Ds. A.T. Vergunst - Johannes 3 : 14 - 16

De Heere Jezus aan het kruis

Een hemels moeten
Een hemelse onmetelijkheid
De hemelse belofte

Johannes 3 : 14 - 16

Johannes 3
14
En gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, alzo moet de Zoon des mensen verhoogd worden;
15
Opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.
16
Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 145: 2 en 3
Lezen : Johannes 3: 1-21
Zingen : Psalm 89: 3 en 4
Zingen : Psalm 111: 1, 2 en 3
Zingen : Psalm 45: 1

We zongen zojuist: Wie is aan U gelijk, wie kan U evenaren? Ik hoop dat we aan het eind van de dienst met meer diepte en grotere verwondering uitroepen: Heere, wie kan ooit  Uw grootheid verstaan? Wie is aan U gelijk?

We gaan daarom onderzoeken wat de Heere Jezus in onze tekstwoorden over Zichzelf en over Zijn Vader aan ons wil doorgeven. De tekst voor de preek is één van de meest bekende teksten in de Bijbel, Johannes 3 vers 16:

 

Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.

 

Jongens en meisjes, Nicodémus was een wijze man. We zouden zeggen dat hij een dominee in Jeruzalem was. Op een dag hoorde hij Iemand preken die hem onbekend was. Die Prediker preekte niet alleen anders, Hij deed ook heel veel wonderlijke dingen. Juist een aantal dagen ervoor veegde Hij de tempel leeg en iedereen voelde het aan: Hij heeft gelijk! Zo hoort het niet, al dat handel drijven en dat rumoer in de tempel.

 

Nicodémus was ervan overtuigd dat deze predikende rabbi door God gezonden was. Luister maar hoe hij tot Jezus sprak: Rabbi (of Meester), wij weten, dat Gij zijt een Leraar van God gekomen; want niemand kan deze tekenen doen, die Gij doet, zo God met hem niet is. In het donker kwam hij de nieuwe Leraar opzoeken om met Hem te praten.

Het werd wel een gesprek waarin Nicodémus uiteindelijk niets meer te zeggen had. Was je dat opgevallen? In het begin had hij nog wel wat te zeggen. Opnieuw geboren worden? Ja maar, dat kan toch zomaar niet? Ik ben al een oude man, dat gaat toch niet meer?

Toen Nicodémus dat antwoord gaf, kreeg hij van de Heere Jezus een berisping. Dat zal hem best goed geraakt hebben. Jezus stelde hem een bijna snijdende vraag. Bent u nu een overste, een leraar van Israël, een dominee, en weet u dan deze dingen niet? Weet u niet eens dat u wedergeboren moet worden? Let eens op vers 7: Verwonder u niet – dus wees nu niet verbaasd – dat Ik u gezegd heb: Gijlieden moet wederom geboren worden. Verwonder u niet daarover, Nicodémus! Dat we een nieuw hart moeten hebben, staat immers heel duidelijk in het Oude Testament. Dat had deze Joodse leraar toch moeten weten!

           

Vrienden, zonder een nieuw hart is het onmogelijk om in Gods koninkrijk te leven. Het is niet alleen onmogelijk, maar het is zelfs verboden. De Heere Jezus leerde immers: Tenzij dat iemand wedergeboren worde, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien. We passen er niet in, net zoals een vis niet op een kerkbank kan zwemmen. Dat overleeft die vis niet. Kinderen, jullie begrijpen dat toch wel? Die vis hapt naar adem en stikt. Zo bedoelt de Heere Jezus het. Wij hebben een nieuw hart nodig om in Zijn koninkrijk te kunnen leven. Als we nu in de kerk zitten, zijn het dan alleen goede gedachten die in ons hart opkomen? Nou, dat weet je wel. We zitten vaak te dromen zonder te luisteren. Of nog erger, soms komen er zelfs hele slechte gedachten in ons op. Zelfs als we op de preekstoel staan, worstelen we soms met zondige gedachten! We zijn maar wat blij dat niemand onze gedachten kan lezen.

Niemand?

Jawel, God leest ze allemaal en Hij zegt ons steeds weer: Tenzij ons hart totaal vernieuwd is, zonder zonde, kunnen we niet in Zijn koninkrijk zijn. O, wees daarom dagelijks biddend bezig met het Woord van God. Want Gods Woord is het zaad dat Gods Geest gebruikt om ons hart te vernieuwen. De Heilige Geest blaast als het ware door het Woord in een mensenhart.

 

Maar dan gaat de Heere Jezus verder met Zijn onderwijs. In de tweede helft van Zijn preek spreekt Hij over de hemelse dingen. Wat zijn hemelse dingen? Dat zijn de dingen die nooit in een mensenhart zijn opgekomen. Dat zijn de hemelse openbaringen uit een oneindig groot Vaderhart. De Heere Jezus zegt dan niet: ‘Verwonder u niet dat Ik u gezegd heb...’ Nee, we moeten ons juist wél over deze dingen verwonderen!

 

We gaan nu vers 14 tot en met 16 nog eens lezen:

 

14. En gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, alzo moet de Zoon des mensen verhoogd worden; 15. Opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe. 16. Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.

 

Mag ik u allen uitnodigen om na te denken over de Heere Jezus, hangend aan het kruis?

 

In de tekstwoorden gaat het over drie dingen:

 

  1. Een hemels moeten. Luister maar: Gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogt heeft, alzo moet de Zoon des mensen verhoogd worden.
  2. Een hemelse onmetelijkheid. Want in vs. 16 lezen we: Alzo lief heeft God de wereld gehad.
  3. De hemelse belofte dat een iegelijk – wie dan ook maar – die in Hem gelooft, niet verderve – niet verloren zal gaan – maar het eeuwige leven hebbe.

 

1. Een hemels moeten

De Heere Jezus aan het kruis is een hemels ‘moeten’. Nicodémus hoort weer iets, wat hij nog nooit gehoord heeft. Deze Meester zegt dat iets wat Mozes gedaan heeft, herhaald moet worden. Herhaald moet worden! Inderdaad, zo zegt Hij het immers. Gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, alzo – op dezelfde manier – moet de Zoon des mensen verhoogd worden.

Kinderen, hoe was dat verhaal van Mozes en die slang in de woestijn ook al weer? De Heere was terecht heel boos. De Joden waren heel goddeloos bezig. Zij onteerden met grote woorden en een ongelovig hart hun Redder uit Egypte. Ineens zond God slangen onder de mensen en ze werden gebeten. Links en rechts stierven ze. Het was terecht, want weer hadden ze God getergd en Zijn liefde, Zijn genade en Zijn geduld verworpen. Zo liggen die mensen te sterven in de woestijn.

 

Weet je dat wij allemaal eigenlijk stervend zijn in de woestijn, als door een adder gebeten? Voel je dat aan? Sinds onze val in het Paradijs zijn we stervend in een stervende wereld. Zonder God zou er voor ons geen hoop zijn, net als voor al die door slangen gebeten mensen in de woestijn. Maar God gaf een verlossende taak en boodschap aan Mozes. Hij moest een koperen slang op een lange stok bevestigen en die omhooghouden, zodat iedereen die koperen slang kon zien. God gaf een middel om te verlossen! Wat een verbazende geschiedenis. Wat heeft de Heere God toch een groot hart!

Maar luister nu eens mee naar iets wat oneindig groter is. En gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, alzo moet de Zoon des mensen verhoogd worden. De Zoon des mensen moet verhoogd worden. Die Zoon is Jezus Zelf. Hij moet de hoogte in. Het zal voor Nicodémus een raadsel geweest zijn.

 

Wij weten nu dat Jezus daar het kruis mee bedoelde. Daar werd Hij als het ware op verhoogd.

Maar dat is toch geen verhoging? Dat is toch een verlaging? Leren we niet dat dit één van de stappen in Zijn vernedering is?

Ja, zeker wel. Maar tóch is het een verhoging. Want in deze vernedering van de Heere Jezus verhoogt God Zichzelf voor ons oog. God buigt zich oneindig diep neer om Zich met zondaren te verzoenen. In die onbeschrijfelijke daad verhoogt God voor ons oog Zijn heerlijkheid.

 

U en ik, wij allemaal zijn door eigen schuld verloren. De zonde heeft ons totaal vergiftigd. We zijn allemaal zondige en stervende mensen. We staan schuldig voor Hem. We kunnen niets meer doen om het beter te maken. We kunnen onze schuld niet verminderen, maar die alleen erger maken. Maar nu mag ik weer deze Heere Jezus in uw midden omhooghouden. Zie toch eens op deze verhoogde Middelaar, de Zoon des mensen. Hij hing daar stervend. Hij, Die altijd God en Zijn medemens liefhad. Hij Die altijd Gods geboden onderhield. Hij die nooit een zondaar beschaamde, die Hem aanriep. Hij werd op het kruis genageld. Dat moest Hij van God de Vader!

 

Moet? Waarom moet dat? Dat vind ik toch wel een vreemd woord in onze tekst. Moeten! Zoals die slang verhoogd wordt, alzo moet de Zoon des mensen verhoogd worden! Waarom moet dat dan? Ja, dat is zo’n Godsgeheim, dat is een hemelse waarheid. In dit ‘moeten’ kijken we heel diep in het hart van God. Er is een heilige reden, een goddelijk ‘moeten’ in het kruis. Dit hemels ‘moeten’ is nooit in een mensenhart opgekomen. Dat Hij als de Zoon van de mensen gekruisigd moet worden, zodat God Zichzelf met een zondaar kan verzoenen, is onbegrijpelijk. God, als de Eerste zoekt de verzoening met Zijn opstandige schepselen.

Denk nooit dat het zoeken bij ons begint. Het begon niet bij Adam en Eva, want die liepen hard weg van God. Nee, het is God, Die de eerste is. Het is God, Die de gevallen mens opzocht. En om dit te kunnen doen, moest de Zoon aan het kruis, want God kan alleen tot ons komen door het ‘moeten’ van Jezus aan het kruis.

 

Waarom dan? Omdat Hij een heilig en rechtvaardig God is. Hij kan niet zomaar een doodschuldige zondaar in Zijn huis laten leven. Dat kan een rechter toch ook niet doen met iemand die een moord pleegde? De schuld moet verzoend worden. Het recht moet geëerbiedigd worden. U begrijpt dat toch wel? Leeft het zoals bij David: Tegen U, U alleen heb ik gezondigd, en gedaan dat kwaad is in uw ogen (Ps. 51: 6)? David voelde het aan: Gods recht eiste dat die zonde verzoend moest worden.

 

Maar hoe dan? Hier komt alle menselijke wijsheid tot een einde, maar Gods wijsheid schittert hier. Door het kruis van de Heere Jezus heeft God de weg gebaand waardoor Hij Zich met ons kan verzoenen. Jezus moest aan het kruis verhoogd worden. Hier zouden we even stil moeten zijn. Heere, waarom moet U dat nu doen? Dat zijn we toch helemaal niet waardig? Nee dat zijn we niet waardig. Maar God deed dit om Zichzelf te verhogen, zodat wij allen met de engelen leren meezingen: Ere zij God!

Zitten we hier zo, met dankzegging, met aanbidding en verwondering? Daar moeten wij nu eens stil van worden! Wij hebben alles verdorven, wij zijn tegen Hem opgestaan. Wij hebben van onze kant de weg voor altijd gesloten. En nu openbaart deze nieuwe Rabbi dat God Zijn Zoon aan het kruis wil verhogen om de hemelhoge schuld te verzoenen.

 

Loop nu niet om die schuld heen. Verbloem die niet, maar belijd die eerlijk en oprecht. U weet dat u Gods wet hebt overtreden. We weten allemaal dat onze buitenkant niet is zoals onze binnenkant. Verberg het nu maar niet. Vermom u nu maar niet. Wees eerlijk. Het is een grote zondeboel van binnen in ons hart. Het is vol met vuile gedachten, jaloezie, ontevredenheid, trots en allerlei vleselijke gevoelens. Elke dag, altijd en overal maar weer! Door onze ogen en oren komt zoveel naar binnen dat ons vlees blijft voeden. Dat heeft u ook! Ja, dat weet u wel.

 

Die schuld staat nu tussen God en mij. En we kunnen er nu niets meer aan doen om die schuld te verminderen. Maar nu mag ik preken over dit hemels ‘moeten’. De Zoon van de mensen moet aan een kruis gehangen worden.

Waarom moest dat?

Omdat God Zelf de deur wil openen om door de Gekruisigde tot ons te kunnen komen. Dat is Evangelie, vrienden! Hij brengt ons het goede nieuws dat God Zich met ons wil en kan verzoenen in Jezus aan het kruis.

 

Is dat geen groot nieuws? Is dat niet wonderlijk? Wie is toch als deze God? Wie, wie, zal Hem evenaren? Nicodémus dacht: ik moet hard werken om een goede Jood zijn. Ik moet veel verdienen. Ik moet dit doen en dat niet doen om het eeuwige leven te beërven. Maar Jezus zet er een grote streep doorheen. Hij zegt als het ware, ‘Nee, Nicodémus dat is nooit genoeg. Dat betaalt niets van je schuld. Daarmee kan je nooit voor mijn rechterstoel staan. Maar zie naar die verhoogde Zoon des mensen. Zie, daar hangt Hij aan het kruis, in Zijn naaktheid, verworpen van God en van de mens. Hij als de Plaatsvervanger van zondaren. Zalig worden is mogelijk voor ons allen, want God verhoogde Zijn Zoon op het kruis.’

 

Gemeente, vrienden, o, zit u hier als een gebeten en vergiftigde zondaar of zondares? Misschien hebt u die beet van de satan en de zonde deze week wel weer zo gevoeld. In uw keuken, in uw woonkamer, in uw werkkamer, onderweg, of waar u ook was. In zelfzucht, ontevredenheid, verlangens, gedachten, boosheid, jaloezie, onvrede, merkte u telkens weer het beest in u. Maar kom! Kijk, daar hangt Christus, als de Plaatsvervanger van zondaren aan het kruis. In Hem kan het! In Hem is het mogelijk om met God verzoend te worden. Zalig gesproken te worden is mogelijk door Hem, door Hem alleen, Die de Plaatsvervanger voor arme zondaren werd.

 

Laten we nu eerst Psalm 111 vers 1, 2 en 3 zingen:

 

Looft, Hallelujah, looft den Heer!

Mijn ganse hart verheft Zijn eer;

Ik zal Zijn naam en grootheid prijzen;

'k Zal, met d' oprechten onderling

Vereend, in hun vergadering

En raad, Hem plechtig eer bewijzen.

 

Des Heeren werken zijn zeer groot;

Wie ooit daarin zijn lust genoot,

Doorzoekt die ijv'rig en bestendig;

Zijn doen is enkel majesteit,

Aanbiddelijke heerlijkheid,

En Zijn gerechtigheid onendig.

 

Hij maakte, Hij, die heerlijk is,

Zijn wond'ren een gedachtenis;

Hij is barmhartig en genadig;

Hij gaf hun, die Hem vrezen, spijs;

En, Zijnen groten naam ten prijs,

gedenkt Hij Zijns verbonds gestadig.

 

2. Een hemelse onmetelijkheid

In onze tweede gedachte over het kruis van de Heere Jezus Christus zien we niet alleen een hemels ‘moeten’, maar ook een hemelse onmetelijkheid. Nicodémus gaat nog meer hemelse dingen horen. Je merkt dat hij niets meer zegt. De wondervolle waarheden die deze nieuwe Meester hem verkondigt, overweldigen hem.

In vers 16 gaat de Heere Jezus opeens een heel andere richting op. We lezen er snel overheen omdat we het hoofdstuk zo goed kennen. In vers 14 sprak de Heere over de Zoon van de mensen. Maar dan ineens spreekt Hij over de Zoon van God: Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft. Wonderlijk zijn deze geheimenissen van God. Nicodémus wordt er helemaal stil van, denk ik.

 

Gemeente, het kruis van de Heere Jezus Christus is de centrale boodschap in de Bijbel. In het kruis openbaart God Zijn onmetelijke liefde. Natuurlijk is ieder woord in vers 16 belangrijk om te overdenken. Maar waar legde de Heere Jezus Zelf de nadruk op? Was het op wie er met ‘de wereld’ werd bedoeld? Is dat de hele de wereld? Alle mensen? Alleen de uitverkorenen? De hele schepping?

 

Het gaat in dit gedeelte niet over hoeveel van de wereld, maar over hoe erg deze wereld is! Ik hoop dat we het daar allemaal over eens kunnen zijn. God heeft een wereld lief die door en door zondig is. Een wereld die vijandig is. Een wereld die zo onbeschrijfelijk diep gevallen is. Alle mensen in deze wereld zijn kinderen van de duivel. Het zijn schepselen die de duisternis van de zonde liever hebben dan het licht van genade. Allemaal zijn we zo. Denk nu niet dat u ook maar een haar beter bent. Er is niemand in deze wereld in zijn of haar gevallen staat vriendelijk of rechtvaardig. Allemaal zijn we zo ver afgeweken, dat er in deze wereld niemand is die goed doet. We zijn allemaal zelfzuchtig, ijdeltuiten, ondankbaar, opstandig en ook nog eens trots.

Maar weet u wat nog erger is? We zijn zelfs vijanden van genade. Hoewel God Zijn Zoon in deze wereld zond, zodat de wereld door Hem behouden zou worden, sloeg deze wereld Zijn Zoon dood! Johannes schreef erover: Hij is gekomen tot het Zijne, en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen (Joh.1:11). Nee, de Zijnen hebben Hem aan het kruishout vermoord. Wist God dat van te voren? Was dat een verrassing voor Hem? Nee, gemeente, dat was geen verrassing voor Hem. Deze Vader wist wat de wereld met Zijn eniggeboren Zoon zou doen!

 

Kijk, ziet u nu iets van het onmetelijke en hemelse van wat de Heere Jezus zegt? Alzo lief heeft God de wereld gehad. Dat is het eerste woord van deze tekst in de taal die Jezus sprak. In het Grieks begint vers 16 niet met ‘want’ maar met ‘alzo.’ In onze Nederlandse Statenvertaling hebben de vertalers deze nadruk duidelijker gemaakt met een klein leesteken boven de ‘o’ van alzo. Het woordje ‘want’ is ook belangrijk, want het slaat terug op dat ‘moeten’ van vers 14. Waarom moest de Zoon van de mensen verhoogd worden? Omdat God de wereld alzó lief had, dat Hij Zijn eigen Zoon ervoor over had! Dat is onmetelijk! De Vader gaf Zijn enige en eigen Zoon om aan het kruis te sterven voor een vijandige wereld.

Waarom beval de Vader dat aan Zijn Zoon? Waarom beval Hij Hem om Zich met een menselijke natuur te bekleden, met al de zwakheden, het lijden en verdriet, hoewel zonder zonde? Waarom? Waarom Heere? Waarom deed U dat? Waarom nagelde U Hem aan het kruis? Want het was niet Pilatus en ook niet de Romeinse soldaten. Het was zelfs niet onze zonde die het deed. Nee, het was uiteindelijk de Vader, Die het deed. Jesaja schreef immers: Doch het behaagde den Heere Hem te verbrijzelen (Jes.53:10).

 

Waarom deed Hij dat? Omdat God de Vader hen alzó lief had! Hij had niet alleen lief, maar alzó lief. Die liefde is zo onmetelijk! Als iemand mij zou vragen welk kind ik voor mijn allerbeste vriend zou willen opofferen, dan weet ik mijn antwoord direct. Zelfs mijn meest ondeugende kind zou ik nooit opofferen. Maar zo dacht de Vader niet. Hij heeft één Kind en Hij offerde Hem op voor Zijn grootste vijanden: Alzó lief had Hij de wereld, dat Hij Zijn Zoon gaf. Later kruipt deze Zoon over de grond in Gethsémané, in grote vrees, en Hij smeekt Zijn Vader: Abba, Vader, mag deze beker van Mij voorbij gaan?

 

Ik zal nooit de les vergeten die ik eens kreeg uit een kindermond. Als meester op school moest ik op een ochtend over de Heere Jezus in Gethsémané vertellen. Ik vertelde aan de kinderen, dat dit natuurlijk een heel moeilijk moment was voor de Zoon, toen Hij dat kruis voor Zich zag. Ik was zelf net vader geworden en zei tegen de kinderen: ‘Kinderen bedenk nu eens hoe moeilijk het voor die Vader geweest moet zijn. Zijn Kind ligt daar te huiveren en te huilen, Vader, niet Mijn wil, maar Uw wil geschiede. Maar alstublieft, wilt U deze beker van het lijden van Mij wegnemen?’ Toen vroeg één van die kinderen aan mij: ‘Meester, wie had de Vader nu meer lief? Zijn Kind of Zijn Kerk?’ Daar werd ik heel stil van. Dat kind had wel doorgedacht. Ik wist eerst niet hoe ik moest antwoorden, maar later heb ik gezegd, dat de Heere Jezus niet te scheiden is van Zijn Kerk, zoals hoofd en lichaam bij elkaar horen.

 

Want alzó lief heeft God de wereld gehad. Begint u dat woordje alzó te begrijpen? Hoe dieper je er over nadenkt, hoe minder je het begrijpt. Luther zegt zo mooi, dat de liefde van God Hem als het ware dwóng Zijn Zoon te geven als een Plaatsvervanger voor schuldige mensen, die alles voor eeuwig vernield hebben.

Dat is nu het hemelse, het onbevattelijke van deze God, waarover ik vandaag in uw midden mag prediken. Verklaren kan ik die God niet, maar ik mag over Hem preken. Het is onbevattelijk dat God Zijn Zoon niet spaarde, maar Hem naar deze wereld zond. In Jeremia 7 staat een tegenhanger van deze tekst. God beval Jeremia om te profeteren tegen de kinderen van Juda: Zij hebben gebouwd de hoogten van Tofeth, dat in het dal van de zoon van Hinnom is, om hun zonen en hun dochteren met vuur te verbranden (Jer.7:31). Verschrikkelijk! Die afgod eiste dat je kind werd opgeofferd voor regen en een voorspoedige oogst. Maar de profeet moet er nog iets aan toevoegen. Hetwelk Ik niet heb geboden, noch in Mijn hart is opgekomen (Jer.7:31). Weet u wat de Verbondsgod hier openbaart? Hij openbaart dat Hij dit nooit van ons, van vaders en moeders, gevraagd heeft. Nee, die gedachte is nog nooit in Zijn hart opgekomen!

Weet u wat er wel in Zijn hart is opgekomen? In Gods hart kwam op Zijn eigen Zoon te offeren in het vuur van Zijn wraak over onze zonde, op het kruishout van Golgotha. Is dat niet aanbiddelijk? Is deze God het niet waard om gediend te worden? Kunnen we koud van hart blijven als we zo’n onmetelijke, hemelse liefde zien? Alzo lief heeft God de wereld gehad.

 

De Heere Jezus heeft het in deze tekst niet over wie Hij van eeuwigheid lief heeft gehad. Nee, Hij wil ons laten weten hoe Hij lief heeft. Het gaat dus hier niet over welke mensen er door God in Zijn Zoon gered worden van de eeuwige verdoemenis! Nee, het gaat over een wereld die zo slecht is, dat het zo’n onmetelijke liefde is, dat God Zijn eigen Zoon heeft willen overgeven om wereldlingen te verlossen van hun zondepak.

Mag ik nog een stapje verder gaan? Het onmetelijke van die liefde is, dat het een bewuste daad van God de Vader was, terwijl Hij ook vertoornd was op die zondaren. God is een rechtvaardige Rechter, en een God Die te allen dage toornt, lezen we in Psalm 7 vers 12. En in Psalm 11 vers 5 zegt David: Maar den goddeloze, en dien die geweld liefheeft, haat Zijn ziel. Toorn en haat tegen de zondaar en zijn zonde. Maar God stapt als het ware over die gevoelens heen, en geeft Zijn Zoon in ondoorgrondelijke liefde om de weg te openen tot behoud van die zondaar.

 

Alzó lief heeft God de wereld gehad. Hoort u het? Hoor jij het? Er is hoop! Het is mogelijk voor ons, zelfs al zijn we schuldig aan al de zonde van de wereld. De wereld leeft immers in ons hart. We zijn allemaal werelds van binnen. Word je er niet moe en verdrietig van? Waar je ook kijkt, wat je ook denkt, hoe je ook probeert, altijd weer blijft de zonde bij en in ons. Maar juist voor zulke wereldse mensen zond God Zijn Zoon naar het kruis. Met zo’n God en Vader kan het. Dan is het mogelijk voor jou, voor u, voor mij, voor ons! Zie niet op jezelf als grond van hoop, maar zie naar deze grote Vader, deze onmetelijk grote God, Die uit het onmetelijke van Zijn liefdeshart Zijn Zoon in deze wereld zond, zodat Hij zondaren kan ontvangen.

Ja maar, dat is toch alleen voor Zijn eigen volk? Dat dacht Nicodémus ook. God heeft alleen de Joden lief. Er werd zelfs onder hen geleerd dat God met vreugde zondaren in de hel werpt, zeker de heidenen! Daarom behandelden zij de heidenen ook als ondieren. Maar de Heere Jezus zegt iets heel anders. Alzo lief heeft God de wéreld gehad. Een wereld van zondaren, een wereld met mensen die de duisternis liever omhelzen dan de Zaligmaker Die de Vader naar deze wereld zond.

 

Gemeente, in de Naam van mijn Koning, roep ik u tot bekering van uw denken en doen. Als wij zonder God en Christus in deze wereld doorleven, dan leven we onbekeerd in de zonde. Dat is verschrikkelijk. Denk daar eens over na. Onbekeerd te zijn is een verschrikkelijke zonde, en vooral onbekeerd te zijn onder de prediking van de Wet en het  Evangelie.

‘Maar’, zegt u, ‘daar kan ik toch niets aan doen?’

Voelt u dat echt zo? Loopt u daar echt mee? Gaat u dat werkelijk aan het hart?

Ik ben niet overtuigd als ik mensen deze antwoorden hoor geven en tegelijk zie wat ze allemaal lezen en doen. Het lijkt er toch meer op dat ze de duisternis liever hebben dan het Licht dat in de wereld gekomen is in de Heere Jezus. Het lijkt meer een verbloemen van die wereldse liefde in een wankele poging om ons te verontschuldigen. Onbekeerd zijn is een vreselijke zonde. Het is de zonde van de verwerping van Vaders Zoon, Die Hij in de wereld zond, niet om u te verdoemen, maar opdat u door Hem zou behouden worden. Laat toch deze onmetelijke liefde, uitgestald in Jezus op het kruis, uw hart bewegen om Hem te zoeken en u van alle zonde te bekeren. Als u verder leeft zonder tot Hem te komen, dan komt u eenmaal voor deze Heere Jezus te staan. Dan zal een ander ‘moeten’ worden uitgesproken, dat ‘moeten’ van de verdoemenis.

Kom gemeente, deze God is het zo waard om alles van deze arme wereld op te geven. Is er iemand die groter is dan Hij, die het kostbaarste ervoor over had om de slechtste te redden van een eeuwige en verdiende dood?

 

Dat brengt ons bij een derde hemelse waarheid: Opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.

 

3. Een hemelse belofte

We moeten goed luisteren naar wat in de tekst staat: een iegelijk, die in Hem gelooft, is zalig. Dus niet: zal zalig worden, maar is zalig. Hij zegt ook niet: Die voelt zich altijd zalig. Nee, het is meestal een hinken en tobben, maar toch zijn die tobbers die op Hem vertrouwen, zalig. Zij die niet in Hem geloven, zullen voor eeuwig wegzinken, ver van God. Maar die in Hem geloven, zullen voor eeuwig vol zijn en nog meer gevuld worden door God.

‘Het eeuwige leven’ is een samenvattend woord voor alles wat het Evangelie aanbiedt: vergeving, verzoening, gerechtigheid, vereniging, zaligmaking, rechtvaardigmaking, heiligmaking. Allemaal moeilijke woorden, jongelui, maar samengevat in dat ene woord: eeuwig leven. Eeuwig leven is leven op een onmetelijke hoogte van zaligheid. Het is een leven dat zo rijk is, omdat we met de Heere verzoend mogen zijn. Het heeft niet alleen een onmetelijke lengte, maar ook een onmetelijke diepte. Dat is de belofte voor ieder die in Hem gelooft.

 

Geloven is vertrouwen. Het is je de hoop op Hem stellen. Het is je toevlucht tot Hem nemen en als het ware achter Hem schuilen. Geloven is mezelf aan de Heere God toevertrouwen met mijn hele zondepak en zondigheid, met alles wat ik ben en wat ik gedaan heb, met alles wat ik nog blijf. Zulke zielen leggen zich aan Zijn voeten neer met een gebed: ‘Heere, hier ben ik. Ik kan mezelf niet zalig maken. Ik ben zo zondig en ik verdien helemaal niets. Ik heb een hemelhoge schuld. Ik weet niet wat ik nog meer moet weten en leren, maar ik weet wel dat ik een arme, schuldige, hopeloze zondaar ben. Ik lig verloren in mijn zondigheid. Maar ik heb in Uw Woord mogen lezen dat U de Zaligmaker bent, de Heiland, dat U gekomen bent voor mensen zoals ik. Voor een wereld die in mij leeft, voor zo’n werelds mens. Tot wie anders kan ik gaan, Heere? O, mag ik mezelf zo aan U overgeven, vertrouwend op Uw Woord dat U alles goed zult maken tussen mij en U?’  

 

Geloven wordt ook wel aangeduid als komen. Denk aan de vrouw die achter Jezus kwam, misschien wel heel schoorvoetend. Heel zachtjes raakte ze de zoom van Zijn kleed aan. Haar geloof was bestreden, maar het was wel echt geloof. En door dat geloof mocht ze gaan in vrede, want in haar geloof had zij haar hele zaak aan de Heere Jezus toevertrouwd. Nu was het Zijn zaak geworden, en hoe gewillig was Hij om haar zaak tot Zijn zaak te maken! Zo is het nog steeds. Denk nu niet dat je eerst een groot geloof moet hebben, of een verzekerd geloof, of een heel duidelijk geloof. Nee, zelfs als uw geloven niet verder komt dan een blik op de verhoogde Zaligmaker, zoals de gebeten mensen in de woestijn, dan is dat al zaligmakend. Of als uw geloof niet verder komt dan een honger en dorst naar die zalige gerechtigheid in Christus, dan noemt Jezus u zalig.

 

Kennen we dit gelovig zien, dit gelovig komen, dit gelovig verlangen dat zijn hoop op Jezus stelt? Is Hij voor ons al de enige Naam geworden waardoor het kan, zelfs voor mij? Ligt u aan Zijn voeten met de belijdenis: ‘Heere, ik kom tot U met Uw eigen verdienste, die u mij aanbiedt in het beloften van het  Evangelie. U weet, Heere, ik durf het haast niet te zeggen en worstel om het te geloven, maar in U zoek ik mijn zaligheid. O, als er nog iets is van mezelf waarop ik bouw, breek het af en leer me alleen op u te vertrouwen. Maak Mij om Uws Naams wil zalig.’

 

Gelukkig is het Evangelie niet alleen een aankondiging en een belofte. Het Evangelie leert ook dat God Zelf dit ware geloof in een zondaarshart werkt door Zijn Woord en Geest. Dat gebeurde ook die nacht. Door Zijn Heilige Geest werkte de Heere Jezus in het hart van Nicodémus. Hij heeft het weliswaar in die nacht nog niet beleden, maar hij begreep het helemaal rondom het sterven van de Heere Jezus. Het zal een strijd geweest zijn voor zijn oude mens, om alles los te laten wat hij jaren lang heeft geloofd. Alles lag overhoop na deze preek van de Heere Jezus. Niets klopte er meer van al zijn gedachten. De Heere heeft alles afgekapt waar hij op hoopte, en hij moest gaan leren dat er niets van hem bij kwam. Niets van zijn leven, niets van zijn doen, maar alleen de Naam van deze Heere Jezus Christus. Onbegrijpelijk dat zalig worden alleen door het geloof is.

 

Gemeente, vrienden, wat gaat u doen met deze boodschap van de Heere Jezus? Nicodémus liep niet gedachteloos naar huis. Hij zal geworsteld hebben, in gebed, in het doorzoeken van het Woord. O, ga eens met deze boodschap op uw knieën. Leg uzelf toch voor de Heere Jezus neer. Vertrouw Hem alles wat tegen u getuigt en alles wat u vastgeketend houdt. Kom aan Zijn voeten. Om ons tot de daad van het geloven te brengen, is werkelijk een kracht nodig die groter is dan de kracht die het heelal uit niets schiep. Die kracht heeft de Heere Jezus. Zoek het toch bij Hem!

 

U werpt misschien wel tegen: ‘O, maar ik ben het niet waard! Als u eens wist waar ik allemaal geweest ben, wat ik allemaal gedaan heb, hoe ik Hem weerstond, al jaren lang!’

Vriend, ik begrijp je. Ik weet er ook van. Maar jouw en mijn zonde, hoe groot ze ook zijn, zijn niet groter dan de onmetelijke liefde van een barmhartige God!

 

‘O, maar ik ben niet uitverkoren.’

Hoe weet u dat u niet uitverkoren bent? Ligt dat aan u? Maakt u zich daar waardig voor? Of is het een troostrijke waarheid die het mogelijk maakt dat we uit genade zalig worden?

 

‘Maar Zijn leven en sterven is toch alleen voor Zijn volk?’

Inderdaad, dat leert de Schrift. Maar luister nu eens zonder al die filters waardoor wij de rijke boodschap van het  Evangelie versmallen of verdonkeren. Hoor het nog eens uit Zijn mond: Alzó lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe. Zo’n liefde voor zondaren, dat Hij Zijn Zoon ervoor over had! Onvoorstelbaar! Onmetelijk! Ongelooflijk!

 

Als u nu dit Woord hoort, zelfs als u de slechtste van de hele wereld bent, luister dan nog eens naar de stem van Jezus in het schrijven van Paulus: Dit is een getrouw woord en alle aanneming waardig, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is om de zondaren zalig te maken, van welke ik de voornaamste ben (1Tim.1:15).

 

Amen.

 

Psalm 45 vers 1:

 

Mijn hart, vervuld met heilbespiegelingen,

Zal 't schoonste lied van enen Koning zingen;

Terwijl de Geest mijn gladde tonge drijft;

Is z' als de pen van een, die vaardig schrijft.

Beminlijk Vorst, uw schoonheid hoog te loven,

Gaat al het schoon der mensen ver te boven;

Genâ is op uw lippen uitgestort,

Dies G' eeuwiglijk van God gezegend wordt.