Ds. W.A. Zondag - Jesaja 60 : 8

Als duiven vliegen naar Gods vensters

Jesaja 60
de schoonheid van de duiven
hun vlucht
hun formatie
hun thuiskomst
hun verwondering

Jesaja 60 : 8

Jesaja 60
8
Wie zijn deze, die daar komen gevlogen als een wolk, en als duiven tot haar vensters?

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 98: 2
Lezen : Jesaja 60: 1 - 9Jesaja 60: 1 - 9
Zingen : Psalm 25: 8 en 10
Zingen : Psalm 32: 4 en 6
Zingen : Psalm 68: 7

Gemeente, ik wil u bepalen bij Jesaja 60:8, waar we Gods Woord lezen:

 

Wie zijn dezen, die daar komen gevlogen als een wolk, en als duiven tot haar vensters?

 

We schrijven onder deze tekstwoorden:

 

Als duiven vliegen naar Gods vensters

 

We staan stil bij een vijftal gedachten:

 

1. de schoonheid van de duiven

2. hun vlucht

3. hun formatie

4. hun thuiskomst

     5. hun verwondering

 

1. De schoonheid van die duiven

Gemeente, ongetwijfeld hebt u al vaker een preek mogen horen in de adventstijd over het eerste gedeelte van dit hoofdstuk, waar Jesaja een blijde boodschap mag brengen aan het volk dat in ballingschap verkeert en zeventig jaar lang in een vreemd land moet wonen. Zeventig jaar lang kunnen ze niet naar huis, zeventig jaar lang is daar verdriet. De tempel, wat is er nog van over? De stad is een ruïne, de muren staan niet meer overeind, de poorten zijn vergaan, de akkers zijn niet meer vruchtbaar en liggen vol met stenen. Het hele land, het beloofde maar ook het beminde land, het is niet meer zoals het was. Hoe moet het toch verder?

 

Dan mag Jesaja dat volk vertroosten. Hij heeft ze deze brief, deze profetie, al mee mogen geven vóórdat ze op weg gaan naar dat vreemde land. Daarin staat deze troostvolle boodschap dat de HEERE Zijn volk niet eindeloos zal kastijden noch eeuwig hen Zijn gramschap zal doen lijden, maar dat Hij het is Die hun Zijn vriendschap biedt. Hij mag komen met de opwekking: Maak u op, word verlicht, want uw Licht komt en de heerlijkheid des HEEREN gaat over u op. Onze kanttekenaren schrijven: Er staat eigenlijk: Sta op, sta op uit uw ellende want er is geen reden meer om te treuren. De HEERE gaat uw tranen, uw tranen van verdriet wegnemen, Hij gaat u troosten. Troost, troost mijn volk, mocht Jesaja al op een andere plaats schrijven. De duisternis zal verdreven worden door het licht.

 

Licht is een beeld van Gods aanwezigheid. Het licht is een beeld van de gemeenschap met de HEERE, een beeld van Gods vriendelijk aangezicht. Ook de kinderen begrijpen wel dat het licht bijzonder ziet op de komende Heere Jezus Christus, Die zichzelf heeft genoemd: “Ik ben het Licht der wereld”. Inderdaad, gemeente, waar de Heere Jezus mag worden gezien met geloofsogen, wordt het licht in het donkere hart; daar verdwijnt de duisternis.

 

Dan ziet Jesaja nog meer. Het is net of hij verschillende verrekijkers heeft. Misschien moet ik zeggen: hij heeft een heel sterke verrekijker, die uiteindelijk grote vergezichten kan tonen, zoals je dat nog wel hebt. Je hebt van die verrekijkers waarmee je inderdaad, wat je met het blote oog niet kan zien, zo naar je toe kunt trekken. Kinderen herkennen het wel: een fotograaf die verschillende foto’s moet maken, heeft meerdere lenzen bij zich. Met één zo'n lens kan hij alle beelden naar zich toetrekken, kan hij iemand die helemaal achterin zit zomaar naar voren halen en daar een foto van maken. Dat gebeurt eigenlijk in de profetie. Jesaja ziet dingen van dichterbij gebeuren, die pas na zeventig jaar zullen gebeuren. Maar Jesaja ziet ook wat er gebeurt ná die zeventig jaar. Hij ziet zelfs wat er honderden jaren later gebeurt, als de Christus Die hij heeft mogen aankondigen, zal komen als het Licht der wereld. Maar hij ziet nóg verder, hij ziet zelfs over onze tijd heen.

 

De perspectieven in dit hoofdstuk gaan uiteindelijk naar de grote Godsstad, waarvan Johannes later het beeld compleet mag maken als hij ziet hoe die stad, het nieuwe Jeruzalem, neerdaalt als een bruid op de aarde. Een heerlijke stad met woningen, verlicht, één en al licht; want zo ziet Jesaja dat God die stad verlicht met Zichzelf. Hij ziet dat die stad open poorten heeft om de mensen binnen te kunnen laten. Hij ziet dat ze overal vandaan komen om in die stad te gaan wonen. Uit het noorden en uit het zuiden, uit het westen en uit het oosten. Dat beeld krijgt allerlei varianten, waaronder ook het beeld in het achtste vers. Hij zegt: Zie ze daar toch komen, zie ze daar toch aankomen. Niet alleen de mensen in Babel, niet alleen de mensen in Jeruzalem, maar overal vandaan. En dan roept hij het uit: Wie zijn dezen die daar komen gevlogen als een wolk en als duiven tot de vensters?

 

De Heilige Geest wendt Zijn oog naar een duif en naar meerdere duiven. Hij ziet ze in formatie, zo zullen we straks zien. Hij ziet ze aan komen vliegen als duiven. Gemeente, zo komen we bij ons beeld: de duif. De HEERE gebruikt wel meer dieren in de Schrift om ons te verklaren Wie Hij is voor mensen. Allerlei beelden komen voorbij, hier de duif. De duif wordt hier geschetst in haar schoonheid. Dat zal misschien voor de een meer tot de verbeelding spreken dan voor de ander. Ik kan me zo voorstellen – als u een vogelliefhebber bent of wellicht een duivenliefhebber – dat u zegt: Ik vind dit een prachtig beeld. Misschien kunt u ook wel zo genieten van die duiven.

Ik kan u wel zeggen: ik houd veel van duiven. Als kind kon ik me er zo in verheugen als ik die dieren in de zon zag zitten, tegen elkaar aan zitten koeren. Die sfeer, ik vond het prachtig. Urenlang heb ik er naar zitten kijken, zulke mooie beestjes. Ze zijn het beeld van teerheid, het beeld van kwetsbaarheid. Ze worden ook wel vaak in verband gebracht met vrede: vredesduiven. Misschien heb je het weleens gezien, bijvoorbeeld bij een herdenking van een oorlog. In Hiroshima in Japan, waar de atoombom viel in 1945, zie je dat nog ieder jaar gebeuren. Op de plaats waar het hart van de atoombom was, daar wordt één keer per jaar herdacht wat er gebeurd is en dan wordt er een mand vol duiven los gelaten, witte duiven, die dan een teken zijn van vrede. Soms gebeurt het ook weleens op een bruiloft, dat witte duiven worden losgelaten.

 

Het is het beeld dat ook de Schrift ons geeft: de duif als een dier dat in verband wordt gebracht met vrede. Maar ook met die kwetsbaarheid. Wat moet die duif, gemeente? Een duif kan niet vechten; en daardoor is ze vaak een prooi voor roofvogels. Een duif heeft geen klauwen; als een duif achterna gezeten wordt, verliest ze het eigenlijk altijd.

De schoonheid van de duif wordt heerlijk bezongen in het boek Hooglied. Daar hoor ik Salomo ook spreken van de duiven. Eerst heeft hij het over de tortelduifjes. U kent die duifjes wel, die kleine duifjes; hij hoort ze koeren. Dan laat hij op die wijze de HEERE spreken Die zegt: “Kom, kom het is voorjaar geworden; de vijgenboom brengt zijn jonge vijgjes voort en de wijnstokken geven reuk met hun jonge druifjes. Sta op, Mijn vriendin, Mijn schone en kom. De plasregen is overgegaan en de tortelduifjes, ze worden gehoord in het land”.

 

Salomo tekent ook een duif die bang is en niet tevoorschijn durft te komen; een angstige duif, verscholen in de kloven van de rotsen. De duif die bang is voor roofvogels. Dan horen we Salomo zeggen – maar  het is de HEERE die hier spreekt: “Mijn duive, zijnde in de kloven der steenrots, in het verborgene ener steile plaats, toon mij uw gedaante, doe mij uw stem horen want uw stem is zoet en uw gedaante is liefelijk” (Hoogl. 2:14).

 

Gemeente, je leest ook van een duif in Genesis 8, als Noach wil gaan vaststellen of het al droog is op de aarde. Dan lees ik dat hij een duif loslaat: Maar de duif vond geen rust voor het hol van haar voet; zo keerde zij weder tot hem in de ark, want de wateren waren op de ganse aarde; en hij (Noach) stak zijn hand uit en nam haar en bracht haar tot zich in de ark. Misschien denkt u wel: Ja, die duif… goed, een schoon dier, maar spreekt de HEERE zo over zondaren? Zijn die zondaren zo schoon in Zijn ogen, zo liefelijk?

 

Nee, nee. Als we bij het beeld van de duif blijven, zien we in gedachten een duif op de grond zitten, besmeurd en vies geworden. Ze kan niet meer vliegen, ze is helemaal vermagerd. Die duif, nee dat komt niet goed, er is weinig moois van te zeggen. Zulke duiven zijn wij geworden, dood in de zonden en in de misdaden. Onrein vanwege de zonden, vanwege de schuld. Die duif is ver weg van de til; en zo zijn wij ver weggegaan van God, ver weg van de gemeenschap met de HEERE. Zo is het met ons. We zijn zwart geworden vanwege de zonde. Ik hoor de bruid klagen: zwart, onrein. En toch liefelijk?

 

Ja, de HEERE heeft een bijzondere liefde tot Zijn uitverkorenen, een eeuwige liefde; en daarom kan hij die duiven niet vergeten. Die duiven moeten terug, het zijn beminde duiven. Wanneer gaan die duiven terug? Pas als ze er zelf achter komen: hier is het niet goed, ik moet terug.

Door goed na te denken? Door verstandig te zijn? Nee, want de HEERE zegt: De HEERE heeft uit den hemel nedergezien op de mensenkinderen, om te zien of iemand verstandig ware, die God zocht (Ps. 14:2). Er was niemand die uit zichzelf tot mij terugkwam. Dat is het vreemde, dat is het wonderlijke, dat is ook het erge van ons zondaarsbestaan: dat we het eigenlijk wel prima vinden om in de modder van de wereld te leven, in de duisternis te zitten en niet te kunnen vliegen. Die witte veren zijn zwart, zijn smerig. Maar nu zegt de HEERE: Toch ga ik wat doen. Hij gaat die duiven laten vliegen. Onze tweede gedachte, gemeente!

 

2. Hun vlucht

Hoe doet Hij dat? Een van de puriteinen schrijft: Dat doet God in de wedergeboorte, als de HEERE gaat spreken tot hun ziel: Leef, leef. Als daar de wind gaat waaien door hun hart, de noordenwind en de zuidenwind. De Heere Jezus zei tegen Nicodemus, dat de Heilige Geest vergeleken moet worden met de wind. Je hoort Zijn geluid maar je ziet Hem niet. Dat is het werk van de onzichtbare Heilige Geest, Die Zich paart aan het Woord. Daardoor richten die duiven als het ware hun kopjes op en zien: ik moet hier niet blijven, dit wordt mijn dood, mijn eeuwige dood. Dan laat de HEERE ze vliegen. Ze krijgen vleugels om te vliegen.

 

Dat is weer zo'n wonderlijk woord. Hebt u er zich ook weleens over verbaasd dat duiven, zeker postduiven, feilloos de weg terug naar huis weten? Je ziet ze weleens, die vrachtwagens op de snelweg, vol met manden met postduiven die naar een ander land gaan waar ze losgelaten worden. Soms dagen later komen ze terug. Ze weten precies hoe ze moeten vliegen, niemand heeft ze dat geleerd. Ze hoeven niet een naambordje te kennen. Ze vliegen zo naar huis, meestal in een rechte lijn. Soms dwalen ze wat af door de wind, door een storm bijvoorbeeld of door roofvogels die plotseling op die duiven neerduiken, maar uiteindelijk gaan ze toch weer verder, weer terug naar huis.

Ik hoorde laatst nog van iemand een mooi verhaal. Heel lang geleden had iemand een duif verkocht en opeens zat die duif weer voor zijn huis. Hij was terug gekomen, een jaar later! Hij wist de weg toch weer terug te vinden. Dat heeft de HEERE in dat duivenkopje gelegd. Verwondert u zich maar over de natuur, verwondert u zich maar over de dieren, want de HEERE heeft ze geschapen en die wonderlijke eigenschappen van de dieren komen bij Hem vandaan. U hoeft niet tegen een vis te zeggen: ga zwemmen. Nog nooit hoefde een vogel te leren vliegen, want dat kan hij. Soms is het eerst nog wat wennen als het een klein vogeltje is, maar de eigenschap om te vliegen heeft de HEERE er in gelegd. Zo is het ook met die duif, dat feilloze terugvinden van de woning, van de duiventil.

 

We gaan naar de geestelijke toepassing; wat doet de HEERE als Hij iemand, een zondaar of zondares, tot leven verwekt? Wel, dan gebeurt er in ieder geval dit: we gaan zien dat we God kwijt zijn. God kwijt, en dat is alles kwijt. Je kunt het niet meer vinden in deze wereld. Je gaat het belijden: deze wereld gaat voorbij, en al heb ik alle schatten van deze aarde, het kan zo niet verder.

En dan heb ik nog wat. De HEERE gééft heimwee. Ik hoorde eens een dominee zeggen: Wee en heimwee. Heimwee, iets dat we denk ik allemaal wel herkennen. Dat kind heeft opeens heimwee naar huis, ook al is het nog zo fijn bij opa en oma om daar te logeren. Plotseling kan dat gevoel van heimwee er zijn, een verlangen naar huis.

 

Gemeente, er komt een verlangen naar de gemeenschap met God. Dat is het heimwee. De HEERE brengt dat in het hart. Dat kun je niet verklaren, je kunt het misschien geen woorden geven, maar er komt zo'n wonderlijk verlangen om weer in de gemeenschap met God te worden hersteld.

Heimwee …maar er komt ook een wee. Een wee, omdat ik gezondigd heb. De Heilige Geest laat immers zien dat er een breuk is gekomen met de HEERE en dat je Hem zo niet kunt ontmoeten met je vuile veren die onder de modder zitten. Zo kun je toch niet voor Hem verschijnen? Wee mij dat ik gezondigd heb!

Dat noemt de Schrift een droefheid naar God die een onberouwelijke bekering tot zaligheid werkt. Droefheid naar de HEERE, een droefheid overeenkomstig de wil van de HEERE. In die droefheid liggen tranen van verdriet om wie ik ben, maar er liggen ook tranen van verlangen. Van verlangen naar herstel in de gemeenschap met Hem.

 

Het is de Heilige Geest Die deze bange duiven laat vliegen. Want het is de wind waarop ze naar huis vliegen. Hij laat zien: er is maar één weg terug, maar één weg terug naar de gemeenschap met God. Die weg wordt verkondigd, ook vandaag. Ik ben de Weg, Ik ben het Leven, zegt Christus. Alleen Hij kan de zondaar herstellen in de gemeenschap met God, en dat wordt geleerd. Dat noemt de Heere Jezus een hongeren en een dorsten naar Hem, naar Zijn gerechtigheid.

Als Hij zo wordt getekend in de prediking, als die schone maar ook noodzakelijke Zaligmaker en als die beminnelijke Zaligmaker, als die gepaste Zaligmaker, als die zo welwillende Zaligmaker – o, wat gaat het hart dan naar Hem uit! Zulk een is Mijn liefste, hoor ik de bruid zingen. Zulk een is mijn Zielenvriend.

 

Zijn Naam wordt hun zo dierbaar, Zijn Persoon wordt hun zo dierbaar, Zijn Werk wordt hun zo dierbaar. Gemeente, die duif, ach, ze kan er zo vaak niet bij, ze durft er niet bij te komen. Zou dat werkelijk voor mij zijn, dat is toch te groot, HEERE? Voor mij? Dan blijft er alleen verwondering over. Zou God ook mij bedoelen?

Maria was zeer verwonderd dat zij de begenadigde was. Dat U op mij hebt neergezien, op de nederheid van Uw dienstmaagd! Wat maakt Maria zich klein, wat is ze verwonderd. En haar nicht zegt het ook: Maria, wat ben je begenadigd onder de vrouwen. Verwonderde mensen! Daar hoor ik twee verwonderde mensen met elkaar spreken, samen zingen, Elisabeth en Maria: mijn Zaligmaker.

Dat leert de Heilige Geest – om dat te mogen zeggen. Dat is het ‘mijnen’, toe-eigenen. O, wat kun je daar naar verlangen, dat het nu niet alleen voor anderen is, maar ook voor mij: mijn Zaligmaker. We gaan naar onze derde gedachte.

 

3. Hun formatie

De duiven vliegen niet alleen naar huis, nee, ze worden aan elkaar verbonden. Zo mogen ze elkaar ook tot nut zijn, elkaar beschermen, elkaar begeleiden. Dat is ook zo in het geestelijke leven. De HEERE verbindt mensen aan elkaar. Ik vind het zo mooi in de adventsstof dat Maria en Elisabeth op Gods aanwijzing aan elkaar verbonden worden. De jongens en meisjes weten het wel. Gabriël zei het tegen Maria: Uw tante (uw nicht, zo staat het er) is zwanger op haar hoge leeftijd. Is er dan iets onmogelijk bij God? Nee toch, Maria? In die opmerking van de engel lag eigenlijk een aanwijzing voor Maria: Maria, ga maar naar je tante toe, naar tante Elisabeth, ga maar. En dan doet ze het ook.

Als ze dan bij die tante mag komen, worden die harten aan elkaar verbonden. Dan springt Johannes op van vreugde en Elisabeth mag Maria bemoedigen. Zalig jij, Maria, zalig die geloofd hebt het Woord van God, de HEERE zal je niet beschaamd doen uitkomen. Dan mag haar tante tot versterking van haar geloof zijn.

 

Aan elkaar verbonden, gemeente. Maria en Jozef zijn aan elkaar verbonden. De HEERE zegt tegen Jozef: U kunt Maria gerust trouwen, want wat zij in haar baarmoeder heeft, dat is uit Mij, dat is van Mij. Neem ze maar onder uw hoede. Zo worden ze aan elkaar verbonden. De herders in Efratha’s velden  worden aan elkaar verbonden als de engelen komen; dan mogen ze samen de boodschap horen: Ulieden is heden geboren. En dan mogen ze met elkaar het Kind gaan opzoeken.

 

Ik denk aan de wijzen uit het Oosten, ze komen met elkaar. Ik denk aan Simeon en Anna, samen staan ze daar God groot te maken en mogen ze elkaar aanvullen. Er staat eigenlijk dat Anna precies hetzelfde vertelde, precies hetzelfde sprak als Simeon. Is het u ook weleens opgevallen? Ik hoop dat u het kunt zeggen uit ondervinding, dat de HEERE iemand op uw pad plaatst. Het hoeven er niet veel te zijn. Wat is het een zegen als het je eigen man mag zijn, je eigen vrouw, je kind, ouders, een vriend of vriendin. Je mag er ook om vragen of de HEERE iemand op je pad wil plaatsen met wie je zo kunt spreken.

 

Het is nog niet zo lang geleden dat ik afscheid nam van een oude vrouw die zoveel voor mij betekende. Ik zei tegen haar: U moest eens weten hoe vaak u als het ware bij mij op de kansel zit. Daar moest ze wel een beetje om lachen. Ze zei: Maar ik vind het wel heel bijzonder, ik heb het niet gezocht. Zo was het. De Heere plaatst mensen naast elkaar om elkaar te onderwijzen, te bemoedigen.

Ik denk aan de Samaritaanse vrouw. Als ze zelf de Heere Jezus in dat gesprek mag leren kennen, en Jezus zegt tegen haar: Ik ben het Die met u spreek – wat gaat ze dan doen? Ze verlaat de plaats waar ze nu is en ze gaat terug naar de stad en ze gaat het tegen iedereen vertellen die het maar horen wil: Komt, ziet een Mens Die mij gezegd heeft alles wat ik gedaan heb; is Deze niet de Christus? (Joh. 4:29). Met andere woorden: Kom mee! En dan zie je die mensen als een wolk van getuigen, naar Jezus gaan. Ze gaan ook naar de Zaligmaker, en later zeggen ze tegen die vrouw: Wij geloven het niet meer omdat u het tegen ons gezegd hebt, maar we hebben het nu uit Zijn mond zelf gehoord. Als een wolk komen ze aan.

 

Zo staat straks Petrus op de Pinksterdag; zo mag hij spreken over Christus. Hij mag het Middel, het Medicijn aanwijzen; hij mag de verwonde harten zalven met dit Middel en dan worden er drieduizend op één dag bekeerd. Zo komen ze als een wolk naar de duiventil. We gaan naar onze vierde gedachte, de thuiskomst.

 

Maar laten we eerst zingen Psalm 25 vers 8 en 10.

 

 

Zie op mij in gunst van boven,

Wees mij toch genadig, Heer',

Eenzaam ben ik en verschoven;

Ja, d' ellende drukt mij neer.

'k Roep U aan in angst en smart;

Duizend zorgen, duizend doden,

Kwellen mijn angstvallig hart.

Voer mij uit mijn angst en noden.

 

Hoed mijn ziel, en red z' uit noden,

Maak mij niet beschaamd, o Heer';

Want ik kom tot U gevloden.

Laat d' oprechtheid meer en meer,

Met de vroomheid, mij behôen.

'k Wacht op U in mijn ellenden,

Laat Uw hand, in tegenspoen,

Israël verlossing zenden.

 

4. Hun thuiskomst

Gemeente, die duiven gaan vliegen. Nu zeg ik niet dat ze altijd in een rechte lijn naar huis gaan. Ze weten zelf maar al te goed dat de HEERE bij tijden zo over hen moet klagen dat ze zijn afgeweken; dat ze heimelijk toch weer de rust ergens anders zoeken dan bij Christus alleen. Wat kunnen die duiven, die geestelijke duiven, vertrouwen op de dingen die in het leven zijn gebeurd, de veranderingen; het is toch zo anders geworden. Wat eerst een last was, werd een lust; tegen de zonde kwam strijd. Er kwam liefde tot Gods dienst en tot Zijn volk, een verlangen om de stem van de HEERE te horen in de prediking. Daarop konden ze al gaan rusten, zodat de HEERE zegt: Maar daar vindt u de rust niet, het moet verder; u moet naar huis. Het is wel van de HEERE, maar het is de Zaligmaker Zelf nog niet. Rust noch vrede kan worden gevonden buiten Hem.

 

Het kan ook zijn dat ze weer zo bezig zijn met de dingen van dit leven. Langzaam maar zeker gaan ze lijken op Martha, die zo druk was terwijl haar zus luisterde naar het onderwijs van de Zaligmaker. Martha was allemaal ‘goede’ dingen aan het doen – tussen aanhalingstekens. Ze zorgde voor de Heere en Zijn discipelen en ze meende dat ze het beter deed dan haar zus. De kinderen kennen die geschiedenis wel. Ze weten dat Martha op een gegeven moment boos uitroept: “Meester, waarom zegt u niets tegen mijn zus Maria? Waarom helpt ze mij niet?” Toen moest de Heere Jezus haar vermanen: Martha, Martha, gij bekommert en ontrust u over vele dingen; maar één ding is nodig; doch Maria heeft het goede deel uitgekozen, hetwelk van haar niet zal weggenomen worden. Dat is zoeken van het Koninkrijk van God.

 

Martha was een bekeerde vrouw, hoor, vergeet dat niet. Maar Martha had op dat moment geen rust. Ze zocht het in het druk zijn, in de dingen rond de Zaligmaker, maar niet bij de Zaligmaker. Het kan ook zijn dat de Heere moet klagen over u of over jou en dat Hij vanmiddag zegt: “Waarom hebt gij uw eerste liefde verlaten? Waarom, waarom zoekt u toch troost bij troostbronnen die geen echte troost geven. Waarom zoekt u het in uw gezondheid, in materiële dingen? In…. vul het maar in”.

Die duiven moeten weer vliegen. Het is niet de bedoeling dat ze daar blijven. De Heere zegt: Sta op! En weer opnieuw: Kom, sta op uit uw slaap, uit uw doodsslaap. Want het is een slaap! Sta op en laat Christus over u lichten; ontwaakt, gij die slaapt. Sta toch op uit deze scheiding, uit deze dood en keer terug, ga verder. En zo worden ze weer opgewekt onder de prediking, als het goed is. Ze moeten thuiskomen.

 

Nu gaan we het beeld iets aanpassen. We komen aan bij die duiventil met die venstertjes. U kent dat beeld vast wel: zo'n duiventil met allemaal openingen. Je hebt ronde duiventillen, je hebt rechthoekige of althans die je tegen een muur aan plaatst, alle soorten en maten. Maar ze hebben allemaal van die openingen. Aan dat beeld moet u denken: aan vensters, geopende vensters.

Gemeente, de eerste thuiskomst is hier op aarde. Laten we dat goed onderscheiden van de tweede thuiskomst, namelijk in het Vaderhuis met de eeuwige woningen. Maar die eerste thuiskomst, dat is te mogen delen in de gemeenschap met God, dat is die wonderlijke vrede en vreugde te mogen ontvangen. Dat is het zicht, het gelovig zicht op de Heere Jezus Christus.

 

Heel eenvoudig hoort u Maria hiervan zingen: Mijn Zaligmaker. Ze mag met haar ziel zingen over haar Heere en haar Zaligmaker. En ik hoor het Elisabeth ook zingen: En vanwaar komt mij dit, dat de moeder mijns Heeren tot mij komt? (Luk. 1:43). De moeder van mijn Heere. Mijn Heere, mijn! Daar gaat het om: om dat mijnen, het delen in Gods gemeenschap door Zijn Zoon, de Heere Jezus Christus.

Nu wil de Heere dat die duiven maar veel bij die vensters zitten, want bij die vensters wil Hij hen toespreken. Bij die vensters wil Hij ze te eten geven, bij die vensters zijn ze veilig, daar kunnen de roofvogels niet komen. Veiligheid, voedsel, warmte, liefde, licht, vreugde, vrede. Hier wordt de rust geschonken, hier het vette van Uw huis gesmaakt. Hier weidt mijn ziel met een verwonderend oog.

 

Die vensters, gemeente, hoe kunnen we die duiden? Wel, de bekende Ebenezer Erskine onderscheidt in zijn preek over deze stof een heel aantal vensters. Hij zegt: Daar is het venster van de prediking. Dat is een openbaar venster, daar wil de Heere doorheen spreken zoals dat gebeurde bij die drieduizend mensen op de Pinksterdag. Ze mochten tot het geloof komen, omdat ze luisterden bij het venster van de prediking, het venster van de Woordverkondiging.

Dat wil de Heere gebruiken, dat eenvoudige middel van de prediking, om te spreken tot zulke vermoeide duiven: Zie, Ik ben uw heil alleen. Ik ben het Brood des levens, Dat uit de hemel nederdaalt, opdat de mens daarvan ete en niet sterve. Zo iemand dorst, die kome tot Mij en drinke. Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven. Neemt Mijn juk op u, en leert van Mij dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart; en gij zult rust vinden voor uw zielen (Matt. 11:28,29).

 

Gemeente, zulke duiven zitten te luisteren naar die stem. Het is hun eten en drinken, als ze horen dat ze welkom zijn bij de Zaligmaker. Als ze mogen horen dat Hij en Hij alleen de oorzaak van hun honger en kommer heeft weggenomen door Zijn dood. Dan ga je naast die Samaritaanse vrouw zitten. Dan zit die vrouw niet meer alleen, maar dan zit u ernaast. En als die Kananese vrouw de Heere Jezus maar naroept, hoort u uzelf roepen: O Zone Davids, ontferm U mijner. En als die zondares uit Lukas 7 tot Jezus vlucht met haar onreinheid, met haar zonde, dan loopt u met haar mee en u gaat hetzelfde doen wat zij deed: de voeten van uw Zaligmaker nat maken met uw tranen en deze kussen.

Dan wacht u tot Hij het gaat zeggen tot uw ziel. U loopt mee met de Emmaüsgangers, als u Hem weer kwijt bent en u zegt: Hoe moet ik toch verder zonder Hem? En u laat u onderwijzen door Hem, samen met de twee mensen op weg naar Emmaüs. Zo zou ik nog een hele poos door kunnen gaan. Die prediking wordt zo persoonlijk; u zit aan het venster van de prediking.

 

Daar is ook een venster dat meer verborgen is, dat is het venster thuis of onderweg of zelfs tijdens het werk. Je onderzoekt thuis het Woord, je luistert naar een preek of een meditatie. Of je overdenkt wat je gehoord hebt, misschien wel in de auto of onder de strijk, zoals ik eens een jonge vrouw hoorde vertellen. Zij had zo’n honger naar het Woord, dat ze zei: Ja, als ik thuis aan het strijken ben, kan ik nog een preek opzetten, want dan wordt mijn ziel vaak verklaard. Het was geen opgave voor haar. O nee, het was haar lust en haar leven. Een boer vertelde mij eens dat er tijden in zijn leven waren dat hij zo'n verlangen had naar het Woord dat hij op de tractor naar een preek zat te luisteren. Als hij aan het eind van de akker kwam, moest hij het bandje weer omdraaien. Dan hoorde hij ook het verschil met de wereld, want dan kwam het geluid van de radio er even tussendoor. Dan wist hij niet hoe snel hij dat bandje moest omzetten, want dat hoefde hij en wilde hij niet horen. Hij kende een verlangen naar de stem van de Heere.

 

Gemeente, in die weg wil de Heere voedsel geven, wil Hij onderwijzen: Ik zal u onderwijzen. Zo geeft Hij ook zekerheid. Mag ik u voorlezen uit artikel 16 van de Dordtse leerregels? Daar worden mensen opgeroepen om zekerheid te zoeken bij de Heere,

Hoofdstuk 1 artikel 16: “Die het levend geloof in Christus, of het zeker vertrouwen des harten, de vrede der consciëntie, de betrachting van de kinderlijke gehoorzaamheid, de roem in God door Christus, in zich nog niet krachtig gevoelen, en nochtans de middelen gebruiken, door welke God beloofd heeft deze dingen in ons te werken, die moeten niet mismoedig worden, wanneer zij van de verwerping horen gewagen, noch zichzelf onder de verworpenen rekenen, maar – daar hebt u het zitten bij de vensters – in het waarnemen van de middelen vlijtig voortgaan, naar de tijd van overvloediger genade vurig verlangen, en die met eerbiedigheid en ootmoedigheid verwachten. Veel minder behoren voor deze leer van de verwerping verschrikt te worden degenen, die ernstig begeren zich tot God te bekeren, Hem alleen te behagen, en van het lichaam des doods verlost te worden, en nochtans in de weg der godzaligheid en des geloofs zo ver nog niet kunnen komen, als zij wel wilden; aangezien de barmhartige God beloofd heeft dat Hij de rokende vlaswiek niet zal uitblussen, en het gekrookte riet niet zal verbreken”.

Is dat niet een bemoediging voor zoekende zielen? Zit veel bij de vensters, het venster van de prediking, het venster van het Woordonderzoek.

 

Eén ding is ook nodig: het venster van uw gebeden. Ik denk aan Hizkía, toen hij de boodschap kreeg dat hij moest sterven; toen vergeleek hij zichzelf met een duif. Hij zegt: Ik kirde als een duif tot God. Er kwam niet veel geluid uit. Hij riep: “Wees Gij mijn Borg”. Geliefden, de Heere zit niet, met eerbied gesproken, op lange gebeden van onze kant te wachten. Dat hoeft echt niet. Als de nood er is, hoort de Heere de nood van je hart wel als je roept: Wees Gij mijn Borg, Heere, help me! Heere, kom toch, want zonder U kan ik niet verder, zonder U wil ik niet verder, zonder U durf ik niet verder. O, kom toch, Heere Jezus, in mijn leven.  Wilt U de duisternis verdrijven? U zegt het toch tegen me: Sta op! Maar hoe moet ik opstaan? HEERE, Heere, laat Uw stem toch horen aan mij, arme zondaar, arme zondares.

Gemeente, zulken zal Hij niet alleen laten. Hij zál komen. Wie Hem verwacht, zal niet beschaamd uitkomen. Die zal thuis komen.

 

Ik zou nog meer vensters kunnen noemen: het venster van de sacramenten, het venster van het Heilig Avondmaal, het venster van de Heilige Doop. O, als daar mag worden gehoord: Ik voor U, daar gij anders de eeuwige dood had moeten sterven. Dan is dat een venster om gemeenschap met God te mogen beoefenen. We gaan naar onze laatste gedachte.

 

5. Hun verwondering

Wie zijn dezen, die daar komen gevlogen als een wolk, en als duiven tot hun vensters?

Jesaja ziet het als een grote wolk vol van kleine druppeltjes. Je kunt ze niet tellen: al die kleine druppeltjes of een wolk van duiven. Een wolk van getuigen wordt het wel genoemd in de Hebreeënbrief. Hij zegt: Wat gebeurt hier? Wat is hier toch aan de hand? Hij is verwonderd en verblijd, want Gods knecht is verblijd als er velen naar huis gaan, als er velen teruggaan naar de Heere. In de veelheid van onderdanen wordt de Koning toch verheerlijkt? Jesaja is er verwonderd en verblijd over. Ja, want de Heere had hem wel laten zien dat er niemand zalig zou worden, als het aan de mens zou liggen. Gemeente, is de zondaar zelf niet het meest verwonderd?

 

Ik hoop dat u en jij het herkent: Ja, ja, als de Heere niet in mijn leven was gekomen, als Hij niet tot mij had gesproken of had getrokken met koorden van liefde – ik zou nooit teruggekeerd zijn. Maar ook als Hij mij onderweg niet opnieuw had opgeroepen om te komen, om verder te gaan, ik zou weer gezeten hebben en ik zou daar gebleven zijn met alle gevaren van dien. Ik zou een prooi voor de roofvogels zijn geweest. Ik ben tot hinken en tot zinken ieder ogenblik gereed.

 

Gemeente dan komt er toch verwondering. Ik lees van verwonderde mensen die voor de troon staan in het nieuwe Jeruzalem. Ik zie ze staan voor de troon en ze roepen het verwonderd uit: Gij hebt het gedaan, o Lam Gods. O Lam, dat naar de aarde kwam. U werd voor ons een Lam. Gij hebt ons Gode gekocht met Uw bloed. Wat een verwondering, wat een blijdschap.

Maar weet u Wie er ook verwonderd is? Ik moet eigenlijk zeggen: Wie verblijd is, Wie het allermeest verblijd is? Dat is niet Jesaja en niet die zondaar, maar de Heere zelf. De Heere Jezus heeft het ons getekend in de gelijkenissen van het verloren schaap, van de verloren penning en van de verloren zoon. Telkens zegt Hij dat er blijdschap is in de hemel als er één zondaar terugkeert naar de duiventil, als er één zondaar aan de vensters zit. Dan is er in de hemel blijdschap voor de troon, staat er. Dat betekent dat de engelen verblijd zijn, omdat Hij Die op de troon zit, verblijd is als een zondaar tot bekering komt.

 

Misschien hebt u wel een heel verkeerd Godsbeeld en denkt u dat u veel meer verlangt om zalig te worden dan de Heere verlangt het u te geven. Houd dan dit eens vast, dat er in de hemel blijdschap is over één bekeerde zondaar en dat de Heere vol vreugde is, en de engelen met Hem, als zo'n duif terug mag komen, naar huis. Hier op aarde is dat al zo. En als zo'n zondaar straks binnen mag komen in de eeuwige heerlijkheid, o dan is die blijdschap er opnieuw. Anders, maar weer opnieuw.

 

Ik sprak zojuist al over de preek van Erskine. Hij houdt aan de gemeente een paar vragen voor. Dat ga ik u ook doen. Het zijn tegenwerpingen. 

Eerst de tegenwerping van iemand die geluisterd heeft naar de preek: “U beveelt ons te vliegen, maar waartoe dient dat? Want u zegt ons dat we dood zijn in de zonde. Dus ik hoor iemand zeggen: Ja, als je dood bent, kun je toch niet vliegen. Hoe moet het dan?”. Luister maar naar wat Erskine zegt: “Het is de eer van de soevereine genade dat Hij wonderen doet aan de doden. Zie, wat Hij aan de dorre beenderen deed. Zullen deze beenderen levend worden? was de vraag. Ja, als de Geest des Heeren daarin blaast. God heeft het geboden. Profeteer over de dorre beenderen en roep tot de doden dat ze opstaan en vliegen”. En zo zegt Erskine: “Daarom moeten wij dat ook doen. Heere, kom mijn ongelovigheid te hulp, hoor ik die man zeggen. Heere, U gebiedt mij te geloven, uit mezelf kan ik niet geloven. O, maar schenkt u me dan toch wat ik mis en wat ik nodig heb”.

 

Tegenwerping twee: “Gij gebiedt mij te vliegen, maar helaas: ik heb geen vleugels om te vliegen. O, dat mij iemand vleugelen als ener duive gave; ik zou heen vliegen. Antwoord: Als er een wil is om te vliegen en een hartelijke begeerte daartoe, dan hebt u vleugels gekregen. En als u ook dat mist, bid dan om de vleugelen van Hem, Die u gebiedt te vliegen. Want Hij geeft de vermoeiden kracht. Die de HEERE verwachten, zullen opvaren met vleugelen gelijk de arenden”.

 

De derde tegenwerping. Iemand zegt: Ik heb een last van zonden op mijn rug, ik kan niet opstijgen. Dan antwoordt Erskine: “Werp uw zorg op de Heere. En als u niet kunt vliegen, rust dan met uw last op Hem, want het geloof is zowel een rusten als een vliegen”.

 

Dan de vierde tegenwerping: “Christus is zó ver weg, dat ik Hem niet kan bereiken”. Dan antwoordt Erskine: “Zeg dat niet, want Hij is nabij u. Nabij u is het Woord, in uw mond en in uw hart. Dit is het Woord des geloofs hetwelk wij prediken”.

Amen.

 

Slotpsalm: Psalm 68: 7

 

Gelijk een duif, door 't zilverwit,

En 't goud, dat op haar veed'ren zit,

Bij 't licht der zonnestralen

Ver boven and're voog'len pronkt,

Zult gij, door 't Godd'lijk oog belonkt,

Weer met uw schoonheid pralen.

Wanneer Gods onweerstaanb're hand

De vorsten uit het ganse land

Verstrooid had en verdreven,

Ontving zijn erfdeel eed'ler schoon,

Dan sneeuw, hoe wit zij zich vertoon',

Aan Salmon ooit kon geven.