Ds. J. Driessen - Hebreeën 11 : 29

Het wonder van de doortocht door de Rode Zee’

een raadselachtige weg
een wondere verlossing
een aangrijpende ondergang

Hebreeën 11 : 29

Hebreeën 11
29
Door het geloof zijn zij de Rode zee doorgegaan, als door het droge; hetwelk de Egyptenaars, ook verzoekende, zijn verdronken.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 78: 1 en 7
Zingen : Gezang 1: 9
Lezen : Exodus 13: 17-20 en Exodus 14: 9-31
Zingen : Psalm 66: 3, 4 en 5
Zingen : Psalm 68: 11
Zingen : Psalm 77: 7 en 9

Gemeente, het Schriftwoord dat wij met de hulp van de Heere met u willen overdenken vindt u in de brief aan de Hebreeën, daarvan het elfde hoofdstuk het 29e vers:

 

Door het geloof zijn zij de Rode Zee doorgegaan als door het droge; hetwelk de Egyptenaars ook verzoekende, zijn verdronken.

 

Dit tekstwoord bepaalt ons bij ‘Het wonder van de doortocht door de Rode Zee’.

 

We zien:

1. een raadselachtige weg;

2. een wondere verlossing;

3. een aangrijpende ondergang.

 

1. Een raadselachtige weg

In het vorige vers van dit elfde hoofdstuk van de Hebreeënbrief heeft de schrijver de wondere gebeurtenissen rond de uittocht uit Egypte beschreven: Door het geloof heeft hij – dat wil zeggen Mozes – het pascha uitgericht en de besprenging des bloeds, opdat de verderver der eerstgeborenen hen niet raken zou (Hebr.11:28).

In het vers dat wij in deze dienst met elkaar behandelen, laat de schrijver licht vallen op wat daarna gebeurde. Opvallend is daarbij dat nu niet Mozes het onderwerp is, maar het volk als geheel. We zouden kunnen zeggen: eerst is aan de Hebreeën voor ogen gesteld hoe Mozes het volk op de weg van het geloof voorging en nu komt aan de orde hoe het volk Mozes op deze weg is gevolgd: door het geloof zijn ze de Rode Zee doorgegaan als door het droge.

Op het wonder van de uittocht volgt het wonder van de doortocht. Aan die doortocht is intussen wel een raadselachtige weg voorafgegaan. Dat wordt ons duidelijk als we in herinnering roepen wat ons zojuist uit het boek Exodus is voorgelezen. Na de huiveringwekkende nacht waarin de verderfengel door Egypte was getrokken, had de farao Mozes en Aäron bij zich geroepen en gezegd: Maakt u op, trekt uit het midden van mijn volk, zo gijlieden als de kinderen van Israël; en gaat heen, dient den Heere gelijk gijlieden gesproken hebt (Ex.12:31). Dat betekende voor Israël de uittocht uit het diensthuis, bevrijding uit de slavernij, bevrijding tot een nieuw bestaan. Gezin na gezin was door de met bloed getekende deur naar buiten gegaan. In het licht van het Nieuwe Testament zou je kunnen zeggen: ze waren naar buiten gegaan onder de schaduw van het kruis. Ze mochten opstaan tot een nieuw leven.

 

In grote orde is Israël uit Egypte weggetrokken. Niet als een horde vluchtelingen die opeens hun kans schoon zag en die van de gelegenheid gebruikt maakte om aan de greep van de onderdrukker te ontkomen. Integendeel, ze trokken uit als overwinnaars, overladen met allerlei Egyptische kostbaarheden als een achterstallig loon voor hun jarenlange dienst. Ze waren weggetrokken met kostbaarheden die later aan de Heere en Zijn dienst werden gewijd in de bouw en de versiering van de tabernakel. Zo hadden ze als een machtig overwinningsleger Egypte verlaten in rijen van vijf, vergezeld van grote kudden vee. Gods belofte dat er geen klauw zou achterblijven, werd op deze wijze heerlijk vervuld. Bovendien is bij de uittocht de Heere Zelf als Aanvoerder, als Leidsman aan het Hoofd van het leger gaan staan. Plotseling waren daar de wolkkolom en de vuurkolom als een zichtbaar teken van Gods tegenwoordigheid. In die tekenen gaat de Heere Zelf Zijn volk voor, daarin wijst Hij hen Zelf de weg. Als een machtige Held trekt de Heere voor hen heen. Hij gaat voorop en Israël mag volgen in de weg die de Heere gaat.

 

Als wij achter de Heere aankomen, Hem volgen, gemeente, dan gaat het toch altijd goed? Toen, en ook nu. De Israëlieten denken de kortste weg naar Kanaän te gaan, de weg langs de Middellandse Zee. Die route ligt ook voor de hand, want die lijkt heel logisch en redelijk te zijn. Maar niet onze logica en niet onze redeneringen bepalen de weg naar het beloofde land, maar het heilsplan van God doet dat. De hemelse Gids weet bij uitnemendheid wat de meest geschikte weg is voor Zijn volk, want Hij kent het hart van Zijn volk.

En het is geschied toen Farao het volk had laten trekken, zo leidde hen God niet op den weg van der Filistijnen land, hoewel die nader was; want God zeide: Dat het den volke niet berouwe, als zij den strijd zien zouden, en wederkeren naar Egypte. Maar God leidde het volk om door den weg van de woestijn der Schelfzee.

 

De Heere weet het: de kortste weg zou hen weldra in strijd brengen met de Filistijnen. De Israëlieten zouden dat én lichamelijk én geestelijk nooit aan kunnen, omdat het volk nog geoefend moest worden in geloofsgehoorzaamheid en afhankelijkheid. De strijd met de Filistijnen, zo kort na de uittocht, zou hen moedeloos gemaakt hebben. Ondertussen denk ik dat de Israëlieten met vreugde en blijdschap uit Egypte getrokken zijn. Iedere stap die ze deden bracht hen verder van het huis van de dienstbaarheid en bracht hen ook dichter bij het land vloeiende van melk en honing.

 

Je vindt dat ook terug bij hen die pas op de weg van de genade zijn. Want de verlossing van Israël uit het diensthuis van Egypte is immers een beeld van de verlossing van zondaren uit de slavernij van de zonde en de satan. Die verlossing is nodig in ons aller leven. Wij zijn van nature gevangenen van de helse farao en hij probeert ons allemaal vast te houden, de ouderen en de jongeren. Hij wil ons allemaal vasthouden om ons nooit meer los te laten. Van onszelf willen we ook niet eens verlost worden uit de heerschappij van de satan. Maar de Heere is de Almachtige, Hij verlost Zijn kinderen uit de macht van de satan en de zonde. En wat zie je dan? Dan zie je dikwijls dat Gods kinderen denken nu van kracht tot kracht steeds verder te zullen gaan en zo voor God in Sion te verschijnen. Hun hart leeft zo dicht bij de Heere, bij de dingen van het Koninkrijk van God en in de genieting van Zijn gemeenschap. Hun mond vloeit dikwijls over van Gods lof. Er is vreugde, er is vrede in hun hart. Voor de satan en voor de zonde is geen plaats.

Maar dat kan zo spoedig anders worden. De zorgen en de zorgvuldigheden van het leven leggen weer meer beslag op ons. Ons leven wordt minder nauw, minder afhankelijk van de Heere en het wordt donker in je hart. De Heere gaat zo dikwijls een andere weg dan wij gedacht hebben, een weg waarin we onszelf meer en meer leren kennen in onze diepe nood en ellende, in onze absolute onwaardigheid en diepe afhankelijkheid van de Heere. Maar in die weg zal je ook leren Wie de Heere is, hoe groot Hij is, hoe machtig Hij is. Ja, het is een weg waarin je leren zal dat Hij steeds weer de Getrouwe is en dat voor Hem geen ding onmogelijk is. Juist in zo’n onbegrepen weg blijkt wie Hij voor ons wil zijn. Dan blijkt juist Zijn onveranderlijke trouw. Want Ik, de Heere word niet veranderd; daarom zijt gij, o kinderen Jakobs, niet verteerd (Mal.3:6).

 

De Israëlieten worden door de Heere naar de Rode Zee geleid. Dan kunnen ze niet verder, daar is geen weg meer. En wat horen ze, wat zien ze achter zich in de verte? Daar stuift het stof omhoog, daar zien ze wagens, paarden. De Israëlieten kunnen nergens heen. En als de wagens en de paarden dichterbij komen, zien ze dat het de wagens en de paarden van farao zijn.

Farao heeft bij zichzelf gedacht: Waarom toch? Waarom heb ik de Israëlieten laten trekken zodat ze ons niet meer dienen? Waarom? Nu zijn we onze slaven kwijt. En hij brengt zijn leger bij elkaar en hij jaagt de Israëlieten na.

 

Zo doet de duivel het ook. Die laat zich ook zijn prooi zomaar niet ontrukken. Altijd weer probeert hij Gods kinderen in zijn dienst terug te krijgen. De Israëlieten lijken al helemaal in de val te zitten. Nergens kunnen ze heen. Voor hen is de zee, aan weerskanten zijn de bergen waar ze niet overheen kunnen. En terug kunnen ze ook niet meer, want daar is farao met zijn soldaten en zijn paarden en wagens die al dichterbij komen. U moet zich indenken gemeente, wij kennen die geschiedenis, maar denkt u zich eens in wat een geweldige geloofsbeproeving dit voor de Israëlieten met zich meebracht. Eerst door de machtige hand van God uitgeleid te zijn en dan vervolgens door diezelfde Hand zo geleid te worden dat je totaal vast komt te zitten en je naar menselijke berekening geen kant meer uit kunt.

Loopt nu het wonder van de uittocht alsnog dood in het zand van de woestijn en in het water van de Schelfzee? Geen weg naar voren en geen weg opzij, geen weg terug. En de weg naar boven? Is die ook weg? Is de wolkkolom verdwenen? Nee, die weg is er nog. Maar de Israëlieten zien die weg niet. En in paniek – niet in het geloof, maar in paniek – schreeuwen ze tot de Heere. Ze gaan echter ook nog murmureren. Ze zeggen tegen Mozes: Hebt gij ons daarom, omdat er in Egypte gans geen graven waren, weggenomen opdat wij in deze woestijn sterven zouden? Waarom hebt u dat met ons gedaan dat u ons uit Egypte uitgedreven hebt?

Het was niet de eerste keer dat de Israëlieten aan het murmureren sloegen. Het zou ook de laatste keer niet zijn. We zien hoe het met dat volk is in zichzelf. Nog maar zo kort geleden is het juichend uit Egypte getrokken. En nu? Nu is de juichtoon vervangen door geklaag. De dankbare gehoorzaamheid heeft plaats gemaakt voor opstandige rebellie. En wie van ons durft zich boven Israël te verheffen? Zien juist Gods kinderen in dit volk van het oude verbond niet vaak hun beeld getekend? Leg ook uw leven er eens naast? Dagelijks overladen met Gods gunstbewijzen, in aanraking gebracht met de Verlosser, groter en heerlijker dan Mozes. Verlost uit de dienstbaarheid van de zonde, maar gaat het u, gaat het jou beter dan Israël? Waar was en waar is in uw, in jouw leven de lof en de aanbidding jegens zo’n heerlijk God? Ach gemeente, waar de Heere Zijn verlossende genade in ons leven verheerlijkt, kom je nooit uit boven de klacht van de apostel Paulus: Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods? (Rom.7:24). En toch, toch ziet de Heere naar Zijn volk om. Te midden van al die menselijke opstand en vrees doet Hij aan de oever van de Schelfzee Zijn Woord horen. Hij gebruikt daarvoor Mozes, Zijn knecht. We letten daarop in de tweede plaats, als we stilstaan bij

 

2. Een wondere verlossing

Mozes blijft standvastig. Wat al eerder door de schrijver van de Hebreeënbrief van hem gezegd is, dat beoefent hij ook nu: hij ziet omhoog, hij houdt zich inderdaad vast als ziende de Onzienlijke. Hij weet niet op welke manier de Heere redden zal, maar dát de Heere het doen zal, daarvan is hij overtuigd. Staande in de kracht van het geloof mag Mozes een opstandig volk het Woord van God doen horen: Vreest niet, staat vast, en ziet het heil des Heeren dat Hij heden aan ulieden doen zal, want de Egyptenaars die gij heden gezien hebt, zult gij niet weder zien in eeuwigheid. Zeg den kinderen Israëls dat zij voorttrekken (Gen.14:13 en15). Te midden van al de wanhoop, van al het kleingeloof en ongeloof laat de Heere Zijn Woord klinken en Mozes mag het volk toeroepen: De Heere zal voor ulieden strijden en gij zult stil zijn (Gen.14:14).

 

Stil zijn, gemeente, dat is wat anders dan stil zitten. Stil zijn betekent niet dat we zeggen: ‘Nou ja, de Heere zal het dus wel doen’. Nee, stil zijn wil zeggen het alleen van de Heere te verwachten. Niet zien op de omstandigheden, maar op het Woord, op het bevel van de Heere, al is het ook nog zo onmogelijk. Dan kan het beslist niet zoals wij denken. De Heere zal voor ulieden strijden, en gij zult stil zijn. Mozes moet zijn staf nemen en hij moet die staf uitstrekken over het water van de zee. Er komt een geweldige wind en die harde oostenwind drijft het water op en doet het staan als een muur. De bodem van de zee komt droog te liggen. De Herder Israëls Zelf grijpt in en Hij baant op deze wijze een pad voor Zijn volk, een pad dwars door de zee. En ja, toen kwam het op geloof aan. Durfden zij, dat vrezende, dat wankelende Israël, het te wagen met hun God? Durfden zij het aan om in geloof eerst in de diepte af te dalen om vervolgens door die diepte heen te trekken langs die twee wankele muren van opgestuwd water en dat nog wel midden in de nacht waarin de storm huilde, waarin de wind bulderde? Naar de mens gesproken zou het toch alleszins begrijpelijk geweest zijn als de Israëlieten daarvoor teruggedeinsd waren. Maar nee, nu zijn de ogen van Israël niet langer gericht op de val waarin ze lijken te zitten, maar nu zijn hun ogen gericht op de Heere. De schrijver van de Hebreeënbrief mag het als een juichtoon doorgeven: door het geloof zijn ze de Rode Zee doorgegaan als door het droge. Door het geloof, hoe het voor die tijd in hun hart ook bestreden werd, kwam ook de storm die hun hart was opgestoken, tot zwijgen. Door het geloof, alleen ziende op het bevel van God, alles verwachtende van Zijn belofte, zo ging Israël het pad dat God hen wees. Zo zijn al die honderdduizenden Israëlieten de Rode Zee doorgegaan als door het droge. Door het geloof zijn ze behouden aan de andere oever van de Schelfzee gekomen. God Zelf baande door de woeste baren en brede stromen hun een pad, maar alleen door het geloof konden ze dat pad bewandelen.

 

Gemeente, wat liggen er in dit Schriftwoord ook rijke lessen voor het geloofsleven van vandaag. Natuurlijk, de doortocht door de Rode Zee door het volk van Israël was een zeer unieke gebeurtenis, een totaal onbegrijpelijk wonder voor ons menselijk verstand. Maar toch, tegelijkertijd is dit wonder als een spiegel waardoor ook wij, zo vele eeuwen later, aanschouwelijk onderwijs ontvangen. Want het laat ons zien: wie eenmaal door het bloed van het Lam uit het diensthuis van de satan en de zonde is uitgeleid en die onder het licht van het Woord, de nieuwtestamentische Wolk- en Vuurkolom, op weg mocht gaan naar het beloofde land, die kan en die zal ook in aanraking komen met onbegrepen wegen.

Het kan best zijn dat uw weg lijkt vast te lopen. Het kan zijn dat uw weg, die u op Gods bevel bent ingeslagen, lijkt te eindigen in een mislukking, lijkt te eindigen in de ondergang, in de dood. En de vraag klemt in uw hart: Is dit nou Gods weg met mij? Vroeg of laat wordt eenieder die de Heere vreest er met alle vragen en strijd voor gezet dat Gods wegen zo oneindig veel hoger zijn dan onze wegen. Maar dat er te midden van dat alles toch één ding vaststaat: Gods weg is altijd de beste weg. Want wat voor ons onmogelijk lijkt of als het voor ons zelfs een doodlopende weg is, dat is van God uit gezien de meest rechte weg tot het doel dat Hij heeft. Hij weet wat nodig is, en Hij weet ook wat het meest strekt tot Zijn eer en wat dan ook het meest bevorderlijk is tot onze zaligheid. Nooit vergist Hij Zich, nooit zet Hij ook maar één stap verkeerd. Zijn wil is altijd wijs en goed.

 

Gemeente, over Gods gang met Zijn volk hoeft u echt niet in de war te zitten. Die weg leidt altijd tot het goede doel, ook al begrijpen u en ik daar dikwijls niks van. Weet u, weet je waar we wel bezorgd voor moeten zijn jonge mensen? Voor die wegen die ons zelf recht lijken te zijn. Daarom waarschuwde Salomo eenmaal al: Er is een weg die iemand recht schijnt, maar de laatste van dien zijn wegen des doods (Spr.14:1). Deze goddelijke waarheid zullen de Egyptenaren straks aan de weet komen. Daarom: je kunt beter, veel beter een lange kromme weg met de Heere gaan, dan een korte rechte weg zonder de Heere.

Natuurlijk, de Heere had Israël best deze lange weg kunnen besparen, maar de Heere doet dat niet. De Heere had Israël als onder arendsvleugels over de Schelfzee kunnen dragen, maar ook dat doet Hij niet. Hij laat Israël erdoor gaan. En waarom? Dat doet Hij omdat Hij Zijn volk begeert te louteren, omdat Hij hen wil oefenen in het geloof, omdat Hij Zijn volk leren wil hoe onmachtig ze zijn in zichzelf, maar ook hoe veilig ze zijn onder Zijn leiding en onder Zijn hoede. Alleen in deze ogenschijnlijk voor Israël doodlopende weg verheerlijkt God Zichzelf, in Zijn macht, in Zijn genade, in Zijn glorie, in Zijn heerlijkheid, in Zijn wijsheid, in Zijn trouw. En wat leert Israël? Dat het aan zijn God genoeg heeft en dat het heil alleen maar des Heeren is.

 

En wat is nou de les, die allen die de Heere vrezen steeds weer en steeds meer moeten leren? Dat het heil alleen des Heeren is. En hoe leren ze die les? Ach, die leren ze niet fluitend en zingend. Integendeel, dan wordt er soms menige bange zucht geslaakt. Dan gaan ze er iets van verstaan wat de dichter eenmaal uitriep: ‘Ik wou vluchten, maar kon nergens heen, zodat mijn dood voorhanden scheen en alle hoop mij gans ontviel, daar niemand zorgde voor mijn ziel’. Maar wat wordt het dan ook een wonder voor je, als de Heere je Zijn heil doet zien. Dan mag ook in het geloof de weg gegaan worden die de Heere wijst, dat wil zeggen: afzien van jezelf en zien op God en Zijn Christus, vertrouwend op Hem, Die zegt: De Heere zal voor ulieden strijden en gij zult stil zijn (Ex.14:14).

 

Daarin wil de Heere nu Zijn kinderen onderwijzen, oefenen. Als ze zien op de omstandigheden, als ze zien op de dwaasheid van hun eigen hart, ach, dan is er zoveel reden tot angst en vrees, dan wordt het omkomen. Maar als de Heere door het wonder van Zijn genade ons weerbarstige, opstandige hart ‘Amen’ leert zeggen op de weg van God, dan laat je de Heere voor je strijden en dan mag je zelf stil worden, verwonderd en vol aanbidding. In gehoorzaamheid mag je dan je voet zetten op die schijnbaar onmogelijke weg die Hij wijst. Dan verstommen al je ‘jamaars’ en dan wordt het: door het geloof zijn ze de Rode Zee doorgegaan als door het droge.

 

Wat is de Heere toch een verrassend God, gemeente. Hebt u daar weet van in uw leven? Weet u nog hoe de Heere u tegemoet kwam in al uw nood, in al uw aanvechting, in al uw strijd en twijfel? Het rumoer van het ongeloof en de vrees, het kabaal dat de duivel maakte, was verschrikkelijk in uw hart. Maar toen – o, eeuwig wonder – toen kwam de Heere over. Toen klonk Zijn Woord door de kracht van de Heilige Geest tot in het diepst van uw ziel en het werd vrede en u kon weer verder. U had weer toekomst.

Als door het droge! U mocht volgen, niet opstandig meer, maar eenswillend met de Heere, want Hij, Hij baande door de woeste baren en brede stromen ons een pad. Daar rees dan ook Zijn lof op stem en snaren, nadat Hij ons beveiligd had. Ach u, u die zo vol ongeloof en zo vol verzet en met zoveel onbegrepen wegen met alles vast gelopen bent, vertel het toch aan de Heere, leg het Hem voor aan de oever van de Rode Zee. Ziet, ziet het heil des Heeren.

 

Kom gemeente, kom, ik mag u wijzen naar de plaats waar dat heil des Heeren wel op een zeer bijzondere wijze getoond werd, rijker, nog oneindig veel rijker dan hier bij de Rode Zee.

Ziet, ziet het heil des Heeren aan het vloekhout van Golgotha. Daar hangt de Gezegende des Vaders. Hij is ommuurd van alle zijden. Achter Hem de helse farao, om Hem heen de stieren van Basan, voor Hem het water van de dood: Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? (Matt.27:46). Voor Hem geen pad in de zee, voor Hem geen heil des HEEREN, maar de angsten van de hel omringen Hem. Hem, Die altijd slechts de lof en de eer van Zijn Vader bedoelde. En nimmer, nimmer was er opstand in Zijn hart. Alleen ging Hij, alleen moest Hij gaan door de woeste zee en door de brede stromen van de dood.

 

Maar ziet, ziet! Het heil is des Heeren! Op de derde dag klieft Zijn Vader de zee. Dood en graf worden overwonnen en Jezus staat op uit de doden. Hij verrijst, opdat er nu een pad door de zee zal zijn voor de meest vastgelopen en hopeloze mens.

Zie op Hem, zie het heil des Heeren, hoezeer de golven ook kolken in uw leven, zie naar Hem Die door de zee ging van de toorn van God. ‘Zie op Hem Die onze Rode Zee is’ zegt Guido de Brès, ‘door dewelke wij moeten doorgaan om te ontgaan de slavernij van farao, welke is de duivel, en in te gaan in het geestelijke land Kanaän’.

Waarom, waarom zou u omkomen nu Hij overwonnen heeft? Waarom zou u verdrinken nu Hij de weg gebaand heeft? Waarom zou u sterven nu Hij leeft en het u verkondigd mag worden: Ziet, ziet het heil des Heeren? Leg daarom al uw, al jouw onmogelijkheden in Zijn doorboorde handen opdat het ook van u, van jou gelden mag: door het geloof zijn ze de Rode Zee doorgegaan als door het droge. Hij is meer dan Overwinnaar, en daarom bevestigt Hij wat we samen zingen uit Psalm 68: 11.

 

Gewis, hoe hoog de nood mag gaan,

God zal Zijns vijands kop verslaan;

Dien haar'gen schedel vellen;

Die trots, wat heilig is, onteert,

En, daar hij schuld met schuld vermeert,

Zich tegen Hem durft stellen.

De HEER heeft Zelf ons toegezeid:

“ 'k Zal u, door macht en wijs beleid,

Uit Bazan weer doen komen;

U zullen, als op Mozes' beê,

Wanneer uw pad loopt door de zee,

Geen golven overstromen.”

 

3. Een aangrijpende ondergang

Door het geloof zijn ze de Rode Zee doorgegaan als door het droge, hetwelk de Egyptenaars, ook verzoekende, zijn verdronken.

Wat voor de één een pad ten leven is, wordt voor de ander een pad ten dode. Toen de morgen aanbrak zagen de Egyptenaren dat Israël door de Rode Zee getrokken was en ze gingen de Israëlieten na om alsnog hun doel te bereiken. Bij hen was er echter geen geloof, maar een totale overmoed, met een aangrijpende ondergang als resultaat. Hetwelk de Egyptenaars, ook verzoekende, zijn verdronken. God oefent gericht. Hij ziet neer op het leger van de Egyptenaren en Hij verschrikt hen.

 

Gemeente, de Heere hoeft alleen maar naar ons te kijken en je wordt al vervuld met vrees en schrik. Daar komt nog bij dat bij de Egyptenaren de watermuren het begaven. Alles raakt in verwarring en weer krijgt Mozes bevel zijn staf uit te strekken opdat het water weer zijn normale loop zal nemen. En hoe de Egyptenaren ook proberen te vluchten, het helpt niet meer. De Rode Zee wordt hun graf, hun eeuwige ondergang. Redding voor Israël, ondergang voor Egypte. Dat is de tweeërlei uitwerking van Gods handelen. Dat God een weg baande, wordt voor de één een zegen, maar voor de ander een vloek.

 

Zo is het steeds in de Schrift. Het Evangelie is voor de één een reuk des levens ten leven en voor de ander is het een reuk des doods ten dode. Christus is gezet tot een val en opstanding. Voor de een is Hij de uiterste Hoeksteen, Die uitverkoren en dierbaar is, en voor de ander een Steen van aanstoot en een Rots van ergernis. Vanwaar dat verschil? Alles staat of valt hier met het geloof. Omdat de Egyptenaren het geloof misten, was de Rode Zee hen niet tot behoud, maar tot ondergang.

Wat komt hier toch duidelijk de tegenstelling aan het licht. De schrijver van de Hebreeën-brief maakt die tegenstelling niet zomaar. Nee, opnieuw wil hij hier zijn lezers inscherpen wat hij in het begin van dit hoofdstuk ook al heeft gezegd, dat het zonder geloof onmogelijk is Gode te behagen.

 

Dat geldt nu ook voor ons. De prediking van het heil, de aanbieding van het heil en de prediking van de verzoening is van God uit ruim en rijk. Daar hoeft echt geen enkel misverstand over te bestaan. Maar we hebben tegelijkertijd te beseffen dat we niet zomaar de Rode Zee in mogen trekken en we niet zomaar door de Rode Zee kunnen gaan. De weg van het heil is er en het pad is volkomen door Jezus gebaand, maar er is maar één grond om die weg te bewandelen en dat is door het geloof.

Wat een oneindig verschil, door het geloof of zomaar. Wat een oproep tot zelfonderzoek of wij door het geloof of zomaar verder trekken en verder leven, week in, week uit, maand in, maand uit, jaar in, jaar uit. Want gemeente, je kunt ook als Israëliet, je kunt ook als kerkmens ‘zomaar’ door de Rode Zee trekken. We lezen dat in de Korinthebrief. Daar zegt de apostel Paulus: En ik wil niet, broeders, dat gij onwetende zijt dat onze vaderen allen onder de wolk waren en allen door de zee doorgegaan zijn, en allen in Mozes gedoopt zijn in de wolk en in de zee, en allen dezelfde geestelijke spijs gegeten hebben en allen denzelfden geestelijken drank gedronken hebben; want zij dronken uit de geestelijke steenrots die volgde; en de steenrots was Christus. Maar in het merendeel van hen heeft God geen welgevallen gehad; want ze zijn in de woestijn ternedergeslagen (1Kor.10:1-5).

 

Nu hoor ik al iemand van u zeggen: Kijk, daar heb je het nou hè, daar heb je het nou: ‘in het merendeel geen welgevallen’. Het merendeel was niet uitverkoren, dus eigenlijk, eigenlijk konden die mensen er niets aan doen. Zou dat waar zijn, zou dat de betekenis zijn van het woord dat de apostel gebruikt ‘in het merendeel geen welgevallen’? Nee, dat is het niet. Lees maar wat Paulus verder schrijft: En deze dingen zijn geschied ons tot voorbeelden, opdat wij geen lust tot het kwaad zouden hebben, gelijkerwijs zij lust gehad hebben (1Kor.10:6).

Het gaat hier dus helemaal niet over het besluit van verkiezing of verwerping, maar het gaat daarover dat God in het merendeel geen welgevallen gehad heeft omdat zij lust tot het kwaad gehad hebben. Wat is dat aangrijpend. Zoveel uitreddingen van de Heere gekregen, onder de wolk geweest, door de zee gegaan en toch onbekeerd gebleven. Doorgegaan in de verharding van het hart, niet verdrietig, niet verslagen onder de zegenende hand van God. Die mensen zijn door al de zegeningen niet verootmoedigd. Ze hebben zich niet in verwondering afgevraagd: waarom zijn wij door de Rode Zee heen verlost, en waarom zijn de Egyptenaren er in omgekomen? Ze hebben zichzelf een beetje beter geacht dan de Egyptenaren, en daarom hebben ze zich er ook niet over verwonderd dat de Heere zo oneindig goed voor hen was. Ze zijn door het wonder niet dichter tot de Heere gebracht. Integendeel, ze hebben zich er tegenin verhard. Innerlijk zijn ze nog meer van God vervreemd. Ook al waren ze blij over de verlossing, over de uitredding, ze waren niet blij in de Heere.

 

Gemeente, wat is het nodig dat wij onszelf onderzoeken. U hebt misschien veel meegemaakt, veel leed, veel ellende gezien. Uit zes benauwdheden heeft de Heere u gered en in de zevende heeft Hij u niet in de steek gelaten. Maar is de vrucht van al die goedertierenheid van God aan u bewezen nu bekering? Of bent u nog altijd onbekeerd gebleven? Want je kunt deelhebben aan veel uitreddingen en toch geen deel aan Christus. Je kunt de hemelse gaven smaken en de kracht van de toekomende eeuw en toch vreemd zijn van het leven Gods. Het is een groot voorrecht wanneer ons de woorden van God zijn toe betrouwd, wanneer we getuige mogen zijn van de wonderen van God aan Zijn volk bewezen. Maar de vraag is: waar brengt het ons? Het is van tweeën een: het brengt ons dichter bij de Heere of het voert ons verder van de Heere af.

Velen zijn ‘zomaar’ door de Rode Zee gegaan en straks zal blijken dat ze nog in Egypte thuis horen. Daar is hun hart, ze verlangen terug naar de vleespotten van het land van de slavernij. Wat een dringende waarschuwing: Is het goed tussen de Heere en uw ziel? Want pas op gemeente, het geloof is zo’n strikt persoonlijke zaak. In het gebed voor de Doop dat we in ons Doopformulier vinden, wordt aan deze geschiedenis herinnerd. We lezen daar: ‘Gij die de verstokte farao met al zijn heir in de Rode Zee verdronken hebt, en Uw volk Israël droogvoets daardoor geleid, door hetwelk de Doop beduid werd’. Wie waarlijk gewassen is door het bloed, door de Geest van Christus is daarmee ontrukt aan de tirannie van satan. Daarvan is de doop een teken en zegel. Maar zeg nooit: ‘Ik ben gedoopt en daarom ben ik ook aan Egypte ontkomen.’ Want hoeveel gedoopte mensen blijven niet vastzitten aan de zonde en de wereld? Indien de Geest u niet uitdrijft om waarachtige bekering te zoeken bij Koning Jezus, zult u met het ongelovige Israël omkomen in de woestijn en uw Doop zal tegen u getuigen.

Gemeente, echt, je kunt in het water van je Doop ook verdrinken. Het ongeloof en onze onboetvaardigheid maken je Doop dan tot een zondvloed en tot een plaats van aangrijpend oordeel. Maar nu is het heden van genade en de Heere heeft geen lust in onze dood.

 

Die verloren gaan, gaan niet verloren omdat God lust had in de ondergang van een zondaar. Nee, die ondergang geeft smart, die geeft verdriet in het hart van God. God ziet niets liever dan dat u zich, dan dat jij je aan Gods hart drukt, je tot de Heere bekeert. Daartoe nodigt Hij ook dringend en welmenend, daarom laat Hij ons Zijn Woord verkondigen, opdat we zouden buigen voor Hem. En waar waarachtige bekering is, gemeente, waar we als een arme zondaar ons heil leren zoeken en vinden in Hem, Die onze Rode Zee is, daar worden we ook droogvoets door het oordeel heen geleid. Dan gaat op het strand van de genade, eeuwig het lied van Mozes en het Lam gezongen worden. O, dat mag tot bemoediging zijn voor allen voor wie het misschien vandaag onmogelijk is. Maar ziet, ziet het heil des Heeren en ziet Jezus’ gewilligheid!

 

Die hoop kan al het leed verzachten, kom, reisgenoten, hoofd omhoog. Voor hen die het heil in Sion wachten zijn bergen vlak en zeeën droog.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 77: 7 en 9.


’k Zal gedenken hoe voordezen

Ons de HEER’ heeft gunst bewezen;

’k Zal de wond’ren gadeslaan,

Die Gij hebt vanouds gedaan;

’k Zal nauwkeurig op Uw werken,

En derzelver uitkomst merken,

En, in plaats van bitt’re klacht,

Daarvan spreken dag en nacht.

 


Door Uw arm en alvermogen

Hebt Gij Isrel uitgetogen;

Jakobs kind’ren, Jozefs zaad

Vrijgemaakt van Faro’s haat.

’t Water zag, o God, U komen;

’t Water zag U, en de stromen

Steigerden vol schrik omhoog;

D’ afgrond werd beroerd, en droog.