dat Hij er niet meer op terug zal komen. Hij zal er nooit meer over beginnen. Hij zal ook geen wrok blijven koesteren. Hij zal Zich als het ware onze daden niet meer herinneren of ons daarnaar behandelen. Integendeel: Hij zal wie vergeving ontvangen hebben, behandelen alsof zij nooit iets zondigs tegen Hem hebben gedaan.

Is dat niet verbazend? Werkelijk waar, zo is alleen onze God!

 

Stel je voor hoe moeilijk het was voor de zondaren in Jerusalem in Handelingen 3. Ze hadden Jezus, de Levensvorst, eigenhandig gedood. God de Vader had alles aangezien en nu heeft Hij Zijn boodschapper naar die moordenaars gestuurd. Wat zal de boodschap zijn? Dat zal niet mals zijn, want ze hebben een onschuldige man, Zijn Kind Jezus, aan het kruis genageld. Maar in Handelingen 3 vers 26 spreekt God de Vader tot deze moordenaars, God, opgewekt hebbende Zijn Kind Jezus, heeft Denzelven eerst tot u gezonden, dat Hij ulieden zegenen zou, daarin dat Hij een iegelijk van u afkere van uw boosheden. De nadruk ligt dat Hij eerst deze boodschap aan de moordenaars stuurde. En de boodschap is niet: Vervloekt voor altijd! Nee, Hij is gekomen om hen te zegenen. Gemeente, zou dat ook onze eerste reactie zijn naar iemand die uw kind heeft vermoord? Hoe onvoorstelbaar dat God ons ook zo’n boodschap stuurt!

 

Maar het tweede wat heel moeilijk is, is om iemand te vergeven die tegen ons gezondigd heeft. Stel iemand heeft jou diep gekwetst of beledigd. Je naam door het slijk gehaald. Of iemand heeft je mishandeld. Wat kan het ontzettend moeilijk zijn zo-iemand te vergeven, ja, hartelijk te vergeven. Alleen die dit laatste doorgemaakt hebben, weten hoe moeilijk dit is. De woorden die de Heere Jezus ons voorhoudt in Lukas 17 vers 4 zijn ingrijpend: En indien hij (uw broeder) zevenmaal daags tegen u zondigt, en zevenmaal daags tot u wederkeert, zeggende: Het is mij leed; zo zult gij het hem vergeven. Later wilde Petrus nog even weten of zeven wel de limiet was. In Mattheüs 18 vers 22 legt Jezus uit hoe Hij die zeven keer bedoelt: Ik zeg u, niet tot zevenmaal, maar tot zeventigmaal zevenmaal.

 

Vrienden, die twee moeilijke dingen, namelijk het persoonlijk geloven in Gods vergeving van onze zonden tegen Hem en het persoonlijk vergeven van iemand die tegen je gezondigd heeft, vragen om méér dan alleen goede voornemens. Dit gaat echt ons menselijk vermogen te boven. Het vergt namelijk een ongelofelijke hoeveelheid liefde. Niet? En toch vroegen de discipelen niet, “Heere, vermeerder alsublieft onze liefde dat we ook echt altijd zo kunnen doen.”

Nee, ze vroegen wat we onze tekst voor vandaag lezen, in Lukas 17 vers 5:

 

Heere, vermeerder ons het geloof.

 

We letten op

Een gebed om vermeerdering van het geloof

 

We denken daarbij over twee dingen na:

 

1. De aanleiding tot dit gebed.

2. De inhoud van dit gebed.

 

1. De aanleiding tot dit gebed

 

In de voorgaande vier verzen lezen we wat de aanleiding is voor dit gebed. Jezus begint zijn onderwijs door in vers 1 een algemeen beginsel te noemen: Het kan niet zijn dat er geen ergernissen komen. Het is dus onvermijdelijk dat er, zelfs onder Zijn eigen discipelen, zondig gedrag zal voorkomen. Er zullen momenten zijn waarin we elkaar verdriet of pijn doen, of aanstoot geven. De Heere weet dat zelfs Zijn allerheiligste kinderen in deze wereld onvolmaakte heiligen zijn. Hij weet dat Zijn Kerk in deze wereld eerder een kliniek met herstellende zondaren is dan een galerij van heiligen.

Maar let vooral op de ernstige waarschuwing die Hij erbij voegt: Doch wee hem, door welken zij komen; het zou hem nutter zijn, dat een molensteen om zijn hals gedaan ware, en hij in de zee geworpen, dan dat hij een van deze kleinen zou ergeren.

Dat is stevige taal en een hele ernstige waarschuwing van de Koning! De Heere Jezus heeft altijd oog voor de kleinen. Dat zijn de jong gelovigen. Die zijn nog zo wankel en wee ons, als we door onze handelingen of woorden de oorzaak zijn dat die jongeren in zonde vallen.

 

Deze dingen gebeuren echter. Het zal de aanleiding geweest zijn dat de Heere Jezus Zijn onderwijs voortzet in vers 3. Hoe gaan we met een medebroeder of zuster om die tegen je heeft gezondigd?

 

“Wacht uzelve” is het eerste. Dat spreekt Hij tegen een die beledigt, bezeerd, beschaamd is geworden door de zonde van een ander tegen hem. Zo’n persoon moet in actie komen. De Heere wil niet dat we net doen alsof het niet gebeurd is. Dat wordt vaak gedaan maar dat werkt funest. Dan gaat er in een relatie iets helemaal scheef. De rot komt erin, om het maar eenvoudig te zeggen.

 

Wat is dat de actie die de Heere Jezus beveelt? Indien uw broeder tegen u zondigt, zo bestraf hem.

Zonder aan te geven om welke overtreding het hier gaat, beveelt de Heere ons dus die broeder of zuster op deze zonde aan te spreken. Aan te spreken in de zin van een vermaning. Een vermaning is een bemoedigende aansporing om je te bekeren van de zonde. Zoiets moet liefdevol gebeuren, zoals we lezen in Efeze 4 vers 15: de waarheid betrachtende in liefde.

 

We moeten dus de ander in liefde aanspreken. Misschien voelt het niet zo, maar volgens Leviticus 19 vers 17 is het vermanen van een broeder echt een daad van liefde: Gij zult uw broeder in uw hart niet haten; gij zult uw naaste naarstiglijk berispen, en zult de zonde in hem niet verdragen. Als wij iemand in zijn of haar zonden laten, dan falen we in de liefde. De zondaar gaat dan zonder vergeving verder en als dat zo blijft, dan zal hij straks met het oordeel van God te maken krijgen. Maar als wij alles doen wat wij kunnen doen om een zondaar te bekeren van zijn zondige weg, dan beoefenen wij daarmee juist de hoogste liefde tot hem.

Deze hoogste liefde bestaat niet alleen in het vermanend spreken over zijn zonde, maar vooral daarin dat we dat doen met de intentie en de bereidheid hem of haar te vergeven. Zo benaderde God hen die Jezus daadwerkelijk kruisigden. Hij vermaande hen duidelijk over hun zonden. Tóch toont Hij bij dit strenge verwijt tegelijk ook Zijn bereidheid hen te vergeven. Zo’n liefdevolle benadering met het Evangelie heeft meer overtuigingskracht dan het alleen wijzen op de zonde. De Puriteinen in Engeland zeiden vaak dat de wet wel overtuigt, maar dat het Evangelie van de liefde Gods harten doet smelten en tot ware bekering leidt.

 

De volgende stap voor degene die onrecht is aangedaan, hangt af van de reactie van de dader. Jezus zegt: En indien het hem leed is, zo vergeef het hem. Wat wordt bedoeld met ‘indien het hem leed is’? Dat houdt in dat hij berouw toont, spijt betuigt, dat hij zich schaamt voor de zonde. Als we dat als echt leed ervaren, dan worden we ook heel ruim in het belijden van de zonde die we deden. Dan zijn er geen verontschuldigingen meer. Dan wordt het niet, “Ja maar jij deed ook dit of dat ...” Mooi als we kort en bondig en eerlijk belijden wat we verkeerd deden en de pijn en schade bij name noemen.

 

U kent het wel in je eigen gezin. Kinderen zeggen nogal gemakkelijk “Sorry!” tegen een broer of zusje. Maar is dat met leed? Is dat ootmoedig erkennen wat we precies zondig deden? Hoe mooi als we zoiets horen als, “Ik zie in dat ik helemaal verkeerd reageerde, en dat ik pijn deed door mijn woorden.” Of, “Ik was echt gemeen en zelfzuchtig toen ik dat zo zei. Ik heb er echt verdriet van. Wil je het me vergeven?”

 

Waarom is dit zo moeilijk om te zeggen? Het is zo moeilijk, omdat wij zulke trotse mensen zijn en er een hekel aan hebben onszelf te vernederen. Dat voelt als afgaan, als verliezen, terwijl het in werkelijkheid juist een overwinning is. Wanneer je namelijk je eigen geest overwint, ben je sterker dan degene die in zijn eentje een hele stad inneemt.

 

In dit alles moeten we er wel voor waken niet net zo te doen als Adam en Eva. Toen de Heere hen ter verantwoording riep, begonnen zij elkaar de schuld te geven. We mogen niet onze zonden goedpraten of bagatelliseren. We mogen niet onze schuld – of een deel daarvan – afschuiven op degene tegen wie we zondigde. Doet we dat wel, dan is onze bekering maar ten dele. We hebben dan geen oprechte spijt van het verkeerde gedrag. In ‘spijt betuigen’ gaat het niet over wat een ander heeft misdaan. Het gaat om onze eigen zonden. We behoren die te benoemen en met schaamte belijden.

 

Wat is het moeilijk om jezelf over te geven in de handen van degene tegen wie u gezondigd hebt. Iemand die oprecht zijn zonden voelt en zich ervan wil bekeren, beseft dat hij zijn rechten heeft verspeeld en zo leggen we ons als het ware op hun genade.

We kunnen hier leren van David, toen hij zijn schuld erkende in de zonde van overspel met Bathseba. Bathseba was zelf ook niet zonder schuld. Welke vrouw wast zich immers op een plek met open zicht vanuit het paleisvenster? Toch neemt David alle schuld op zich en zegt: Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd, en gedaan, wat kwaad is in Uw ogen; opdat Gij rechtvaardig zijt in Uw spreken, en rein zijt in Uw richten (Ps.51:6).

 

Het onderwijs van de Zaligmaker gaat verder: Indien het hem leed is, (…) vergeef hem.

Hoort u dat? Wij worden bevolen hem of haar te vergeven op het moment dat er schuld wordt beleden. Dat zal ook gezegd moeten worden tegen hen die hun berouw uiten. Maar laat dit heel duidelijk zijn. De Heere zegt, “Indien het hem leed is.” Vergeving is niet mogelijk als er geen berouw over de zonde wordt geuit. Vergeeft God onze zonden waarvan wij ons niet bekeren, die wij niet beamen en aan Hem belijden? Nee, dat doet Hij nooit. Hoewel Hij gewillig is om te vergeven en zelfs lust heeft in het vergeven, zal dat niet ons deel zijn als wij ons niet van onze zonden bekeren en Hem in de belijdenis van onze zonden zoeken voor vergeving.

De Heere zegt dus: ‘Als het hem leed is, vergeef hem.’ Vergeven heeft in de grondtaal de betekenis van ‘wegzenden.’ De Heere verwacht dus dat wij de zonden zo ver van ons wegdoen, dat er niet meer over denken en ze ook nooit weer opbrengen. Vergeven is de zonde wegwerpen in de diepte van de oceaan, waar het wegzinkt, helemaal buiten ons bereik. Dit beeld wordt gebruikt om duidelijk te maken dat u niet moet blijven hangen bij wat ooit verkeerd is gegaan. Dus vergeving houdt niet in, dat we zeggen dat we het gedane kwaad vergeven, maar tegelijk wrok blijven koesteren tegen de persoon aan wie wij vergeving hebben geschonken. Als we blijven denken en spreken over het kwaad dat tegen ons gedaan is, dan hebben we het niet vergeven.

 

Echt iemand vergeven is zo moeilijk. Vergeven ligt niet in onze gevallen aard! Een berouwvolle zondaar vergeving bieden, vooral als je diep verwond bent, is een bovenmenselijke prestatie. Spreekt en denkt nooit gemakkelijk over dit vergeven, vooral voor hen die soms de rest van hun leven de schadelijke gevolgen van de zonde, die tegen hen gedaan zijn, ervaren. Denk aan hen die misbruikt zijn en daardoor ook emotioneel beschadigd zijn. Zulke verwonde harten moeten wel bijzondere genade ontvangen om werkelijk te kunnen vergeven. Bij oprechte vergeving beloven we dat we er in de toekomst niet meer op terug komen. In vergeven begraven de daad.

 

Echt vergeven zal overigens niet altijd betekenen dat een verhouding volledig in dit leven hersteld wordt, denk vooral aan hen die hun mishandelaar door genade, op berouw, vergeven.

 

We gaan weer verder om het onderwijs van de Meester te volgen: En indien hij (uw broeder) zevenmaal daags tegen u zondigt, en zevenmaal daags tot u wederkeert, zeggende: Het is mij leed; zo zult gij het hem vergeven. De discipelen hebben elkaar hier misschien wel met grote vraagtekens in hun ogen aangekeken. ‘Echt waar, Heere? Is dit echt wat U van ons vraagt? Wie is in staat zo te vergeven en dat bovendien ook nog eens meerdere keren? Hoe kunnen wij dit vol liefde, oprecht en ruimhartig doen en dat zelfs bij herhaling weer doen?’

Het zou daarom heel begrijpelijk zijn als ze aan hun Meester hadden gevraagd: ‘Heere, vermeerder onze liefde. Giet uw liefde meer en meer in onze harten uit, zodat wij kunnen doen zoals U nu van ons vraagt.’

 

Maar waar vragen ze om? Heere, vermeerder ons het gelóóf. Hoe moeten we dat begrijpen? Wat heeft vermeerdering van het geloof te maken met de opdracht lief te hebben en elkaar tot wel zeven keer te vergeven, of zoals Jezus dat in Mattheus 18 vers 22 zegt: ‘zeventigmaal zevenmaal’?

 

Laten we nu als tweede punt de inhoud van deze bede om geloof dieper overdenken, en hoe dit zich verhoudt tot de opdracht die Jezus hier geeft.

Maar we zingen eerst Psalm 51:1, 4

 

Genâ, o God, genâ, hoor mijn gebed;

Verschoon mij toch naar Uw barmhartigheden;

Delg uit mijn schuld, vergeef mijn overtreden;

Uw goedheid wordt noch paal noch perk gezet.

Ai, was mij wel van ongerechtigheid;

Mijn schuld is zwaar, ik heb Uw wet geschonden;

Zie mijn berouw, hoor hoe een boet’ling pleit,

En reinig mij van al mijn vuile zonden.

 

Ontzondig mij met hysop, en mijn ziel,

Nu gans melaats, zal rein zijn en genezen;

Was mij geheel, zo zal ik witter wezen

Dan sneeuw die vers op ’t aardrijk nederviel.

Ai, geef mij weêr gewenste zielenvreugd;

Laat uit Uw mond mij stof tot blijdschap horen;

Zo wordt opnieuw ’t verbrijzeld hart verheugd,

En in mijn geest de ware rust herboren.

 

2. De inhoud van dit gebed

 

Heere, vermeerder ons het geloof.

Wat hebben de discipelen op het oog met deze bede en hoe verhoudt zich dat tot de goddelijke opdracht die Jezus zojuist gegeven heeft?

Ik zei al dat eerst de discipelen wel naar elkaar gekeken zullen hebben met een, “Meent onze Meester dat echt?” Want het beeld dat de Heere hier schetst, lijkt voor ons mensen onhaalbaar. Als iemand bewust en opzettelijk tegen u zondigt, en dat zeven keer op één dag doet, waarbij u samen zeven keer door het proces gaat van confronteren met de zonde, gevolgd door berouw en vergeving, dan gaat dit voor ons gevoel al héél ver. Dat lijkt haast niet de werkelijkheid. Wie zondigt er nu als geloofsbroeders zo tegen elkaar?

 

Maar ben ik abuis als er door deze woorden over elkaar vergeven een nog veel grotere waarheid begint te schijnen? Want, wat onwerkelijk lijkt tussen geloofsbroeders is niet onwerkelijk in onze wandel, ons spreken, doen en laten voor God. Dan is het niet zo onhaalbaar om zeven keer per dag te zondigen. Wie zichzelf leert kennen, zal weten dat dit zevental snel bereikt is! Denk eens over de eerste tafel van Gods liefde? Hij gebiedt ons daarin Hem lief te hebben met geheel ons hart, onze ziel, ons verstand en onze krachten. Dat geldt niet alleen als we in de kerk zitten, maar ook als we op ons werk zijn, met onze buren spreken of op onze telefoons bezig zijn.

Hebt u de Heere liever dan uw eigen welstand? Is Zijn Naam u dierbaarder dan uw familienaam? Bent u bereid uw vader of uw moeder te verlaten, als u moet kiezen tussen de Heere en hen? Bent u bereid tot financiële schade of het verlies van uw bedrijf, als dat van u zou worden gevraagd omwille van Zijn Naam?

Hebt u Hem lief zoals Jezus Zijn Vader liefhad? Hij Die sprak: Het is mijn welbehagen om Uw wil te doen, en dat zelfs toen dat zo’n hoge prijs vergde? Als we zo nog even doorgaan, is dan niet realistisch en helemaal niet overdreven, dat wij zeven keer per dag tegen Hem zondigen?

 

Als we daar dan ook nog de tweede tafel van de wet bijhalen, gaat dit punt alleen nog maar zwaarder wegen. Hebt u uw dwalende broeder of zuster zó lief, dat u uw eigen gemak en tijd voor hem opoffert? Ontslaat het u van uw plicht om hem of haar te zoeken, omdat hij of zij u onvriendelijk zou kunnen benaderen? Hebt u uw eigen vlees en bloed, bijvoorbeeld uw eigen broer of zus zo lief als Jezus Zijn vijanden liefhad? Treedt u hen die u hebben beledigd, gesmaad of gepijnigd met liefde tegemoet en met de bereidheid om hen te vergeven? Is er de houding in u die ook in Stéfanus was, toen ze hem stenigden: Heere, reken hen deze zonde niet toe? Bent u bereid afstand te doen van rechten of iemand die u beledigt, de andere wang toe te keren? Een extra kilometer met hem te gaan om zo de liefde van Christus te laten zien?

 

Ziet u wel dat het helemaal niet ondenkbaar is dat wij echt elke dag zeven keer zondigen tegen God? Ons bestaan is zondig en voldoet niet aan het doel om tot Gods eer te leven. Behalve dit zondige gedrag, zijn er ook nog de zonden van onze gedachten en woorden. Om nog maar te zwijgen over zonden van nalatigheid: zonden van iets niet doen of zijn, wat wel zou moeten voor Gods aangezicht en tegenover onze naasten.

Iedere dag die geleefd wordt als een onbekeerde, ongelovige zondaar betekent 24 uur vol zonden! Hoe vaak hebt u al dagen van genadetijd die u gegeven zijn, verspild? Hoe vaak hebt u de werkingen van de Heilige Geest gericht op uw bekering, al tegengestaan? Zeven keer of zeventig keer zeven keer is zeker geen overdrijving als het gaat over onze zonden tegen onze Schepper.

 

De duisternis van ons verloren leven te verkiezen boven het licht van een leven gewijd aan God is niet minder erg dan wat de Joden deden die Jezus in zijn gezicht spuugden, of de menigte die om Zijn kruisiging riep. We huiveren bij de gedachte zoiets te doen tegen Christus als Persoon, maar kunnen zo gemakkelijk leven met een koud hart dat Zijn geboden of Zijn Evangelie minacht. Maar weet, vrienden, dat dit juist de zonden zijn, die God ernstiger acht dan de zonden van Sodom en Gomorra.

 

Dringt dat tot u door? Brengt dat u tot de verslagenheid van hart, waarvan we lezen van de hoorders op de pinksterdag? Hoor ik u zeggen: ‘Wat moet ik doen? Hoe kan ik mijn zonden ongedaan maken en uitwissen?’

 

Het antwoord van Petrus is rechtdoorzee: ‘U kunt uw zonde van het doden van de Vorst des Levens niet ongedaan maken.’ Wij kunnen geen zonden uitwissen. Zelfs een oceaan van tranen is niet in staat ook maar één zonde weg te wassen. Bergen van goede werken kunnen de schuld van één zonde tegen de oneindig heilige God niet bedekken. Wij hebben te doen met een schuld van bovenaardse omvang, waaraan alle goud, zilver of een oneindige vloed van woorden niets kunnen afdoen.

Dit is een schokkende werkelijkheid. Laat dit op u inwerken: wij hebben de hoogste Majesteit in de hemel beledigd en oneer aangedaan. En dat niet één keer, of af en toe. Wij hebben dit ontelbare keren gedaan en alles is in de hemelse registers opgetekend onder uw naam. Het is zoals wij we nog zullen zingen: ’Als u de ongerechtigheid zou gadeslaan, wie zou dan bestaan?’ God slaat onze ongerechtigheid gade en Hij kan de eisen van Zijn heilig recht niet opzijzetten.

 

Het is echt een gezegend moment als Gods Geest uw geweten binnendringt en u tot de uitroep brengt: ‘Wat moet ik doen om gered te worden van de rechtvaardige en heilige toorn van de door mij beledigde Majesteit?’

Hoor Zijn antwoord. Hij is bereid u al uw zonden te vergeven! Hoor wat Hij zegt in Handelingen 3 vers 19: Betert u dan, en bekeert u, opdat uw zonden mogen uitgewist worden. En opnieuw in vers 26: God, opgewekt hebbende Zijn Kind Jezus, heeft Denzelven eerst tot u gezonden, dat Hij ulieden zegenen zou, daarin dat Hij een iegelijk van u afkere van uw boosheden. We hebben net zoals de discipelen te bidden “Vermeerder mijn geloof.”

Twijfel er niet aan dat ook u wordt verwelkomd en omhelsd zal worden als de jongste zoon uit Lukas 15, die terugkwam bij zijn vader. Twijfel er niet aan dat er zelfs vergeving is als u zich hebt gedragen als de oudste zoon, die het liefdevolle verzoek van zijn vader afwees. Hoewel Jezus aan het eind van deze gelijkenis geen antwoord laat volgen op het smekende pleidooi van de vader, lezen we het antwoord in Lukas 23. Ze kruisigde Hem. Dus de gelijkenis eindigt eigenlijk met zoiets schokkends als, ‘En de oudste zoon nam zijn staf en sloeg daarmee zijn vader dood!’ Dat is precies wat de zondaren in Jeruzalem deden met Jezus Christus: ze kruisigden Hem!

 

En toch is op Pinksteren de eerste boodschap die Petrus mag laten klinken: God, opgewekt hebbende Zijn Kind Jezus, heeft Denzelven eerst tot u gezonden, dat Hij ulieden zegenen zou, daarin dat Hij een iegelijk van u afkere van uw boosheden. Hoort u wat God u te zeggen heeft? Hij staat gereed u te vergeven. God biedt u allen onmiddellijke en volledige vergeving, wanneer u zich bekeert en tot Hem terugkeert. Het is Zijn vermaak om genadig te zijn en Hij heeft er al zo lang naar uitgezien of u al naar Hem terug zou keren. Al lang voordat u zich bewust was van uw zonden, wachtte Hij al met bewogenheid op uw terugkeer, terwijl u uzelf struikelend pijnigde in uw dwaze en zondige leven.

 

Doet dit u naar adem snakken? Rijst het gebed ook in je hart, “Heere, vermeerder toch mijn geloof.” Vergeving, voor mij, na alles wat ik heb gedaan? Kan dat waar zijn? Kan God dat menen na al die jaren dat ik Hem negeerde en Zijn goedheid misbruikte voor mijn eigen belangen? Kan ik ervan op aan dat dit waar is? Ik heb Hem immers zo zwaar beledigd door Hem de schuld te geven; door me te verschuilen achter mijn gevallen staat, en die te gebruiken als een vroom excuus om mijn zondige leven vol te houden.

Hoe zou ik durven hopen dat dit voor mij geldt? Ik durf nauwelijks de zonden te benoemen die ik tegen mijzelf heb begaan, laat staan de schande en zonden te benoemen die ik tegen God bedreef. Zou het waar kunnen zijn dat er voor mij vergeving bestaat?

 

Ik hoor iemand al tegenwerpen: ‘Aan mijn handen kleeft niet alleen het bloed van Christus, maar ook het bloed van mijn eigen kind. Ik heb een abortus laten plegen. Zou er voor zo’n zondaar als ik zelfs vergeving mogelijk zijn?’

Of iemand anders, die zegt: ‘Zou ik dit kunnen geloven na al de jaren, waarin ik met bedrog mijn zonden van misbruik, liegen en het schenden van de reinheid van mijn huwelijk met porno bedekte?’ Is het echt waar dat God bereid zou zijn deze zonden, die mij dag en nacht aanstaren te vergeven, al probeer ik die ook uit alle macht te onderdrukken en te vergeten?

 

Gemeente, jonge vrienden, ja! Er is vergeving voor u! Johannes schrijft dat in 1 Johannes 1 vers 8: Het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde. Hoewel wij dit nooit zullen kunnen begrijpen, maakt God ons bekend dat Hij vreugde vindt in het vergeven van zondaren. Hij was bereid daarvoor de hoogste prijs te betalen, namelijk die van de dood van Zijn eniggeboren Zoon. Woorden zijn te arm! Welke tong zou al Zijn lof kunnen uitspreken?

 

Hoe het kan dat God zo is, is een vraag waarop wij geen antwoord hoeven te geven. Daarop hebben wij ook geen antwoord. Hij roept ons op dit te gelóven en daarvan verzekerd te zijn. Meet Hem niet af naar uw eigen hart, hoe ruimhartig u wellicht ook bent in het anderen willen vergeven. Vertrouw op hoe Hij zich in Zijn Woord en in Zijn daden bekendmaakt. Hij heeft Zijn eigen Zoon niet gespaard, maar het behaagde Hem om Hem aan het kruis te hangen en de weg tot vergeving mogelijk te maken. Hij moedigt goddeloze en opstandige zondaren aan zich over te geven en naar Hem terug te keren. Leest u maar in Jesaja 55 vers 8 en 9 hoe Hij zich bekendmaakt: Want Mijn gedachten zijn niet ulieder gedachten, en uw wegen zijn niet Mijn wegen, spreekt de Heere. Want gelijk de hemelen hoger zijn dan de aarde, alzo zijn Mijn wegen hoger dan uw wegen, en Mijn gedachten dan ulieder gedachten.

Deze vaak geciteerde woorden uit Jesaja verwijzen niet naar Zijn voorzienigheid, maar naar Zijn ongelofelijke bereidwilligheid en vreugde om zondaren vrij te spreken. De beste verklaring van deze woorden geeft de Heere Jezus Zelf in de gelijkenis uit Lukas 15.

 

Let wel, toen de jongste zoon terugkeerde bij zijn vader, vroeg hij niet om vergeving. Hij was dat ook niet van plan, want hij had al zo vaak gehoord dat na zo’n zonde als hij gedaan had, de deur voor hem voorgoed dicht zou blijven. Hij zou gezien worden als een dode zoon. Hij kwam er echter achter dat Hij een verkeerd beeld had van de barmhartigheid van zijn vader en van zijn bereidheid hem ondanks alles vergeving te schenken.

Vrienden, ik verzeker u dat, al bent u net zo diep gevallen als deze jongste zoon of zelfs schuldig aan het nog veel ernstiger kwaad van zijn oudste broer, u vergeving zult ontvangen wanneer u terugkeert tot God.

 

Begrijpt u nu waarom de discipelen reageren met de woorden: Heere, vermeerder ons het geloof?

Het werd hun duidelijk dat, als God van ons vraagt elkaar wel tot zeven keer per dag te vergeven, Hij Zélf die bereidheid heeft en het ook doet. De Heere Jezus had al eerder geleerd dat zij als God zouden moeten zijn. In Mattheüs 5 hoorden ze: Weest dan gijlieden volmaakt, gelijk uw Vader, Die in de hemelen is, volmaakt is. Dat werd gezegd in verband met het liefhebben van elkaar. In Lukas 6 vers 36 hoorden ze: Weest dan barmhartig, gelijk ook uw Vader barmhartig is. Later werd Paulus geïnspireerd om te schrijven: Maar zijt jegens elkander goedertieren, barmhartig, vergevende elkander, gelijkerwijs ook God in Christus ulieden vergeven heeft (Ef.4:32).

Het is dus volkomen terecht dat aan het ‘vergeef elkaar zevenmaal’ kan worden toegevoegd: zoals uw Vader in de hemelen u vergeeft.

 

Geliefden, strijd tegen uw twijfels en wantrouwen met het Woord in uw handen. Satan en uw eigen hart houden u weg van de voeten van Jezus om daar vergeving te zoeken op grond van hoe God Zich bekendmaakt. Doe als Bunyan, die in een preek zei: ‘Verdwijn Satan, Jezus heeft mij geroepen! Verdwijn, ongeloof, want Jezus roept mij.’

Leer van wat McCheyne geschreven heeft: ‘Iedere keer dat ik ondervind hoe krachtig mijn zonden zijn, haast ik mij naar de genadetroon van mijn Zaligmaker.’ Maar, erkent hij, toch rijzen allerlei bezwaren hiertegen in mijn hart. Het voelt niet juist om rechtstreeks van die zwijnentrog te vluchten naar de genadetroon. Maar, zo eindigt hij, ik zie dat al deze bezwaren voortkomen uit het binnenste van de hel zelf, juist om te voorkomen dat ik naar mijn Heere vlucht.

 

Laat daarom het gebed van de apostelen ook ons gebed zijn: Heere, vermeerder ons het geloof. Help U mij te geloven dat U waarlijk mij niet alleen vergeven wilt maar ook vergeeft als ik met berouw in de Naam van Jezus vergeving zoekt. Denk niet dat u nog niet diep genoeg vernederd bent, of dat u nog niet echt hebt geweend over uw zonden, of omdat u zich meer zorgen maakt over de gevolgen van de zonden, dan over de zonden zelf. Dat is allemaal waar en dat zal nooit veranderen. Maar uw gedachten bevatten een levensgevaarlijke misvatting. U maakt namelijk uzelf en uw geestelijke situatie als de basis voor de hoop voor vergeving. Dit denken is tot oneer van Jezus en Zijn Vader. Vanaf het begin van alle tijden is duidelijk gemaakt dat het niet is om hem die wil, noch om hem die loopt, of weent, of zich bekeert, of zijn zonden belijdt. Nee, het is over God, Die overvloedige fontein die overloopt van genade, liefde, en bereidheid tot verzoening. Hij heeft dat mogelijk gemaakt door de hoge prijs van het offer van Zijn geliefde en enige Zoon.

 

Jezus beantwoordt het verzoek van Zijn discipelen door te zeggen: Zo gij een geloof hadt als een mosterdzaad, gij zoudt tot dezen berg zeggen: Ga heen van hier derwaarts, en hij zal heengaan; en niets zal u onmogelijk zijn (Matt.17:20).

Met andere woorden: geloof in Mijn vergeving van jullie zonden; het kan zo klein zijn als een mosterdzaadje, maar toch kan dat kleine geloof in de overweldigende genade van onze persoonlijke vergeving door God, ons in staat stellen onze naasten zo lief te hebben, zodat we ook de ander kunnen vergeven.

De liefde die hiervoor nodig is, is alleen daar waar wij door het geloof ondervinden hoe God dagelijks en onmiddellijk vergeeft. Het geloof, als het leeft en de genade van Christus ontvangt, is immers de oorsprong van alle christelijke deugden.

Alleen door het geloof in mijn dagelijkse vergeving voor repeterende en verschrikkelijke zonden, stelt mij in staat weerstand te bieden aan mijn wraakgierig en hoogmoedig hart, tegenover degene die tegen mij zondigde.

 

Laten we tot slot nog eens goed kijken naar wat God gebiedt en belooft in 1 Johannes 1 vers 9: Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve, en ons reinige van alle ongerechtigheid. God kan vergeven vanwege het bloed van Jezus Christus. God is bereid te vergeven vanwege de heerlijkheid van Zijn genadige aard.

Maar vergeving wordt niet ontvangen als wij nalaten tot Hem te komen met bekering en belijdenis van zonden. Velen denken dat de tijd uiteindelijk alle kwaad wel zal uitwissen. De valse hoop is dat als we gedane zonden negeren, anderen het zullen vergeten wat wij fout gedaan hebben. Niets is minder waar. Elke zonde die niet door belijdenis en vergeving wordt weggenomen, ettert als een gezwel in onze beenderen. We moeten op onze knieën voor God en onze zonden benoemen en ons ervoor schamen. Net als David deed in Psalm 32 vers 5: Mijn zonde maakte ik U bekend, en mijn ongerechtigheid bedekte ik niet. Ik zeide: Ik zal belijdenis van mijn overtredingen doen voor den HEERE; en Gij vergaaft de ongerechtigheid mijner zonde. Sela.

Doe als David. Smoor de stem van uw geweten niet en ga er ook niet mee in discussie. Luister naar de stem van God die daarin spreekt, of zoals bij David, zelfs brulde. U zult Hem daarin ontmoeten met meer bereidheid u te vergeven dan u bereid bent uw zonden te belijden. Hij houdt Zich aan Zijn eigen Woord en is trouw aan Zijn belofte U te vergeven.

Hij vindt vreugde in Zijn eigen verheerlijking in het vergeven van nederige, behoeftige en capitulerende zondaren. En dat niet één of twee keer, maar voortdurend weer wanneer u dagelijks tekortschiet.

 

Zou u niet willen instemmen met Micha als hij uitroept: Wie is een God gelijk Gij, Die de ongerechtigheid vergeeft? (…) Hij houdt Zijn toorn niet in eeuwigheid; want Hij heeft lust aan goedertierenheid (Mich.7:18).

Halleluja, looft de Heere, want Zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid.

Amen.

 

Slotzang: Psalm 130: 2 en 4

 

Zo Gij in ’t recht wilt treden,

O HEER’, en gadeslaan

Onz’ ongerechtigheden;

Ach, wie zal dan bestaan?

Maar neen, daar is vergeving

Altijd bij U geweest;

Dies wordt Gij, Heer’, met beving,

Recht kinderlijk gevreesd.

 

Hoopt op den HEER’, gij vromen;

Is Israël in nood,

Er zal verlossing komen;

Zijn goedheid is zeer groot;

Hij maakt, op hun gebeden,

Gans Israël eens vrij

Van ongerechtigheden;

Zo doe Hij ook aan mij!