Ds. J.B. Zippro - Romeinen 5 : 3 - 5

Het roemen in de verdrukkingen

een grote genade
een geheiligde wetenschap
Een gegronde hoop

Romeinen 5 : 3 - 5

Romeinen 5
3
En niet alleenlijk dit, maar wij roemen ook in de verdrukkingen, wetende, dat de verdrukking lijdzaamheid werkt;
4
En de lijdzaamheid bevinding, en de bevinding hoop;
5
En de hoop beschaamt niet, omdat de liefde Gods in onze harten uitgestort is door den Heiligen Geest, Die ons is gegeven.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 46:1 en 6
Lezen : Romeinen 5
Zingen : Psalm 56: 4 en 5
Zingen : Psalm 42: 5
Zingen : Psalm 138: 4

Gemeente, het Woord van God waarbij we u met Gods hulp willen bepalen kunt u vinden in het u voorgelezen Schriftgedeelte, Romeinen 5 vers 3, 4 en 5.

3. En niet alleenlijk dit, maar wij roemen ook in de verdrukkingen, wetende, dat de verdrukking lijdzaamheid werkt;

4. En de lijdzaamheid bevinding, en de bevinding hoop;

5. En de hoop beschaamt niet, omdat de liefde Gods in onze harten uitgestort is door den Heiligen Geest, Die ons is gegeven.

 

Het roemen in de verdrukkingen:

  1. een grote genade;
  2. een geheiligde wetenschap;
  3. Een gegronde hoop.

 

Het roemen in de verdrukkingen is ten eerste een grote genade: te roemen in de verdrukkingen; ten tweede een geheiligde wetenschap: wetende, dat de verdrukking lijdzaamheid werkt; en ten derde een gegronde hoop: En de hoop beschaamt niet, omdat de liefde Gods in onze harten uitgestort is door den Heiligen Geest, Die ons is gegeven.

 

  1. Een grote genade

Geliefden, het is één van de grootste genaden die de Heere aan Zijn kinderen geeft, die de Heere aan Zijn Kerk schenkt: roemen in de verdrukkingen. Er is zelfs een verklaarder die zegt: dit is de grootste genade die de Heere aan Zijn kinderen geeft. Dat laten we verder voor hem, dat hij dat zegt.

Wat zou u denken, wat zou u zeggen? Wat zou de grootste genade zijn die God aan een mens kan geven? We zouden zeggen: dat is toch wel de vergeving van zonden? Dat is toch wel de grootste genade? Of u zegt mogelijk: dat is de rechtvaardiging. Zoals Paulus zegt: als je mag weten rechtvaardig te zijn, vrijgesproken te zijn van schuld en straf, als je mag weten recht te hebben op het eeuwige leven.
Weer een ander zegt: de grootste genade is dat je mag weten een kind van God te zijn. Als je met volle vrijmoedigheid mag zeggen door de Geest der aanneming tot kinderen: ‘Abba, Vader.’ Dat is toch wel de grootste genade.

 

Maar hoe dat dan verder moge zijn, wat de grootste genade is, de schrijver zegt: nee, dit is de grootste genade als we mogen roemen in de verdrukkingen. Want dat roemen ín de verdrukking dat is niet een roemen ná de verdrukking. Ja, dan zouden we het kunnen begrijpen. Ja, als je nu uit alle verdrukkingen verlost mag worden, van alle strijd en moeite in je leven en je komt daaruit, dan mag je God gaan roemen, dan ga je God grootmaken.
Maar dat is het niet. Dat is er ook wel. Dat lees je bijvoorbeeld in de Psalmen. David heeft er wel van gezongen als God hem van grote nood en dood verlost heeft en Hij daarom God mag verheerlijken voor Zijn grote verlossing. Of na een ziekte, als de Heere je geneest. Dan ben je zo blij dat die ziekte eindelijk voorbij is en dan zeg je: Loof den HEERE, mijn ziel, en al wat binnen in mij is, Zijn heiligen Naam. Loof den HEERE, mijn ziel, en vergeet geen van Zijn weldaden; Die al uw ongerechtigheid vergeeft, Die al uw krankheden geneest (Ps. 103:1-3).

 

Roemen na de verdrukkingen. Ja, dat is er ook, maar roemen na of uit de verdrukkingen, dát wordt hier niet door Paulus bedoeld. Paulus bedoelt helemaal niet dat hij zou roemen vanwege de verdrukkingen, of roemen om de verdrukkingen. Dat je dus God gaat grootmaken vanwege de verdrukkingen, omdat je een soort behagen hebt in verdrukkingen. Dat is een soort zelfmedelijden, daar heeft het ook niet mee te maken.

We hoeven ook niet te vrágen om verdrukkingen, want dat zijn geen dingen die we hoeven te vragen, dat zijn geen aangename dingen.
Maar er wordt hier bedoeld: roemen ín de verdrukkingen. Roemen te midden van de verdrukkingen; dat is een grote genade! Roemen, terwijl je er middenin zit en dan toch geen kwaad van de Heere te spreken en niet te beginnen met een klaagzang. Dan niet te beginnen met: ‘Wat ik nu allemaal mee moet maken, mensen, het is bar.’ Nee, roemen in de verdrukkingen.

 

We gaan even terug naar het verband van de tekst. Dan ziet Paulus dit als een vrucht van de rechtvaardigmaking, als een vrucht van de heiligmaking. We zijn in Romeinen 5. De verklaarders zijn het er allemaal over eens dat het in de eerste verzen van dit hoofdstuk gaat over de vruchten van de rechtvaardiging. Dat is het grote thema van de Romeinenbrief. In het eerste hoofdstuk wordt dit al aangekondigd. In het tweede en vooral in het derde hoofdstuk, in het vierde hoofdstuk aan de hand van het leven van Abraham: de rechtvaardiging. De mens wordt gerechtvaardigd uit genade, zonder de werken de werken der wet; wie we dan ook zijn.

 

Wat betekent rechtvaardig zijn in het wereldlijke recht? Voor de aardse rechter zijn maar er twee mogelijkheden: je staat schuldig of je bent niet schuldig. Als je schuldig bent, dan volgt de straf. Als je onschuldig bent, dan volgt vrijlating.

Als het nu gaat om de rechtbank van God, dan staan wij allen schuldig. Paulus is hierin duidelijk: of we nu Jood zijn, besneden zijn of allerlei voorrechten hebben. Dat doet er niet toe voor God, als het daarover gaat. Of we nu heiden zijn, of Griek, of wie we dan ook zijn, dat maakt niet uit. Er staat: wij hebben allen gezondigd en derven de heerlijkheid Gods (Rom. 3:3). We hebben allen gezondigd en we missen de heerlijkheid Gods.


Wat een wonder dat er nu Eén gekomen is Die de plaats van de zondaar heeft ingenomen. Hij is volmaakt gehoorzaam geweest aan Zijn Vader. Paulus zegt: nu kunnen zondaren door het geloof in Hem rechtvaardig worden, verlost worden, vrijgesproken van schuld en straf. Dat is in het kort de rechtvaardiging.

 

In hoofdstuk 5 gaat het hier niet meer over. Daar gaat het over de vruchten van de rechtvaardiging. Welke vruchten zijn dat? De eerste vrucht die Paulus noemt is: vrede met God: Wij dan, gerechtvaardigd zijnde (dat is een soort conclusie, een gevolgtrekking) wij dan, gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God.
Vrede bij God, wat een rijke vrucht! Vrede met God, als je in oorlog bent met God. Dan ben je tegen God aan het strijden. Zoals er ook vandaag nog oorlog is, dat mensen elkaar doden. Dat is iets verschrikkelijks. Maar vrede, vrede met God, verzoening, vrede die je ook ervaart in je hart, die alle verstand te boven gaat. Die niet is te vergelijken met enige vrede op deze aarde. Dat is uiteindelijk de vrucht van de rechtvaardiging, dat je vrede met God hebt.

 

Even tussendoor: hebt u die vrede met God? Hebben wij die vrede met God of zijn we nog aan het vechten tegen God? Zijn we nog aan het strijden tegen God zoals Paulus ook vocht tegen God? Paulus vocht in zijn godsdienst. Hij kon geen vrede vinden, maar wat Paulus schrijft, heeft hij wel zelf mogen ervaren.

 

  1. Een geheiligde wetenschap

Nog een vrucht: dewijl wij de toeleiding hebben tot deze genade, de toegang tot die genade, in welke wij staan. Vandaar dat er wel eens gesproken wordt over de genadestaat. De genade, in welke wij staan. Dan mag je vanwege de genadestaat toegang hebben, toeleiding tot deze genade.
Dat is ook een vrucht van de rechtvaardiging, dat je de toegang ervaart tot God. Dat hangt natuurlijk samen met die vrede. Want het is net zoals bij aardse vrede. Als er aardse vrede is, zijn de grenzen open, zegt een verklaarder. Als er tussen twee landen oorlog is, dan staan er bij de grens soldaten en dan kom je die grens niet over. Maar, zegt de verklaarder, als er vrede is tussen die twee landen, dan gaan de grenzen ook weer open.

Zo is het ook als er vrede mag zijn met God; dan gaan de grenzen weer open. Dan ervaar je die toeleiding, die toegang tot de troon van Zijn genade, in welke wij staan en roemen in de hoop der heerlijkheid Gods.

 

Nog een vrucht: roemen in de hoop der heerlijkheid Gods. Wat is dat? Dat is dat roemen vanwege die toekomstige heerlijkheid die aan ons beloofd is. Dat zijn de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, waarop gerechtigheid woont. Dat geeft stof tot roemen. Dan ga je God grootmaken voor wat de Heere beloofd heeft. Hoe groot is Uw goed, dat Gij weggelegd hebt voor degenen die U vrezen, zegt de psalmist. ‘Geloofd zij God met diep ontzag, Hij overlaadt ons dag aan dag, met Zijne gunstbewijzen.’ Dat is roemen in de hoop der heerlijkheid Gods. Wat er ook in de toekomst ligt, dan gáán we verder.
Er zijn verklaarders die in deze tekst een opklimming zien. Ik durf dat niet te zeggen; ik weet het niet of hier sprake is van een opklimming. Vrede met God. Nog een stapje verder: toegang tot de troon der genade. Nog een stapje: het staan in deze genade. Nog een stap verder: roemen in de hoop der heerlijkheid Gods. Dan de allerlaatste stap: het roemen in de verdrukkingen.
Niet alleen dit, wat bedoelt Paulus daarmee? Niet alleen dit … ja, alsof hij wil zeggen: het roemen in de heerlijkheid Gods, dat God verheerlijken vanwege zijn toekomstige genade. Maar niet alleen dit, er is nog meer, er is nog een grotere genade! Dat is het roemen in de verdrukkingen, waarbij God het voorwerp is. God is het voorwerp van onze roem. In vers 11 lees je eigenlijk ongeveer hetzelfde: En niet alleenlijk dit, maar wij roemen ook in God door onzen Heere Jezus Christus, door Welken wij nu de verzoening gekregen hebben. Het voorwerp van de roem is God.

 

Wat is eigenlijk roemen? Wat betekent eigenlijk roemen? We hebben het er steeds over: roemen in de heerlijkheid Gods en roemen in de verdrukking. Maar wat betekent eigenlijk roemen? Als je iemand roemt… Dat gebeurt in de wereld ook, dat iemand geroemd wordt vanwege zijn prestaties. Zoals in de sportwereld. In de popwereld doen ze dat ook. Dat iemand geroemd wordt vanwege wat hij gedaan heeft. Dan wordt zo iemand verheerlijkt. Dan wordt zo iemand om zijn prestaties geroemd. Wat een geweldige kerel is dat!

Het gaat hier natuurlijk niet over dat aspect. Het gaat hier over het roemen in God. Wat is het roemen in God? Dan gaan we niet de mens grootmaken, dan gaan we niet de mens in het middelpunt zetten, maar dan gaan we God in het middelpunt zetten: Hem prijzen, Hem verheerlijken, Hem de lof en de dank toebrengen. Daar zijn eigenlijk geen woorden voor te vinden: naar waarde nooit genoeg te danken. Door de zonde kunnen we dat niet meer. Door onze zondeval, door de zonde en de ongerechtigheid zijn we niet meer in staat om God groot te maken.

 

In het paradijs maakten we Hem groot en verheerlijkten we Hem. Dat was onze lust en ons leven, in de staat der rechtheid. Dat zijn we verleerd, dat kunnen we niet meer. Wij kunnen door onze zonde God niet meer grootmaken. Dat is onze eigen schuld. Daardoor komt het dat we onszelf zo in het middelpunt zetten en dat we onszelf beroemen. Maar: Wie roemt, roeme in de Heere (2 Kor. 10:17), zegt Paulus. Als je bezig bent om iemand te verheerlijken, doe dat dan alstublieft niet bij de mens en vooral niet bij jezelf, maar wie roemt, roeme in de Heere. God grootmaken.

Dat heb ik in het paradijs verleerd, dat kan ik door de zonde niet meer, vanwege mijn doodsstaat ben ik onbekwaam tot enig geestelijk goed en geneigd tot alle kwaad. Maar nu het wonder: door genade en door de verlossing ga ik in beginsel weer de Heere bedoelen in mijn leven. De genade in dewelke wij staan. Genadestaat, daar staan we in. Ik ga God weer bedoelen in mijn leven. Dan ga ik door wedergeboorte en bekering weer God grootmaken. Uit de doodsstaat word ik overgezet in de genadestaat.

 

Dan weten we van droefheid naar God en smart over de zonde. In dat eerste beginnende leven is er smart over de zonde, droefheid dat ik tegen een rechtvaardig God en tegen een goeddoend God gezondigd heb. De Heere Die zo goed voor ons is, heb ik bedroefd met mijn zonden. Maar in beginsel ga ik de Heere grootmaken, ga ik God roemen. Gaan we roemen, ga ik Hem beroemen. Die roemtaal vanuit de Psalmen, wat we samen hebben gezongen: Ik roem in God. Dat heb je weleens wanner de Heere zoveel ruimte geeft in het hart: Ik roem in God, ik prijs het onfeilbare woord, ik heb het zelf uit Zijnen mond gehoord. Dan ben je zo blij, dan is er zo’n zoete vreugde en vrede in je hart dat je de Heere mag roemen.

 

Mag ik tussendoor een vraag stellen: Wanneer heeft u dat voor het laatst gedaan? Wanneer hebt u, kind van God, dat voor het laatst gedaan? Nee, ik bedoel niet de ijdele roem, ik bedoel niet de roemtaal met de lippen, ik bedoel niet het uitwendige roemen. Dat heb je ook genoeg in deze tegenwoordige wereld, ook in de godsdienst. Roemen met de lippen, terwijl het hart er niet in meekomt. Het is alleen maar uitwendig. Dat kom je ook veel tegen. Lees de Catechismus zondag 11 maar als het gaat over die naam Jezus. Dan zegt het antwoord: ofschoon zij met de mond in Hem roemen.

 

In de dagen van de Catechismus waren er ook al veel van die mensen: roemen in Jezus. Kennelijk is dat niet het ware roemen in God. Dat ware roemen komt altijd op vanuit de diepte, vanuit de verwondering, vanuit de verbrokenheid van het hart. Dat andere is alleen maar mooi aan de buitenkant. Dat lijkt wel mooi. Velen laten zich helaas hierdoor meevoeren. De vraag is: is het echt? Wij roemen in de verdrukking. Is het echt God grootmaken? Vanuit de diepte, vanuit de verwondering, vanuit de verslagenheid.

 

Het is net als met een kunstbloem en een echte bloem. Als je zo’n kunstbloem ziet, zeker van een afstand, dan zeg je: Wat staan daar mooie bloemen op tafel, ja, prachtig! Mooi hè, die kleuren, heel mooi! De volgende dag zijn ze nog even mooi als gisteren. Hoe prachtig die kunstbloemen ook mogen lijken, uitwendig, het is en blijven kunstbloemen, want dat zijn ze! Nu die echte bloem. Die is heel verschillend, de ene of de andere dag. Die is heel afhankelijk van water en van zon. Als een bloem geen zon krijgt, als hij in een hoek staat, in het donker, dan kwijnt hij weg. Daar hebt u het leven der genade. Het lijkt er soms niet op, zodat je zegt: Die bloem kun je maar beter wegdoen, maar het grote verschil tussen een kunstbloem en een echte bloem is: roemen in de verdrukking. Het ware roemen.

 

Het gaat hier dus niet over roemen in de hoop der heerlijkheid Gods. Dat kunnen we nog begrijpen. Als je denkt aan die toekomst die God weggelegd heeft. Prachtig! Dan ga je roemen, dan ga je God grootmaken. Roemen in hoop!

Nee, roemen in de verdrukkingen, dat is als alles tegenzit. Niet als de zon schijnt. Dan kun je God grootmaken om het mooie weer, prachtig! Nee, als het de hele dag dik bewolkt is, als het een hele dag regent, als het donker is, harde wind en het is koud. In die omstandigheden, in de stormen van je leven, als de golven beuken tegen je levensscheepje, zoals bij Paulus op reis naar Rome. Alle mannen op het schip denken dat het hun laatste uur is. Paulus staat op en zegt: Vannacht heeft mij bijgestaan een engel van God, van Wie ik ben en Welke ik ook dien. Dan mag hij God grootmaken, gaan roemen in de verdrukking.

 

Daar hebt u het verschil met het tijdgeloof, want het tijdgeloof roemt alleen in God als de zon schijnt. Dat zegt Christus Zelf in de gelijkenis over het zaad. Dat zaad valt op steenachtige plaatsen. Het begint gelijk te groeien; het lijkt heel wat. Maar het heeft geen wortel van aarde. Wat betekent dat? De Heere Jezus zegt: als er verdrukking komt, worden ze terstond geërgerd. Dan houden ze het in die verdrukking niet uit, dat houdt geen stand. Maar als er wortel mag zijn en ook wat diepte van aarde, is er ook in de verdrukkingen de genade van de volharding.

 

Wetende dat de verdrukking lijdzaamheid werkt, en de lijdzaamheid bevinding, en de bevinding hoop; en de hoop beschaamt niet, omdat de liefde Gods in onze harten uitgestort is door den Heiligen Geest, Die ons is gegeven. Verdrukking, lijdzaamheid, bevinding, hoop en de liefde Gods. Vijf schakels in een mooie ketting, zeggen sommige verklaarders. Ja, zelfs moderne verklaarders wijzen erop dat Paulus hier een zogenaamde kettingredenering heeft. Het is een mooi beeld. Philpot gebruikt dit beeld ook, hij noemt het een ketting met vijf mooie schalmen of schakels, een mooi sieraad met schakels aan elkaar verbonden. Het één werkt het ander uit.
De verdrukking werkt de lijdzaamheid. De lijdzaamheid werkt iets uit: bevinding. De bevinding werkt wéér iets uit: hoop. De hoop beschaamt niet, omdat de liefde Gods in onze harten uitgestort is. Het één werkt het ander uit. De eerste gave: dan kunnen we met de hoop beginnen of met de bevinding. Nee, Paulus begint met de verdrukking. De verdrukking is de eerste schakel in de ketting. Een verklaarder zegt: misschien is de verdrukking wel de zwaarste schakel. Zoals je ook grotere en kleinere sieraden, grote en kleine schakels hebt. Die grotere wegen best veel. Zo is de eerste schakel wel de zwaarste, namelijk de verdrukking.

 

Er zijn allerlei verdrukkingen; de hele wereld is er vol van als gevolg van de zonde. Ieder mens heeft met verdrukking te maken: ziekte, moeite, tegenslag, teleurstellingen. Je raakt je baan kwijt, er zijn huwelijksproblemen. Of erger: je moet geliefden missen, man, vrouw of kind. We moeten onderscheid maken in verdrukkingen. Er zijn verdrukkingen in de wereld, waar wij ook onderdeel van zijn; maar er is ook specifieke verdrukking, specifiek verbonden met het christen-zijn. Dat is een verdrukking die de wereld niet kent. Die verdrukking houdt verband met het feit dat we een volgeling zijn van Christus. De Heere Jezus heeft het tegen de discipelen gezegd: In de wereld zult gij verdrukking hebben (Joh. 16:33). Want je komt met een boodschap die ze niet hoeven, ze moeten je niet. Verwondert u niet zo u de wereld haat, want weet dat zij Mij eer dan u gehaat heeft. Ze willen je niet, ze hoeven je niet. Verdrukkingen! Het Evangelie vindt geen ingang.

 

Zo zijn er nu ook landen waar verdrukking is, waar geen vrijheid is, waar de kerk verdrukt wordt. Maar dan lees je ook van die mensen dat ze in al hun verdrukkingen toch God mogen grootmaken. Dat kan de wereld niet begrijpen, dat heeft de wereld niet. Dat roemen in de verdrukkingen heeft Paulus zelf ook gekend en geleerd. Paulus wist wat het was om te roemen in de verdrukkingen. Hij schrijft dat aan de Romeinen, aan de kerk van Rome, waar ook wel vervolgingen waren. Sommigen zeggen dat het toen nog niet gebeurde, dat die pas later kwamen, maar ik geloof dat er toen ook al vervolgingen waren vanwege de keizerverering. Als je daar niet aan meedeed, betekende dat verdrukking, vervolging: jij doet niet mee. Misschien heb je dat op je werk ook wel. Ja, zolang je zwijgend je weg gaat, heb je nergens last van, maar als je tegen je collega’s begint over christen-zijn, dan krijg je verdrukking. Je moet vandaag maar eens zeggen dat er dingen in de wereld gebeuren die niet goed zijn. Dan ervaar je verdrukking.

 

Paulus heeft het zelf ook zeker ervaren. Hij schrijft er in andere brieven over, wat hij allemaal heeft meegemaakt vanwege dat Evangelie, vanwege dat kruis dragen van Christus, vanwege het feit dat hij volgeling was van Christus. Denk maar aan wat er in die storm gebeurde, maar bijvoorbeeld ook aan de gebeurtenissen in Filippi. Daar was een dienstmeisje dat roept: Deze mensen zijn dienstknechten Gods des Allerhoogsten, die ons den weg der zaligheid verkondigen (Hand. 16:17).
Totdat Paulus op een gegeven moment zegt: ‘Nu moet je ermee ophouden.’ Dat kost hem bijna zijn leven, want die geldschieters, die financiers van die dame, worden natuurlijk woest, omdat de duivel uit die vrouw wordt uitgeworpen. Dan duurt het niet lang of Paulus en Silas zitten in de gevangenis, nadat eerst hun ruggen open geploegd zijn.
Dan zitten ze in de stok. In die tijd had je de stokbewaarder. Allerlei marteltuig werd er gebruikt. Dat kun je in musea nog wel zien. Je handen gingen in een stok. Misschien hebben jullie, jongens en meisjes, dit weleens gezien of heb je het zelf uitgeprobeerd. Dan moest je je handen leggen in een stuk hout en dan stond je daar uren.

 

Zo moest Paulus ook met Silas in de gevangenis uren in een stok. En dan? Dan beginnen ze verschrikkelijk te klagen. Paulus zegt tegen Silas: ‘Joh, wat is het toch erg wat wij moeten meemaken. Ik wist niet dat dit allemaal op me te wachten stond, als ik dit geweten had!’
Nee! Dan staat er iets in de Bijbel wat bijna niet kan, maar het staat er echt: En omtrent den middernacht baden Paulus en Silas en zongen Gode lofzangen; en de gevangenen hoorden naar hen (Hand. 16:25). Te midden van de verdrukking, te midden van die pijn en die bloedende ruggen gaan ze God grootmaken. Roemen in de verdrukkingen, wat een genade!
Misschien heeft Silas tegen Paulus gezegd: ‘Zullen we gaan zingen? Ai, hoor naar hen die in gevang’nis kwijnen. Dat hadden ze ook kunnen zingen. Maar nee, weet je wat ze gaan zingen? Psalm 68 vers 10: Geloofd zij God met diepst ontzag, Hij overlaadt ons dag aan dag, met Zijne gunstbewijzen. Die God is ons een God van heil. Andere gevangenen hebben het gehoord en gezegd: ‘Wat die mensen daar doen? Wat die mensen daar zingen?’ Het is tot eeuwige zegen geworden voor de stokbewaarder. Roemen in de verdrukkingen.

 

Aan het einde van de eerste zendingsreis gaat Paulus nog door de plaatsen in Azië en Ikónium en Antiochíë. Dan staat er zo: Versterkende de zielen der discipelen, en vermanende dat zij zouden blijven in het geloof, en dat wij door vele verdrukkingen moeten ingaan in het Koninkrijk Gods (Hand. 14:22). Door vele verdrukkingen, dat willen we niet, maar dat hoort er wel bij hoor! We willen graag een weg met rozen, geen zorgen en moeiten, nee, graag een hemel op aarde en straks ook nog de hemel. Nee, zegt Paulus: dat wij door vele verdrukkingen moeten ingaan in het Koninkrijk Gods.

 

Allerlei verdrukkingen zijn het deel van Gods kinderen. David zingt er ook van in de Psalmen: ziekte en moeite. Denk eens aan Job: al zijn kinderen weggenomen, zijn bezittingen, de landerijen, zijn schapen. Alles weg op één dag, verschrikkelijk! Is dat nu die God? Zijn vrouw zegt: Zegen God en sterf, houd er maar mee op. We kunnen best begrijpen dat ze zegt: ‘Wat heb je nu aan zo’n God?’ Maar wat zegt Job? De HEERE heeft gegeven en de HEERE heeft genomen; de Naam des HEEREN zij geloofd (Job 1:21). Roemen in de verdrukkingen. Hoe kan dat toch, Job? Hoe is het toch mogelijk? Je hebt niks meer over!
Nee, ik heb niks meer over… Wacht even, ik heb God over! Want God was aan mijn zij, Hij ondersteunde mij, in het leed dat mij genaakte. Dan kunnen er allerlei zorgen en beproevingen zijn in je leven. Dat is niet aangenaam, als je bijvoorbeeld je baan moet verliezen.
Het gebeurt dat iemand nog net een paar jaar voor zijn pensioen zit en het bedrijf zegt: ‘We hebben je niet meer nodig.’
‘Ja, maar ik moet nog maar twee jaar!’
‘Nee, het is over.’

Dat zorgt voor verdrukkingen, moeiten en tegenslagen.

 

Geestelijke strijd, denk eens aan Asaf. Asaf had het ook niet gemakkelijk. Het is geen vanzelfsprekendheid. Het is niet een knopje omzetten en we gaan roemen in de verdrukkingen, nee. Asaf heeft het moeilijk genoeg gehad. Hij ziet al die voorspoed van de goddelozen en hij zegt: ‘Kijk nu toch eens, die mensen die nergens aan doen kunnen financieel alles maar doen, moet je eens kijken naar mij.’ Hij begon zichzelf te beklagen. Dat kunnen we begrijpen: onszelf gaan beklagen. Dan ga je klagen in de verdrukkingen en dan word je opstandig in de weg die de Heere met je gaat.
De Israëlieten begonnen ook tegen Mozes te klagen en ze zeiden: ‘Komt er nog eens een keer een einde aan de woestijnreis?’ Wat heel erg is, ze begonnen heel erg te klagen tegen Mozes. Op een gegeven moment zeiden ze: ‘Mozes, dat Egypte, dat was eigenlijk nog niet eens zo vervelend want daar hadden we overvloed aan eten. We moesten er wel hard werken, maar we konden in ieder geval nog vlees eten.’ Wat een geklaag.

 

Staan we er boven en zeggen we: ‘O, wat verschrikkelijk wat die mensen doen’? Als we enige zelfkennis hebben, aanvankelijk, maar ook in de verdere bekering. Groei in de kennis van jezelf, groeien in de genade… Is dat: sterker, beter worden, alsmaar opklimmen en klimmen? Nee, gemeente, groeien in de genade dat is ook jezelf steeds meer en meer leren kennen. Dat opstandige bestaan vanbinnen. Dat vijandige bestaan, dat niet eenswillend zijn en dat niet willen en niet kunnen buigen onder God.
Wat komt er dan soms een modder van zonden boven in je hart, waarvan je dacht dat dat wel voorbij zou zijn in je leven. Wat komt er dan soms een vuilheid naar boven, boosheid. We noemen het nadere ontdekkingen. Dan moet ik in die verdrukkingen weer op die plaats gebracht worden, opdat ik het met de Heere eens mag zijn, zodat mijn mond op slot gaat en ik mag zwijgen zoals Aäron toen twee van zijn zoons waren weggenomen.

Dat zal ook niet eenvoudig zijn geweest voor Aäron. Ze hadden vreemd vuur voor het aangezicht van de Heere gebracht. Ze hadden het reukofferaltaar met hun eigen vuur aangestoken, niet met het vuur van het brandofferaltaar. Een blikseminslag en daar gaan twee van je zonen. Roemen in de verdrukking: Doch Aäron zweeg stil (Lev.10:3). Aäron mocht zwijgen; daarin zien we dat de verdrukking lijdzaamheid werkt.

 

Dat is genade. Dat is de volgende schakel: lijdzaamheid, dat is geduld. Verdrukking werkt de lijdzaamheid, geduldig zijn in de verdrukking. Wachten op de Heere, onderworpen zijn. Dat is ook een genade hoor, want Abraham kon niet wachten. De Heere had wel beloofd dat hij een zoon zou krijgen, maar het duurde hem te lang. Hij zei tegen Sara: ‘Kijk, daar is Hagar, dat is een mooie oplossing, dan zijn we er toch? Dan is die belofte toch ook vervuld?’
Maar het was allemaal uit de mens en dat moest Abraham ook leren en dat moeten u en ik ook leren. Wachten op de Heere, lijdzaamheid, geduldig zijn in de verdrukking. Ik kan zo moeilijk wachten, ik wil almaar dat vooruit lopen en er op vooruit grijpen. Lijdzaamheid, dat is een genade.

 

Toen Gezeglijk in de poel Mistrouwen viel toen zei hij tegen Christen: ‘Is dat nu het koninkrijk dat je beloofd hebt? Ajuus, ik ga er vandoor, naar de stad Verderf, ik zie je niet meer terug.’ Gezeglijk, of ook wel Plooibaar, ging een heel eind mee met Christen: ‘Vertel nog eens hoe dat hemelse koninkrijk is, Christen?’ Christen ging weer vertellen hoe mooi het allemaal was. ‘Daar heb ik wel zin in’, zei Gezeglijk. Toen kwam de poel Mistrouwen, toen kwamen de verdrukkingen, toen was het over met Plooibaar en hij ging terug.
Ze vallen af als er verdrukking komt. Dan is er geen lijdzaamheid. Daar moeten we voor bewaard worden, want als ik aan mezelf overgegeven wordt… O, wat blijft er dan van mezelf over. Maar nu door genade te mogen volharden.

 

De verdrukking werkt lijdzaamheid en de lijdzaamheid die werkt bevinding, staat er. Bij bevinding denken we aan een bevindelijke prediking. Er moet gepreekt worden wat er ervaren wordt: bevinding. Dat is wel waar en dat is ook goed, maar ‘bevinding’ hier betekent veel meer beproefdheid. Ik voel nog het meeste bij de kanttekening die zegt: ‘Ervaring of beproeving, namelijk van Christus’ hulp en trouw in het volbrengen van Zijn belofte, waarmee Hij beloofd heeft ons in zulke zwarigheden bij te staan.’ De ervaring of de beproeving van de bijstand of de hulp van Christus.
Te midden van de verdrukking werkt de lijdzaamheid bevinding, beproefdheid. Dan wordt beproefd Wie de Heere is voor je. Beproefd wat God belooft in Zijn Woord en dat hetgeen God belooft, waar is. Dat wordt beproefd. Dat ontdek je alleen maar in de weg van verdrukking. Nu zou ik weleens willen weten dat God Zijn Woord houdt. Ja, ik zou wel willen weten hoe God Zijn belofte vervult.

 

In welke weg wordt dat ervaren? Hier, in een weg van verdrukking, lijdzaamheid, bevinding en dan door de bevinding hoop. Want als ik dan beproef Wie God voor mij is, dan bloeit die hoop weer op. Dan wordt die hoop weer verlevendigd in mijn hart. Want die hoop kan op een heel laag pitje staan. Dan kan het soms lijken of er helemaal geen hoop meer is. Het is hopeloos.
Ik weet het wel, de Heere bewaart ze voor de wanhoop, maar toch kan het soms zo hopeloos lijken. Maar als je dan beproeft Wie de Heere is, dan bloeit die hoop weer op. Dat is geen valse hoop, maar dat is die ware, gegronde hoop. Dat is: ‘k Zal Zijn lof zelfs in de nacht zingen, daar ik Hem verwacht en mijn hart, wat mij moog’ treffen, tot de God mijns levens heffen. We gaan het samen zingen uit Psalm 42 het vijfde vers.

 

 

             Psalm 42 vers 5:

 

Maar de HEER zal uitkomst geven,

Hij, die 's daags Zijn gunst gebiedt;

'k Zal in dit vertrouwen leven,

En dat melden in mijn lied;

'k Zal Zijn lof zelfs in den nacht

Zingen, daar ik Hem verwacht;

En mijn hart, wat mij moog' treffen,

Tot den God mijns levens heffen.

 

  1. Een gegronde hoop

Het roemen in de verdrukkingen: een grote genade, een geheiligde wetenschap, maar ook een gegronde hoop. En de hoop beschaamt niet, omdat de liefde Gods in onze harten uitgestort is door den Heiligen Geest, Die ons is gegeven. En de hoop beschaamt niet… Nee, omdat die God niet beschaamt! De hoop op die God, Die zal niet beschamen degenen, die het van Hem verwachten. Omdat die liefde Gods daar is, omdat het vertrouwen daar is, dat die God ons toch zal gedenken in alle nood en in alle zorg. De Heer’ zal in dit moeilijk leven, zijn volk en erfdeel nooit begeven, omdat die liefde Gods daar is. De vijand probeert dat liefdesvuur wel te doven; o ja, zeker in de verdrukkingen. Dat liefdesvuur kan soms op zo’n laag pitje staan, maar toch, de Heere houdt het in stand.
 

We kennen dat mooie beeld wel uit de Christenreis: aan de ene kant van de muur staat iemand die water op het vuur gooit, aan de andere kant van de muur staat iemand die olie op het vuur gooit. Dat is precies want de duivel probeert: het vuur uitdoven. Maar de Heere onderhoudt het met die olie. Zo gaat Paulus ten slotte eindigen in die God. Roemen in de verdrukkingen, omdat die God niet beschaamt. Met die God kom je toch nooit bedrogen uit.
Wat is er op tegen, jongens en meisjes, om die God te dienen? Ondanks verdrukkingen gaat het dan toch goed. Met die God kom je niet bedrogen uit omdat die liefde Gods in het hart is uitgestort. Ik probeer het nog even met een voorbeeld te verduidelijken. Een man gaat een heel verre reis maken. Hij houdt heel erg veel van zijn vrouw, maar hij gaat voor een lange tijd weg. Die man zegt: ‘Ik kom terug; dan en dan ben ik terug.’ De vrouw houdt ook veel van haar man, ze vertrouwt haar man en verwacht dat hij terugkomt. Dat geeft hoop door de liefde.

Maar wat zou het zijn als hij niet terugkomt…? Zo is het bij de Heere nooit. Hij doet altijd wat Hij belooft. Al gaat het door verdrukkingen en moeiten en door duizend stormen heen. Die zijn ook noodzakelijk en nuttig omdat die oude mens gekruisigd moet worden. Die nadere ontdekkingen zijn ook nodig. Dat je gaat zien en te weten komt wat er eigenlijk allemaal in je hart huist. Dat je het gaat zien dat er in je hart eigenlijk helemaal niets deugt, ook niet na ontvangen genade. Als de Heere dat werk niet zou onderhouden, wat zou er van terecht komen? Maar de Heere is zo getrouw als sterk, Hij zal Zijn werk voor mij volenden.

 

Die liefde Gods die in onze harten is uitgestort. Wanneer is dat gebeurd? Dat is in de bekering. Dan wordt de liefde Gods in je hart uitgestort. Jongens en meisjes, vraag er maar om! Ouderen, als u nog moet zeggen: ‘Daar ben ik nog vreemdeling van, ik weet niet wat dat betekent…’ Vraag erom, het is een gave die de Heilige Geest kan geven. Het is die liefde Gods, in het hart uitgestort.

 

Waar zie je die liefde en waar proef je die liefde nu het meest? Lees de volgende verzen maar, die u ook kunt vinden in het formulier voor het Heilig Avondmaal. Daar staat wat Christus voor de Zijnen gedaan heeft. Hoe Hij uit eeuwige liefde voor de Zijnen gestorven is. Maar God bevestigt Zijn liefde jegens ons, dat Christus voor ons gestorven is als wij nog zondaars waren.
Hier zie je de liefde Gods het meest, aan het vloekhout van het kruis. Dan smelt je toch weg! Die liefde Gods, in het hart uitgestort. Wat heeft de Zaligmaker gedaan om zulke vrome, goede, bekeerde mensen zalig te maken… Nee, om goddelozen, vijanden, misdadigers, zo worden ze hier genoemd! Misdadigers, toen wij nog krachteloos waren, er blijft niets van de mens over, maar het is alleen roemen in vrije gunst, in vrije genade alleen!

 

Roemen in de verdrukking. Wanneer hebt u dat gedaan? Wanneer hebt u dat voor het laatst gedaan, kinderen van God? Vele wateren zullen dat liefdesvuur niet kunnen uitblussen. Vele wateren der verdrukking zullen niet bij machte zijn om die liefde Gods in het hart weg te nemen. Maar eens zal het einde zijn van alle verdrukkingen als God alle tranen van hun ogen zal afwissen. Dan zal er geen rouw of gekrijt meer zijn. Dan zal het geloof verwisseld worden in aanschouwen. Dan zal de hoop eeuwig worden vervuld. Maar dan zal de liefde Gods, waarvan de apostel hier spreekt, tot in alle eeuwigheid blijven. Want niets zal ons kunnen scheiden van die liefde Gods, welke is in Christus Jezus.

 

Amen.

 

Psalm 138 vers 4

 

 

 

Als ik, omringd door tegenspoed,

Bezwijken moet,

Schenkt Gij mij leven;

Is 't, dat mijns vijands gramschap brandt,

Uw rechterhand

Zal redding geven.

De HEER is zo getrouw, als sterk;

Hij zal Zijn werk

Voor mij volen - den,

Verlaat niet wat Uw hand begon,

O Levensbron,

Wil bijstand zenden.