Ds. H. Brons - Genesis 27 : 27 - 29

Voor wie is de verbondszegen?

Genesis 27
Izak is blind
Izak zegent
Izak schrikt

Genesis 27 : 27 - 29

Genesis 27
27
En hij kwam bij, en hij kuste hem; toen rook hij de reuk zijner klederen, en zegende hem; en hij zeide: Zie, de reuk mijns zoons is als de reuk des velds, hetwelk de HEERE gezegend heeft.
28
Zo geve u dan God van den dauw des hemels, en de vettigheid der aarde, en menigte van tarwe en most.
29
Volken zullen u dienen, en natien zullen zich voor u nederbuigen; wees heer over uw broederen, en de zonen uwer moeder zullen zich voor u nederbuigen! Vervloekt moet hij zijn, wie u vervloekt; en wie u zegent, zij gezegend!

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 130: 3
Zingen : Psalm 25: 6
Lezen : Genesis 25: 27-34 en Genesis 27: 22-33
Zingen : Psalm 90: 8 en 9
Zingen : Psalm 146:6
Zingen : Psalm 27:5
Zingen : Psalm 4: 4

Gemeente, het Schriftwoord dat ik u met de hulp des Heeren mag prediken, vindt u in de gelezen teksthoofdstukken. Ik lees u de verzen 27 – 29 van hoofdstuk 27.

 

En hij kwam bij en hij kuste hem; toen rook hij den reuk zijner klederen en zegende hem; en hij zeide: Zie, de reuk mijns zoons is als de reuk des velds, hetwelk de HEERE gezegend heeft.
Zo geve u dan God van den dauw des hemels en de vettigheden der aarde, en menigte van tarwe en most.

Volken zullen u dienen en natiën zullen zich voor u nederbuigen; wees heer over uw broederen, en de zonen uwer moeder zullen zich voor u nederbuigen. Vervloekt moet hij zijn, zo wie u vervloekt; en zo wie u zegent, zij gezegend.

 

Gemeente, het thema is vanmorgen een vraag: voor wie is de verbondszegen? We staan stil bij drie aandachtspunten:

 

1. Izak is blind;

2. Izak zegent;

3. Izak schrikt.

 

Het eerste punt: Izak is blind. We lezen in het begin van hoofdstuk 27 dat zijn ogen donker geworden waren, dat hij niet zien kon. We lezen over een andere blindheid in hoofdstuk 25 vers 28: En Izak had Ezau lief.

Het tweede punt: Izak zegent. Hij geeft een zegen door het geloof, maar aan een ander dan hij voor ogen had.   

Ten slotte: Izak schrikt. We lezen dat in vers 33: Toen verschrikte Izak met zeer grote verschrikking gans zeer. Het staat er met veel nadruk! Waarvan schrikt Izak zo? Ik geloof dat het om meer dan een reden is. Niet alleen omdat het niet Ezau maar Jakob is die hij gezegend heeft. Ik geloof dat er nog iets is waarvan Izak geschrokken is.


 

 

1. Izak is blind

Vanmorgen gaat het over de zegen. Wat is een zegen? Het heeft te maken met een gebaar dat dominees mogen maken met geopende handen en gespreide vingers. Dat is de hóuding: het doorgeven van een zegen. Maar wat is de zegen zelf? Wat wordt er doorgegeven? Het is altijd goed op de woorden te letten, als de zegen wordt doorgegeven. De zegen van de hogepriester luidt: de HEERE zegene u en de HEERE behoede u – dat betekent dat de HEERE beschermt en bewaart. Zegen is ten diepste dat mensen op de plek komen waar ze tot hun bestemming komen. Zegen is dat er niets meer is tussen ons en de levende God. Dat is zegen! Dan wordt een mens levend en vol; het is dan helemaal goed.

Mensen bidden om een zegen. In dit hoofdstuk zien we dat Ezau smeekt om een zegen. Kun je dat een gebed noemen? Hij bidt niet tot God, hij bidt tot zijn vader. Jakob begeert ook een zegen, zijn hele leven al. Ik lees niet dat hij erom gebeden heeft, maar wel dat hij zegen-begerig, heilbegerig is: verlangend, dorstend naar heil. Izak is degene die de zegen mag doorgeven. Een zegen zoals die door de aartsvaders – Abraham, Izak en Jakob – gegeven wordt, is meer dan alleen maar een toewijzen. Het is een profetie. De HEERE geeft hun de macht om Zijn zegen door te geven.

Er valt iets op in deze geschiedenis. Je kunt opkijken tegen de aartsvaders Abraham, Izak en Jakob. Je kunt opkijken tegen Izak. Hij komt vaak naar voren als een stille man met een verborgen omgang met de HEERE. Maar wat valt hij vanmorgen tegen! En Jakob, wat valt hij tegen! Het is een geschiedenis over vier mensen: alle vier zondaren. Alle vier vallen ze tegen. Drie kinderen van God en iemand die onveranderd is, die zichzelf is gebleven. Mensen vallen tegen, maar de HEERE niet!

 

Hoe begint het vanmorgen? Het gaat over jongens na de dood van hun grootvader Abraham. Ze zijn ongeveer vijftien jaar oud. In hoofdstuk 25 lezen we dat ze groot geworden zijn.  Ezau is sterk en een man van de jacht. Jakob blijft liever thuis. Hij wordt oprecht genoemd in hoofdstuk 25. Het betekent hier vooral dat hij liever bij zijn moeder is. Hij gaat er liever niet op uit. Deze beide jongens hebben ouders die van hen houden. Dat is ook goed, ouderliefde! Dat is iets heel moois. Maar toch gaat er hier iets mis. Deze ouders hebben een voorkeur. Elk heeft een voorkeur voor één van hun jongens. Ze trekken hun kind voor. Izak doet dat bij Ezau en Rebekka bij Jakob. Dat is nooit goed, dat voel je wel. Dan weet je: dat kan niet, dat klopt niet! Dat voel je als kind al, en als het goed is ook als ouder.

En inderdaad, je ziet het misgaan. Tussen Jakob en Ezau, maar ook tussen Izak en Rebekka. Als u merkt dat u ook zo bezig bent in de opvoeding van uw kinderen, kom er dan op terug! Wees niet te groot om dat tegen uw kind te zeggen: ‘Ik heb het niet goed gedaan, als papa, als mama.’ Hadden Izak en Rebekka dat maar gedaan!

Het gaat van kwaad tot erger. Izak trekt zijn oudste zoon voor en Rebekka haar jongste. Izak maakt de grootste fout. Waarom? Hij gaat af op het uiterlijk, net als vader Isaï later. Die ziet zijn zoon David niet eens staan. Izak gaat af op wat hij lekker vindt, het wildbraad. Hij heeft het wildbraad, het gebraden vlees lief. Maar bovenal, hij veracht de profetie die de HEERE aan Rebekka heeft gegeven. Hij heeft die gehoord, maar hij wil er niet aan. Hij heeft gehoord dat de HEERE tot Rebekka gesproken heeft: De meerdere zal den mindere dienen (Gen.25:23). Maar daar gaat Izak niet in mee. Hij heeft de oudste lief, met wat voor ogen is, maar hij ziet niet op het genadewerk dat de HEERE beginnen zal in Jakob. 

 

Hoe gaat de geschiedenis verder? We lezen in hoofdstuk 25 vers 29 dat Jakob bij de tent een rood gerecht heeft gekookt. Linzen kunnen een rode kleur hebben: ze zijn heerlijk en voedzaam. Je kunt ze ook meer als een soep bereiden. Ze kunnen ook je dorst stillen. Ezau komt thuis. Hij heeft gejaagd op het veld en hij is moe. Hij zegt tegen Jakob: Laat mij slorpen van dat rode, en dat klinkt grof. Dat is het ook. Hij zegt het op een wat minachtende toon. Misschien heeft het Jakob wel gekrenkt: die grote, sterke broer kijkt op mij neer. En de wellicht geërgerde Jakob maakt op hetzelfde moment gebruik van de zwakte van Ezau. Hij ziet hoe Ezau uit is op iets wat zijn honger en dorst kan wegnemen. Hij heeft zijn voorstel klaar, vers 31: Verkoop mij op dezen dag uw eerstgeboorte.

Is dat goed van Jakob? Nee! Maar het verlangen naar de eerstgeboorte-zegen is dat wel. Op het moment dat je broer die vraag stelt, denk je direct aan die zegen. Jakob verlangt om net als vader Izak en opa Abraham te leven in de weg van de HEERE en in afhankelijkheid van Hem. Hij verlangt ernaar geleid te worden door het Woord van de HEERE, gebracht te worden naar de plaats waar een put is, om heel diep te putten. Hij verlangt naar een altaar om van te leven, niet met je mond, maar een altaar dat getuigt van de grote zegen van de Verbondsgod van Abraham en Izak. Je verlangt naar verzoening van je zonden en het wegnemen van je schuld. Dat verlangen is wel goed! Maar deze weg niet.

Wie de weg kiest van het zelf regelen, loopt de HEERE voor de voeten. Het gaat hier al fout en het zal straks nog meer fout gaan. Het is het zoeken van een zegen, maar niet in de weg van de HEERE. Nee, dit is een weg richting leugen en bedrog. Hier klinkt nog geen leugen, maar straks wel.

 

Is het dan goed van Ezau? Nee! Waarom is het niet goed van Ezau, hij heeft toch honger? Maar Ezau verspilt hier de zegen van de HEERE. Aan het slot van het hoofdstuk lees je dat heel duidelijk, in vers 34: Alzo verachtte Ezau de eerstgeboorte. Hij neemt daar zelf afstand van. Hij weet heel goed wat dat betekent. Izak en Rebekka hebben hem dat voorgehouden en voorgeleefd, maar hij hoeft die zegen niet. Waarom niet? Heeft hij honger? Het staat wel voor meer. Hij heeft genoeg aan een leven van jagen in het hier en nu. Of dat nu in het land Kanaän is of daarbuiten, als hij maar voor deze dag genoeg heeft en verder niets meer. Hij heeft genoeg aan het hier en nu.

 

Wordt dat hier bedoeld, als hier staat dat Ezau de eerstgeboorte verachtte? Ja, dat kun je lezen in Hebreeën. Daar wordt in het Nieuwe Testament uitgelegd wat hier gebeurt, wat de fout, de zonde van Ezau is: verachten. In Hebreeën 12:16 staat: Dat niet iemand zij – en dan wordt eerst een andere zonde genoemd – een hoereerder. Dan ben je niet trouw. Je veracht de trouw van het huwelijk. Je neemt wat je zelf het liefste hebt, ongeacht wat de Heere daarvan zegt. Vervolgens wordt er gewezen op Ezau: Of een onheilige, gelijk Ezau, die om één spijze het recht van zijn eerstgeboorte weggaf. Dan ben je een onheilige, gemeente!

Is dat niet een kwaal van deze tijd? Dat we het heilige verachten? Wat is heilig? Het is op de Heere lijken. Ik ben de HEERE uw God (Ex.20:2), zegt de HEERE vanaf de berg Sinaï. Ik ben heilig in het midden van u. Dat heeft vanmorgen ook geklonken: Ik ben de HEERE uw God. Ik ben heilig, weest dan heilig. Wat is heilig? Anders zijn en volkomen goed. Dat veracht Ezau. Hij wil niet anders zijn, hij wil opgaan in welvaart, in luxe, de zonde indrinken. Het is genoeg als hij lekker eet en drinkt en goed slaapt. Dat is precies wat hier gebeurt. Hij at, vers 34b, hij dronk, hij stond op en ging heen.

 

Hier klinkt een echo van de zonde in de dagen van Noach. De Heere Jezus Zelf waarschuwt voor zo’n houding. Is eten, drinken, opstaan en weggaan je leven? Heb je nauwelijks nog tijd voor de Heere? Ga je snel naar je werk of naar school en eet je gedachteloos je boterhammen? Waar zijn je gedachten als papa of mama uit de Bijbel lezen? Je luistert niet eens. Dat lijkt wel op Ezau: je veracht het heilige. Je hebt niet in de gaten dat er méér is dan alleen maar de reis naar school en weer thuiskomen en je huiswerk maken. Eten, omdat het nu eenmaal moet. En verder, je vrienden en vriendinnen of je scherm. Of er meer niet is.

Het heilige verachten, wat is dat? U maakt elke dag wel netjes de maaltijd klaar, begint gedachteloos aan de dag en vergeet de Heere. Dat is de zonde van Ezau, een heel herkenbare zonde! Die is zesduizend jaar oud! Het is de zonde van Adam: je wilt de vrucht wel, maar zonder God. Het is de zonde van Ezau, en die is erfelijk! Hij heeft hem meegekregen van Izak – dat kun je wel merken; en ook van Rebekka – die is geen haar beter in zichzelf. Ze rekenen niet met de HEERE. Erg hè, als je merkt dat je zo bent.

Maar Izak rekent toch wel met de Heere? En Rebekka toch ook? Let op, als je zo bezig bent door je voorkeur te laten blijken, kan er door deze zonde een verkeerde gang in je leven komen. Dat kan zelfs met elke zonde. Een zonde die wij aan de hand houden, gemeente, als ouders, als opvoeder. Het kan op allerlei manieren, ook als we een nabij leven kennen of gekend hebben! Hoe lang is het geleden, dat hemelbezoek?  Als we dan het heilige verachten en de nabijheid van de Heere verliezen?

Ezau’s zonde dringt zich zomaar op aan ons. Maar waar de HEERE komt, kan het niet zo blijven. Er komt verdriet, vroeg of laat. Hier bij Ezau zal er straks een schrik zijn, maar helaas geen omkeer. Het is genade als de Heere een echte omkeer geeft! Dat is onverdiend! Pas op voor die zonde: het heilige verachten! Spreuken 20:25 zegt dat een mens het heilige verslindt. Hij is als een roofdier om dat te verscheuren. Dat zie je hier in het leven van Ezau. Hij wil met God noch gebod te maken hebben.

 

Zo ben ik niet, zeg jij. Wat is voor jou dan heilig? Het is een van de vragen die je bij deze preek kunt stellen. We hebben erover nagedacht wat heilig is, maar wat is voor jóu heilig? Is deze zondag heilig? Een heilige dag van de Heere, afgezonderd voor Zijn dienst? Waar merk je dat aan? Kerkgang, vanmiddag weer. Of is dat eigenlijk te veel? Laat u de week heel gemakkelijk binnenkomen op zondag, ook in uw gezin? Is de preek al weg bij het eerste kopje koffie? Dan dringt die onheiligheid binnen. Dat is niet zo moeilijk! Een vieze hand maakt gemakkelijk iets vies. Wij zijn verantwoordelijk voor alles wat wij doen, gemeente. Pas op, je zet er de zegen, de eeuwigheid mee op het spel! Bekeer u, en leef!

Bij Ezau gaat het straks verder. Hij veracht het heilige, de zegen; en kiest ook voor meisjes van Kanaän. Hij weet dat hij zijn vader en moeder daarmee verdriet doet. Izak had lang gewacht op een bruid, hij bad om een bruid en heeft haar toen uit Gods hand ontvangen uit dat verre land. Ezau niet. In hoofdstuk 26 kun je lezen dat hij trouwt met meisjes uit de omgeving. En weet u wat zo erg is? Ezau doet het en Izak gaat erin mee! Is het erg wat Ezau doet? Het is een vraag van jonge mensen. Hoe kies je je levensgezel? Waar let je op? Hoe begin je? Laat het zijn als bij Izak die biddend vraagt: ‘Mag ik een meisje ontmoeten dat de Heere dient?’ De Heere kan geven dat je lang moet wachten. Het kan ook zijn dat de weg anders is, en ook dan moet je het met de Heere eens worden. Dat is beter dan de weg van Ezau. Als je de wereld binnenhaalt, als het onheilige binnenkomt, dan verslindt het je.

 
Hoe gaat het verder? Izak is blind. Hij is blind voor de zonde van zijn zoon. Verblind door zijn voorkeur voor hem. We lezen in hoofdstuk 27 aan het begin dat hij op nog meer manieren blind is. Hij is al heel oud en heeft het gezicht van zijn ogen verloren. Hoofdstuk 27 vers 1. Hij kan niet meer kijken. Dat is natuurlijk heel erg! Dat Izak blind is, speelt ook een rol in hoofdstuk 27. Wat is het allerergste? Als je geestelijk blind bent. Je ziet God niet. Je kent God niet.

Maar weet je wat zo’n wonder is? De Heere opent nog ogen. Waaraan kun je dat merken? Aan een verdriet over je blindheid. Ook aan een verlangen naar heiligheid, naar zegen en naar de levende God. De Heere kan de blinde Izak geopende ogen geven voor Wie Hij is. Ook weer opnieuw. De Heere kan een verdwaasde Jakob en Rebekka in hun leugens straks weer geopende ogen geven. Al die mensen in deze geschiedenis zijn zelfverantwoordelijk, maar de Heere is machtig hun ogen te openen – ook vandaag. Zingen we daarvan uit Psalm 146:6:

 

't Is de HEER, wiens mededogen
Blinden schenkt het lieflijk licht;
Wie in 't stof lag neergebogen,
Wordt door Hem weer opgericht;
God, die lust in waarheid heeft,
Mint hem, die rechtvaardig leeft.

 

2. Izak zegent

In hoofdstuk 27 wordt de draad weer opgepakt. Er ligt een lang leven tussen. Een leven waarin Izak inmiddels oud geworden is. Hij is al ruim honderd jaar en zijn zonen zijn zeker al vijftig jaar, misschien al wel ouder. Izak voelt zijn einde naderen en spreekt daarover met zijn oudste zoon Ezau. Hij zegt: ‘Jongen, ik word al zo oud. Ik zal mijn zegen, de zegen van de Heere, doorgeven. Ik wil het aan jou doen. Jij bent mijn oudste. Ik lust dat vlees zo graag! Ga jij op jacht en wil je dan iets voor me klaarmaken? Als je dat hebt gedaan en je komt weer terug bij me, zal ik jou de zegen geven.’

Rebekka hoort het. Ze leven in tenten en er is niet zoveel nodig om het verzoek van vader Izak te horen. Rebekka denkt: dat gaat niet goed! Straks krijgt Ezau de zegen en die is voor altijd! Rebekka gelooft ook dat Izak die zegen mag doorgeven. Ze denkt: dat gaat niet goed, de verkeerde krijgt de zegen. Het woord van God, waarin Hij op mijn smeekgebed tegen mij gezegd heeft: ‘De meerdere zal de mindere dienen’, wordt doorkruist. Rebekka aarzelt geen moment. Ze gaat naar haar jongste zoon Jakob toe en zegt: ‘Jongen, maak eens gauw wat te eten klaar van de kudde, want je broer Ezau zal straks de zegen krijgen. We moeten nu ingrijpen!’

Is dat goed van Rebekka? Nee! Ze denkt wel aan wat de Heere wil. Er is wel die worsteling: hoe kan het nu met het woord van de HEERE gaan? Hoe kan dat goed gaan? Hoe kan dat goed aflopen? Dat is wel goed. In plaats echter van te worstelen en het voor Gods troon neer te leggen, neemt Rebekka alles zelf in handen. Je kunt je afvragen of er gebed geweest is bij Rebekka, Izak, Ezau en Jakob. Van Ezau weten we het. Hij at en hij dronk. Hij ging weg en trouwde met meisjes uit de Kanaänieten. Hij heeft de Heere niet gezocht, maar Hem veracht. Hij heeft de Heere uit zijn leven weggeschoven – zo wil ik het niet. Ik wil voor het gemak kiezen.

Van Izak mag je verwachten dat hij deze morgen gebeden heeft: ‘Heere, ik sta op het punt om die zegen door te geven, want ik word al oud.’ Het is nog niet de tijd van zijn dood, maar hij is al wel oud, ruim honderd jaar. Hij zal honderdveertig worden, maar dat weet Izak niet van tevoren. Wat is er verkeerd bij Izak? Hij heeft de weg van de Heere niet gezocht.

Heeft Rebekka gebeden die ochtend? Heeft ze als een smekeling haar dag bij de Heere gebracht? Ach, hoe zou dat kunnen bij dit gedrag. En hoe zou het bij Jakob zijn? Jakob hoort wat zijn moeder hem zegt en hij maakt uit de kudde van de familie twee bokjes klaar. Hij neemt de huid mee en moeder maakt alles klaar. Doet Jakob dat meteen? Nee. Hij zegt eerst in vers 11: Zie, mijn broeder Ezau is een harig man. Jakob aarzelt. Dat is op zich wel goed van Jakob, maar waarom aarzelt hij? Omdat hij bang is voor ontdekking. Hij is niet bang voor de daad. Daar schrikt hij niet voor terug.  Hij is bang dat Izak het zal merken en aan Ezau alsnog de zegen zal geven. Zijn moeder trekt hem over de streep: ‘Jongen, ik zal alles oplossen. Ik zal, als je dat eten bij me brengt, het klaarmaken en je voorbereiden. Ik zal die zachte, weinig behaarde huid van jou bedekken met een geitenkleed. Ik zal je laten ruiken naar het veld. Ik zal alles voor je oplossen.’

Is het goed van Jakob? Het hunkeren naar de zegen wel, maar niet het gaan van eigen wegen! Ach, het leven uit de belofte is ook niet gemakkelijk. Dat zie je keer op keer bij de aartsvaders. Bij Abraham, bij Izak, hier bij Jakob ook. Het wordt beproefd. In een beproeving onderzoekt de Heere hoe de staat van ons hart is; hoe het goud van de genade leeft in het hart van een mens.

Wat vallen Izak én Rebekka én Jakob én Ezau hier vreselijk door de mand. Ze lopen de Heere voor de voeten. Wat is dan de weg? Worstelend, smekend, de onmogelijkheid bij de Heere brengen! Zoals Izak gedaan had, biddend om een bruid. Zoals Rebekka gedaan had met die twee jongens die vochten in haar buik. Zoals Abraham gedaan had op de momenten dat hij wachten kón, die vele jaren. Hier kunnen ze echter niet meer wachten. Ze kunnen niet met Psalm 130 zingen ‘Mijn ziel wacht op de Heere.’ Ze nemen het in eigen hand.

Het kan ook in het leven van Gods kinderen gebeuren, dat je de Heere voor de voeten loopt. Gods tijd is altijd de beste tijd. Betekent dat dan afwachten en stilzitten? Nee, dat is wat anders. Het is worstelen. Die weg wil de Heere gebruiken, maar dat is niet een eigen weg gaan.

Rebekka maakt het eten klaar en doet geitenvellen over de handen van Jakob. Zo gaat hij naar zijn vader toe en geeft hem het eten. Zijn vader vraagt: ‘Wie ben je dan?’ Jakob zegt: ‘Ik ben Ezau.’ Hier zie je de leugen komen, zoals bij de Gibeonieten. Van de ene stap naar de andere. Als je eenmaal een stap fout doet, volgt heel gemakkelijk de andere. De zonde is als een roltrap: je kunt niet meer terug! Izak vraagt Jakob dichterbij te komen. Waarschijnlijk heeft Jakob wat op afstand gestaan, aarzelend. Hij durft niet dichterbij te komen. ‘Kom maar dichterbij, mijn zoon! Ik wil het voelen wie je bent.’ Nu kun je nog terug, Jakob! Laat die schotel met vlees uit je handen vallen! Je kunt toch niet met een leugen voor de Heere verschijnen? Maar Jakob gaat verder… en Izak betast zijn jongen en zegt: ‘Kom nog maar dichterbij.’ Hij ruikt de geur van het veld in de kleding van Jakob. Dat is de geur van Ezau. Nu volgt de zegen. Een zegen – vers 27 – waarin hij reageert op die geur: Zie, de reuk mijns zoons is als de reuk des velds, hetwelk de Heere gezegend heeft. Hij heeft Ezau in gedachten; in dit deel van de zegen kun je dat duidelijk merken. ‘De Heere heeft dat veld voor je gezegend, m’n jongen! Je hebt er al veel lekkers mogen weghalen.’ Dan geeft hij een zegen die hij hecht aan Kanaän: Zo geve u dan God van den dauw des hemels en de vettigheden der aarde, en menigte van tarwe en most (Gen.27:28). O, Izak! Je weet dat de HEERE Jakob voor ogen heeft en tóch geef je die zegen van God, die verbondszegen, door aan Ezau. Izak, je weet het! Je geeft hier zelfs Kanaän als land aan Ezau! De dauw van de hemel, het land van honing en tarwe, dat zo vruchtbaar is. Heel anders dan de woestijn. ‘Volken zullen u dienen’, je broer ook.

En toch – dat is wonderlijk! – staat in Hebreeën 11 dat wanneer Izak hier zegent met gespreide vingers, hij dat doet in geloof. Izak gelooft wanneer hij de zegen op de jongen legt die daar geknield voor hem ligt. Izak gelooft. Door het geloof heeft Izak zijn zonen gezegend, lezen we in Hebreeën 11:20. Hoe kan de Bijbel dat zeggen? Izak geloofde wel dat hij hier als een profeet Gods zegen mocht uitspreken. Dat God Zijn toekomst hier bekendmaakt voor de jongen die hier knielt. Hij vergist zich wel in wie hier ligt, maar hij gelooft dat de God van zijn vader Zich ontfermen zal over deze jongen.

Maar als je de zegen uit vers 27, 28 en 29 vergelijkt met de zegen die Abraham heeft ontvangen, valt er wel iets op. Het is een déél van die zegen, maar het is niet de volle zegen. Later zal Jakob die van de Heere Zelf ontvangen. Hier is het echter nog maar een stukje van de zegen. Alles klinkt zelfs heel aards. Het kan best zijn dat Rebekka en Jakob daarna teleurgesteld geweest zijn – is dit nu de zegen? Hebben ze hier alles voor op het spel gezet? Dit is nog niet de volle zegen van Abraham.

 

Gemeente, eigen gekozen wegen lonen niet. De Heere laat in alles merken dat Hij vrij en soeverein is. Hij werkt door deze gebeurtenissen wel heen, maar op Zijn tijd zal Hij de volle zegen geven. Het is wel een zegen: dauw van de hemel. Regen en dauw op zijn tijd, waardoor het gewas verkwikt wordt en zijn vrucht zal dragen. Daar moet ook Jakobs erfdeel het van hebben. Daarvan zal Jakob ook ontvangen. Hij zal de volle zegen ontvangen.

Hier op aarde zal hij hem mogen zien, ook op zijn sterfbed, waar hij er zo rijk van getuigen mocht. Dan zie je dat Jakob door de Heere geleerd wordt, door alle leugen en bedrog heen. Omgezet en bekeerd op Gods tijd. Dan toch die zegen! Silo, op Uw zaligheid wacht ik. Waarom? Omdat Jakob op de Heere Jezus ziet! Daarom roept Jakob: O, Juda, gij zijt het! Juda is die leeuw, die sterke leeuw, die de zonde vernietigen zal in de Zoon van Juda, Christus Jezus. Op Uw zaligheid wacht ik. Eenmaal zal Jakob zich zo mogen overgeven aan de God van het verbond, Die op Zijn tijd Zijn woord waarmaakt en Zijn zegen schenkt. Hij schenkt de volle zegen van Abraham. Want Abraham geloofde, en het is hem tot gerechtigheid gerekend. Geloof dat gelooft ziet dat, en geloof erft die zegen.

 

Jakob gaat weer weg. Hij is nog maar even weg, lezen we, en dan is er opnieuw gerucht in de tent. Daar komt Ezau thuis. Hij is zo vrolijk! Hij maakt alles klaar en hij nadert tot zijn vader. Wat gebeurt er dan? Laten we eerst samen zingen uit Psalm 27 vers 5.

 

Mijn hart zegt mij, o HEER’, van Uwentwegen:  

‘Zoek door gebeên met ernst Mijn aangezicht’,

Dat wil, dat zal ik doen; ik zoek den zegen         
Alleen bij U, o bron, van troost en licht.

Verberg toch niet Uw oog van mij, o HEER’!      
Ik ben Uw knecht, zie niet in toorne neer.          
Gij waart mijn hulp in al mijn zielsverdriet.        

O God mijns heils, begeef, verlaat mij niet.        

 

3. Izak schrikt

Voor wie is de verbondszegen? We hebben er bij stilgestaan dat Izak blind is en dat Izak zegent. Dan nu: Izak schrikt. Ezau is thuisgekomen. Hij heeft raak geschoten. Al snel stijgen er heerlijke geuren op bij de tent, opnieuw. Ezau maakt zich gereed en hij gaat de tent van zijn vader Izak binnen. En dan… dat verschrikkelijke moment. Ezau vraagt om een zegen en Izak zegt: ‘Maar wie ben je dan, jongen?’ Hij voelt: er is iets helemaal misgegaan, hoe kan dit allemaal? Ezau zegt: ‘Ik ben uw zoon.’ Ik ben de zoon die om een zegen komt. En dan lezen we: Toen verschrikte Izak met zeer grote verschrikking gans zeer (Gen.27:33). Erger kun je niet schrikken. In het Hebreeuws staat het met heel veel nadruk. Het is een wonder dat hij er niet in gebleven is. Wat een enorme schrik. Waarom schrikt Izak zo? Dat kun je begrijpen. Hij is op een vreselijke manier bedrogen. Dit is ongelofelijk respectloos van zijn zoon Jakob: hij is met een botte leugen de tent van Izak binnengedrongen. Hij heeft genomen waarvan iedereen wist: dat wil vader Izak aan Ezau geven. Izak schrikt van zóveel leugen en oneerlijkheid. En we weten dat Jakob straks de gevolgen van zijn zonde moet dragen. Nooit zal hij zijn moeder terugzien. Zou dat het enige zijn waar Izak van schrikt. Dat kan.

Maar ik geloof dat er méér is. Er is nog wel méér voor Izak om van te schrikken. Waarvan dan? Hij schrikt van zichzelf. Izak, je hebt je ene zoon de voorkeur gegeven boven de ander, terwijl je wist welk leven hij leidde! Hij ging alleen maar op in het hier en het nu, en je ging hierin mee, want je had het wildbraad lief. Je wist wat de HEERE tegen Rebekka gezegd had: De meerdere zal den mindere dienen (Gen.25:23). Je bent hier ingegaan tegen de wil van de HEERE. Je hebt hier voorrang gegeven aan iemand die onverschillig is voor de heilige dingen. Hij veracht ze, hij zet ze opzij – en jij gaat erin mee. Hij is er onverschillig voor – en jij loopt hiermee de HEERE voor de voeten.

 

Wat kun je dan schrikken! Als in één keer je levensideaal – die sterke jongen als mijn opvolger – in elkaar stort en jezelf erbij. Je hebt het verkeerde voor ogen gehad in je opvoeding, in je bestaan. Heb ik hier nu voor geleefd? Heb ik zo geleefd? Wat kun je dan schrikken. Ja, dan kun je met een zeer grote verschrikking schrikken, gans zeer. Je kunt wel door de grónd zakken. Ezau ook.

Ezau, die de zegen, het eerstgeboorterecht, veracht heeft met alles wat eraan verbonden was. Hij huilt nu als een kind, een grote sterke man! Hij schreeuwt het uit: Zegen mij, ook mij, mijn vader! (Gen.27:34). Hij bidt het zijn vader. Direct daarbij komt er de smart van zijn bestaan bij, vers 36. Hij weet: Jakob heeft mij al op twee manieren bedrogen! In het Hebreeuws lijken het woord ‘Jakob’ en het woord ‘bedrieger’ heel veel op elkaar. Er zit iets profetisch in die naam. Een hielen-vasthouder. Hij is ook een bedrieger. Hij heeft me al tweemaal bedrogen!

De eerste keer is er echter geen sprake van bedrog. Dat was het moment van die heerlijke linzenmoes. Toen was het een voorstel van Jakob aan Ezau, en Ezau is daarop ingegaan. Hij heeft zichzelf bedrogen, zichzelf tekortgedaan. Hij heeft toen het eerstgeboorterecht veracht. Maar nú is hij wel bedrogen door Jakob. ‘Zegen mij, ook mij, mijn vader!’ Een bittere schreeuw. Hij bidt zijn vader, maar hij bidt niet tot God. Hij is boos op zijn broer. Hij is niet boos op zichzelf. Ja, hij haat zijn broer, lezen we in vers 41. Straks mag Ezau nog wel een zegen ontvangen, maar niet de volle zegen. Het is een nederige zegen, van iemand die onderdrukt wordt. Dan háát hij zijn broer. Er is niets van de HEERE bij in het leven van Ezau.

 

Nu kun je vanmorgen denken: dat zie ik ook niet bij Jakob! Dat is waar, maar bij Jakob is er wel een verandering gekomen. Dat is alleen genade. Ook dat is waar. Maar bij Ezau lezen we op dit moment alleen maar bitterheid en verdriet, een schrik en een haat, een zoeken van welvaart, van zegen, maar niet van de HEERE. Nergens buigt hij. Hij krijgt wel een zegen. Door het geloof heeft Izak zijn zonen Jakob en Ezau gezegend (Hebr.11:20). Hij krijgt van zijn vader Izak de zegen van een zwerver. Ik zei al: van een onderdrukte. Hij moet op de steppen zwerven en jagen. Vaak zal je broer over je heersen. Dat is de zegen die voor Ezau overblijft.     
Weet u wat er ook uit blijkt? Het is zo waar wat in Hebreeën staat: Door het geloof heeft Izak zijn zonen Jakob en Ezau gezegend. Hij dacht dat het Ezau was, maar hij heeft toch geloofd. Het was Gods Woord, Gods profetie, die Izak mocht doorgeven. Izak heeft geloofd: de HEERE zal dit waarmaken aan de jongen aan mijn knieën. De Heere geeft opnieuw een zegen, en opnieuw gelooft Izak. Wat dan? Dominee G. Boer schrijft hierover: ‘Gaandeweg tussen die twee zegens is er iets veranderd bij Izak.’ Hij wist wel dat Gods belofte waar was, maar hij vergiste zich erin aan wie hij gericht was. Het is net of er een envelop komt met een brief erin die aan iemand anders gericht is. Op de envelop staat iets anders. Het kan gebeuren dat iemand twee brieven schrijft. Hij stopt de brieven elk in een envelop, maar hij doet ze in de verkeerde envelop. Wie er een openmaakt, ziet op het moment dat hij die opent: deze brief is helemaal niet voor mij bedoeld.

Zo was Izak iemand die de verkeerde envelop gebruikte. Door het geloof heeft hij gezegend, maar nu weet hij: ik had niet Ezau mogen zegenen. Ik moest Jakob zegenen. Door het geloof heeft Izak zijn zonen gezegend. Tussen die twee zegeningen – eerst van Jakob, nu van Ezau – heeft hij die grote schrik, waarin hij het eens raakt met de HEERE. Déze zegen is voor Ezau. Toch wel een zegen voor Ezau, maar de zegen van de minste, die zijn jongere broer zal moeten dienen. De zegen van de zwerver, die niet in het land Kanaän zal wonen, die plaats zal moeten maken voor Jakob in het land Kanaän. Ezau zal zijn weg als zwerver, als strijder en als opstandeling, als rebel en als vijand van de HEERE vervolgen, in de lijn van de geslachten. Jakob heeft de zegen ontvangen uit de hand van de HEERE, uit Zijn rechterhand. Ezau een zegen vanuit Zijn linkerhand. Beiden door het geloof door vader Izak gegeven.

 

Izak schrikt, hij schrikt van zichzelf. Hij moet er tussenuit. Nu is hij het eens met de weg van de HEERE, hoe het verder ook gaat. Wat vallen mensen in deze geschiedenis tegen. Bij de stille Izak, die de verborgen omgang met God kende, maar bij wie de zonde in zijn leven binnenkwam door de voorkeur voor een van zijn jongens. Dat gaf een verwijdering van de HEERE, en misschien ook van Rebekka. We zien bij Rebekka dat ze alle problemen zelf wel zal oplossen, zonder ze in gebed bij de HEERE te brengen. We zien het bij Jakob, die leugen op leugen stapelt en het ook zelf begint op te lossen, net als zijn moeder: hij koopt het eerstgeboorterecht. We zien het ook bij Ezau, de man die als een kind huilt, maar niet omdat hij God kwijt is, maar omdat hij welvaart gaat verliezen. Geen van allen zijn ze een goed voorbeeld voor ons.

 

Gemeente, is er toch nog iets positiefs in deze geschiedenis? Ja, heel veel! De God van Israël faalt niet. De God van Abraham, Izak en Jakob is de God Die vasthoudt. Dwars door deze menselijke zonden die zich opstapelen, volvoert Hij Zijn raad. Dat is nog zo! Ja, door al deze menselijke kleinheid en zonde en dwaasheid heen schenkt Hij Zijn zegen!

Vandaag was het de vraag: voor wie is de verbondszegen? Misschien is dat jouw vraag. Is er een zegen voor mij? Je kunt bij Ezau zien dat je naar een zegen kunt verlangen, maar toch alleen maar denkt aan de dingen van morgen, van maandag en dinsdag. Dat het goed mag gaan op school, bijvoorbeeld. Daar mag je ook echt om vragen! Dat je gezond bent en mensen om je heen mag hebben. Dat alles mag je vragen.

Is dat echter de verbondszegen? Het heeft ermee te maken. Wij lezen bij de zegen van Jakob dat de dauw des hemels vruchten zal geven. Dat er dus brood is op zijn tijd en melk en lekkere dingen daarbij. Dat is wel een zegen, maar het is nog niet dé verbondszegen! Dat is ook bij Jakob later wel gebleken: hij moest het hebben van de Gód van Abraham, dat Díe Zijn hemel boven hem opende. Hij moest het hebben van de Engel van het verbond, Die met hem kwam worstelen en op Wie hij mocht leunen, in Wie hij de overwinning vond. Jakob worstelde, toen wel, om dé zegen. Die zegen, dat is veel meer dan alleen maar wat je ziet. Die zegen is gericht op de dingen die we niet zien. Zo was het in het leven van Abraham. Toen de HEERE riep uit dat verre land, heeft Abraham geloofd. De HEERE rekende het hem tot gerechtigheid.

 

Dat is zegen! Je gaat met de God van Abraham als een vreemdeling door het land van de belofte dat je eenmaal bezitten zult, op Gods tijd. Je mag leven, door de God van Abraham geleid. Je mag leven voor het erfdeel dat boven is. Dát is de ware zegen.

Voor wie is de verbondszegen? Dat zien we vanmorgen heel goed. Voor mensen die tegenvallen, die anderen tegenvallen, maar ook zichzelf. Je kunt zo van jezelf schrikken, van je blindheid die veel erger is dan dat je ogen niet meer zien. Je bent blind voor God, voor Zijn heiligheid, voor Zijn wil, voor Zijn wondere genadewerk. Daar kun je zo van schrikken, van je leugens, van je bedrog, van je de Heere voor de voeten lopen. En dan, wegvluchten van God? Nee, naar de Heere toevluchten! Voor wie is de zegen, gemeente? Voor mensen als Abraham, als Izak, als Jakob, als Rebekka. Ja, zelfs Ezau is geboren op het terrein van het verbond, in de tenten van Izak en Rebekka. Je kon voor het oog niet zien wie van de twee die zegen zou krijgen. God wist het, het was een verborgenheid. Maar het is Ezau zelf die daar ‘nee’ tegen heeft gezegd. Gods Woord kwam heel dicht bij hem. En toch heeft Ezau de zegen veracht. Dat deed hijzelf.

 

Gods Woord komt heel dichtbij ons.  Je bent geboren onder de bediening van het verbond, je bent gedoopt. De Catechismus zegt in antwoord 74 dat je dan ín het verbond bent. Dat kun je wel op twee manieren zijn: alleen maar oppervlakkig óf met een waar geloof. Hoe dan ook, de zegen komt heel dichtbij! Wat zegt de Heere vandaag? ‘Mijn zoon, mijn dochter, geef Mij je hart.’ Ik zoek niet je verlorenheid. Ik zoek niet je dood. Ik heb geen lust in de dood van goddelozen, van leugenaars, van verblinden, van verdwaasden, maar daarin, dat je je bekeert en leeft! Wat kiest gij, o verblinden, o verdwaasden, voor het leven de dood? Dat is de geopenbaarde wil van God.

Dwars door al de dwaasheid heen brengt de HEERE toch Zijn zegen. Hoe dan? In de Gezegende uit het geslacht van Jakob. In Christus, Die als een Engel worstelde met Jakob bij de rivier de Jabbok. Hij droeg Jakobs vloek en ook die van Izak en Rebekka tot aan het kruis. Zo verdiende Hij de gerechtigheid die Abraham gezien heeft en geloofd. Wie zó op Hem mag zien, op deze levende Christus, heeft zegen, werkelijk zegen. Dat is verbondszegen! Hij of zij mag met Da Costa zeggen: ‘In het kruis zal ‘k eeuwig roemen en geen wet kan mij verdoemen. Christus droeg de vloek voor mij. Hij maakt van schuld en zonde vrij.’

Amen.

 

We zingen ten slotte over de zegen die meer spijst dan het aardse, Psalm 4 vers 4.

 

Gij hebt m’in ’t hart meer vreugd gegeven,        

Dan and’ren smaken in een tijd,   
Als zij, door aards geluk verheven,           
Bij koorn en most wellustig leven,           
In hunnen overvloed verblijd.       
Ik zal gerust in vrede slapen,         
En liggen ongestoord ter neer;     
Want Gij alleen, mijn schild en wapen,    
Schoon ’t onheil schijnt voor mij geschapen,     
Zult mij doen zeker wonen, HEER’.