Ds. S. Maljaars - Handelingen 16 : 25 - 26

Nacht in Filippi

het dragen van de versmaadheid van Christus
het ervaren van de nabijheid van Christus
het voortgaan van de arbeid van Christus

Handelingen 16 : 25 - 26

Handelingen 16
25
En omtrent den middernacht baden Paulus en Silas, en zongen Gode lofzangen en de gevangenen hoorden naar hen.
26
En er geschiedde snellijk een grote aardbeving, alzo dat de fundamenten des kerkers bewogen werden; en terstond werden al de deuren geopend, en de banden van allen werden los.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 25: 1
Lezen : Handelingen 16: 11-26
Zingen : Psalm 118: 3, 7 en 8
Zingen : Psalm 42: 5
Zingen : Psalm 3: 2

Gemeente, met de hulp des Heeren prediken we u Gods Woord uit Handelingen 16 vers 25 en 26. We lezen daar:

 

25. En omtrent den middernacht baden Paulus en Silas, en zongen Gode lofzangen; en de gevangenen hoorden naar hen.

26. En er geschiedde snellijk een grote aardbeving, alzo dat de fundamenten des kerkers bewogen werden; en terstond werden al de deuren geopend, en de banden van allen werden los.

 

Het gaat over: Nacht in Filippi. Drie punten vragen onze aandacht:

  1. het dragen van de versmaadheid van Christus 
  2. het ervaren van de nabijheid van Christus
  3. het voortgaan van de arbeid van Christus

 

  1. Het dragen van de versmaadheid van Christus

 

Gemeente, we lezen hier in Handelingen 16 over de tweede zendingsreis. Vanuit de gemeente Antiochíë in Syrië worden Paulus en Silas uitgezonden tot het zendingswerk. Samen trekken Gods dienstknechten door Klein-Azië om de gemeenten te bezoeken die tijdens de eerste zendingsreis zijn ontstaan. Ze krijgen er in Derbe een metgezel bij in de persoon van de jonge Timótheüs.

Daarna loopt de weg voor de zendelingen vast. Hoe moeten ze verder? Wat is Gods weg? Naar het zuidwesten van Klein-Azië waar de grote steden liggen? De Heilige Geest verhindert het. Leidt de weg dan misschien naar het noordoosten richting de Zwarte Zee? De Geest laat het hun niet toe. Zo komt het reisgezelschap aan in Tróas aan de westkust van Klein-Azië. Ook Lukas, de schrijver van de Handelingen, heeft zich inmiddels bij hen gevoegd. We zien dat aan de woorden ‘wij’ en ‘ons’ vanaf vers 10.

In een gezicht in de nacht wijst de Heere Paulus de weg. De apostel ziet een Macedónisch man die staat en smeekt: Kom over in Macedónië en help ons (vers 9). Daaruit mogen ze besluiten dat de Heere hen geroepen heeft om de mensen aan de overzijde van de Egeïsche Zee het Evangelie te verkondigen.

Zo wordt de weg geopend naar Macedónië. De eerste stad waar ze verblijven is Filippi, een Romeinse kolonie. Daar gaat de Heere wonderen doen. Het hart van Lydia wordt geopend tijdens een preek van Paulus op de sabbat bij de rivier. Vervolgens opent Lydia haar huis. De apostelen vinden er gastvrij onderdak. Het werk van de Heere gaat voort.

 

Jongens en meisjes, maar wat nu? We komen Paulus en Silas hier tegen in de gevangenis! Ze zitten met kapotgeslagen ruggen met hun voeten in de stok in de binnenste kerker. En omtrent den middernacht… Het is nacht in Filippi. De apostelen moeten de versmaadheid van Christus dragen. Christus, hun Meester, heeft moeten lijden en zij moeten dat ook.  

 

Hoe komen Paulus en Silas in de gevangenis terecht? We lezen in vers 16 van een dienstmeisje, dat bezet is met een waarzeggende geest. Dit meisje is een arme slavin van de duivel. Ze staat onder de macht van de boze. Ze heeft contact met de occulte wereld. Dit meisje heeft bepaalde gaven om waarzeggerij te bedrijven. Lukas schrijft dat ze haar heren daarmee groot gewin toebrengt. Ze zorgt er dus voor dat er veel geld in het laatje komt.

Iedere keer als de apostelen naar de plaats van de samenkomst gaan, roept ze hen na: Deze mensen zijn dienstknechten Gods des Allerhoogsten, die ons den weg der zaligheid verkondigen (vers 17). De vorm van het Griekse werkwoord geeft aan dat ze bleef roepen. Ze ging ermee door.

Ja maar, zegt iemand, ze spreekt toch de waarheid? Ze zegt toch niets verkeerds? Deze mensen zíjn toch dienstknechten van God die de weg der zaligheid verkondigen? Op zichzelf genomen is dit waar. Toch zit hier een list van satan achter. De duivel wil de leer van de apostelen verdacht maken, lezen we in kanttekening 44. Satan wil het Evangelie verdonkeren. Calvijn merkt op dat op deze manier de glans van het Evangelie met de duisternis van de leugen vermengd en uitgeblust zal worden. Merken we de duivelse list die hierachter zit? Als dit roepen doorgaat, kunnen de mensen in Filippi straks zeggen: ‘Of je nu een volgeling van Paulus bent en in de Heere Jezus gelooft, of dat je je nu met waarzeggerij bezighoudt, het is allemaal hetzelfde.’ Op die manier zal de glans van het Evangelie vermengd worden met de duisternis van de leugen. Uiteindelijk zal op deze manier het licht van het Evangelie doven.

 

Jongeren, jullie voelen hier de spanning tussen het rijk van God, van Christus, en het rijk van satan. De duivel heeft ook nu veel macht. Hij kan op allerlei manieren komen. Calvijn wijst op verschillende manieren, waarop de duivel optreedt. Treffend zegt de reformator: ‘Soms valt hij op de open weg aan, soms sluipt hij als het ware door een loopgraaf binnen.’ Hier komt de duivel als een engel van het licht. Hij lijkt de waarheid te spreken, maar het is zijn bedoeling om de zaken om te keren. Hier is hij al een heel eind in die loopgraaf. Hij heeft als doel om de gang van het Woord in Filippi te verhinderen.

Gemeente, zo heeft satan duizenden jaren ervaring om mensen bij God vandaan te houden. Soms valt hij aan op de open weg. Hij trekt jonge mensen een leven in zonder God. Je kiest voor een vriend of vriendin die nergens aan doet. Je haalt alles van de wereld in huis. Je houdt er een levensstijl op na, haaks op de Bijbel. Je gaat helemaal op in je carrière en houdt geen rekening met God. Satan heeft zijn zin.

Soms sluipt de duivel door een loopgraaf binnen. Hij verdraait Gods Woord. Hij keert de beste waarheden om tot een leugen. Als het gaat om de troostleer van Gods eeuwige verkiezing laat hij er mensen over nadenken als een over soort noodlot: Het helpt toch niet wat ik ook doe. Als ik niet uitverkoren ben, word ik niet zalig. En zo gaan velen verloren. Als het gaat om de verantwoordelijkheid van de mens die zo duidelijk in de Bijbel aangewezen wordt, zet hij mensen aan om zelf te gaan geloven en de keus voor Jezus te maken. Zo bedriegen velen zichzelf voor de eeuwigheid. En satan heeft zijn zin. O, gemeente, jongeren en ouderen, wees toch waakzaam!   

 

Het dienstmeisje wordt verlost van deze duivelskunstenarij. Paulus gebiedt in de Naam van Jezus Christus dat die waarzeggende geest van haar uitgaat (vers 18). En het gebeurt direct. Hier blijkt opnieuw: Níet satan heeft de macht, maar alle macht is aan Christus.

Gemeente, we prediken u de almachtige Zaligmaker, de Zoon van God, Die geopenbaard is om de werken van de duivel te verbreken. Laat het tot moed zijn voor mensen die geen verweer tegen de listige omleiding van de duivel hebben en in de geestelijke strijd gedurig onderliggen.

 

We begrijpen dat die heren na de verlossing van de dienstmaagd in het geweer komen. Nu krijgt de geldduivel hen te pakken. Ze zien hun inkomsten verdampen. Wat doen we niet als het om geld gaat, gemeente! Men grijpt Paulus en Silas, de woordvoerders van het gezelschap. Timótheüs en Lukas staan wat meer op de achtergrond. In het bijzonder moeten Paulus en Silas hier de voetstappen van hun Meester drukken. Zij moeten de versmaadheid van Christus dragen en lijden om Zijnentwil.

Lukas beschrijft het allemaal tot in detail. De apostelen worden naar de marktplaats voor de stadsoverheid gebracht. Ook de hoofdmannen, de pretoren als vertegenwoordigers van de Romeinse overheid, hebben daar een plaats. Er ontstaat een hele volksoploop.

Er wordt een felle beschuldiging geuit. De heren zeggen: Deze mensen beroeren onze stad, daar zij Joden zijn (vers 20). Dit treft de Romeinen in het hart. De Romeinen waren vuurbang voor oproer in hun rijk. Met name de Joden stonden erom bekend dat bij hen snel de vlam in de pan kon slaan. Dus deze beschuldiging is direct raak.

Er ligt nog iets diepers in die beschuldiging. Let op de tegenstelling in vers 20 en 21: Zíj zijn Joden, wíj zijn Romeinen. Voelen we de verachting die uit deze woorden spreekt? Hier komt de het antisemitisme, de bittere haat tegen het Joodse volk, naar voren. Die haat tegen het volk Israël blijkt ook hier op de markt in Filippi: Zíj Joden, wíj Romeinen. Wat dat betreft is er in de loop van de geschiedenis niet veel veranderd. Er leeft een brede haat tegen dit volk. Denk alleen wat er in de Tweede Wereldoorlog is gebeurd. Laten we dit antisemitisme toch geen voedsel geven, maar juist bidden voor het volk waar Christus uit voortgekomen is. Ze zijn beminden om der vaderen wil.

 

Paulus en Silas worden op bevel van de overheid gegeseld, met roeden geslagen. Men doet dit zonder voorafgaand onderzoek. Daarna worden de apostelen in de binnenste kerker geworpen (vers 23). De stokbewaarder, de gevangeniscipier die de gevangenen moet bewaken, legt hun voeten in de stok. Dit is een houten blok waar de voeten in geklemd worden. De apostelen hebben geen enkele bewegingsvrijheid meer. Daar liggen ze met kapotgeslagen ruggen en gebonden voeten in de binnenste kerker van Filippi. Een verklaarder schrijft: ‘De lieflijke voeten van de Evangelieboden zitten opgesloten in de stok’.

Satan heeft zijn zin. Het lijkt afgelopen te zijn met de dienstknechten van God de Allerhoogste die de weg der zaligheid verkondigen. Hun werk is klaar, hun voeten zijn vastgeklonken en hun monden gesloten.

 

En omtrent den middernacht… De nacht is gevallen over de Romeinse kolonie Filippi. Gods dienstknechten dragen de versmaadheid van Christus. De weg van hun Meester ging door de diepte. Voor hen is het niet anders.

Gemeente, Gods weg gaat door de nachten heen. Paulus wist dat dit zou komen. Enkele jaren geleden zette de Heere hem stil op de weg naar Damascus. Toen kwam hij in de nacht terecht, waarin hij niet at, niet dronk en niet zag. In die nacht werd Ananías naar hem toegezonden. De Heere zei tegen Zijn dienstknecht: Want Ik zal hem tonen, hoeveel hij lijden moet om Mijn Naam (Hand.9:16). Daar werd het dus al duidelijk dat het leven van Paulus door het lijden zou heengaan. Later heeft de apostel tijdens de eerste zendingsreis in Klein-Azië gezegd: En dat wij door vele verdrukkingen moeten ingaan in het Koninkrijk Gods (Hand.14:22).

Dit is praktijk geworden in zijn leven. In de nacht te Tróas waren er vragen over Gods leiding die voor hem zo door het donker ging. Hier bevindt hij zich in de nacht van verdrukking te Filippi. Straks komt de nacht van beroering in Thessaloníca. Later de nacht van bestrijding te Korinthe.

 

Hier in de nacht in de binnenste kerker te Filippi dragen Paulus en Silas de versmaadheid van Christus. Hun Meester heeft gezegd: Zalig zijt gij, als u de mensen smaden en vervolgen, en liegende alle kwaad tegen u spreken om Mijnentwil (Matt.5:11). Eigenlijk zegt de Heere Jezus tegen de onderdanen van Zijn Koninkrijk: Reken maar op lijden, op verdrukking. Reken maar op nachten. Dat komt hier uit. 

In dit verband denken we aan de vervolgde christenen wereldwijd. Er zijn landen waar het pad van Gods kinderen wel in het bijzonder door de nachten gaat. Laten we deze verdrukten niet vergeten!

 

Kinderen des Heeren, als u in de nacht bent terechtgekomen overkomt u blijkbaar niets vreemds. Er moeten nachten doorworsteld worden in de strijd met de satan, in de verleiding van de wereld, in de doorleving van ons verdorven hart, in de onmogelijke omstandigheden waarin we geleid worden, in de verdrukkingen die we moeten ondergaan.

In die nachten van bestrijding en verdrukking kan het zo bang zijn. Toch is dit de weg van Christus. Hij is de weg door de nachten éérst gegaan. Hij zei het tegen Zijn discipelen in de nacht van Zijn lijden: Gedenkt het woord, dat Ik u gezegd heb: Een dienstknecht is niet meerder dan zijn heer. Indien zij Mij vervolgd hebben, zij zullen ook u vervolgen (Joh.15:20). Alle leerlingen op de leerschool van Christus moeten de voetstappen drukken van hun grote Meester.

De dierbare Borg Jezus Christus ging voor Zijn gemeente de donkere nacht in van Gethsémané. Daar in de olijvenhof doorworstelde Hij Zijn bittere zielenstrijd en werd Zijn zweet als grote droppelen bloed. De Borg hing in de nacht van de inktzwarte duisternis op Golgotha. Daar op de kruisheuvel kwam Hij in de binnenste kerker van Zijn diepste lijden en klaagde Hij Zijn verlatenheid uit. Weet u waarom? Opdat Gods kinderen in de bangste nachten Christus’ nabijheid zouden mogen ervaren. Dat zien we hier ook in het leven van Paulus en Silas.

 

Gemeente, het gaat in deze dienst over: Nacht in Filippi. In die nacht moeten de apostelen de versmaadheid van Christus dragen. Dat zagen we in het eerste punt van de preek. Ze mogen echter ook de nabijheid van Christus ervaren. Dit is onze tweede gedachte.

 

  1. Het ervaren van de nabijheid van Christus

 

We lezen in de tekst: En omtrent den middernacht baden Paulus en Silas en zongen Gode lofzangen. Deze mannen mogen in de nacht van Filippi de nabijheid van Christus ervaren. Dit komt uit in bidden en zingen. Omtrent de middernacht, wanneer de nacht op zijn donkerst is, mag het licht zijn in de gevangenis. Licht in het hart van Gods dienstknechten. Het licht van Gods genade in de Heere Jezus Christus.

Satan heeft alle wegen toegesloten. Maar één weg kan hij niet toesluiten, jongens en meisjes. Dat is de weg die van boven naar beneden loopt en van beneden weer naar boven. Die weg loopt van het binnenste heiligdom van de hemel naar de binnenste kerker van Filippi. In dat binnenste heiligdom is de Voorloper ingegaan, de Heere Jezus Christus. Hij zit daar aan de rechterhand van Zijn Vader en zorgt voor Zijn strijdende gemeente op de aarde. Hij bidt daar voor Zijn volk. Van Hem geldt het: Alzo Hij altijd leeft om voor hen te bidden (Hebr.7:25).

De weg van het heiligdom boven in de hemel naar de kerker hier beneden in Filippi blijft geopend. En daarom is er ook een weg van beneden naar boven, een weg vanuit de binnenste kerker naar de hemel. Die weg houdt de Heere Jezus Christus Zelf open. Dit kan satan niet tegenhouden, dit kan de stadsoverheid niet beletten, dit kan de stokbewaarder niet verhinderen. Christus doet Zijn verdrukte dienstknechten hier in de binnenste kerker Zijn troostvolle nabijheid ervaren.

 

En daarom lezen we in de tekst: baden Paulus en Silas. Vanuit het donkere kerkerhol zenden de apostelen hun gebeden op naar de hemel der heerlijkheid. Ze mogen hun harten uitstorten voor de Heere. Hier is het waar:

           

‘k Hef mijn ziel, o God der goden,

Tot U op; Gij zijt mijn God;

‘k Heb op U vertrouwd in noden;

Weer van mij toch schaamt’ en spot.

 

Dat mogen die mannen daar in Filippi doen. Ze heffen hun ziel op tot God. In de nood van hun leven is er de opening naar boven. Mogen we dit ook wel eens ervaren? Als alles toegesloten is dat er toch een opening naar boven komt?

 

Gemeente, hier is het praktijk wat Jakobus schrijft: Is iemand onder u in lijden? Dat hij bidde (Jak.5:13). En nu zíjn de apostelen hier in lijden. En in hun lijden bidden zij. Ze storten hun hart uit voor de Heere. Ze kunnen hun handen niet vouwen, want die zijn gebonden. Maar ze mogen hun harten opwaarts heffen naar de hemel. Nee, ze spreken niet in het luchtledige. Ze bidden tot de levende God.

 

Hier wordt doorleefd wat Paulus later zal schrijven aan de gemeente van Filippi: Weest in geen ding bezorgd; maar laat uw begeerten in alles, door bidden en smeken, met dankzegging bekend worden bij God; En de vrede Gods, die alle verstand te boven gaat, zal uw harten en uw zinnen bewaren in Christus Jezus (Fil.4:6-7).

De apostelen mogen hier in heilige onbezorgdheid hun harten uitstorten voor de Heere. Ze mogen alles met bidden en smeken en dankzegging bekendmaken bij God. En zo ervaren ze hier in de nacht van Filippi iets van de vrede Gods in hun hart. Die gaat toch alle verstand te boven? We kunnen dit met ons verstand toch niet begrijpen? Als je daar nu ligt in de binnenste kerker, met een kapotgeslagen rug, de voeten in de stok, uitgeschakeld, de mond gesloten, wellicht voorgoed. En dan alles de Heere bekend maken. En al biddend iets ervaren van de vrede Gods die alle verstand te boven gaat, en die de harten en de zinnen bewaart in Christus Jezus. Want dan houdt de Heere hun harten en zinnen bedaard. Dan mogen ze in deze benarde omstandigheden rust hebben in de Heere.

 

Baden Paulus en Silas. We kennen de uitdrukking: Het gebed is de ademtocht van de ziel. Ademen hoort bij het leven. Zo hoort bidden bij het nieuwe leven dat de Heere werkt. Zonder ademen kunnen we niet leven. Zonder bidden kunnen Gods kinderen niet leven.

Hoe is het met óns op dit punt, gemeente? Hoe staat het met het gebed in uw, in jouw, in mijn leven? Is het gebed de adem van mijn ziel? Op alle momenten van de dag en als we wakker zijn in de nachten? Kunnen we niet zonder gebed, of vergeten we het vaak?

Hier ligt ook een vraag voor Gods kinderen. Ga uw leven eens na. Het gebed is de thermometer van het geestelijk leven. Aan de behoefte aan het gebed kunnen we peilen hoe het met ons geestelijk leven staat. Is het dan vaak niet beneden de maat? Of mag het door genade anders zijn?

 

Wat is de reden waarom Paulus en Silas in de binnenste kerker bidden? Uiteindelijk omdat Christus in het binnenste heiligdom voor hen bidt. Hij bad bij dagen en nachten tijdens Zijn omwandeling op aarde. Hij heeft gebeden in de bangste nacht van Zijn leven. Hoor Hem smeken in de nacht van Gethsémané: Vader, of Gij wildet deze drinkbeker van Mij wegnemen, doch niet Mijn wil, maar de Uwe geschiede (Luk.22:42). Hoor Hem kermen in de nacht op Golgotha: Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? (Matth.27:46). Na Zijn hemelvaart bidt Hij aan de rechterhand van Zijn Vader voor Zijn verdrukte volk op grond van Zijn volbrachte Middelaarswerk.

Voor de Borg was er de volle drinkbeker van Gods toorn die Hij tot de laatste druppel moest leegdrinken. Voor Gods volk zijn er enkele druppels in de beker van de verdrukking, door hun hemelse Vader hun toegeschikt. Maar daarin staat de Meester aan hun zijde. En daarom mogen zij in hun bangste nachten het hart uitstorten bij God en zullen ze nooit geheel verlaten zijn.

 

Baden Paulus en Silas en zongen Gode lofzangen. Er staat in het Grieks: ‘biddende zongen zij Gode lof’. Hun gebed wordt een lofzang. Dit bidden wordt zingen. Hun bidden wordt aanbidden. Wat een wonder! Deze mensen kunnen zich nauwelijks bewegen. Ze liggen daar in de binnenste kerker, vastgeketend, de voeten in de stok. Maar God neemt de last van hun schouders af. Calvijn zegt dat ze standvastig gemoedigd zijn om het kruis te dragen. God geeft hun kracht. Satan wil gebondenheid doen ervaren, maar de Heere stelt Zijn dienstknechten in de vrijheid.

 

Gemeente, weet u wat hier praktijk is? Wat Paulus later geschreven heeft aan de gemeente van Filippi: Verblijdt u in den Heere te allen tijd; wederom zeg ik: Verblijdt u (Fil.4:4). Dat is wonderlijk. Hoe kun je nu verblijd zijn in de Heere te allen tijd? Iemand zegt: Als je voorspoed hebt kun je wel blij zijn, maar in tegenspoed?

Nu is op zichzelf genomen vreugde in voorspoed nog niet de ware blijdschap in God. Die blijdschap is een vreugde die de wereld niet kent. Die vreugde kan zelfs gegeven worden in een weg waar alles tegen ons in gaat.

Hier in die donkere gevangenis is het waar wat Jakobus zegt: Is iemand goedsmoeds? Dat hij psalmzinge (Jak.5:13). En nu mogen deze mensen goedsmoeds zijn en psalmen zingen in de donkere nacht van Filippi. Weer moeten we zeggen dat we dit met het verstand niet kunnen begrijpen. 

Wíj weten de afloop van de geschiedenis. Wíj weten dat er straks een aardbeving komt en dat de stokbewaarder bekeerd wordt. Dat de apostelen morgen uit Filippi vertrekken en naar Thessaloníca reizen. Dat er nog een heel leven wacht voor Paulus en dat hij nog veel meer plaatsen zal aandoen. Maar dat weten de apostelen op dit ogenblik níet. Ze hebben hier de dood voor ogen. Eigenlijk staan ze hier aan het einde van hun leven. En tóch zijn ze goedsmoeds. Ze zingen lofzangen. Hier is het waar:

           

‘k Zal Zijn lof, zelfs in den nacht,

Zingen, daar ik Hem verwacht,

En mijn hart, wat mij moog’ treffen,

Tot den God mijns levens heffen.

 

Gemeente, hoort u hoe Lukas het hier verwoordt? Ze zongen Góde lofzangen. Dat zijn lofzangen, gericht op de Heere en op Zijn eer. Hier buigen de apostelen onder God. Ze mogen het eens zijn met God. Hier verliezen Gods dienstknechten zich in God. Het is alles goed wat God doet. Hier verblijden Paulus en Silas zich in God. Hij is de Bron van hun vreugde. Ze hebben aan Hem genoeg, zonder dat ze de uitkomst weten.

Het is hier in de harten van deze mensen zoals eens iemand heeft gedicht, bewerkt naar een lied van de nadere reformator Jodocus van Lodenstein: 

 

Zalig, zalig, niets te wezen

In ons eigen oog voor God.

Eigen zin en lust te vrezen,

Steeds te rusten in ons lot.

Need’rig, kinderlijk en stil

Ons te voegen naar Zijn wil.

 

Mag Uw Naam maar eer ontvangen,

‘t Ga ons slecht, of ‘t ga ons goed,

Dat alleen is ons verlangen,

Trouwe Vader, wat Gij doet.

Eer is ‘t ons, hoe laag het schijn’,

Zalig, niets voor U te zijn.

 

Dus hier is er een buigen onder God, een zich verliezen in God, een zich verheugen in God. En zo klinken in de donkerste nacht de schoonste lofzangen. Hoe kan dat nu? Mogen we u en jou opnieuw wijzen op die Ene in het hemelse heiligdom? Er is immers een band tussen Hem, de Heere Jezus Christus als de grote Voorbidder in het binnenste heiligdom, en Gods dienstknechten hier op aarde in de binnenste kerker?

 

Gemeente, die Ene in dat binnenste heiligdom, Jezus Christus de Rechtvaardige, heeft hier op aarde óók gezongen. Hij zong lofzangen tot eer van Zijn Vader en tot troost van Zijn volk. We lezen bij het laatste Pascha: En als zij den lofzang gezongen hadden, gingen zij uit naar den Olijfberg (Matth.26:30). Tijdens de paasmaaltijd zong men het Hallel, de psalmen 113 tot en met 118. Samen met Zijn discipelen heeft de Borg deze psalmen op Zijn lippen genomen. Vooral droeg Hij deze psalmen in Zijn hart en heeft Hij ze in Zijn lijdensgang vervuld.

De Heere Jezus Christus zong Psalm 116: De banden des doods hadden mij omvangen, en de angsten der hel hadden mij getroffen; ik vond benauwdheid en droefenis (Ps.116:3). Hij zong ook Psalm 118: Ik zal niet sterven, maar leven; en ik zal de werken des Heeren vertellen (Ps.118:17). Zo moest de Borg Christus tot in de diepste diepten van de uiterste Godverlatenheid de banden van de dood en de angsten van de hel ervaren om Zijn volk in hun diepten te hulp te kunnen komen. Hij is gestorven om eeuwig te leven. De verdiensten door Zijn sterven past Hij als de levende Zaligmaker toe.

 

De dichter zingt: En des nachts zal Zijn lied bij mij zijn, het gebed tot den God mijns levens (Ps.42:9). Hier heffen de apostelen hun gezangen op in de nacht vanuit de kerker. In de verdrukking wordt soms het meest van de hemel ervaren. In uitzichtloze wegen waarin wij vanuit onszelf geen enkel doorzicht hebben, wil de Heere soms juist iets van die lofzangen leren. Dan worden er wel Gode lofzangen geboren, die we zonder die diepe weg nooit hadden geleerd. Dan mag het zijn in de nacht: Zingen daar ik Hém verwacht. En dat kan nu alleen om Christus’ wil, Die gezongen heeft in de bangste nacht van Zijn lijden.

Zo is dat nog wel in het leven van Gods kinderen. Dat kan zijn zoals hier in de gevangenis in benarde omstandigheden. Het kan zijn in het ziekenhuis bij het ontvangen van een slechte boodschap of bij een ingrijpende behandeling. Het kan zijn bij het overlijden van een geliefde. Het kan zelfs zijn bij het naderen van ons levenseinde op het sterfbed. We weten van verschillende martelaren dat ze zingend de brandstapel of de ladder naar de galg opgingen, omdat de Heere nabij was. Ook nu ondersteunt de Heere Zijn kinderen soms zó krachtig dat ze in de bangste nachten Gode lofzangen kunnen zingen.

 

Als Christus bediening schenkt vanuit Zijn drie ambten mag de Kerk er een heilig gebruik van maken. Zie het hier bij Paulus en Silas in de nacht van Filippi. De apostelen mogen vanuit de bediening van Christus vanuit het heiligdom alles vinden om staande te blijven. Christus is hun hoogste Profeet, Die hen onderwijst en leert van de weg die zij gaan moeten. Christus is hun enige Hogepriester, Die voor hen Zijn verzoeningswerk heeft gedaan en met Zijn voorbede tussentreedt bij de Vader. Christus is hun eeuwige Koning, Die hen bewaart en hen richt op God.

Hoe meer bediening er is uit Christus, hoe meer Gods kinderen naar de Heere uitgedreven worden. Want het werk van Christus richt een zondaar op God. En dat mag hier gebeuren: En omtrent den middernacht baden Paulus en Silas en zongen Gode lofzangen.

 

En zo klinkt het in de nacht, wat we nu eerst samen zingen uit Psalm 42 vers 5:

 

Maar de Heer’ zal uitkomst geven,

Hij, die ’s daags Zijn gunst gebiedt;

‘k Zal in dit vertrouwen leven,

En dat melden in mijn lied;

‘k Zal Zijn lof zelfs in den nacht

Zingen, daar ik Hem verwacht;

En mijn hart, wat mij moog’ treffen,

Tot den God mijns levens heffen.

 

Gemeente, de preek gaat over: Nacht in Filippi. We hebben gezien het dragen van de versmaadheid van Christus en het ervaren van de nabijheid van Christus. Er ligt nog iets in onze tekst: het voortgaan van de arbeid van Christus. Daar letten we op in de derde gedachte.

 

  1. Het voortgaan van de arbeid van Christus

 

Over dat voortgaan van de arbeid van Christus lezen we twee dingen: En de gevangenen hoorden naar hen. Dat is het eerste. En er geschiedde snellijk een grote aardbeving, alzo dat de fundamenten des kerkers bewogen werden; en terstond werden al de deuren geopend, en de banden van allen werden los. Dat is het tweede. Dus horen en beven zijn de twee zaken die hier worden beschreven met betrekking tot de voortgang van Gods werk.

De arbeid van Christus gaat voort. Daarover schrijft Lukas in zijn tweede boek, de Handelingen. Dit bijbelboek wordt afgesloten met het woord onverhinderd (Hand.28:31). Gods werk gaat voort, ook door de nachten heen, onverhinderd. Geen vijand zal dit tegen kunnen houden. Dat blijkt ook hier.

 

En de gevangenen hoorden naar hen. Zelfs als hier de apostelen met de voeten in de stok in de binnenste kerker verblijven gaat de Heere voort met Zijn werk. De dienstknechten van de Allerhoogste bidden en zingen Gode lofzangen. Er klinkt een getuigenis van Gods genade in de gevangenis. Satan stopt de monden van de apostelen, maar Christus opent ze.

Oudvader Florentius Costerus zegt in een preek over dit gedeelte: ‘De apostelen worden belet om in de huizen en in de synagogen te spreken, maar ze vinden in de gevangenis toehoorders.’ De Heere bestuurt het zó dat de apostelen in de binnenste kerker omtrent de middernacht mogen getuigen en ook toehoorders hebben. Wat zijn Gods wegen wonderlijk. Mogelijk hebben Gods dienstknechten gedacht dat ze de weg der zaligheid niet langer meer zullen verkondigen. Maar nu mogen ze biddend en zingend iets van het Evangelie verbreiden en ingeschakeld worden bij de voortgang van Gods Koninkrijk.

Dit Griekse woord voor ‘horen’ betekent ‘aandachtig luisteren’. Dus die gevangenen hebben zeer aandachtig toegehoord. Ze werden erdoor getroffen. Wat horen ze hier nu toch in de gevangenis? Geen vloeken en schelden, maar bidden en zingen. Wellicht hebben ze de woorden niet eens niet verstaan. Maar ze begrijpen wél dat deze biddende en zingende mensen een God hebben Die voor hen zorgt. Er gaat rust van hen uit.

 

Zo mogen deze gevangenen in de nacht zonder veel woorden het Evangelie beluisteren dat God goed is voor slechte mensen en dat God zorgt voor Zijn kinderen. Deze gevangenen zijn mensen die heel dicht bij de voltrekking van hun doodvonnis zijn. Uiteindelijk was er maar één gang vanuit de kerker en dat was naar de plaats waar het doodvonnis voltrokken werd. Nu mogen deze gevonniste mensen op de valreep nog iets van het Evangelie horen.

Gemeente, wij liggen van nature ook onder het doodvonnis. In het Paradijs heeft de Heere gezegd: Van allen boom dezes hofs zult gij vrijelijk eten, Maar van den boom der kennis des goeds en des kwaads, daarvan zult gij niet eten, want ten dage als gij daarvan eet, zult gij den dood sterven (Gen.3:16,17). We zijn allen door de zondeval geestelijk dood. We leven gescheiden van de Heere en van Zijn gemeenschap. We moeten allen de tijdelijke dood sterven als onze ziel gescheiden wordt van ons lichaam. Als we onbekeerd sterven wacht ons de eeuwige dood in de buitenste duisternis.

Nu is dat vonnis nog niet voltrokken. We leven, om het zo te zeggen, in de tijd tussen de uitspraak en de uitvoering van ons doodvonnis. Nu mogen wij het Evangeliewoord nog horen. O, ouderen en jongeren, hoor vandaag de boodschap van verlossing in uw en jouw gevangenis: Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere Heere, zo Ik lust heb in den dood des goddelozen! Maar daarin heb Ik lust, dat de goddeloze zich bekere van zijn weg en leve. Bekeert u, bekeert u van uw boze wegen, want waarom zoudt gij sterven, o huis Israëls? (Ez.33:11).

Dan is er vandaag geen mens te goddeloos, te hard of te koud om Gods stem te horen en bekeerd te worden. Niemand is te jong, maar ook niet te oud om het nieuwe leven van de Heere te krijgen. Gevangenen mogen het Evangelie horen. Gods genade is verkrijgbaar voor de grootste zondaar. En deze genade wordt u om niet aangeboden. Hoort u het, gemeente?

Ook Gods gebonden kinderen voor wie de banden steeds meer gaan knellen mogen het bevrijdende Evangelie horen dat er Eén gekomen is om de gebondenen opening van de gevangenis te geven. Zijn Naam is Jezus. O, houd moed, gebonden volk!

 

En gevang’nen in hun zuchten

Horen, als zij tot Hem vluchten;

Om hen uit de wrede kaken

Van den dood eens los te maken.

 

En er geschiedde snellijk een grote aardbeving. Dit is het tweede waarop we wijzen in verband met de voortgang van het werk van Christus. De Heere grijpt in. Snellijk. Het is als een antwoord op hun gebed. Zoals de Israëlieten moesten juichen vóór de muren van Jericho vielen, zoals het leger van Jósafat moest zingen vóór de machtige vijanden werden verslagen, zo volgt hier op het Gode lofzangen zingen door de apostelen een grote aardbeving die verlossing brengt.

Een aardbeving is een teken van Gods majesteit. Denk aan de wetgeving op Sinaï, toen de aarde beefde. Vervolgens sprak God Zijn woorden tot het volk. Wat heeft het volk gebeefd voor die Goddelijke majesteit! Bij het verlossingswerk van Christus horen we ook van aardbevingen. Na het sterven van de Heere Jezus op Goede Vrijdag en bij Zijn opstanding op Pasen beefde de aarde. Een aardbeving heeft ook te maken met het eindgericht. Vóór de dag van de wederkomst zullen er aardbevingen zijn op verschillende plaatsen, gevolgd door de ontzaglijke aardbeving op de jongste dag.

Zo zal door deze aardbeving in Filippi straks het hart van de stokbewaarder in beweging komen. Dan gaat God Zijn wet inschrijven in het hart van deze ruwe gevangeniscipier en hem stellen voor Zijn gericht. Maar dan gaat de Heere ook het verlossingswerk van Christus toepassen in zijn leven.

 

En er geschiedde snellijk een grote aardbeving. Het is ook een bemoediging voor de apostelen. De Heere verhoort hun gebed.

 

Hij zag van Sion neer,

De woonplaats van Zijn eer,

En hoorde mijn gebeden.

 

Vervolgens worden de fundamenten bewogen, de deuren van de gevangenis geopend en de banden losgemaakt. Werkelijk een grote aardbeving tot bevrijding. Een aardbeving in het teken van ‘onverhinderd’. Want door deze aardbeving heen gaat Christus voort met Zijn arbeid. Gods Koninkrijk wordt uitgebreid. Over enkele ogenblikken gaat de stokbewaarder hier in de nacht van Filippi vragen: Lieve heren, wat moet ik doen, opdat ik zalig worde?

 

In 2016 was er op een zaterdag in april een grote aardbeving in Ecuador. De stad Portoviejo werd zwaar getroffen. De volgende dag mocht de zendingsgemeente ondanks deze ingrijpende gebeurtenis toch samenkomen. Hoewel er veel slachtoffers te betreuren waren, had de Heere alle bezoekers van de gemeente in het leven gespaard. De evangelist sprak over deze geschiedenis uit Handelingen 16 en vroeg aan de hoorders: Moest de aarde hier nu beven, opdat er ook harten van mensen in beweging zullen komen?

Vandaag komt tot ons allen de vraag: Zijn de fundamenten van óns leven al in beweging gebracht? Of leven we onbewogen en dodelijk gerust verder? Hoe is het met jullie, jongeren? Is de deur van je hart al geopend? Zijn de banden waarmee je gebonden bent aan de zonde, de duivel en de wereld al losgemaakt? Als dit nog niet zo is, smeek dan: ‘O Heere, werk het door de kracht van Uw Geest ook in mijn hart, uit genade, om Jezus’ wil!’ Dit kan voor alle leeftijden.

 

Gemeente, de arbeid van Christus gaat voort, ook door de nacht van Filippi. Dit ligt gegrond in Gods welbehagen. De profeet Jesaja heeft geprofeteerd: En het welbehagen des HEEREN zal door Zijn hand gelukkiglijk voortgaan (Jesaja 53:10). Wat ligt de zaligheid van Gods Kerk toch vast in de verkiezing van de Vader en in de verlossing van de Zoon. De Heilige Geest zal zorgen voor het toebrengen van Gods uitverkorenen. Het loopt de Heere nooit uit de hand.

Christus zal Zijn loon hebben, Zijn volle loon op Zijn Middelaarsarbeid. Daar zal straks niet één van Gods gekenden ontbreken. Zullen wij er ook bij zijn? 

 

In de nacht is het donker. Maar als er in die donkere nacht iets mag ervaren worden van de bediening van Christus vanuit het binnenste heiligdom, is het ook licht.

En zo klinkt hier in Filippi een lofzang in de nacht. Het zijn de eerste tonen van de vrolijke lofzangen van bevrijding die straks door Gods kinderen zullen worden gezongen, daar waar het altijd dag is.

 

En aldaar zal geen nacht zijn (Openb.22:5). Kinderen des Heeren, vertroost elkaar met deze woorden.

Amen.

 

Slotzang: Psalm 3:2

 

Maar, trouwe God, Gij zijt

Het schild, dat mij bevrijdt,

Mijn eer, mijn vast betrouwen;

Op U vest ik het oog;

Gij heft mijn hoofd omhoog,

En doet m’ Uw gunst aanschouwen.

‘k Riep God niet vrucht’loos aan;

Hij wil mij niet versmaân,

In al mijn tegenheden;

Hij zag van Sion neer,

De woonplaats van Zijn eer,

En hoorde mijn gebeden.