Ds. M. Karens - Prediker 1 : 8b

leven in een vluchtige wereld

Tijd en ijdelheid
Zien en horen
Leeg en vol
Deze preek werd gehouden n.a.v. de bezinning van Zeeuwse scholen op het gebruik van de smartphone. Zie artikel R.D. van vrijdag 21 januari 2022

Prediker 1 : 8b

Prediker 1
8
Al deze dingen worden zo moede, dat het niemand zou kunnen uitspreken; het oog wordt niet verzadigd met zien; en het oor wordt niet vervuld van horen.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 106:3
Lezen : Prediker 1:1-12 en Efeze 6:10-17
Zingen : Psalm 119:5 en 19
Zingen : Psalm 17:7 en 8
Zingen : Gebed des Heeren vs.8

Gemeente, op deze rustdag willen we samen stilstaan bij het gebruik van de media.

Misschien vraagt u zich af, of dat wel nodig is. Ik zie in de kerk al mensen een gezicht trekken van: Beginnen ze daar weer over…, weer over die media? Maar het is niet de bedoeling om in deze dienst mediavoorlichting te geven. Het is verkondiging van het Woord. Het is de bedoeling om het licht van Gods Woord te laten vallen op ons leven; en daar is dit een aspect van. Het gaat eigenlijk over de vraag, en die is niet alleen voor jongeren: ‘Wie heeft het voor het zeggen in ons leven? Van wie ben ik een volger?’

Sommigen hebben op internet miljoenen volgers, influencers, die invloed op ons uitoefenen en allerlei dingen doen waar vooral jongeren door gegrepen worden. Het gaat nu over de vraag: Van wie ben ik een volger?

 

Er is er namelijk één influencer die miljoenen volgers heeft – dat weet ik zeker – en dat is de vorst der duisternis, die greep heeft op ons aller hart. Het is altijd zo geweest dat het hart van de mens na de zondeval vol is van zondige begeerten, maar de satan krijgt steeds meer middelen om zijn duivelse werk te doen. De Zoon des mensen is echter gekomen om de werken van de duivel te verbreken. Daarom gaat het over de vraag: Wie volg ik? Wie heeft het voor het zeggen in mijn leven? Wat is het doel van mijn leven?

 

De tekst voor de prediking in deze dienst is Prediker 1 vers 8, en daarvan het laatste gedeelte. Het Woord van God en onze tekst luidt daar:

 

Het oog wordt niet verzadigd met zien; en het oor wordt niet vervuld van horen.

 

Gemeente, we schrijven onder deze woorden: leven in een vluchtige wereld

 

Er zijn drie aandachtspunten:

1. Tijd en ijdelheid;

2. Zien en horen;

3. Leeg en vol.

 

1. Tijd en ijdelheid

Gemeente, we leven in een vluchtige wereld, zegt het thema. Er is niets nieuws onder de zon. En toch is er in onze tijd zoveel dat afkomt op gezin, school en kerk. We leven in een gedigitaliseerde wereld en internet is niet meer weg te denken.

 

Het is nog niet zo heel lang geleden dat op de Generale Synode één van de punten op de agenda was: Er is internet gekomen. Hoe moeten we daar nu mee omgaan? De televisie hadden we gelukkig wat buiten de deur weten te houden, maar hoe moet je hier nu mee omgaan? De voorzitter zei: ‘Broeders, er is maar één ding dat tegen deze vloedgolf die over ons komt zal kunnen helpen, dat is de vreze des Heeren. Want de vreze des Heeren is te haten het kwade (Spr. 8:13).

Wat is dat waar gebleken! Want afspraken maken in je gezin, op school en waar ook, is allemaal goed. Maar weet je wat alleen bewaart? De beoefening van de vreze des Heeren. De beoefening van het genadewerk, dat het kwade haat en wil wandelen in al de geboden van God.

 

Er zijn twee kanten aan dit medium. Het is net als bij de boekdrukkunst in de zestiende eeuw. Toen werd gezegd: Het is een stap in de richting van de hel en het is een stap in de richting van de hemel. Begrijpt u? Want de werken van de reformatoren konden worden gedrukt en uitgegeven over Europa. En zo mocht de boekdrukkunst bijdragen aan de komst van Gods Koninkrijk. Maar wat zijn er veel boeken gedrukt die ze beter direct hadden kunnen verbranden. Is het eigenlijk ook niet zo met onze gedigitaliseerde wereld?

Er is een goede kant. Wat zijn er veel mogelijkheden om informatie te weten te komen. Er zijn medisch gezien allerlei voordelen. Wat heeft het soms ook mogen meewerken om kerkdiensten te laten doorgaan en het Evangelie verbreid kon worden. In heel afgesloten gebieden kan zo het Woord toch klinken. Nee, het is niet allemaal verkeerd. We kunnen er eigenlijk ook niet meer omheen.

Maar weet u, er is ook een schaduwkant, zodat het ons leven gaat beheersen. Dan worden wij geregeerd door de sociale media. Van de morgen tot de avond gaat dat maar door via WhatsApp, Facebook, Instagram, Tik Tok of wat ook. Geregeerd door de media – we spreken over sociale media, maar we kunnen vaak beter over de asociale media spreken!

 

Daarom is het nodig om Bijbels licht te laten vallen over deze zaak. Voor jongeren en ouderen – ja, ouderen ook! Wat is het nodig om ons te bezinnen in Bijbels licht. Want de wereld van de social media is zo vaak een virtuele wereld, een wereld in schijn. En ze is altijd bij de hand. Wat is dat verwoestend. Wat leggen de media een beslag op ons hele leven, op onze kostbare genadetijd. Ze nemen ons hart in, want er is maar voor één ding plaats. Niemand kan twee heren dienen (Matth. 6:24). Wat vinden ze aansluiting bij mijn hart, een hart dat van nature geneigd is tot het kwade. Dan kunt u toch begrijpen dat jongeren en ouderen verstrikt raken in dat World Wide Web?

Web? Ja, een web. U weet toch wat er met een spin gebeurt? Daarom is het zo noodzakelijk om ons te bezinnen op allerlei terreinen. De media stompen ons geweten af en we worden als jongeren eer zijn zoveel varianten. Maar uiteindelijk leidt het tot ons eeuwig verderf.

 

Laten we daarom luisteren naar Salomo om vanuit de Schrift ook op dat deel van ons leven licht te laten vallen. Voor jongeren, voor ouders, voor leerkrachten. Hoe gaan we onze jongeren voor met de doopbelofte die we aflegden? Wat zien ze in ons leven? Mogen we hun weleens laten horen dat er naast heel dat virtuele leven ook een leven is met de Heere? Zien ze in ons leven wat het waard is om te leven? De Heere uw God zult gij dienen.

Het grote gevaar, gemeente, jonge vrienden, is dat leven in twee werelden.

’s Zondagsavonds een keurig net meisje in de kerk, een keurige jongen, redelijk meelevend op catechisatie en op de reformatorische school; eigenlijk helemaal niet opvallend. Maar, o wee, als je op zijn of haar Facebookpagina kijkt. Is dat dezelfde jongen, hetzelfde meisje?

 

Leven in twee werelden. Waakt en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt (Matth. 26:41). Laat het voor jongeren en ouderen de dagelijkse bede zijn:

Leer mij naar Uw wil te hand’len,

‘k Zal dan in Uw waarheid wand’len.

Neig mijn hart, en voeg het saâm

Tot de vrees van Uwe Naam.

Te midden van alles wat ons bezet en bedreigt, is er de bede: Heer’, wijs mij toch Uwe wegen, die Gij wilt dat ik zal gaan.

 

Salomo wijst erop. Hij is de ‘prediker’, iemand die met gezag een vergadering bijeenroept. Wie de ‘prediker’ is, is wat omstreden. Er zijn namelijk uitleggers die denken aan Hizkia of anderen. Maar wij houden ons aan wat er staat in Prediker 1:1: De woorden van den Prediker, den zoon van David, den koning van Jeruzalem. En in vers 12 van de Schriftlezing hebt u het nog een keer gehoord: Ik, Prediker, was koning over Israël te Jeruzalem. Dus het zijn de woorden van Salomo.

 

Jongens en meisjes, jullie weten wel dat niemand op deze wereld wijzer is geweest dan Salomo. Hier spreekt dus geen mens die wereldvreemd was of ergens in een hoekje in een klooster zat. Nee, hier spreekt een man die alles gezien heeft van de wereld. In deze tekst en in dit boek spreekt een man, de prediker, van wie we in Gods Woord lezen dat niemand wijzer was dan hij. In vers 16 van dit hoofdstuk zegt hij bijvoorbeeld: Ik sprak met mijn hart, zeggende: Zie, ik heb wijsheid vergroot en vermeerderd, boven allen die vóór mij te Jeruzalem geweest zijn; en mijn hart heeft veel wijsheid en wetenschap gezien.

Het zijn dus wijze woorden van deze koning in Jeruzalem. Dat hij wijs was, weten we ook uit de geschiedenis van de twee vrouwen, toen hij recht moest spreken. En wat bleek zijn wijsheid, toen de koningin uit het verre Ethiopië kwam met alle raadsels en vragen van haar hart. Salomo verklaarde haar al haar woorden; en geen ding was er verborgen voor Salomo dat hij haar niet verklaarde (2 Kron. 9:2). Toen verklaarde Salomo haar hart. Salomo was wijs. Salomo was rijk. Salomo had alles wat zijn hart begeerde.

Dat is ook bij Salomo fout gegaan, want hij was na alle ontvangen genade in zonde gevallen. Maar hij was de Jedidja, de beminde des Heeren. God heeft hem hersteld; en zo is Salomo weergekeerd. Gods trouw zal nooit hun val gedogen, maar Zijn gerechtigheid hen naar Zijn Woord verhogen. En toen heeft Salomo Prediker geschreven.

De andere Bijbelboeken, Hooglied en Spreuken, heeft hij geschreven toen hij jong was. Maar het boek Prediker heeft hij aan het eind van zijn leven geschreven. Toen had hij alles gezien wat er onder de zon was aan rijkdom. En zijn wijsheid was verdiept.

 

We blijven echter niet stilstaan bij Salomo, want meer dan Salomo is hier (Matth. 12:42). De Heere Jezus is méér in wijsheid, méér in rijkdom, méér in heerlijkheid, méér in onderwijs.

Christus is de ware Prediker, van eeuwigheid af door Zijn Vader gezalfd met de Heilige Geest, Die blinde zondaren kan wijs maken tot zaligheid! Hij kan blinde zielen leiden in de weg die ze niet geweten hebben. Hij is de Gezalfde van de Vader door de Heilige Geest. Daarom klinkt vanuit de hemel een stem van de Vader: Deze is Mijn geliefde Zoon; hoort Hem! (Luk.9:35).

 

De boekrol van Prediker behoort tot de wijsheidsliteratuur onder Israël. Maar deze wijsheid is met goddelijk licht bestraald. Het is een boek vol praktische levenswijsheid dat ons allen, jong en oud, de weg wijst. En deze boekrol eindigt in hoofdstuk 12 tot 14: Van alles wat gehoord is, is het einde van de zaak: Vrees God en houd Zijn geboden, want dit betaamt allen mensen. Want God zal ieder werk in het gericht brengen, met al wat verborgen is, hetzij goed of hetzij kwaad.

 

Salomo heeft een bijzonder oog voor jongeren. Telkens opnieuw wijst hij hun erop wat kwaad en goed is, wat wijs is en wat dwaas. Denk maar aan de bekende tekst in hoofdstuk 12 vers 1: En gedenk aan uw Schepper in de dagen uwer jongelingschap, eer dat de kwade dagen komen en de jaren naderen, van dewelke gij zeggen zult: Ik heb geen lust in dezelve. Dat zegt hij ook nu tegen jongelui, tegen jongens en meisjes: Denk aan je Schepper, nu je nog jong bent. Denk niet: Later, later. Hoeveel zullen er zijn weggezonken in de buitenste duisternis, die ook steeds hebben gezegd: ‘Later’! De Heere zegt: Gedenk heden aan je Schepper! Laat Hij het in je leven voor het zeggen hebben. Zoekt den Heere, terwijl Hij te vinden is; roept Hem aan, terwijl Hij nabij is (Jes. 55:6).

Over dit leven – dat is de rode draad die door heel dit Bijbelboek loopt – zegt vers 2: IJdelheid der ijdelheden, zegt de Prediker, het is al ijdelheid.

En nu zegt Salomo in deze dienst des Woords: Alles wat onder de zon is, heel dat vluchtige leven op aarde is het toppunt van leegheid. IJdelheid der ijdelheden. Dat is de overtreffende trap, het toppunt van ijdelheid. Het staat veertig keer in dit Boek: IJdelheid der ijdelheden. Het is allemaal nutteloos, lucht. Het gaat voorbij, het geeft geen blijvend resultaat, het verzadigt je nooit.

 

IJdelheid. Kom, heeft Salomo niets anders te zeggen? Er is toch nog veel goeds? Of niet? Er zijn toch nog zoveel goede dingen? Moet dat zo pessimistisch? Vele uitleggers zeggen dat. Volgens hen kun je zien dat het een oude man is die nog eens terugkijkt.

Maar het ligt anders! Salomo ís geen pessimist, maar een realist. Hij houdt ons voor wat dit leven uiteindelijk te bieden heeft. Hij wijst hier aan: het is ijdelheid der ijdelheden; tevergeefs, leeg. Het is een leven zonder God, zonder Christus. Het is een leven zonder Borg, en daarom zonder hoop.

 

Maar Salomo wijst juist ook aan waar het ware leven wél ligt: in een leven mét God. Hij wijst aan dat het leven je uiteindelijk leeg zal laten, als je onbekeerd voortleeft. Maar hij zegt ook dat een leven met de Heere zal uitlopen op eeuwige verzadiging, eeuwige vervulling. Hij toont dat hier aan in vers 3, waar hij zegt: Wat voordeel heeft de mens van al zijn arbeid onder de zon? Nee, hij bedoelt niet dat je niet moet studeren, dat je je best niet moet doen op school en dat we ons werk niet moeten doen. Maar hij vraagt: wat voor nut heb je er eigenlijk van?

Dan gaat hij bepaalde beelden gebruiken om die ijdelheid te tekenen. Hij laat de kringloop, de wisseling van de dingen op deze wereld zien. Het ene geslacht gaat, het andere komt; het ene geslacht wordt geboren om het andere geslacht te begraven; en zo gaat het maar door. Hij zegt: Kijk naar de zon. Die rijst op en gaat weer onder, en hij hijgt naar de plaats waar hij oprees; telkens opnieuw, dagelijks. En denk eens aan de wind. De ene keer blaast ze uit het zuiden en dan weer uit het noorden, steeds omgaande. En de wind keert weder tot zijn omgangen. En wat moet je zeggen van al de beken, van al de rivieren? Die lopen allemaal naar de zee; maar de zee komt nooit vol. Dat blijft zich maar herhalen.

 

Weet je wat Salomo zegt? Al deze dingen worden zo moede, dat het niemand zou kunnen uitspreken; het oog wordt niet verzadigd met zien, en het oor wordt niet vervuld van horen. (Pred. 1:8). Hij zegt: Je zou er moe van worden. Nergens rust, alles gaat voort. Niets nieuws onder de zon. IJdelheid der ijdelheden. Nooit genoeg, vruchteloos, rusteloos. Kanttekening 21 zegt daarbij: ‘En dienvolgens kunnen die dingen, die men in de wereld hoort en ziet de mensen geen recht genoegen geven, noch rust in het gemoed aanbrengen.’ Al die dingen die je hoort en ziet rondom je heen, kunnen je nooit echt genoegen geven. Ze kunnen nooit je hart vervullen en je nooit rust in het gemoed brengen. Het is een rusteloze wereld, waarin zich alles voltrekt. IJdelheid der ijdelheden, zegt de Prediker. Augustinus heeft wel gelijk gehad toen hij in zijn Belijdenissen schreef: ‘Gij hebt ons tot U geschapen; onrustig is ons hart, totdat het rust vindt in U.’

 

Tijd en ijdelheid – dat is onze eerste gedachte. En tegenover deze ijdelheid, vergeefsheid en leegheid staat het begrip ‘tijd’.

Tijd is kostbaar. Tijd is levenstijd. Tijd is genadetijd, de tijd die God mij geeft. Hij heeft recht op ons hart, op ons leven, op onze tijd, op onze krachten. Elk uur dat we krijgen van de Heere, is Zijn tijd.

Hoeveel uren van je kostbare tijd gebruik jij, gebruikt u om na te speuren wat er onder de hemel gebeurt? Om via je world wide web te onderzoeken wat er allemaal gaande is op de wereld? Hoeveel kostbare tijd, gemeente, besteden wij daaraan? Hoeveel kostbare genadetijd wordt er verknoeid?

 

Wulfert Floor, de bekende oefenaar, zei: ‘Het woord “tijdverdrijf” is een woord uit de hel.’ Ik dacht: dat is nogal wat. Hij zei: ‘Ja, want wij hoeven de tijd niet te verdrijven.’ De mens gaat naar zijn eeuwig huis, en daarom – o, je kostbare genadetijd misbruiken voor dingen die leeg, ijdel zijn! Gaan we de kostbare tijd die de Heere geeft, verknoeien? Ook door de moderne media?

Laat het u en jou in het licht van de Bijbel aansporen om na te gaan hoeveel tijd we besteden aan de moderne media; hoeveel tijd we bezig zijn met allerlei zinloze berichtjes. Durf eens offline te zijn – en zeker ’s avonds voor het slapen gaan! Neem de tijd om je knieën te buigen en je dagboekje met Bijbelgedeelte te lezen. Of moet je nog net voor je gaat slapen, weten wat de NOS vandaag als laatste nieuws brengt?

Onderzoek het eens eerlijk. Laten we eerlijk zijn, ook de ouderen, ook ik. Hoe ga ik nu om met deze dingen? Hoe begin ik de dag en wat grijp ik meer – die pingelberichtjes of het Bericht uit de hemel? Wat vind ik belangrijker? Al die vaak zo lege berichtjes óf het Woord van God? Gods Woord is ook een Bericht. Dat is een Bericht uit de hemel en in dat Bericht worden we opgeroepen: Bekeert u, bekeert u (…), want waarom zoudt gij sterven? (Ezech.33:11). Daarin roept de Heere ons op in de genadetijd: Wendt u naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde; want Ik ben God, en niemand meer (Jes. 45:22).

Ik hoop dat het ons mag aansporen om tijd en rust te nemen om het noodzakelijke te doen en het andere te laten rusten.

 

Waarom krijgen we nog tijd? Waarom zijn andere jongeren weggenomen uit dit leven? Waarom zijn ouderen weggevallen, en zijn wij er nog? Waarom krijg ik tijd? Tijd is een geschenk van God en tijd krijg ik met maar één doel: Zoek eerst het Koninkrijk Gods en Zijn gerechtigheid, en al deze dingen zullen u toegeworpen worden (Matth. 6:33). Daarom: Heden dan, zo gij Zijn stem hoort, breek met zondige wegen en gebruik je genadetijd voor het ene doel: de enige troost in leven en sterven te mogen kennen. Ik las ooit bij Bunyan het volgende citaat: ‘De weg naar de hemel is lang, en u hebt weinig tijd. Als u een kwartier te laat aankomt bij de hemelpoort, zult u een eeuwigheid wenen.’

Als u nu alles vergeet vanavond – dat hoop ik niet – dan hoop ik toch dat dít meegaat: de kostbaarheid van onze genadetijd. Laat dat een haasten en spoeden mogen werken, want Salomo wijst ons een uitnemender weg. Hij wijst op een leven in de vreze des Heeren, op een leven met God, de Schepper en Formeerder, om Hem te zoeken. Ú zoekt mijn hart, mijn oog blijft op U staren.

We gaan er eerst van zingen, uit Psalm 17, de verzen 7 en 8.

 

Red mij van hen, die ’t ruim genot

Der wereld voor hun heilgoed achten;

Geen deel, dan in dit leven wachten,

En maken van den buik hun god;

Van hen die weelde, schatten, staten,

Hoe rijk, hoe uitgebreid, hoe groot,

Verliezen moeten met den dood,

En hunnen kind’ren overlaten.

 

Maar (blij vooruitzicht, dat mij streelt!)

Ik zal, ontwaakt, Uw lof ontvouwen,

U in gerechtigheid aanschouwen,

Verzadigd met Uw Godd’lijk beeld.

 

We leven in een vluchtige wereld. Dat bepaalt ons bij de tweede gedachte.

 

2. Zien en horen

Salomo zegt als een soort samenvatting: Het oog wordt niet verzadigd met zien en het oor wordt niet vervuld met horen. Het gaat nu dus over jouw, uw en mijn oren en ogen. Is het u wel eens een wonder geworden dat de Schepper u ogen gaf en oren – meervoud? De tekst spreekt over het oog en het oor, enkelvoud, maar we hebben twee ogen en twee oren. Is het u wel eens een wonder geworden? Er zijn mensen bij wie het gezichtsvermogen minder wordt, of ze worden blind.

Waarom gaf de Schepper ons ogen en oren? Gemeente, was het niet om te leven tot Gods eer? Waren onze eerste ouders Adam en Eva, daar in de Hof van Eden, niet één en al oog voor onze Schepper? Als een pronkstuk van Gods scheppende hand waren hun ogen gericht op de Heere, en waren hun oren vervuld met de lof van de Schepper. Ogen en oren, gericht om te leven tot Gods eer.

Eén en al oor en één en al oog, gericht op God, vervuld met God. Om de Schepper te lieven, te loven, te prijzen en met Hem in eeuwige zaligheid te leven. Daartoe gaf de Schepper ons ogen en oren.

 

We weten hoe het geworden is. Door één mens is de zonde in de wereld gekomen, en is doorgegaan tot alle mensen. Door mijn val en ongehoorzaamheid, waarin ik moedwillig opstond tegen mijn Schepper, zijn mijn ogen niet meer gericht op God. Kent u het boek De Heilige oorlog? Dat moet u dan vanavond maar even pakken. Daarin gaat het over de stad ‘Mensenziel’ – dat bent u, dat ben jij, dat ben ik. De stad ‘Mensenziel’ is ons hart.  Toen kwam Diabolos, de helse slang, de duivel. En wat hebben wij gedaan? We hebben de Oorpoort en de Oogpoort wagenwijd opengezet. De aanslagen van de vorst der duisternis kwamen door beide poorten. Zo heeft de vorst der duisternis ons hart vervuld; zo heeft hij ons hart en leven ingenomen. En weet u, dat is nu het patroon van de duivel, al zesduizend jaar. Bij alles wat er gebeurt, hij verandert niet.

Daar stond Eva, en toen kwam de slang. Die begon met twijfel te zaaien: Is het nu echt waar…?  Heeft de Schepper dat gezegd…?  Mag je dat niet…? Dan staat er heel treffend: Eva zag dat die boom begeerlijk was. En zij begeerde. En zij nam (…), en zij at; en zij gaf ook haar man met haar (Gen. 3:6).

Daar hebt u het patroon van de zonde, alle eeuwen door: Zien, begeren en doen. Kunt u begrijpen, waarom de duivel het zo graag op uw netvlies brengt? Kunt u begrijpen, waarom het Diabolos erom te doen is dat we eens een keer kijken? Ach, zo’n filmpje van Netflix, dat doen ze toch allemaal…? En ja, je bent weleens nieuwsgierig… Maar twee muisklikken verder – en wat je daar dan allemaal! Kunt u begrijpen dat de vorst der duisternis dat op ons netvlies wil brengen? Ja, want dan gaat het volgens hem goed!

Dan komt er begeerte in het hart – in mijn hart, in jouw hart, in uw hart – en dan komt het tot de daad. Het patroon is heel de Bijbel door: het oog ziet, het hart begeert, en het komt tot de daad.

 

Mag ik nog een voorbeeld noemen? Daar loopt hij tussen de puinhopen van Jericho. Achan. Jozua heeft gezegd: Alles is voor de Heere. Nou ja, de Heere heeft genoeg. Eén zo’n mooi Babylonisch kleed en één klompje goud mist de Heere niet. Hup, onder zijn jas, begraven. Er staat: Hij zag en begeerde en hij deed. Telkens datzelfde patroon. Daarom is het zo nodig om te bidden.

Als u of jij je tablet of smartphone aanzet, bid het dan maar zachtjes: Wend, wend mijn ogen van de ijdelheden af. Vraag maar of de Heere je hart inwint. Want telkens in de Bijbel zien we dat. Johannes zegt het ook in zijn eerste brief: Hebt de wereld niet lief, noch hetgeen in de wereld is; zo iemand de wereld liefheeft, de liefde des Vaders is niet in hem. Want al wat in de wereld is, namelijk de begeerlijkheid des vleses en de begeerlijkheid der ogen en de grootsheid des levens, is niet uit den Vader, maar is uit de wereld. En de wereld gaat voorbij, en haar begeerlijkheid; maar die den wil van God doet, blijft in der eeuwigheid. (1 Joh. 2:15-17).

 

Zien, begeren en doen.

Ja maar, zegt u misschien, dat is alleen bij mensen die geen genade kennen; bij Achan en zo. Maar wat dacht u van David, de man naar Gods hart, een man die genade in zijn leven kent? Wat gebeurt er? Hij had moeten gaan vechten, maar dat deed hij niet. Daar loopt hij op het platte dak en hij ziet Bathseba. En daar heb je het weer: hij zag, hij begeerde, en hij nam. Hij viel in de zonde.

Gemeente, kinderen van God, ziet u dat genade op zich niet voor de zonde bewaart? Genade is niet zonder meer een bescherming voor de zonde. Want de boosheid die ons altijd aankleeft, de oude mens, blijft begeren. Weet u, wat wel helpt? De beoefening van de vreze des Heeren.

 

In Job 31 vers 1 lezen we: Ik heb een verbond gemaakt met mijn ogen; hoe zou ik dan acht gegeven hebben op een maagd? Job zegt eigenlijk: Al die verleidingen, ook die seksuele verleidingen zijn er, maar ik heb een verbond gemaakt met mijn ogen. Wat betekent dat nu, wat is ‘een verbond met je ogen’? Eigenlijk zegt Job met deze woorden in hoofdstuk 31: Ik heb met mijn ogen afgesproken, en we hebben er een eed op afgelegd, dat zij helpen zullen als de verleiding komt.

In onze tijd zou hij zeggen: Kom, maak een verbond met je ogen, spreek af met je ogen en vraag, of ze je willen helpen als je hand naar die muisklik gaat.

 

En daarom, gemeente, kunnen we niet anders dan bidden en smeken om dat nieuwe leven. Smeken om een nieuw hart, nieuwe ogen; smeken om nieuwe oren, om een leven met de Heere. Smeek om in de vreze des Heeren te mogen staan. Want die behoedt van het kwade; de vreze des Heeren is het beginsel van alle wijsheid.

Kom, vraag om nieuwe ogen en nieuwe oren, vraag om het werk van de Heilige Geest in jouw en uw leven. Dan ga je anders kijken, dan gaan je ogen door het werk van wedergeboorte en herschepping anders zien. Dan gaan ze zien Wie God is. Dan gaan je ogen zien wie je zelf bent. Hellenbroek zegt: Als de Heilige Geest zaligmakend je ogen verlicht, ga je God kennen in Zijn algenoegzaamheid, goedheid, heiligheid en rechtvaardigheid. Dan ga je jezelf kennen in je vloekwaardigheid. Dan ga je zien. Maar dan komt er door de Heilige Geest ook plaats voor Christus in Zijn dierbaarheid, O, dat zijn ogen die de Heilige Geest werkt in het hart. Dan worden je ogen en je oren gesloten voor de dingen van de wereld. En dan worden je ogen door het werk van de Heilige Geest geopend voor het Woord van God, voor de dienst van God.

 

Onze ogen staan wagenwijd open naar de wereld; onze oren horen alle muziek uit de wereld, en ook zij staan wagenwijd open. Maar hoe is het met de preek? Gaat die het ene oor in en het andere uit? Als je dag in dag uit bezig bent op social media met de dingen van de wereld, vind je het dan vreemd dat de preek geen vrucht draagt? Vindt u dat vreemd als u zo bezig bent? Dan verstikt het zaad van het Woord, dan wordt je geweten afgestompt. Weet je nog hoe het de eerste keer was dat je op die site keek? Je keek drie keer achterom of de deur niet openging. En nu zit je de hele avond te kijken. De zonde is een hellend vlak; je raakt meer en meer afgestompt, en het Woord van God draagt geen vrucht. Bekeert u – keer u af – gij, afkerige kinderen, en Ik zal uw afkeringen genezen. Of wilt u steeds harder worden, steeds onverschilliger worden? Dan wordt het zaad van het Woord steeds meer verstikt. Dan is er steeds minder plaats voor gebed. Dan zijn we steeds minder in de binnenkamer. Dan worden we horende doof en ziende blind voor de liefelijke roepstem van de Heere.

 

Daarom, kind des Heeren, keer hier ook maar mee tot uzelf in. Wie zijn wij? En wie zijn wij voor onze jongeren? Nee, met regeltjes redden we het niet. Met allerlei filters hebben we het niet gered en met regels redden we het ook niet. O ja, natuurlijk moeten er regels zijn. Op school, in het gezin, en overal. Maar wat bovenal nodig is, is de vreze des Heeren.  Wie heeft lust de Heer’ te vrezen, ‘t allerhoogst en eeuwig Goed? Bid maar: Geef dat mijn oog dat waarlijk goed’ aanschouw, dat U, uit onbezweken trouw, Uw uitverkorenen toe wilt voegen.

 

3. Leeg en vol

Want, zegt Salomo, het oog wordt niet verzadigd met zien, en het oor wordt niet vervuld van horen. In het Hebreeuws krijgt het woordje ‘niet’ het volle accent: niet, niet. Het laat je leeg, het is onverzadigbaar.

Zeg het maar: je hebt de hele avond gesurft op internet, en van alles en nog wat gezien. Je sluit je mobiel of laptop af, maar het laat je leeg. Wat heeft het nu gebracht? Het is net als de zon die iedere keer weer op- en ondergaat. Nooit vervulling, onverzadigd. Alles gezien, en toch altijd méér, nog meer. Nog een klik verder, nog meer. Dat web wil altijd méér. De bloedzuiger heeft twee dochters: Geef, geef! Deze drie dingen worden niet verzadigd; ja, vier zeggen niet: Het is genoeg (Spr. 30:15).

 

Ik las ergens dat jongeren last krijgen van stress en onzekerheid. In de media heeft iedereen namelijk een leuk, voorspoedig leven. Dan ben je jong en slank en bruin, en je hebt allemaal een mooi uiterlijk. En ik? Het gevolg is onzekerheid, depressieve gevoelens. Die nepwereld – die virtuele wereld met al haar aantrekkelijkheid – is nep. De werkelijkheid van dit leven hier is anders. En daarom, het laat je leeg.

En toch mag ik gelukkig zeggen dat ik je niet hoef weg te sturen met deze boodschap. Ik hoop wel dat je die ter harte neemt in deze week en daarna, op school en waar ook. Ik hoop ook dat deze kwestie in de gezinnen met elkaar besproken wordt en de volle aandacht houdt.

Maar gelukkig hoef ik u zo niet weg te sturen. Wat zou dat arm zijn en leeg. Want als het waar mag worden in uw en jouw leven, en de wereld met al zijn begeerlijkheid voor ons vergaat door het werk van Gods genade – dan gaan we leren: er is wél een zien dat verzadigt; er is wél een oor en een horen dat vervult.

 

Wat zijn het gelukkige mensen die mogen zeggen: Ja, dát weet ik toch: er is een zien dat verzadigt en er is een horen dat vervult. Kunt u het aan uw kinderen, uw kleinkinderen vertellen dat er te midden van deze vergankelijke wereld met al zijn begeerlijkheid toch een zien is dat uw hart verzadigt? Dan hebt u leren afzien van alles van deze wereld. Dan heeft de Heilige Geest u leren afzien van uw eigen gerechtigheden; dan hebt u geleerd: niet de tranen die ik pleng, niet de offers die ik breng.

Dan heeft de Heilige Geest u een geloofsoog buiten uzelf gegeven; dan heeft Hij gewerkt wat Zondag 4 ons voorhoudt. Dan heeft Hij ons onze verlorenheid en schuld laten zien. Dan is er van onze kant geen redding meer.

Maar o, dat wondere ogenblik – weet u het nog, kinderen van God? – dat wondere ogenblik dat u een oog mocht krijgen buiten uzelf! U leefde onder de verkondiging van de Doper en de heilige wet had uw zonde en heel uw leven opengelegd. Maar toen, dat ogenblik… Nee, u had geen ogen om te zien en geen handen om het aan te pakken, maar door de tralies van het Evangelie mocht Hij toch schitteren. Zie, het Lam Gods, Dat de zonde der wereld wegneemt (Joh. 1:29). O, wat een verzadiging. Wat mocht uw ziel opspringen van vreugde. Een geloofsoog op de gezegende Christus, dat verzadigt alles! En dan is er daarna nog veel te leren en er is nog veel meer af te leren, maar als u Hém mag zien, de gezegende en dierbare Zaligmaker, dan is er in beginsel vervulling.

 

Izak Ambrosius heeft een boek geschreven over het zien op Jezus. Zou u een half A-viertje kunnen vullen met wat u in Jezus gezien hebt? Ambrosius had duizend pagina’s nodig; duizend bladzijden over het zien op Jezus.

Jakob lag op zijn sterfbed; hij strekt te midden van alles wat hem benauwt zijn benen uit op het bed en zegt: Op Uw zaligheid – op Uw Jeshua, op Uw Jezus – wacht ik (Gen. 49:18). Dan mag hij over alles heen zien.

De oude Simeon staat daar op het tempelplein, en hij gaat zingen: Nu laat Gij, Heere, Uw dienstknecht gaan in vrede, naar Uw woord; want mijn ogen hebben Uw Zaligheid gezien (Luk. 2:29 en 30). Mijn ogen hebben de gezegende Zaligmaker en Redder gezien, Die mijn Leven is.

 

Hebben úw en jouw ogen daar wel eens wat van gezien? Ook al hebben we heel de wereld gezien, als we dat niet gezien hebben, zagen we nog nooit iets! Hebben we ooit iets gezien van Hem Die het waard is om gezien en geliefd te worden?

Dan worden onze ogen vervuld van het zien en dan wordt ons oor vervuld van het horen. De evangelist Johannes was nog maar een jaar of achttien, toen hij Johannes de Doper hoorde spreken: Zie, het Lam Gods dat de zonden der wereld wegneemt. En als negentigjarige mag hij het in zijn evangelie schrijven: Het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als des Eniggeborenen van den Vader), vol van genade en waarheid (Joh. 1:14).

 

Een oog dat verzadigd wordt, is vol. Vol is vol. Vroeger zei men wel: Een vingerhoed vol of een emmer vol. Maar als het geloofsoog op Jezus mag zien, is het vol; dan is het verzadigd. Dan mag u uit genade Hem gaan zien met het oog van uw ziel. Daar ligt hij, in de kribbe van Bethlehem gewonden in doeken, opdat Hij mijn onzalige ontvangenis zou bedekken. Daar kruipt Hij in Gethsémané als een worm en geen man, opdat ik van zonde word vrijgesproken. Ik voor u, daar gij anders de eeuwige dood had moeten sterven. Dan mag uw geloofsoog Hem zien, bloedend aan het vloekhout, niet alleen voor anderen maar ook voor mij. Dan mag u zien op de opgestane Levensvorst Die mij het leven heeft bereid. Als het geloof dat mag eigenen, dan is het vol. Dan wordt u verzadigd met zielenvreugd. Daar ligt Johannes als dood aan Zijn voeten. O, kent u die heilgeheimen? Mag u door genade iets kennen van dit zien, zoals Ambrosius dat beschrijft?

 

Gemeente, we leven in een vluchtige wereld. Hoe gaan we ermee om? Wie heeft het voor het zeggen in ons leven? Daar gaat het om. Leven we voor al de dingen van deze wereld? IJdel, ijdel, leeg. Nutteloos. Of is er een verlangen in je jonge hart dat uitgaat naar de Heere en Zijn dienst? Laten dan de Tien Geboden alleen het richtsnoer zijn. Schakel alles maar uit als één van die geboden wordt overtreden. Dan kunnen bepaalde programma’s weleens heel gauw op zwart komen te staan. Want al de geboden Gods worden overtreden. Vraag maar, als je je smartphone pakt: Heere, mag ik een verbond maken met mijn ogen? Wend, wend mijn ogen van de ijdelheden af.

 

Hoe alleen blijf je staande? Gods kinderen weten er iets van door bevinding; daarom hebben we Efeze 6 gelezen. Hoe alleen blijf je staande in een wereld van verleiding en verlokkingen, niet alleen voor jongeren maar ook voor ouderen? Voorts, mijne broeders, wordt krachtig in den Heere en in de sterkte Zijner macht. Doet aan de gehele wapenrusting Gods, opdat gij kunt staan tegen de listige omleidingen van de duivel. Want wij hebben den strijd niet tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de geweldhebbers der wereld, der duisternis dezer eeuw, tegen de geestelijke boosheden in de lucht. Daarom, neemt aan de gehele wapenrusting Gods. (Efeze 6:10-13).

Vraag de Heere om een schild, om zaligmakend geloof. Vraag de Heere om staande te mogen blijven te midden van alle verleidingen.

 

En kinderen van God, u bent gast en vreemdeling hier beneden. O, zo menigmaal moet u klagen dat u aan het stof kleeft. Wat bent u nog vaak uit zwakheid in zonde gevallen. Maar dankzij Gods genade bent u hier toch gast en vreemdeling, op reis naar de stad die fundamenten heeft, op doorreis in en uit deze vluchtige wereld. Laat het deze week uw verzuchting zijn: Daarom dan ook, alzo wij zo groot een wolk der getuigen rondom ons hebben liggende, laat ons afleggen allen last en de zonde die ons lichtelijk omringt, en laat ons met lijdzaamheid lopen de loopbaan die ons is voorgesteld, ziende op den oversten Leidsman en Voleinder des geloofs, Jezus, Dewelke voor de vreugde die Hem voorgesteld was, het kruis heeft verdragen en schande veracht, en is gezeten aan de rechterhand van den troon van God (Hebr. 12:1 en 2).

 

Gemeente, gebruik uw tijd zoals u zou wensen in de eeuwigheid. Gebruik uw tijd om de Heere te zoeken. Laat dat bovenaan staan, want u zult Hem eenmaal zien. Al de spotters, maar ook al de kerkmensen die genoeg hadden aan de vorm, zullen Hem eenmaal zien. Want alle oog zal Hem zien, ook degenen die Hem doorstoken hebben (Openb. 1:7). Als Hij komt op de wolken des hemels, zal alle oog deze Christus zien in Zijn heerlijkheid. Dan kunt u wel bidden, maar dan helpt het niet meer. Dan bidt u: Bergen, val op ons; heuvelen, bedek ons voor de toorn van het Lam. Maar dan is het te laat.

Ga daarom vandaag nog bidden, want het Lam wordt u in alle gebrek nog gepredikt als de Redder. Het Lam wordt u voorgehouden als de Verlosser en Zaligmaker van verlorenen. Daarom: Zoek de Heere, ook in deze dagen.

 

Hoe is het bij u? Leeg of vol? Ik stel u als afsluiting de rijke Lazarus en de arme man voor. Misschien zegt iemand: ‘Maar dominee, u vergist u.’ Nee, nee, ik vergis me niet. Deze gelijkenis zou moeten heten: de rijke Lazarus en de arme man. Die man had alles van de wereld, maar hij stierf. Leeg, leeg. En Lazarus mocht gedragen worden in de schoot van Abraham, want God was zijn Helper.

 

Kinderen van God, u hebt iets van de heerlijkheid in Christus mogen zien. En het zal nog veel rijker zijn en veel groter worden. Het staat in de Bijbel. Gods kinderen hebben een toekomst vol van hoop. Zij komen straks eeuwig thuis. Wat zullen ze dan zien? Dan zullen ze zien wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en in het hart van een mens niet is opgeklommen, maar wat God bereid heeft voor dien die Hem liefhebben. Dan zullen ze eeuwig hun hart ophalen aan een drie-enige God. Als daar iets van mag leven, zeggen we: ‘Weg wereld, weg schatten, gij kunt niet bevatten hoe rijk dat ik ben. Ik heb alles verloren, maar Jezus verkoren, Wiens eigen ik ben.’ Dan gaat het hier door de aardse woestijn, maar dan zullen we straks zien, niet door geloof, maar door aanschouwen. En dan zal het zijn: En zij zagen niemand dan Jezus alleen. En dat voor eeuwig.

 

Kom, waar zal jij je ogen opslaan? Waar zult u uw ogen opslaan? Het is nóg tijd, genadetijd. Gebruik die dan, om Jezus’ wil.

Amen.

 

Slotzang: Gebed des Heeren vers 8

 

Verlos ons uit des bozen macht;

Bescherm, en sterk ons door Uw kracht;

Wij zijn toch zwak, zijn sterkt’ is groot;

Dus zijn w’ elk ogenblik in nood;

Hier komt nog vlees en wereld bij;

Ai, sterk ons dan, en maak ons vrij.