Ds. R. Kattenberg - Job 28 : 28b

Wijsheid

Job 28
de Bron van die wijsheid
het bezit van die wijsheid
de vrucht van die wijsheid

Job 28 : 28b

Job 28
28
Maar tot den mens heeft Hij gezegd: Zie, de vreze des HEEREN is de wijsheid, en van het kwade te wijken is het verstand.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 111: 1 en 6
Lezen : Job 28
Zingen : Psalm 25: 2 en 6
Zingen : Psalm 19: 5
Zingen : Psalm 21: 13
Zingen : Psalm 121: 3 en 4

Gemeente, met de hulp des Heeren prediken wij u het Woord van onze God naar aanleiding van de tekst die u vindt in Job 28, het tweede gedeelte van vers 28:

 

Zie, de vreze des Heeren is de wijsheid, en van het kwade te wijken is het verstand.

 

Tot zover de tekst voor deze dienst, die ons spreekt van wijsheid.

Drie aandachtspunten:

  1. de Bron van die wijsheid;
  2. het bezit van die wijsheid;
  3. de vrucht van die wijsheid.

 

Dus deze tekst spreekt ons van wijsheid. We letten op de Bron, het bezit en de vrucht van die wijsheid.

 

  1. De Bron van die wijsheid

Gemeente, we zijn allemaal heel verschillend. De een wil graag dit en de ander wil graag dat. En toch lijken we ook weer heel erg op elkaar. We willen graag allemaal gelukkig worden, rijk worden, gezond zijn, oud worden.

Zo zijn er nog wel meer dingen te noemen die we gemeenschappelijk hebben als het gaat over wat wij graag willen. Ik noem er nog één: elk mens wil ook graag weten. Dat begint al op jonge leeftijd. Peuters en kleuters vragen: Waarom, papa? Waarom, mama? Waarom dit? Waarom dat? Waarom moet ik dit doen? Waarom moet hij dat doen? Waarom?

 

Zoeken naar wijsheid – denk niet dat u dat stadium al te boven gekomen bent. Willen we niet altijd meer weten? Nooit weet een mens genoeg. De ontwikkeling van de wetenschap kent geen eind; denk bijvoorbeeld aan de ruimtevaart. Maar denk ook eens aan alle kennis die zich openbaart op het terrein van de medische wetenschap.

Enerzijds is dat bijzonder verblijdend en anderzijds heel huiveringwekkend. Als ze in een ziekenhuis in de ene kamer bezig zijn om een vrouw te aborteren en in de andere kamer alles in het werk stellen om een baby'tje gezond en wel ter wereld te brengen, dan is dat heel tegenstrijdig.

De techniek is net als een trein; ze gaat maar voort. Weet u waar de rem zit? Wat is het punt waarop je kunt zeggen: en nu niet verder?

 

Die ontwikkeling is niet van de laatste tijd; die zie je ook al in de tijd van Job. Waarschijnlijk is dat de tijd waarin ook Abraham heeft geleefd.

Terecht zegt een van de verklaarders bij dit bijzonder rijke gedeelte van het boek Job: Job wordt haast lyrisch in dit hoofdstuk. Wat kennis en wetenschap betreft, wijst hij ons in het eerste gedeelte van hoofdstuk 28 bijvoorbeeld op een mijnwerker. Een mijnwerker delft uit diepe aardlagen koper en ijzererts op. Hij graaft diepe schachten. Je ziet hem afdalen bij het spaarzame licht van de mijnlamp die hij meeneemt. Hij daalt zo ver af tot hij in de diepte en de donkerheid het gesteente ziet liggen dat hij zoekt. Vers 4 zou je ook zo kunnen vertalen: Ver bij de bewoonde wereld vandaan boren ze een mijnschacht. Ze hangen daarin, zonder steun voor de voet, en zweven ver bij de mensen vandaan.

Je ziet het als het ware gebeuren. Wat gaat de kennis en het vernuft van een mensenkind ver, om zulke schatten uit de diepte van de aarde op te kunnen delven.

 

Job wijst vervolgens ook op de werker in de bergen, de bergbeklimmer die goud en kostbare gesteenten zoekt. Hij hangt aan een touw langs de steile rots en houwt gangen uit, totdat zijn oog al het kostelijke ziet dat hij zoekt. Ook dat is niet zo moeilijk om je voor te stellen. Je ziet daar iemand bengelen en je zegt: o, als dat maar goed gaat!

We lezen in de verzen 9 tot en met 11: Hij legt zijn hand aan de keiachtige rots, hij keert de bergen van den wortel om. In de rotsstenen houwt hij stromen uit, en zijn oog ziet al het kostelijke. Hij bindt de rivieren toe, dat niet een traan uitkomt, en het verborgene brengt hij uit in het licht. Je hoort hem als het ware zeggen: Kijk eens wat ik gevonden heb! Robijnen! En topaas! Ik heb goud van Ofir!

Wat een kennis; wat een vernuft. Wat een verstand en wat een durf!

 

Gemeente, Job heeft dat allemaal heel nadrukkelijk in ogenschouw genomen. Hij heeft zijn aandacht gegeven aan dat menselijke kennen en kunnen. Maar tegenover al de prestaties die wij mensen verrichten kunnen, staat de vraag die Job stelt in vers 12: Maar de wijsheid, vanwaar zal zij gevonden worden? En waar is de plaats des verstands? Job zegt: Die mijnwerker en bergbeklimmer zijn vernuftig, maar als het om wijsheid en verstand gaat, waar vind je dan de wijsheid die met alle schatten van deze aarde niet te koop is? Waar vind je nou die wijsheid waar alle edelgesteenten van deze wereld niet tegen opwegen? Waar is die wijsheid?

Hoor vers 14: De afgrond zegt: Zij is in mij niet.

Zee, weet u misschien waar de wijsheid is?

En de zee zegt: Zij is niet bij mij.

 

Job herhaalt zijn vraag in vers 20: Die wijsheid dan, van waar komt zij, en waar is de plaats des verstands? Kom, zegt Job, ik wil het zo graag weten. Zeg me dat nu eens.

Als de zee en de afgrond ‘niet bij mij’ zeggen, lezen we vervolgens in de verzen 21 en 22: Want zij is verholen – verborgen dus – voor de ogen aller levenden, en voor het gevogelte des hemels is zij verborgen. Het verderf en de dood zeggen: Haar gerucht hebben wij met onze oren gehoord.

Wat bedoelt Job daarmee?

Wel, hij wil zeggen: je vindt die wijsheid niet op deze aarde, niet in de lucht en ook niet onder de aarde.

Is er dan geen antwoord op de vraag waar die wijsheid vandaan komt en waar de plaats des verstands is? Moet het antwoord achterwege blijven?

Job weet tóch het antwoord, een Bijbels antwoord. Dat lezen we in vers 23: God verstaat haar weg, en Hij weet haar plaats. Dat wil zeggen: God kent en weet de weg tot de wijsheid. God kent haar weg en God weet haar plaats.

Hoe dan, Job?

Wel, dat zegt hij in onze tekst: Zie, de vreze des Heeren is de wijsheid.

Daar hebt u dus de sleutel. Job heeft naar links en naar rechts gekeken. Hij heeft naar die mijnwerker en die bergbeklimmer gekeken. En dan zegt hij: Waar is de wijsheid? Ik weet het: daarvoor moet u bij God zijn! De vreze des Heeren is de wijsheid, en van het kwade te wijken is het verstand.

 

  1. Het bezit van die wijsheid

De vreze des Heeren, daar hebben we zo-even van gezongen. Een van de eerste versjes die we leren, is: ‘Wie heeft lust den Heer’ te vrezen?’. Het is een prachtig vers, maar dan moeten we wel weten wat ‘vrezen’ betekent.

‘Vrezen’ kan ‘bevreesd zijn’ betekenen, ‘bang zijn voor’. Het woordje ‘lust’ betekent ‘zin’. Maar u voelt wel dat het niet betekent: ‘wie heeft zin om bang te zijn voor God’. Bij het vrezen van de Heere moet je niet denken aan een slaaf in vroeger tijd, die bang was als zijn heer eraan kwam. Als hij maar geen slaag kreeg met de zweep! Als die heer de stok maar niet bij zich had! Dat is ‘vrezen’ in de zin van bang zijn. Dat is wegkruipen. Dan zeg je: o nee, dat niet!

Gemeente, als de Schrift spreekt van de vreze des Heeren moet u denken aan de liefde van een kind voor vader en moeder. Daarin zitten de elementen van liefde, eerbied, ontzag: opzien tegen de hoge God Die in de hemelen woont en tegelijkertijd het liefhebben van God. Je kunt dus die regel uit Psalm 25 weergeven als: wie heeft lust de Heere lief te hebben? De ‘vreze des Heeren’ is de Heere liefhebben, voor Hem leven, in alle dingen vragen: Heere, wat wilt U dat ik doen zal? De Heere vrezen is het uitzeggen van je hele hart: Ik zal ‘U al mijn liefde waardig schatten, wijl Gij mijn rechterhand woudt vatten’.

We gaan er eerst van zingen met Psalm 19 vers 5:

 

Des Heeren vrees is rein;

zij opent een fontein

van heil, dat nooit vergaat.

Zijn dierb’re leer verspreidt

een straal van billijkheid,

daar z' all' onwaarheid haat.

Z' is 't mensdom meerder waard,

dan 't fijnste goud op aard';

niets kan haar glans verdoven;

zij streeft in heilzaam zoet,

tot streling van 't gemoed,

den honig ver te boven.

 

Gemeente, wie de Heere vreest, is door het geloof met Hem verenigd. Die is één met Hem. De vreze des Heeren is de vrucht van de verzoening met God, van de vrede met God: Wij dan, gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God, door onzen Heere Jezus Christus (Rom.5:1). De vreze des Heeren is, kort gezegd, leven voor God.

Dan is de vraag of u de Heere vreest eigenlijk niet moeilijk meer. Hoe hebt u van de week geleefd? Hebt u voor God geleefd? Hebt u in alles gevraagd: Heere, wat wilt U dat ik doen zal? Hebt u geleefd uit de genade van God, die geopenbaard is in de Heere Jezus Christus?

Zou u Hem dan niet liefhebben? Zou u dan niet met hoogachting opzien tegen die God, Die volkomen rechtvaardig is? Hij is zo rechtvaardig dat Hij Zijn recht heeft gehandhaafd in de Zoon van Zijn liefde, opdat Hij Zijn genade zou bewijzen aan mensen zoals u en ik.

 

De vreze des Heeren is de wijsheid. Daarin ligt dus die wijsheid: in de vreze Gods. Maar wie ziet daar de waarde van? Wie schat die wijsheid nu op een juiste manier in? Wie geeft zijn beste krachten om die wijsheid te vinden? Wie is als de mijnwerker die afdaalt in de diepe schachten? Wie is als die bergbeklimmer die hoog klimt om de schatten te vinden die daar verborgen liggen? Wie doet er zo als het gaat om de wijsheid, om de vreze des Heeren?

Wat is het antwoord ontnuchterend, gemeente: niemand. Niet één is het te doen om de ware wijsheid die in de vreze des Heeren ligt. Dat zegt Job in vers 13: De mens weet haar waarde niet. De mens weet de waarde van de wijsheid niet.

Gemeente, wat zijn wij toch dwaas. We sloven ons uit voor alles wat de wereld ons aanreikt. Wat zijn we druk in de weer als het gaat om de dingen van elke dag. We moeten onze afspraken nakomen; we moeten dat werk nog doen. En de vreze des Heeren? Die ligt ergens in de verdrukking; die achten we niet. De mens weet haar waarde niet.

Ik vraag u: Bent u nu écht rijk met dat harde werken? Bent u rijk zoals die mijnwerker of die bergbeklimmer en zegt u: Kijk eens eventjes wat ik met mijn werk allemaal binnengehaald heb? Mijn huis mag er zijn en voor mijn auto hoef ik me niet te schamen.

Maar waar is de wijsheid in uw leven?

 

Gemeente, zijn zij die geld uit te geven hebben als water en die kunnen doen en laten wat ze willen dan de gelukkigste mensen? Wie is het rijkst? Niet degene die goud heeft, maar degene die God heeft. Het scheelt maar één letter, maar of je het bij goud zoekt of bij God zoekt is een wereld van verschil. De mensen die God hebben, zijn het rijkst, al hebben ze nauwelijks iets te eten. De rijkdom ligt niet in alles wat wij hebben en kunnen, maar in God.

 

Wat is úw rijkdom? Wat is jullie rijkdom, meisjes en jongens? Waar leef je voor? Waar bestaat je leven uit? Waar is je oog op gericht? Denk je net als die mijnwerker: daar moet ik zijn? Of zeg je net als die bergbeklimmer: daar kan ik nog veel meer vinden? Wat is uw rijkdom, als u midden in het leven staat of als u oud geworden bent?

Tja, dan valt het misschien niet mee om antwoord te geven, maar het moet wel. De vraag is niet of je veel kunt, of je kunt afdalen in een mijn of een berg kunt beklimmen. De vraag is ook niet of je veel kent, of je hoge cijfers haalt op school of diploma's van hoge opleidingen hebt. Jongens en meisjes, ik zeg niet dat je lui moet zijn; begrijp me goed. Maar is dat nu waarvoor je leeft? Dan ben je toch maar arm.

Hebben we veel, of hebben we God? Kent u God?

Ezau had ook veel. Het is zo’n bekende geschiedenis. Jakob is bang om zijn broer te ontmoeten. Wat hangt hem boven het hoofd? Hij doet er alles aan om zijn broer gunstig te stemmen. Hij stelt een prachtig cadeau samen vanuit de kudde. Knechten worden op pad gestuurd om dit cadeau aan Ezau aan te bieden.

We weten wat Ezau zegt: Mijn broer, dat hoeft helemaal niet, want ik heb al zoveel. Zou ik dit cadeau dan aannemen? Maar dan antwoordt Jakob: ‘Neem het nu, omdat God het mij genadig verleend heeft en omdat ik alles heb.’

Daar heb je het verschil: Jakob heeft alles.

Wat is dan ‘alles’, Jakob?

Dat is God, mijn God in de Heere Jezus Christus. Uit genade heb ik alles.

 

Job zegt: De vreze des Heeren, dát is de wijsheid, en te wijken van het kwade, dát is verstand. Ja, Job is natuurlijk een welgesteld man. Hij heeft tien kinderen en hij heeft kudden in menigte; Job heeft het maar voor het uitgeven.

Gemeente, die rijkdom hád hij, maar die heeft hij nu niet meer. Als Job deze belijdenis uitspreekt – want dat is het eigenlijk – dan hoort hij het geblaat van de schapen niet meer en dan komen de kudden niet meer naar huis. Nee, dan zijn die knechten al geweest met de boodschap: Ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen (Job1:19). Als Job deze geweldige uitspraak over de vreze des Heeren doet, is dat niet omdat hij die aan zijn kinderen wil laten horen, want dan heeft hij geen kinderen meer.

Je kunt niet zeggen: Job, je hebt makkelijk praten over de Heere liefhebben en vrezen, want het gaat je zo goed. Dat was wat de duivel zei voor de troon van God: Is het om niet, dat Job God vreest? (Job1:9). Job wordt er beter van. Als U hem eens een stapje terug laat doen, o God, dan zult U eens zien wat er gebeurt. Dan zweert Job U wel af.

Nee, Job doet deze uitspraak in de tijd dat de duivel vrij spel heeft in zijn leven: Zie, de vreze des Heeren is de wijsheid. Job weet geen grotere rijkdom dan de vreze des Heeren. ‘Wereldling, ik heb een schat. ‘k Mag mij in de weelde baden die geen wereldling bezat.’

 

Gemeente, heel nadrukkelijk kan Job zeggen: ik heb alles verloren. Inderdaad, want zijn kudden heeft hij niet meer en zijn kinderen heeft hij niet meer. Een moeilijke vrouw, die heeft hij nog. Ja, ‘'k heb alles verloren, maar Jezus verkoren, Wiens eigen ik ben.’ Dat is het vaste fundament waarop Job bouwen mag. Dat is nu de vreze des Heeren. Dat is de kracht van zijn leven. Dat is de blijdschap van zijn ziel, ondanks alle aanvechtingen. Mensen, ik zou mijn bezit niet terug willen hebben, mijn kudden niet en – ik zeg het met terughoudendheid – ook mijn kinderen niet, als ik daarmee God verspelen zou.

Hield je niet van je kinderen, Job?

Gemeente, is er één vader geweest die zoveel van zijn kinderen hield als Job? Als ze bij elkaar geweest waren, zei Job: misschien, o God, hebben zij gezondigd. Dan bracht hij offers, opdat de Heere de zonden zou verzoenen. Wat een liefde tot zijn kinderen!

Jezus zal later zeggen: Die vader of moeder liefheeft boven Mij, is Mijns niet waardig; en die zoon of dochter liefheeft boven Mij, is Mijns niet waardig (Matth.10:37). Die vreze des Heeren mag je niet in mindering brengen op de liefde tot je kinderen, maar die zal juist de liefde tot je kinderen en alles wat je gekregen hebt, verdiepen. O God, dat U zo goed voor mij hebt willen zorgen in mijn leven.

 

Job heeft niets meer en daarom klinken deze woorden als een belijdenis, als een machtige geloofsuitspraak in de aanvechting van zijn leven. Dat is de kern van de zaak. Zie, de vreze des Heeren is de wijsheid. Heere, al houd ik dan niets over en al moet ik alles afstaan, dan zal ik me toch in U beroemen!

U vraagt: hoe kan dat?

Dat kan niet vanuit een mens. Dat kun je niet vanuit Job verklaren. Dat kun je ook niet vanuit die mijnwerker of vanuit die bergbeklimmer verklaren, maar alleen vanuit God. Heere, al zou ik alles moeten afstaan, dan zal ik nog zeggen: Ik zal U hartelijk liefhebben, Heere, mijn sterkte! (Ps.18:2). Het gaat door de strijd en de aanvechting heen. Maar, gemeente, het kán niet anders, want daar zorgt de Heere voor. Dat is nu de bediening van de Heilige Geest. Dat is nu het werk van de genade van God.

 

De ware wijsheid is de vreze des Heeren. Zouden we elkaar daar dan niet toe opwekken en opscherpen? De Heere vraagt ook aan ons, nog een keer: wie heeft lust om Mij te vrezen, om Mij lief te hebben, om met eerbied tegen Mij op te zien, om voor Mij te leven?

Bent u dat? Zegt u dan: ik, Heere? Zeggen jullie dat, meisjes en jongens? Ik, Heere. Wat moet ik zonder U?

Misschien worstelt u met deze dingen. Misschien worden de vragen in uw hart en leven de laatste tijd alleen maar meer. Heere, het is zo moeilijk. Ik kom er niet. Mag ik wel zeggen dat ik begeer U lief te hebben? U weet toch hoe het ligt in mijn hart? Maar wie ben ik? Als ik voor de spiegel van Uw Woord sta en ik onderken een zondig mensenkind te zijn, mag ik dan mijn vinger opsteken als het gaat om de vraag naar liefde tot God? Zullen ze dan niet zeggen: Nee, jij niet; wat denk je wel? Dacht jij dat je voor de Heere zou kunnen leven?

 

Dat brengt ons, in het kader van deze tekst, tot de vraag hoe je dan aan die vreze des Heeren komt. Hoe wordt die vreze des Heeren dan het deel van een mens? Zojuist zei ik dat niemand die vreze des Heeren heeft. Niemand openbaart die waarachtige wijsheid. Hoe vind je die wijsheid dan?

Gemeente, de Heilige Geest wil ons onderwijzen in de woorden die Job hier spreekt. Job zegt in het laatste gedeelte van vers 13: zij – de wijsheid – wordt niet gevonden in het land der levenden. Wat is dat waar. En het is niet zómaar waar, maar schuldig waar. Ik bedoel daar dit mee: die wijsheid, die liefde tot God en dat leven voor God zijn er wel geweest in het paradijs, maar die hebben we verspeeld. We hebben de wijsheid, de vreze des Heeren, vergooid in het krachtenveld van de zonde. We hebben het kennen en liefhebben van God ingeruild voor het haten van God en het ons stellen tegen God.

Hoe ik dat weet? Kijk maar naar uw eigen hart; dan zal ik naar het mijne kijken. Als het gaat om die wijsheid, vindt u in uw hart dan niet het Woord van God bevestigd dat Job heeft gesproken: zij wordt niet gevonden in het land der levenden?

Waar is de wijsheid? Bij u? Bij mij? Is die wijsheid bij jou te vinden?

Laten we daar maar niet langer zoeken. De mijnwerker kan zeggen: ik wil toch nog eens verder kijken. De bergbeklimmer kan zeggen: ik wil ook die berg nog nemen. Maar wij moeten hier zeggen: nee, we hoeven de wijsheid niet te zoeken bij u, bij jou, bij mij.

 

En toch is die wijsheid er, namelijk bij God. We moeten bij God zijn, gemeente. Je moet bij Hem zijn, meisjes en jongens. We moeten het bij Hem zoeken. Als we ons voor die vreze des Heeren nu eens zouden inzetten met dezelfde energie als waarmee de mijnwerker afdaalt in de schachten om zijn ertsen te vinden en de bergbeklimmer de bergen beklimt om zijn edelgesteenten te vinden? Als we nu eens zo onze aandacht zouden geven aan de dingen van het koninkrijk van God, zou het er dan niet anders uitzien in ons leven? Jezus heeft toch gezegd: Maar zoekt eerst het Koninkrijk Gods en Zijn gerechtigheid, en al deze dingen zullen u toegeworpen worden (Matth.6:33).

Er zijn altijd weer mensen die beweren dat je maar af moet wachten of God je dat zoeken nog eens leren wil. Gemeente, kunt u dat tegen God zeggen? Wat zal een mens antwoorden als de Heere in het gericht zal zeggen: Gij dwaas! U bent afgedaald in mijnschachten. U bent bergen opgeklommen. U hebt zich in het zweet gewerkt op uw bedrijf of op het land of waar dan ook. Maar als het ging om Mij of Mijn dienst, dan zei u: we moeten maar afwachten of het nog eens gebeurt. U hebt Mij niet gezocht. Ik heb u niet gezien aan de troon van Mijn genade. Ik heb de klopper van uw gebed niet gehoord op Mijn heiligdom.

 

Gemeente, is dat niet de wijsheid van God, dat juist degenen die wandelen in de vreze des Heeren erachter komen hoe puur de genade is? Dan kun je niet zeggen: ik heb het door mijn werken verdiend. Maar juist in deze weg, waarin we in ons werken worden afgebroken, bevestigt de Heere Zijn woord: Ik heb tot het zaad van Jakob niet gezegd: Zoekt Mij tevergeefs (Jes.45:19). Dat heeft de Heere ook nog nooit tegen u gezegd. Integendeel. Hij zegt: Zoekt Mij, en leeft (Am.5:4). O, merk het toch op: de Heere wil verdwaasde en zondige mensenkinderen de weg wijzen.

Wil Hij de weg wijzen? Hoe dan?

God wijst ons de weg die er is in Zijn Zoon, de Heere Jezus Christus. Hij is de Weg. Ook nu heb ik geen ander te prediken dan deze volkomen Zaligmaker. Hij is de bodem van onze tekst.

Maar Job is toch nog in het Oude Testament? Is de Zoon van God dan de bodem van deze tekst?

Ik zeg u, heel concreet: Christus is de bodem van deze tekst. Hij is de diepste inhoud van deze tekst. Als u vraagt Wie de wijsheid Gods is, dan geeft de Schrift het antwoord: dat is Christus. Paulus schrijft aan de Korinthiërs: Maar hun, die geroepen zijn, beiden Joden en Grieken, prediken wij Christus, de kracht Gods, en de wijsheid Gods (1Kor.1:24). De vreze des Heeren is de wijsheid en de wijsheid blijkt Christus te zijn. Aan de Kolossenzen schrijft Paulus dat in Christus al de schatten van de wijsheid en de kennis verborgen zijn. Christus is ons gegeven tot wijsheid. U kunt nergens anders terecht dan bij Hem.

Gemeente, u mag niet zeggen: u haalt ook overal de Heere Jezus bij. Dat doe ík niet; dat doet gelukkig de Heilige Geest. Wat zou je met deze tekst moeten als Jezus er niet in verborgen zat? De Schrift is haar eigen uitlegger.

 

Christus, de wijsheid Gods. Hij ís de wijsheid, maar Hij gééft ook wijsheid. Hoor maar; Hij spreekt als de opperste Wijsheid in het Spreukenboek: Nu dan, kinderen! hoort naar Mij; want welgelukzalig zijn zij, die Mijn wegen bewaren. Hoort de tucht, en wordt wijs, en verwerpt die niet. Welgelukzalig is de mens, die naar Mij hoort, dagelijks wakende aan Mijn poorten, waarnemende de posten Mijner deuren. Want die Mij vindt, vindt het leven, en trekt een welgevallen van den Heere. Maar die tegen Mij zondigt, doet zijn ziel geweld aan; allen, die Mij haten, hebben den dood lief (Spr.8:32‑36).

Dus je kunt de dood liefhebben, gemeente. Hebt u de dood lief? Als u Jezus haat, als u niet wil dat Hij Koning zal zijn over uw leven, dan hebt u de dood lief. Daar moet u nog maar eens over nadenken, ook bij het vervolg van de preek, als we uit Zijn woorden horen dat het niet genoeg is dat u veel van en over Hem weet. Kennis óver de Heere Jezus moet worden: kennis ván de Heere Jezus. Kennis óver Zijn werk moet zijn: kennis ván Zijn werk en kennis áán Zijn werk.

Heel ons leven hebben we over Hem gehoord, al vanaf de schoolbanken, toen de juf of meester ons de eerste vertellingen uit het Woord van God voorhield (tenzij de Heere ons later vanuit een niet-kerkelijke omgeving in het huis des Heeren bracht). Thuis aan tafel wordt het Woord van God gelezen. Wat hebben we al veel gehoord over de Heere Jezus en alles wat samenhangt met Zijn werk. Maar Hij zegt: Het is niet genoeg. Ik wil ook Profeet zijn. Ik wil u onderwijzen in de weg die u te gaan hebt. Zoals een mijnwerker zijn werk moet leren in het afdalen in de schachten van de mijn en de bergbeklimmer moet leren om de bergen te beklimmen, zo hebben wij het nodig om vanuit het profetische werk van de Heere Jezus onderwezen te worden in alles wat Hij heeft aangebracht.

 

Zo wil Hij ook nu Zijn onderwijs kwijt. Zo roept Hij ook nu. Wat is ook dát een onbevattelijke wijsheid van God, dat hij mensen roept zoals u en ik. Wilt u een ander woord? Wat is het een onbevattelijk wonder dat Hij zondaren roept tot Zijn gemeenschap en hen nodigt om onderdaan te worden van Hem, de Koning van alle koningen – mensen zoals u en ik, die geen verdienste hebben, die nergens op kunnen bogen; integendeel, die alles tegen hebben. Hij roept u!

Ja, maar als je nu niet uitverkoren bent?

Leest u de catechismusverklaring van dominee Van Reenen eens, zondag 20. Hij zegt daar: het is niet het eerste of je uitverkoren bent, maar het eerste is of God jou roept.

Hoor je wel, meisjes en jongens, het eerste is of God jou roept. En dan zegt hij dat op de grote dag van Jezus Christus zal blijken dat er precies zoveel zalig geworden zijn als er verkoren waren ten eeuwigen leven. Dat is het sluitstuk.

De Heere roept serieus, welmenend, ernstig. De Dordtse Leerregels zeggen: ‘Maar zovelen als er door het Evangelie geroepen worden, die worden ernstig geroepen.’ God meent het als Hij klopt op de deur van uw hart.

 

En daarbij spaart Hij ons niet. Het profetische werk van de Heere Jezus doorgrondt ons tot op de bodem van ons hart. Jezus zegt in Zijn gesprek met de Samaritaanse vrouw bij de Jakobsbron: Ga heen, roep uw man, en kom hier (Joh.4:16). Als zij dan zegt dat ze geen man heeft, is Zijn antwoord: Gij hebt wel gezegd: Ik heb geen man. Want gij hebt vijf mannen gehad, en dien gij nu hebt, is úw man niet (Joh.4:17‑18). Want zo moet u dat lezen: die is úw man niet; het is er een van een ander.

Het is alsof heel haar leven doorgelicht wordt. Ze gaat terug naar het dorp en zegt: Komt, ziet een Mens, Die mij gezegd heeft alles, wat ik gedaan heb (Joh.4:29). Jezus heeft maar één ding gezegd, maar ze is helemaal doorgelicht door het Woord van de Heere Jezus. Dan zegt ze: Is Deze niet de Christus?

Kijk, daar komen de inwoners van Sichar. De Heilige Geest is aan het werk; hoor maar wat ze zeggen: Wij geloven niet meer om uws zeggens wil; want wijzelven hebben Hem gehoord, en weten, dat Deze waarlijk is de Christus, de Zaligmaker der wereld (Joh.4:42).

 

Onderwijs, gemeente. Daar hebben we van gezongen: ‘Heer’, ai, maak mij Uwe wegen, door Uw Woord en Geest bekend.’ De Profeet wijst dan altijd op het offer dat Hij gebracht heeft. Dat offer brengt ons in de sfeer van het recht van God. In het offer van Christus heeft het recht van de wet zijn vervulling ontvangen. God zet Zijn recht niet opzij, maar het glorieert en triomfeert in het bloed van het Lam van God. Daarom wordt er in Psalm 101 ook in blijde verwondering op een verhoogde toon gezongen van het heilig recht van Gods strenge rechtsgedingen.

U zegt: hoe kan dat?

Dat kan omwille van het bloed van het Lam van God. Zo wordt het recht van God verheven op een volheerlijke, majesteitelijke en triomferende wijs. Zo kunnen en zullen zondaren zalig worden. Daar staat het opgerichte altaar, het kruis van Golgotha.

 

Voor we naar ons derde aandachtspunt gaan, zingen we eerst Psalm 21 vers 13:

 

Verhoog, o Heer', Uw naam en kracht;

zo zal ons vrolijk zingen

door lucht en wolken dringen;

zo wordt Uw heerschappij en macht

door ons, nog eeuwen lang,

geloofd met psalmgezang.

 

  1. De vrucht van die wijsheid

Gemeente, daar bij het altaar van Golgotha, ligt de zegen gereed voor vloekwaardige zondaren. Dat is wat, als ons geloofsoog zo op Hem mag zien! De vreze des Heeren is de wijsheid. De vreze des Heeren, dat is Christus, dat is de triomf van de genade, dat is de rijkdom van Gods ontfermen. Dat is de deur die geopend wordt waar gezegd moet worden: hier is geen uitgang.

 

Die wijsheid is er bij God. Niet bij die bergbeklimmer; niet bij die mijnwerker; niet bij de mens die zich vandaag in het zweet werkt. God heeft haar geopenbaard in Zijn eigen Zoon.

Christus, de wijsheid Gods. Wie dat belijdt, voor het eerst en steeds weer opnieuw, die sterft aan zichzelf. Alle schatten van die mijnwerkers, van die bergbeklimmers, alle goud en robijnen zinken in het niet bij Hem van Wie de bruid zegt: Mijn Liefste is blank en rood, Hij draagt de banier boven tien duizend. Al wat aan Hem is, is gans begeerlijk. Zulk een is mijn Liefste, ja, zulk een is mijn Vriend, gij dochters van Jeruzalem! (Hoogl.5:10,16). Ik weet geen grotere wijsheid dan mijn Bruidegom.

Dat is de vreze des Heeren.

 

Wie deze wijsheid mag kennen door Woord en Geest, die is waarlijk de koning te rijk. Je wordt er zelf niets mee; je krijgt er ook geen naam door. Maar dat hoeft toch ook niet? Het gaat het er toch om dat Hij verheerlijkt zal worden? Weet u Wie ik gevonden heb? Ik heb in mijn dwaasheid de Wijsheid gevonden. O God, wat heb ik het verzondigd voor Uw aangezicht. Wat heb ik U smaadheid aangedaan. Wat ben ik wijs geweest in eigen oog. Maar U hebt die eigen wijsheid van mij doorbroken met de majesteit van Uw liefde.

 

Kom, gaat uw hart niet uit vanwege Zijn spreken? Leert u niet om de dood te schrijven op alles wat van uzelf is?

Nee, dat valt niet mee. We zitten zo vast aan ons eigen lieve ik en we willen ook zo graag iets zijn. Maar luister dan. Jezus, de opperste Wijsheid, zegt: Mens, het is juist dwaasheid als je zo vast zit aan jezelf. Je denkt dat je wijs bent? Je denkt dat je het heft in eigen handen kunt houden? Dat is de dwaasheid gekroond. Hoort aandachtelijk naar Mij, en eet het goede, en laat uw ziel in vettigheid zich verlustigen (Jes.55:2).

Wij mensen brengen het met al onze rijkdom en met al ons wroeten en uitvinden niet verder dan zonde en schuld. Wij brengen het ondanks al onze verbeelding en met al onze hoogmoed niet verder dan dood en ongerechtigheid. Wij zijn nietig, zondig stof, tot op de draad van ons bestaan.

 

Hoor, Jezus waarschuwt ons: Want zo wie zijn leven zal willen behouden, die zal hetzelve verliezen; maar zo wie zijn leven zal verliezen, om Mijnentwil, en om des Evangelies wil, die zal hetzelve behouden (Mark.8:35). Zo staat Hij ook nu midden onder ons om de waren van Zijn Evangelie aan te prijzen. Hij, de Wijsheid, knielt aan uw voeten en zegt: Let toch op wat Ik u zeg. Wat u als wijsheid bestempelt, is niets anders dan dwaasheid. Luister toch naar Mijn stem. Ik nodig u vriendelijk en biddend. Ik klop op de deur van uw hart.

Dan kunt u niet neutraal blijven. Dan kunt u niet zeggen: ik zal het nog weleens een keer bekijken. Ieder die met Jezus in aanraking komt, wordt gedrongen tot een keuze. Het leven en den dood heb Ik u voorgesteld, den zegen en den vloek! Kiest dan het leven, opdat gij levet, gij en uw zaad (Deut.30:19).

Het is niet genoeg dat u Hem niet haat. Het is niet genoeg dat u Hem een plaats geeft in uw gedachten, dat u Hem een deel geeft van uw tijd of van uw geld. U kunt u geen aflaat kopen door wat extra's in de collectezak te doen. Hij wil uw hart. Meisjes, jongens: Hij wil je leven, heel je leven. Indien iemand den Heere Jezus Christus niet liefheeft, die zij een vervloeking (1Kor.16:22). Buiten deze wijsheid van God, deze vreze des Heeren, kunt U onmogelijk voor God bestaan.

 

Wat is de Heere genadig dat Hij u de weg wil wijzen, de weg der wijsheid. Hij laat u Christus verkondigen als Hij verhoogd wordt op de staak van het Evangelie. Hij wil zelf uw Leidsman wezen als u niet weet hoe u wandelen moet. De apostel schrijft dat de Heere mildelijk geeft en niet verwijt. Wie zal de diepte van de genade van God peilen?

Kom, hoor naar Zijn stem en volg Hem. Dan ga je door genade een streep zetten door je eigen wijsheid, door je vermeende kennis en door alles wat je denkt te kunnen. Paulus had ook heel wat, dacht hij: aan de voeten van Gamaliël onderwezen en geleerd, doorkneed in de Schriften, een eigengerechtigheid om u tegen te zeggen. Maar het legde geen gewicht in de weegschaal van Gods gerechtigheid. De Heilige Geest zette er een streep door. Daarom zegt Paulus: Maar hetgeen mij gewin was, dat heb ik om Christus' wil schade geacht. Ja, gewisselijk, ik acht ook alle dingen schade te zijn, om de uitnemendheid der kennis van Christus Jezus, mijn Heere; om Wiens wil ik al die dingen schade gerekend heb, en acht die drek te zijn, opdat ik Christus moge gewinnen. En in Hem gevonden worde (…) (Filipp.3:7‑9).

 

Wie de Heere vreest, verlangt ernaar Hem te dienen. Die wil Hem grootmaken en Hem de eerste plaats geven in het leven. Ik zeg niet dat dat altijd lukt. We weten hoe Paulus ermee geworsteld heeft: Want het goede, dat ik wil, doe ik niet, maar het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik (Rom.7:19). Maar het beginsel om voor de Heere te leven, is er. Hoe meer iemand vervuld mag zijn met de vreze des Heeren, des te meer zal het hem gaan om de eer van God. Wie door genade Christus gevonden heeft, leert ook hoe hij wandelen moet. Dan gaat de vrucht zich zetten in het leven van het geloof.

Dat wordt zichtbaar in de vreze des Heeren – heel praktisch: op je werk, op school, in de straat waar je woont. Dan gaat de liefde de toon aangeven en die is lankmoedig. Ik weet wel, God bekeert geen karakters; Hij bekeert zondaren. Maar het werk van God, de bediening van de Heilige Geest wordt toch zichtbaar in het leven: Maar de vrucht des Geestes is liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, matigheid (Gal.5:22). Dat krijgt handen en voeten. Dan wil je niet meer mee met alles waarin je voorheen wel meeging. Van het kwade te wijken is het verstand.

Dat geeft voortdurend het gebed in het hart: Heere, leer mij willen en niet willen wat Gij wilt en niet wilt. Mag ik gaan in het spoor van Uw Woord? ‘Heer’! wijs mij toch Uwe wegen, die Gij wilt dat ik zal gaan.’ Dan is er een omgekeerde orde, op allerlei manieren. Wat een lust was, wordt een last en wat een last was, wordt een lust.

 

We zeggen weleens: alles wat niet kwaad is, dat is wel goed; dat kan wel. Maar als het erom gaat van het kwade te wijken, dan ligt het omgekeerd. Alles wat niet goed is in Gods ogen, is kwaad. Dan krijgt het leven een bepaalde diepgang. Dan zeg je niet: och, nou ja, vooruit dan maar. Nee, dan is de vraag wat de Heere ervan zal zeggen. Hoe staat Hij er tegenover? Heere, wat wilt Gij, dat ik doen zal? (Hand.9:6).

Zo komt je leven openbaar in een samenleving die boos en verdorven is. Daar maak je deel van uit en daar hoef je je niet boven te verheffen, maar dan maakt je leven wel duidelijk om Wie het je te doen is, namelijk om God. Dan komt die wijsheid tot openbaring, want dan leef je uit Christus. Wie uit Christus leeft, gaat meer en meer op Hem lijken, want die trekt de levenssappen uit Hem.

 

Het is ook een strijdend leven. Je kunt de aanvallen van de vorst der duisternis en van je omgeving daarop verwachten. Het kan ook verdriet en zorg geven. En toch, in deze strijd wapent de Heere Zijn kinderen met de wapens uit het hemels arsenaal. Zo mogen we wijken van het kwade in de kracht die Hij geeft en staande blijven, in de wetenschap dat we strijden onder de banier van de eeuwige Koning. Hij regeert ons met Zijn Woord en Geest en beschut en behoudt ons bij de verworven verlossing.

Dat is de glorie van de Koning, Die ook ons, in de wereld van vandaag, bij monde van Job laat horen: De vreze des Heeren is de wijsheid, en van het kwade te wijken is het verstand. Dat is de rijkdom in het leven van Job. Die stijgt boven alles uit, ook boven de hoogste bergbeklimmer. Dan gaat de mens onder en komt de zang van deze Heere en Koning naar boven. ‘Zo moet de Koning eeuwig leven!’, deze Koning, Die niet zonder onderdanen zijn kan.

Daar kom je niet mee om; integendeel, daar komt een zondig mensenkind mee Thuis. De Wijsheid Zelf is boven en Hij zal er zorg voor dragen dat allen die het leven gevonden hebben in deze vreze des Heeren eeuwig met Hem voor de troon van God de lof des Heeren mogen zingen.

Amen.

 

Slotzang: Psalm 121 de verzen 3 en 4

 

Zijn wacht, waarop men hopen mag,

zal, daar zij u bedekt,

en u ter schaduw strekt,

de maan bij nacht, de zon bij dag,

in koud' en gloed vermind’ren,

opdat zij u niet hind’ren.

 

De Heer' zal u steeds gadeslaan,

opdat Hij in gevaar

uw ziel voor ramp bewaar';

de Heer', 't zij g' in of uit moogt gaan,

en waar g' u heen moogt spoeden,

zal eeuwig u behoeden.