Ds. D. Rietdijk - Johannes 1 : 35 - 40

Een onvergetelijk uur

een onvergetelijk uur, waarin twee discipelen van Johannes gewezen worden op Jezus;
een uur waarin zij een vraag van Jezus horen
een uur waarin zij blijven bij Jezus
Deze preek is met toestemming van de uitgever J.J. Groen en Zoon, overgenomen uit de bundel: Uw ogen zullen de Koning zien. (Leiden, 1994). Deze bundel werd samengesteld naar aanleiding van het overlijden van ds. D. Rietdijk op 4 nov. 1993.
De preek is naar het hedendaags Nederlands hertaald en ingekort om ze voor de leesdiensten geschikt te maken. De verantwoordelijkheid voor deze hernieuwde uitgave berust bij ds. C.G. Vreugdenhil (GG), die de geestelijke nalatenschap van ds. Rietdijk beheert.
 

Johannes 1 : 35 - 40

Johannes 1
35
Des anderen daags wederom stond Johannes, en twee uit zijn discipelen.
36
En ziende op Jezus, daar wandelende, zeide hij: Ziet, het Lam Gods!
37
En die twee discipelen hoorden hem dat spreken, en zij volgden Jezus.
38
En Jezus Zich omkerende, en ziende hen volgen, zeide tot hen:
39
Wat zoekt gij? En zij zeiden tot Hem: Rabbi! (hetwelk is te zeggen, overgezet zijnde, Meester) waar woont Gij?
40
Hij zeide tot hen: Komt en ziet! Zij kwamen en zagen, waar Hij woonde, en bleven dien dag bij Hem. En het was omtrent de tiende ure.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 32: 4
Zingen : 10 Geb.: 9
Lezen : Johannes 1: 29-52
Zingen : Psalm 17: 3, 4 en 8
Zingen : Psalm 73: 13
Zingen : Psalm 66: 8

Gemeente, met de hulp des Heeren willen wij u het Woord van God bedienen, zoals u dat vindt in Johannes 1 vers 35 tot en met 40. We lezen daar het Woord van God als volgt:

 

35. Des anderen daags wederom stond Johannes, en twee uit zijn discipelen. 36. En ziende op Jezus, daar wandelende, zeide hij: Zie, het Lam Gods. 37. En die twee discipelen hoorden hem dat spreken, en zij volgden Jezus. 38. En Jezus Zich omkerende en ziende hen volgen, zeide tot hen: 39. Wat zoekt gij? En zij zeiden tot Hem: rabbi (hetwelk is te zeggen, overgezet zijnde, Meester), waar woont Gij? 40. Hij zeide tot hen: Komt en ziet. Zij kwamen en zagen waar Hij woonde, en bleven die dag bij Hem. En het was omtrent de tiende ure.

 

We overdenken in deze dienst: Een onvergetelijk uur.

 

We doen dit aan de hand van drie gedachten:

 

1. Een onvergetelijk uur, waarin twee discipelen van Johannes gewezen worden op Jezus;

2. een uur waarin zij een vraag van Jezus horen;

3. en een uur waarin zij blijven bij Jezus.

 

1. Een onvergetelijk uur

Het gaat in onze tekst in de eerste plaats over Johannes de Doper, een dienstknecht van God. Maar Johannes de Doper heeft in de heilsgeschiedenis geen betekenis en geen plaats zonder Christus. Johannes de Doper is in zichzelf niets. Hij is wegbereider, Hij is heraut van de grote Koning Die na hem komen zou.

Johannes heeft op 30-jarige leeftijd zijn ambt in het openbaar aanvaard. Hij was weliswaar een priesterzoon, de zoon van de priester Zacharias en van de priesterdochter Elisabeth, maar hij heeft nooit in Jeruzalem in de tempel gediend. Hij heeft nooit de priesterlijke linnen lijfrok gedragen of de offeranden gebracht.

 

Johannes leefde in de woestijnen rond Jeruzalem. Hij was gekleed in een mantel van kamelenhaar. Een man dus die kwam in de gestalte van een boetprofeet. Hij kwam in de geest en in de kracht van Elia. Hij was een boetgezant die een prediking van schuld bracht. Hij had tot taak om zijn hoorders van de ceremoniële wetten af te leiden en te wijzen op de grote Vervuller van de ceremoniële wetten en van de schaduwdienst in de tempel. Zo heeft Johannes in de woestijn als een boetgezant gepredikt, als een navolger van Elia. Elia was een vuurprofeet die vuur van de hemel heeft afgebeden; het vuur van het gericht over een hoofdman of vuur om een altaar aan te steken.

                       

Johannes heeft de schuld gepredikt. Dat heeft hij gedaan door de noodzaak van bekering aan te wijzen. Met grote kracht heeft hij gepredikt: Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen (Matth.3:2). Die eis van de bekering heeft Johannes onverkort gepredikt. Hij bond die eis van bekering en de noodzaak ervan op het hart van het volk. Hij heeft gezegd: En ook is alrede de bijl aan den wortel der bomen gelegd; alle boom dan die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen (Matth.3:10).

 

Gemeente, die bijl ligt ook aan de wortel van onze levensboom. Niet alleen bij oude mensen, maar zodra wij geboren zijn. Dan ligt die bijl al gereed. De Landman hoeft er zijn hand maar naar uit te strekken en die bijl te hanteren, en de levensboom is geveld. De bijl aan de wortel van de boom. Ook bij die van u en mij!

Johannes heeft de ontoereikendheid van alle menselijke godsdienst gepredikt. Hij heeft gezegd: Breng dan vruchten voort der bekering waardig; want alle eigenzinnige  godsdienst kan uw ziel niet redden van de dood. Hij de boodschap gebracht dat alle uiterlijke voorrechten u geen enkel nut kunnen aanbrengen. Want u noemt zich wel kinderen van Abraham, maar ik zeg u, dat God uit deze stenen voor Abraham kinderen kan verwekken (Luk.3:8). Jongeren, kinderen, ook al heb je een bekeerde vader of moeder, het zal jullie niet helpen. Je hebt zélf die waarachtige bekering nodig. Dat was de inhoud van de prediking van Johannes. Zo heeft hij de schuld van het volk gepredikt.

 

Dan lezen we dat een menigte Joden tot deze boetprediker in de woestijn kwam, en wie zijn of haar zonden beleed, werd gedoopt. Die mensen hadden dus iets van hun zonde gezien. Ze hadden ook iets gezien van hun onbekeerlijkheid, en dat de pogingen hun leven te verbeteren niets uitrichtten. Het werd niet anders en niet beter in hun leven.

U ziet ze komen tot Johannes. En Johannes staat daar als een boetgezant en heraut van die grote Koning. Hij wijst naar Hem, het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt.

 

O, wat is dat een rijke prediking geweest, want Johannes heeft Jezus aangewezen als het Lam van God dat de zonde der wereld wegneemt. God Zelf heeft Hem aan Johannes geopenbaard als dat Lam Gods. Als kind hebben de Heere Jezus en Johannes elkaar waarschijnlijk wel eens ontmoet, want Maria zal Elisabeth wel eens bezocht hebben. Toch zegt Johannes: ik kende Hem niet. Maar God sprak: Op Welke gij de Geest zult zien nederdalen in de Jordaan, Deze is het Die komen zou. Toen heeft Johannes Hem gezien. Nu kan hij de schare vertellen: Zie, het Lam Gods, Dat de zonde der wereld wegneemt.

 

Nu begint onze tekst: Des anderen daags stond Johannes met twee van zijn discipelen. Het woord ‘staan’, dat gebruikt wordt in de grondtekst, is een woord dat heel duidelijk ‘afwachten’ aanduidt. Johannes staat daar in afwachting van wat er gebeuren zal; ook Johannes kon niet zomaar preken wat hij wilde. Hij had de bediening van de Heilige Geest nodig.
Dus Johannes wacht op wat er gebeuren zal, op hoe de Heere Zich openbaren zal. Zoals elke prediker en wie in de dienst van de Heere staat, is hij afhankelijk van de bediening van de hemel. Zo staat Johannes daar met twee van zijn discipelen. Die twee zijn Andreas, zoals uit het vervolg blijkt, en nog een andere discipel, die onbenoemd blijft. Maar het is waarschijnlijk Johannes de evangelist geweest. Johannes en Andreas. Twee discipelen van Johannes de Doper. Twee mensen dus, die onder die schuldprediking van Johannes hadden gebogen en die hun zonden beleden hadden en gedoopt waren.

 

Daar staat Johannes met twee van zijn discipelen. Des anderen daags. De ene dag kan de andere dag vervullen. Opnieuw heeft Johannes de bediening van de hemel nodig. En plotseling gebeurt het. Want er staat geschreven: En ziende op Jezus daar wandelende.

Gemeente, dat woord ‘zien’ heeft ook weer zo'n krachtige betekenis. Het is niet zomaar een oppervlakkig zien dat de Heere Jezus daar wandelt. Nee, het is een zien met grote opmerkzaamheid. Het is een geloofsblik van Johannes, die Hem aanschouwt als het van God gezonden Lam, Dat de zonde der wereld wegneemt.

En ziende op Jezus daar wandelende. O, wat een wonder voor Johannes de Doper toen hij Jezus weer mocht zien. Hij mag Hem door het geloof aanschouwen als het Lam, Dat nu in tegenstelling tot al die andere offerlammeren, de zonde der wereld wegdraagt. Dan is zijn oog op Hem gevestigd: ‘U zoekt mijn hart, mijn oog blijft op U staren.’

 

Het valt op dat de tekst nadrukkelijk zegt: Jezus daar wandelende. De Heere Jezus wándelt. Nu is wandelen doorgaans een bezigheid van vermaak, een zaak van blijdschap en vreugde. Hij ziet Jezus daar wandelen. Hij is het Lam Gods. Dit Lam is in de wereld gekomen om te sterven en Zijn leven af te leggen, om Zijn bloed te geven, om de toorn van God te dragen en om de zonde der wereld weg te nemen. En nu wándelt Hij daar.

Johannes ziet Jezus als de gewillige, als de met vreugde bezette Middelaar. Wandelende, daar bij Bethábara. Jezus wandelt niet onwillig. Nee, het is Zijn spijs en drank om de wil van Zijn Vader te doen.

 

Gemeente, wat is het een wonder als we Hem, net als Johannes, zo mogen zien! Zien in Zijn gewilligheid om een zondaar zalig te maken. Hebt u Hem wel eens gezien?

We denken wel eens dat wij gewillig zijn om zalig te worden. Maar als u de gewilligheid van Jezus ziet, pas dán gaat u begrijpen dat niet wij gewillig zijn, maar dat Hij de Gewillige is. Dat niet wij gewillig zijn om door deze Jezus gezaligd te worden, maar dat Jezus nu gewillig is om een verloren Adamskind zalig te maken, om het voor Zijn rekening te nemen en het te brengen in dat eeuwig zalig oord. Een gewillige Zaligmaker, Die met vreugde wandelt aan dat strand, Die met blijdschap het pad wandelt dat de Vader Hem voorgesteld heeft. Johannes zag Jezus wandelen. Een zaak van vreugde.

 

Gemeente, dat wandelen duidt niet alleen op de gewilligheid van de Heere Jezus, en de vreugde waarmee Hij dat werk van de Vader zal verrichten, maar dat wandelen ziet ook op het afscheid nemen van Johannes. Hij wandelt van hem af. De vorige dag zag Johannes Jezus tot zich komen. Toen kwam Hij, en verklaarde Zijn werk en Zijn Persoon. Toen sprak Johannes: Zie, het Lam Gods, Dat de zonde der wereld wegneemt. Maar nu wandelt Hij van hem af. Want Johannes is gekomen om de discipelen van Jeruzalem en de tempeldienst met haar altaren af te houden en ze heen te leiden naar de Heere Jezus, het Lam Gods, Dat de zonde der wereld wegneemt. Johannes moet van zichzelf afwijzen en zeggen: ‘Hij moet wassen en ik moet minder worden.’ Hij wijst nu naar een Ander. Als hij Jezus ziet wandelen, dan zegt hij ook tegen die twee discipelen, die bij hem staan: ‘Zie het Lam van God!’

 

Andreas en Johannes hebben het begrepen. Want als ze als Israëliet hoorden van dat Lam van God, dan wisten ze wat dat inhield. Het was immers Pascha geweest, het Pascha waarin het lam geslacht werd, opdat de eerstgeborenen van Israël in die benauwde nacht voor de uittocht uit Egypte, zouden blijven leven. Het bloed van dat paaslam werd gestreken op de deurposten, waardoor ze behouden werden. Die discipelen hebben begrepen wat dat Lam kwam doen. Er was nu alleen maar leven door de dood van het Lam. ‘Ziet’, zegt Johannes, ‘dat Lam van God.’

De beide discipelen wisten ook dat ze deel moesten krijgen aan dat lam, want het moest gegeten worden met bittere saus en ongezuurde broden. Dat wil zeggen met de bittere saus van verootmoediging, van kleinmakende genade, van boetvaardigheid en schuldbelijdenis. Dat is de betekenis van die bittere saus. Daar wisten die discipelen van.

 

Als Johannes dan zegt: ‘Ziet, het Lam van God’, verstaan die discipelen iets in hun hart van Psalm 40: ‘Geen slachtvee, geen altaren, vol spijs ter offer waren, het voorwerp van uw lust. Gij hebt Mij, naar uw Woord, de oren doorgeboord, en het lichaam toegerust.’ Dan verstaan ze iets van die gemeenschap die ze moeten hebben met Hem, Die daar wandelt aan de oever. Ze verstaan dat Hij Degene is Die komen zou, en dat Hij het is Die Israël verlossen zal van al haar ongerechtigheden. ‘Zie’, heeft Johannes met vreugde uitgeroepen, ‘het Lam Gods.’

Maar het Lam wandelt van Johannes af; de beide discipelen moeten bij Johannes vandaan. Ze moeten bij de Heere Jezus terecht komen, want die ontdekkende prediking van Johannes, heeft een doel. Elke ontdekking in het leven van de kinderen van God heeft een doel.

Weet u welk?

Om gebracht te worden aan de voeten van die dierbare Jezus.

Elke ontdekking heeft tot doel gebracht zullen worden aan de voeten van Christus, Die de schuld verzoent en Die de ongerechtigheid vergeeft, en Die met Zijn dierbaar bloed een eeuwige verlossing aanbrengt. Ze worden heen gewezen naar het Lam Gods.

 

Het wandelen van de Borg wijst op de gewilligheid van de Borg. Op Zijn weg van Johannes af naar de plaats waar Hij Zichzelf offeren zal. Als de Heere Jezus daar wandelt bij Bethábara is dat ook een wandelen in verwachting, in afwachting van degenen die tot Hem komen zullen, want de Heere heeft gezegd: Al wat Mij de Vader geeft, zal tot Mij komen; en die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen (Joh.6:37).

Gemeente, al wat Mij de Vader geeft, zal tot Mij komen. De Vader geeft ménsen aan Christus. Ook in deze tijd geeft Hij mensen aan Christus om ze zalig te maken. De Vader geeft ze aan Hem. Door Zijn Woord en Zijn Geest worden er mensen gebracht bij het Lam Gods, Dat de zonde der wereld wegneemt.

Zo staat Hij daar, zo wandelt Jezus daar in afwachting van de degenen die komen zullen van onder de prediking van Johannes, en die nu gebracht zullen worden tot Hem. En Hij heeft gezegd: En die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen.

 

Er zal niemand worden uitgeworpen, er zal niemand worden weggestuurd die tot Hem komt. Denkt u dat er voor u geen plaats is? Er  zal niemand worden teruggestuurd omdat hij te veel of te lang heeft gezondigd; er zal niemand worden teruggestuurd, omdat hij zijn leven vergooid en verbrast heeft of omdat hij al het goed van de Vader heeft doorgebracht. 

Jezus, wandelende bij Johannes. Hij wacht! Al wat Mij de Vader geeft, zal tot Mij komen; en die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen.

 

Ten tweede overdenken we het uur,

 

2. Waarin de beide discipelen de vraag van Jezus horen

Gemeente, er staat in onze tekst dat die twee discipelen Johannes’ woorden hoorden. Ze hoorden ze niet voor de eerste keer. De vorige dag had Johannes al gezegd: Zie, het Lam Gods. Maar dan lees ik niet dat ook maar iemand uit de schare rond Johannes naar de Heere Jezus is gegaan. Niemand!

Maar nu staat Johannes daar met twee van zijn discipelen, Johannes en Andréas, en nu lezen we: En zij hoorden Hem dat spreken. Dat is een horen geweest dat verder ging dan het oor. Je kunt je leven lang gehoord hebben over Hem en je kunt je kerkbank zelfs versleten hebben, maar waar het om gaat is: Heeft u het ooit echt gehoord? Met uw hart gehoord?

Ze hoorden de woorden van Johannes. Zie, het Lam Gods. De eerste dag niet; de tweede dag wel. Op die tweede dag werden hun oren geopend. Toen bereikte dat Woord, dat gesproken werd door Johannes, rechtstreeks hun hart.

 

Zij hoorden Hem dat spreken. Dan is er ook gehoorzaamheid. Want nu staat er: En zij volgden Jezus. Die twee discipelen verlieten Johannes de Doper. U ziet ze schoorvoetend achter die wandelende Jezus aan gaan. Gemeente, ze zullen best gedacht hebben: ‘Zou Hij iets met ons te maken willen hebben? Zou Hij naar ons nog wel willen omzien? Zou Hij ons wel willen aanhoren? Zou Hij ons wel willen helpen?’ Ze hebben misschien wel gedacht: ‘O, zou die grote Koning Die komen zou, zou dat Lam van God Dat de zonde der wereld wegneemt, wel iets met ons te maken willen hebben?’ Want wie zijn ze?

En wie zijn wij? Als u onder de prediking van Johannes gezeten hebt en dat Woord door uw ziel gesneden heeft en er van u niets meer overblijft; als u ziet dat er van uw kant nooit meer verlossing komen kan; dat het zo eeuwig onmogelijk is om ooit nog met God verzoend te worden en in Zijn gemeenschap te worden teruggebracht; wat wordt het dan een eeuwig wonder dat Jezus nog naar u wil omzien.

Ziet u ze gaan, schoorvoetend? Hebt u ook wel eens zo achter Hem aangelopen? Hebt u Hem zo ook wel eens zo gevolgd? Ze volgden Jezus. Duizend vragen in uw hart, duizend vrezen in uw ziel. Bent u bezet met vrees dat Hij nooit, nooit, naar u om zou willen zien? En zij volgden Jezus.

 

En dan spreekt onze tekst over een groot wonder! Want er staat: En Jezus Zich omkerende en ziende hen volgen. Een omkerende Jezus. Zo zien we Hem op meer plaatsen in de Bijbel: een zich  omkerende Jezus. Daar staat een vloekende Petrus, die zegt: Ik ken die Mens niet. En we lezen dan: En Jezus Zich omkerende zag Petrus aan. En Petrus naar buiten gaande weende bitterlijk. Wat is dat voor Petrus een wonder geweest.

Langs de weg naar Golgotha staan wenende vrouwen. Jezus staat stil en kijkt om en zegt: Weent niet over Mij, maar weent over uzelf en over uw kinderen (Luk.23:28). Een Zich omkerende Jezus! Wat een eeuwig wonder als u net als Johannes en Andréas een Zich omkerende Jezus ontmoet. Want dat wil het zeggen als Jezus Zich omwendt.

 

Als Jezus Zich naar ons omkeert, gaan we vanuit het Woord van God woorden des levens horen. Een Zich omkerende Jezus, Die Zich naar een zondaar, naar een verloren mens, toewendt. Hij keerde Zich om naar een vrouw die Zijn voeten natmaakt met haar tranen.

Een Zich omkerende Jezus. Hij heeft Zich in de eeuwigheid al omgekeerd. Toen heeft Hij Zich toegewend tot verloren mensen. Toen heeft Hij gezegd: ‘Zie Vader, Ik kom om Uw wil te doen, want Uw wet is in het binnenste van Mijn ingewand.’

Een Zich omkerende Jezus, Die de beide discipelen ziet volgen. De woorden voor ‘zien’ die Johannes hier gebruikt, hebben de betekenis van een indringende zien. Hij heeft niet over hen heen gekeken, maar Hij ziet Johannes, Hij ziet Andréas. Hij ziet hen achter Zich aankomen.

 

En ziende hen volgen. Hij keek hen aan. Twee ogen keken Petrus aan toen Hij Zich omkeerde. Die twee ogen hebben ook Johannes en Andreas aangekeken. Hebt u die ogen wel eens gezien, die Hij op u sloeg? Hij Zich omkerende zag Johannes en Andréas Hem volgen. Daar ziet u ogen, waarvan Psalm 25 zingt: ‘Milde handen, vriendelijke ogen, zijn bij U van eeuwigheid.’ Nee, Zijn ogen kijken u niet toornig aan; want grimmigheid is bij Hem niet. Nee, Zijn ogen kijken u niet veroordelend aan. Hij kijkt u niet bestraffend aan. Het zijn geen ogen die u met grimmigheid en gramschap aanzien. Grimmigheid is bij Mij niet (Jes.27:4). 

 

En Jezus Zich omkerende en ziende hen volgen. Hij stelt hun een vraag. Het is een wonderlijke vraag: Wat zoekt gij?

Wat zoekt u? Hij vraagt niet: ‘Wie zoekt u?’ Want dat is wel duidelijk dat ze de Heere zoeken. Ze lopen immers achter Hem aan.

Nee, Hij vraagt: ‘Wat zoekt u nu bij Mij? Waarom volgt u Mij? Wat is eigenlijk de beweegreden dat u achter Mij aan loopt?’

Het is net als met die Kananese vrouw. Ze ging Hem volgen, ze liep achter Hem aan en riep: Gij Zone Davids, ontferm U mijner (Luk.18:38).

 

Wat zoekt gij? Gemeente, dat vraagt Hij ook aan u. Jonge mensen, de Heere vraagt aan je: ‘Waarom zit je hier in de kerk? Wat zoek je bij Mij? Wat zijn je verlangens? Waarom bent u of ben jij hier gekomen? Wat moet Ik u geven?

Ja, dat is een indringende vraag. Wat zoeken we bij Jezus? Zoeken we wel iets bij Hem? Of zitten we maar en zoeken we niets? Hebt u geen enkel verlangen naar Hem?

Wat zou dat erg zijn! Nooit een vraag stellen, nooit een begeerte hebben, nooit een verlangen hebben naar Hem? Dat is aangrijpend.

Wat zoekt gij? Zou u het op dit ogenblik kunnen zeggen? Zou u Hem kunnen vertellen, wat u nu eigenlijk zoekt? Die discipelen konden dat. Ze gaven Hem een antwoord.

Het was misschien op het eerste gezicht een ontwijkend antwoord. Want ze zeggen: Meester, waar woont Gij? Maar de Heere Jezus heeft daar geen woning, want Hij woont in Kapernaüm. Dat kunt u in Mattheüs 4 en 9 lezen. Hij woont helemaal niet in dit gebied. Wat hebben ze eraan om te weten waar Hij woont? Geven ze eigenlijk geen ontwijkend antwoord op Jezus’ vraag: ‘Wat zoekt gij eigenlijk bij Mij?’

 

Nu moet u het goed begrijpen: het gaat de discipelen er niet om te weten waar Zijn huis staat. Nee, het gaat de discipelen om heel iets anders. Weet u waar het hen om gaat? Het gaat hen om de gemeenschap met Hem. Ze willen bij Hem blijven. Ze willen bij Hem wonen. Ze willen in Zijn gemeenschap leven; ze willen in Zijn tegenwoordigheid vertoeven; zij willen in al hun armoede en ledigheid uit hem bediend worden. Die begeerte ligt in hun vraag: ‘Waar woont Gij?’ Het is een verlangen naar Zijn gemeenschap. Want gemeente, dat is nu het verlangen van al Gods kinderen. Ze zoeken Zijn gemeenschap: Geef mij Jezus of ik sterf, want buiten Jezus is geen leven, maar een eeuwig zielsverderf.

Gemeente, de psalmdichter Datheen zong destijds: ‘Als ik dan U heb, o Heer’ mijn, zou daar iets anders mijn God zijn? Zou ik ergens groot ofte klene, een God hebben dan U allene?’ Verenigd te zijn met Hem, daar gaat het om. Als we in Zijn gemeenschap mogen vertoeven en de blijken van Zijn gemeenschap mogen ervaren, o, dan is alles goed. Zouden we dan nog iets zoeken, groot ofte klene, dan U allene?  Want dan is Hij alles geworden in het leven.

Er komt een ogenblik in het leven van Gods kinderen, dat ze met alles wat er in hun leven gebeurd is, met alles wat ze ervaren hebben, niet meer verder kunnen leven. Dan wordt het noodzakelijk Hem te kennen, het Lam Gods Dat de zonde der wereld wegneemt. Dat we Jezus kennen, in Zijn gemeenschap mogen leven en uit Zijn genadevolheid worden bediend. Rabbi (hetwelk is te zeggen, overgezet zijnde, Meester), waar woont Gij? Wij willen bij U blijven; we willen bij U wonen.

 

Rabbi, dat wil zeggen: Profeet. Ze zien in Hem een groot Profeet. En dat is Hij. Hij maakt de raad Gods tot zaligheid ons volkomen bekend. Hij is de allergrootste Profeet. Er is geen mens die de weg tot zaligheid aan u bekend kan maken. Dat kan Jezus alleen. Ze zullen Hem straks ook leren kennen als Priester; als de Priester Die gaat offeren. Ze zullen Hem straks ook leren kennen als de Koning, Die door Zijn Woord en door Zijn Geest regeert. Maar alles op zijn tijd. Hier is het: Rabbi (hetwelk is te zeggen, overgezet zijnde, Meester), waar woont Gij? We zouden altijd wel willen leven in Uw tegenwoordigheid. We willen bij U wonen.

 

Gemeente, kent u Hem als Degene die dwazen zal onderwijzen en brengen in het rechte spoor? Hij zal leiden het zacht gemoed in het effen recht des Heeren. O, zalig om Hem te leren kennen, om aan Zijn voeten te vertoeven, om als een dwaze onderwezen te worden. Onbegrijpelijk wonder toen Hij omkeek in ons leven. Eeuwig wonder toen Hij naar ons omzag, toen Hij ons aanzag en vroeg: Wat zoekt u? Dan is ons antwoord: ‘Wien heb ik nevens U omhoog? Wat zou mijn hart wat zou mijn oog op aarde nevens U toch lusten. Niets is er waar ik in kan rusten. Bezwijkt dan ooit in bittere smart of bange nood mijn vlees en hart. Zo zult Gij zijn voor mijn gemoed: mijn rots, mijn deel, mijn eeuwig goed.’

 

We zingen nu dat dertiende vers van Psalm 73:

 

Wien heb ik nevens U omhoog?

Wat zou mijn hart, wat zou mijn oog

Op aarde nevens U toch lusten?

Niets is er waar ik in kan rusten.

Bezwijkt dan ooit, in bitt’re smart,

Of bange nood, mijn vlees en hart,

Zo zult Gij zijn voor mijn gemoed

Mijn rots, mijn deel, mijn eeuwig goed.

 

Gemeente, in de derde plaats is het voor die discipelen:

 

3. Een uur waarin zij blijven bij Jezus

De vraag ‘Meester, waar woont Gij’ behaagt de Heere. Wat is dat voor de discipelen meegevallen, die vreesachtige discipelen, die Hem gingen volgen. Een Zich omkerende Jezus Die een vraag stelt. Maar nu krijgen ze ook het antwoord op hun vraag.

Het valt nooit tegen bij Hem. Maar je moet wel een ellendig mens, een schuldig mens zijn, die geen weg meer weet. Dan valt het nooit tegen. Wat is dat meegevallen, daar bij Bethábara, aan de voeten van Jezus. Want Hij zegt tegen de beide discipelen: Komt en ziet.

Komt en ziet! Dan zou je zeggen: Waar zijn ze dan geweest? Waar zijn ze dan naartoe gegaan? Want de Heere heeft daar geen huis. Hij woonde in Kapernaüm. Dat werd ook ‘Zijn stad’ genoemd. Hier, in Bethábara, heeft Hij geen aards huis. Wat hebben die beide discipelen dan eigenlijk gezien?

 

Gemeente, tegen de herders werd gezegd: Gij zult het Kindeke vinden, in doeken gewonden, liggende in de kribbe. Dat was het teken voor hen: Zijn diepe armoede. Als de Heere nu zegt: Komt en ziet, neemt Hij die twee mee. Waarheen? De vossen hebben holen, en de vogelen des hemels nesten; maar de Zoon des mensen heeft niet waar Hij het hoofd nederlegge (Matt. 8:20). Hij is een arme Borg voor een arme zondaar.

Komt en ziet. Dat is niet tegengevallen, want als u een arme zondaar bent en u mag een arme Borg gaan ontmoeten, valt dat niet tegen. Die arme Borg is immers arm geworden om uwentwil. Want gij weet de genade van onze Heere Jezus Christus, dat Hij om uwentwil is arm geworden, daar Hij rijk was, opdat gij door Zijn armoede zoudt rijk worden (2Kor.8:9). Komt en ziet.

En dan staat er: Zij kwamen en zagen waar Hij woonde, en bleven die dag bij Hem.

 

En het was omtrent de tiende ure. Zeventig jaar later weet Johannes het nog precies. Als hij dit evangelie schrijft, is hij negentig jaar. Laten we zeggen dat deze gebeurtenis is voorgevallen toen hij twintig jaar oud was. Dat is zeventig jaar geleden. En het was omtrent de tiende ure. Dat is vier uur 's middags. Of dat dat nu kwart voor vier of kwart over vier geweest is, weet Johannes niet precies meer, maar het was omtrent de tiende ure.

Ze bleven die dag bij Hem, dat wil zeggen: ze zijn nog twee uur bij Hem gebleven. Ze hebben twee uur lang Zijn onderwijs aangehoord. Dat was genoeg om voor altijd aan Hem verbonden te worden.

 

Gemeente, in die twee uur zijn er woorden gesproken die we niet in de Schrift vinden. Er staat alleen dat ze die dag bij Hem bleven. En het was omtrent de tiende ure. Er wordt in de Bijbel wel meer melding gemaakt van gesprekken waarvan je geen woord kunt lezen. Petrus wordt op de eerste paasdag opgezocht door de Heere Jezus. Je leest geen woord van wat er toen gezegd is. Dat is hier met Johannes en Andreas ook zo; er is geen woord van opgetekend. Maar als u nu aan mij vraagt: ‘Wat is daar gesproken?’ Ach, dat is altijd hetzelfde. Dat zijn die privégesprekken tussen de Heere en een verloren mensenkind. Dat zijn persoonlijke gesprekken, dat zijn gesprekken van eeuwige liefde. Daar heeft Hij bekend gemaakt dat Hij ze heeft liefgehad met een eeuwige liefde. Daar heeft Hij woorden gesproken die ze op dat moment misschien niet eens verstaan hebben. De Heere kan, bijvoorbeeld in de lentetijd van het geestelijk leven, woorden spreken die we dan nog niet volledig verstaan. Soms is er een leven voor nodig om die woorden uit te werken. Maar het zijn woorden, gesproken in eeuwige liefde. Ze zijn in het hart gelegd en ze werden niet vergeten. Geen leed zal het ooit uit hun geheugen wissen.

 

En het was omtrent de tiende ure. Dat laat vrucht na in het leven. Want u moet de rest van het hoofdstuk nog maar eens lezen. Om welke vrucht gaat het? Andreas is een discipel van wie we weinig weten. Hij komt ook verder niet meer voor in de Evangeliën. Men zegt dat hij ondersteboven gekruisigd is. Het Andreaskruis verwijst ernaar. Het is zo’n letter X, zeg maar. Hij is gekruist; dat is het enige wat we van Andreas uit de ongewijde geschiedenis weten. Je hebt mensen met vijf talenten en je hebt mensen met één talent. Wel, Andreas is wellicht een man met één talent geweest.

 

De tiende ure. Er wordt wel eens gezegd: ik ben niet zo’n prater. Ik zou u willen zeggen dat wanneer die tiende ure in uw leven aanbreekt, u zeker erover kunt spreken. Al zou u het achterstevoren vertellen, maar u vertelt wat u in Hem gevonden hebt. Die man met dat ene talent… Weet u wat hij gedaan heeft? Hij is naar zijn broer gegaan. Dat is de eerste die hij ontmoet. We horen hem dan zeggen: ‘Simon, nu hebben we gevonden de Messias, hetwelk is overgezet zijnde de Christus. Die hebben we gevonden. En nu moet je meekomen.’ En dan staat er: En hij leidde hem tot Jezus. Nu, meer lees je over Andreas niet.

Over Petrus is veel meer opgetekend; dat is een man met vijf talenten geweest, een groot apostel. Maar Andreas, die man met dat ene talent, hij ontmoet zijn broer. Hij heeft met hem gesproken. En weet u wat hij hem verteld heeft? Wat hij in Jezus heeft gezien en wat hij over Jezus heeft gehoord. En hij zegt net als Filippus: Kom en zie. Kom en zie.

 

Andreas heeft even zijn Meester verlaten, want hij moet zijn broer halen. Kom en zie, Simon. Want hij wist: als hij nu ook maar de Meester zal horen en ook zijn stem zal vernemen, dan zal het goed zijn. En hij heeft zijn broer meegebracht: Simon Petrus. Die vooraanstaande Simon Petrus, door die man met dat ene talent tot Jezus gebracht. Gemeente, ziet u wel dat ze kunnen spreken? Na die tiende ure moeten ze gaan spreken. Want als zij zwijgen, gaan de stenen spreken. Het moet gezegd worden, het moet verhaald worden wat ze in Jezus gevonden hebben.

Als u nu eens iemand tegenkomt die uit de volheid van zijn gemoed vertelt wat hij in de Heere gevonden heeft, belet hem dat vooral niet. Laat hem maar doorpraten. Er komt misschien wel eens een dag dat het anders gaat worden. Maar die tiende ure, die vergeet je nooit. Het is het uur, waarin Christus in Zijn schoonheid in uw ziel werd geopenbaard.

 

Gemeente, dat is de grote genade die de Heere aan Zijn Kerk geeft. Dan moet je met Jezus mee; met een arme Borg. We hebben het wel eens over armoede, maar weet je wanneer je echt arm wordt? Als u in het bloed van Jezus gewassen bent en de vrede met God hebt geproefd. Dan pas weet u wat armoede is. Dan wordt u zo nameloos arm, dat u niets meer overhoudt dan schuld; zelfs tegenover genade. Een schuldenaar aan vrije genade.

Armoede? Jawel, maar in de weg van heiligmaking, in de weg van dankbaarheid, in de weg van het voor de Heere leven. Ach, dan wordt de Kerk arm. Maar wel een armoede waarin u die rijkdom ontmoet die in Christus Jezus te vinden is. Zo gaat die kerk wel naar huis, maar alleen op kosten van Hem, Die het Lam Gods is, Dat de zonde der wereld wegdraagt. Dat Lam is het dat alleen betaalt. Het staat garant voor de reis, en staat in voor de thuiskomst. Hij, de Heere Jezus, schenkt u het Bruiloftskleed, Hij staat voor alles garant.  

 

En het was omtrent de tiende ure. Johannes is negentig jaar als hij dit schrijft. Hij zit in zijn eentje op Patmos, verbannen, ver van zijn gemeente vandaan, in diepe ellende. Maar het was omtrent de tiende ure. Het ligt vast in zijn leven: Jezus heeft Zich geopenbaard. Hij zit alleen op Patmos, op de dag des Heeren, en dan openbaart Jezus Zich nog eens: Vrees niet; Ik ben de Eerste en de Laatste; en Die leef, en Ik ben dood geweest; en zie, Ik ben levend in alle eeuwigheid (Openb.1:17,18). Gods kinderen worden allemaal zalig door Hem die ze hebben leren kennen.

Gemeente, kent u Hem? Want het leven is een damp en de dood wenkt ieder uur. Als u nu eens vandaag zou moeten sterven, als u dan voor God zou moeten verschijnen zonder Jezus! Ach, dat zou vreselijk zijn.

Twee dingen zijn niet onder woorden te brengen. Aan de ene kant: wat zal het zijn om Hem te mogen ontmoeten en Zijn aangezicht te mogen zien. Aan de andere kant is het niet in woorden uit te drukken wat het is om voor eeuwig weg te zinken in die put van eeuwige rampzaligheid. Zo zijn wij dan gezanten van Christuswege, alsof God door ons bade; wij bidden van Christuswege: Laat u met God verzoenen (2Kor.5:20). Buig uw knieën, buig u voor Hem neer en stort uw hart uit. O, laat uw geroep tot God opklimmen, of Hij u door Zijn Geest zou willen ontdekken aan uzelf en aan Hem. Hellenbroek zegt heel eenvoudig: Heere, dat wij U mogen kennen in uw algenoegzaamheid, de Heere Jezus in Zijn dierbaarheid, en onszelf in onze vloekwaardigheid. Dán kan een zondaar zalig worden, zomaar zalig worden om niet.

 

Dan kan het best zijn dat u moet zeggen: ‘Ja, die tiende ure, ik weet het! Het was de lentetijd in mijn leven. Toen mocht ik Hem ontmoeten.’ En nu wordt u van binnen wijs gemaakt, dat u zich vergist, dat u zich bedrogen hebt, dat het maar een inbeelding was, een overspannen gedachte, dat er helemaal niets geweest is in uw leven.

Maar weet: wat van God is, daarop komt Hij terug. Daar komt de Heere Jezus weer op terug. Dat heeft Hij bij Johannes gedaan, dat heeft Hij bij Petrus gedaan, dat zal Hij ongetwijfeld bij Andreas gedaan hebben, en dat doet Hij bij al Zijn kinderen. Hij komt erop terug. Dan zal Hij het Woord dat Hij gesproken heeft bevestigen. Dan zal Hij zeggen: Ik zal u niet vergeten en Ik zal u niet verlaten. Want, dat is het geheim: Ik heb u in beide handpalmen gegraveerd. U zult het dan nooit meer vergeten.

 

Amen.

Psalm 66 vers 8:

 

Komt, luistert toe, gij Godgezinden,

Gij die den Heer’ van harte vreest,

Hoort wat mij God deed ondervinden;

Wat Hij gedaan heeft aan mijn geest.

’k Sloeg, heilbegerig, ’t oog naar boven;

Ik riep den Heer’ ootmoedig aan;

Ik mocht met mond en hart Hem loven,

Hem, Die alleen mij bij kon staan.