Ds. H. Brons - Lukas 18 : 1 - 8

Bidden als de weduwe

Lukas 18
Bidden in verdrukking
Verhoring in verdrukking
Verwachten in verdrukking

Lukas 18 : 1 - 8

Lukas 18
1
En Hij zeide ook een gelijkenis tot hen, daartoe strekkende, dat men altijd bidden moet, en niet vertragen;
2
Zeggende: Er was een zeker rechter in een stad, die God niet vreesde, en geen mens ontzag.
3
En er was een zekere weduwe in dezelfde stad, en zij kwam tot hem, zeggende: Doe mij recht tegen mijn wederpartij.
4
En hij wilde voor een langen tijd niet; maar daarna zeide hij bij zichzelven: Hoewel ik God niet vreze, en geen mens ontzie;
5
Nochtans, omdat deze weduwe mij moeielijk valt, zo zal ik haar recht doen, opdat zij niet eindelijk kome, en mij het hoofd breke.
6
En de Heere zeide: Hoort, wat de onrechtvaardige rechter zegt.
7
Zal God dan geen recht doen Zijn uitverkorenen, die dag en nacht tot Hem roepen, hoewel Hij lankmoedig is over hen?
8
Ik zeg u, dat Hij hun haastelijk recht doen zal. Doch de Zoon des mensen, als Hij komt, zal Hij ook geloof vinden op de aarde?

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 146: 1
Zingen : Psalm 146: 7
Lezen : Lukas 17: 30 - 18: 1-8
Zingen : Psalm 77: 5, 6, 7
Zingen : Psalm 72: 7
Zingen : Psalm 26: 1, 12

Het Schriftwoord dat ik u vanmorgen met de hulp des Heeren mag prediken, vindt u in het gelezen gedeelte. De tekstwoorden zijn Lukas 18 de verzen 1 tot en met 8. Ik lees u alleen het eerste vers.

 

En hij zeide ook een gelijkenis tot hen, daartoe strekkende, dat men altijd bidden moet, en niet vertragen.

 

Bidden als de weduwe. Dat is het thema van de preek.

 

We letten op drie aandachtspunten.

 

  1. Bidden in verdrukking.
  2. Verhoring in verdrukking.
  3. Verwachten in verdrukking.

 

Bidden als de weduwe. We letten eerst op bidden in verdrukking. We zien een weduwe die door een rechter heel onrechtvaardig behandeld wordt.

In de tweede plaats staan we stil bij verhoring in verdrukking. Uiteindelijk hoort die rechter de weduwe toch! Zou de Heere dan ook niet verhoren?

Het laatste punt is: verwachten in verdrukking. Christus spreekt over een gelovig en biddend verwachten. Zal de Zoon des mensen als hij terugkomt nog geloof en verwachting op aarde vinden?

 

  1. Bidden in verdrukking

We staan vandaag stil bij een weduwe. Haar naam kennen wij niet. De Heere wel. Hij kent in het bijzonder de namen van weduwen. Ze mogen dat soms wel ervaren. We hebben zojuist gezongen uit Psalm 146, waarin de Heere dat Zelf belooft.

Christus vraagt in de gelijkenis over de onrechtvaardige rechter aandacht voor de moeite van een weduwe. Natuurlijk hebben niet alleen weduwen moeiten en verdriet maar ook allerlei andere mensen. Verdriet gaat niemand voorbij. De Heere vertelt deze gelijkenis ook opdat we zullen opmerken dat deze vrouw niet alleen is.

 

We lezen dat de Heere die weduwe persoonlijk ziet. We zien hoe ze onder haar moeiten is: ze bidt. We horen ook waarom ze bidt. Ook wij moeten bidden en niet vertragen.

 

De gelijkenis in hoofdstuk 18 volgt direct op hoofdstuk 17 waarin gesproken wordt over de Zoon des mensen, Christus Jezus, Die heen zal gaan op de wolken en eens weer zal keren. Het gedeelte eindigt met een vraag aan ons allemaal: zal de Zoon des mensen als Hij terugkomt dan nog geloof vinden op de aarde? Daarom zegt de gelijkenis over de weduwe iets over iedereen die die bidt met een gebed dat de Heilige Geest werkt.

In de wereld waarin wij leven kan een weduwe niet tegelijk bruid zijn. Toch is dat in de gelijkenis die Jezus uitspreekt wél zo. Het weduwengebed is ook het bruidsgebed in Openbaring 22: ‘Kom! Ja, kom Heere Jezus. Kom haastig!’

 

De weduwe bidt in haar verdrukking. In Zijn gelijkenissen neemt Christus meestal voorbeelden uit het gewone leven; om Zijn woorden dicht aan het hart van Zijn hoorders te leggen. Dit is ook een opdracht aan alle predikers: ze mogen voorbeelden ontlenen aan het dagelijks leven. In de gelijkenis die we overdenken is dat een weduwe, waarvan er, zoals de Bijbel zegt, velen waren in Israël.

 

Wat een diep verdriet is het als u weduwe of weduwnaar bent. Er zijn er velen onder ons die dat ervaren. De helft is als het ware van je afgescheurd. Dat gemis is er dagelijks!

In de gelijkenis zien we ook een weduwe. Wanneer je weduwe was in Israël, in het Midden-Oosten, stond je er in heel veel opzichten alleen voor. Je mist niet alleen de arm om je schouder die je troosten kan. Je mist dan ook iemand die voor je inkomen zorgt als je kinderen nog klein zijn. Je hebt geen helper en niemand die je kan vertegenwoordigen bij een rechtszaak in de poort. Niemand die je offers voor je gezin in de tempel kan brengen. Je staat er alleen voor! Daarom lezen we vaak in de Bijbel dat een weduwe door mensen niet gezien wordt, maar door God wel.

Zo is het nu ook in deze gelijkenis. De Heere neemt het in de moeilijke omstandigheden, in de verdrukking die de weduwe ervaart, voor haar haar op.

 

Er is een rechter in een stad. In het Grieks staat er: in een zekere stad. Een rechter, in een voor ons onbekende stad. Over die rechter wordt echter veel gezegd.

Een rechter is een belangrijk iemand. Of hij een Joodse rechter is of een Romeinse, daarover zegt de Heere in deze gelijkenis niets. We weten wel dat de Joden op bepaalde terreinen hun eigen rechtsspraak mochten behouden. Zou een Romeinse rechter zich bekommeren om een weduwe? Het kan dus heel goed een rechter uit het Joodse volk geweest zijn. Zijn optreden en wat er over hem gezegd wordt, maakt het dan des te schrijnender.

Hoe het ook zij, we lezen over hem dat hij God niet vreest. Maar hij moet zich wel aan de wet houden. Ieder mens weet immers dat er een God is; iets van Zijn Wet is volgens Romeinen 1 in elk mensenhart geschreven, hoewel je het ver weg kunt duwen.

De rechter uit de gelijkenis vreest God niet. Als hij een Jood is, is hij waarschijnlijk als jongen heel vaak in de Wet van God onderwezen. Tóch heeft hij geen ontzag voor die God. Hij leeft zijn leven, hij zorgt goed voor zichzelf, hij vreest geen mens en bekommert zich om niemand!

 

Er zijn mensen die menen dat het juist goed is dat een rechter geen rekening houdt met mensen. In zekere zin is dat ook zo. Een rechter moet onpartijdig zijn. Romeinen beeldden vrouwe Justitia – de godin van de rechtspraak – af met een blinddoek. Een rechter mag mensen niet naar de ogen zien.

Hier wordt echter niet bedoeld dat een rechter onpartijdig moet zijn. Er is hier heel iets anders aan de hand. Dit is een rechter die geen mens ontziet. Een rechter die pas in actie komt wanneer hij niet anders kan of als het hem voordeel oplevert. Kan dat? Ja, als rechters omkoopbaar zijn en het recht buigen naar de sterkste en de rijkste. Zo’n man wordt hier getekend. Hij denkt alleen maar aan zichzelf.

 

En dan lezen we dat er een zekere weduwe is in dezelfde stad. Dat woordje ‘zekere’ staat er niet in het Grieks. Dat betekent dat deze weduwe door de Heere Jezus anders wordt gezien dan die rechter. Zij is voor Hem belangrijker! In onze samenleving is het andersom. Een rechter is belangrijk en we zien tegen hem op. Zo iemand wil je bij je vriendenkring hebben. Hij heeft invloed, je kunt er gemak van hebben. 

 

Een zeker weduwe in een stad. Ze komt op voor haar recht maar we weten niets over haar zaak. Dat kan van alles zijn. In het Oude Testament lezen we regelmatig dat de Heere afzonderlijke wetten geeft voor weduwen en wezen, bijvoorbeeld in het boek Spreuken. Er zijn mensen die de grenspalen van hun land hebben verzet. Dat kan natuurlijk heel makkelijk bij een jonge weduwe of wees. Je buurman ziet dat het gras daar groener is. Hij zet de palen of stenen een meter of vijf of tien terug. Dan heb je opeens minder land en inkomsten! Iemand moet dan rechtspreken. Met zo’n zaak kun je naar een rechter gaan.

We stellen ons voor dat die rechter in een groot huis woont. In één van de kamers wordt op vaste tijden rechtgesproken. Mensen die een zaak hebben mogen die voorleggen.

Onze weduwe doet dit ook. ‘Doe mij recht tegenover mijn tegenpartij.’ De rechter is verplicht haar te woord te staan en dat doet hij ook. Hij zal gezegd hebben: ‘Ik heb u gehoord, ik kom erop terug. U hoort later van mij.’

Wie haar tegenpartij is, haar vijand, weten we niet, maar het betreft een kwestie die ze niet zelf op kan lossen.

 

Een rechter geeft hoop. ‘Ik kom erop terug’, zei hij, maar er gebeurt helemaal niks. Ze kan geen geld geven aan die rechter. Wat moet ze nu doen?

Ze heeft maar één keus. Dat is terugkomen, op een andere dag, misschien weken later. Terugkomen op het uur van de rechtsspraak, naar binnen gaan, en vragen: ‘O rechter, doe mij recht.’

De rechter luistert echter niet eens naar haar. Hij sluit de zitting en een week later is ze er weer. Ze krijgt niet eens de kans om iets te zeggen en dus roept ze tussendoor: ‘Doe mij recht. Help mij.’ Het gaat zo ver dat de rechter tegen zijn knechten zegt: ‘Als die vrouw wéér komt, zorg dan dat ze niet naar binnen kan.’ En dan roept de weduwe op de binnenplaats van dat grote huis: ‘Doe mij recht, ontferm u, help mij!’

 

We horen zo meteen hoe het afloopt, maar we letten eerst op het roepen van de weduwe:

‘Doe mij recht!’ Iemand heeft haar benadeeld. Doe mij recht tegen mijn wederpartij, zegt ze.

Het zijn woorden die vaker in de Bijbel terugkomen. Straks hopen we Psalm 26 te zingen. Daarin vind je het ook: Doe mij recht, Heere! Het zijn ook woorden die Job in zijn smeekgebed naar de hemel opzendt, als hij alles verloren heeft. Hij spreekt de Heere aan: ‘Zou God dan het recht verkeren. Zou Hij het omdraaien? Zal de Almachtige, Die alles kan en weet, gerechtigheid verkeren? Omdraaien in het tegendeel, in ongerechtigheid, in oneerlijkheid? Zou God zijn gena vergeten, nooit meer van ontferming weten?’

Het is de taal van Job. Het is de taal van de Psalmen.

In Job 19 horen we: Ziet, ik roep, geweld! doch word niet verhoord; ik schreeuw, doch er is geen recht. Net als die weduwe, maar ik word niet verhoord. Ik schreeuw: ‘Er is geen recht!’ Jeremia roept ook naar de hemel. Hij kreunt in diepe verlatenheid en er komt maar geen antwoord.

 

Als we deze woorden in de Bijbel lezen, zou je kunnen denken: mag je wel zo bidden? Maar er zijn mensen – ik geloof het echt – die daar wel iets van weten. Je brengt je nood naar de hemel. Je roept om antwoord. Je smeekt om een geopende hemel: ‘Doe mij recht, tegen mijn wederpartijder. Help mij Heere!’

Toch kan het om verschillende redenen wél verwarrend zijn. Eén daarvan is dat het zo lang kan duren. Daar hopen we op terug te komen in het tweede punt. Mag je wel zo bidden: ‘Doe mij recht?’ We zeggen toch zo vaak dat een mens helemaal geen rechten heeft? Dan kun je toch niet bidden: ‘Doe mij recht?’

 

Gemeente, dit gebed staat in de Bijbel. Het is en voorbeeld, om te bidden zonder ophouden. De Heere Jezus Zelf legde de weduwe een gebed op haar lippen!

Maar, let wel op hoe zij bidt en wat zij bidt.

Hoe bidt onze weduwe?

Ze bidt als een hulpeloze, als iemand die geen beschermer heeft. 

Laten we daar ook op letten in onze gebeden. Bidden we werkelijk als een hulpeloze? Of bidden we alleen maar om wat hulp? Je denkt dan: ‘Heere, eigenlijk heb ik het wel goed gedaan, maar ik heb alleen nog wat hulp nodig.’ In Lukas 18 vers 9 vinden we zo iemand. Daar staat de Farizeeër tegenover de tollenaar. Die Farizeeër zegt, en dat noemt hij bidden: ‘Ik kan best goed bidden en ik kan goede dingen doen, maar U moet mij nog wel te hulp komen.’  

Zó bidt deze weduwe niet. Ze kan de Heere niets meer aanbieden. Ze kan alleen maar haar nood als een hulpeloze, als iemand die geen beschermer heeft, bij de Heere brengen.

 

Doe mij recht. Dat is moeilijk als je denkt: heeft de mens wel recht? Maar let erop, ze zegt niet: ‘Heere, ik heb er recht op, dat U mij verhoort.’ Ze bidt niet als die Farizeeër: ‘Ik heb al zo veel voor U gedaan.’ Nee, ze bidt in haar vertwijfeling, vanuit de moeitevolle omstandigheden waarin de Heere haar gebracht heeft. Het gebed dat zo vaak in de Psalmen klinkt, is ook het gebed van de weduwe. Ze bidt als Mozes: ‘Heere, het is toch niet in overeenstemming met Wie U bent? Wat zult U doen met Uw naam, die vol van recht, majesteit, goedertierenheid en trouw is? Deze duisternis, deze wolken, deze stormwinden die mij omringen. Wolken waaruit regen neerstort! Hoe kan dat bestaan met uw grote Naam?’

 

Die donkere wolken brengt deze vrouw bij de Heere. Ze wringt als het ware die wolk uit, op zoek naar recht, op zoek naar een teken van Gods aanwezigheid, Gods hulp en Gods spreken. Dat is de inhoud van haar smeekgebed! ‘Heere, dit is toch niet in overeenstemming met Uw grote Naam?‘

Ze zegt hiermee echt niet dat ze zelf rechten heeft. Dat zien we ook bij Job. Hij heeft heel veel leed moeten ervaren! Uiterlijk, maar ook innerlijk. Hij heeft moeten zeggen: Wie zal een reine geven uit de onreine? Er is een rechtsgeding, tussen U en mij’, zegt Job tegen de Heere, ‘maar ik heb niets waarop ik me kan beroepen. Ik ben uit een onreine geboren. Ik ben zelf een onreine. Ik bezit niets wat ik U kan aanbieden.’ Job is uiterlijk en innerlijk als de tollenaar geworden, die bidt en smeekt, die de Heere niet kan loslaten.

 

Welnu, tot zulk bidden roept Jezus in de gelijkenis op. Om met die gestalte, maar ook met dat gebed, te bidden en te smeken. ‘Heere, ontferm U. Doe mij recht naar Uw gerechtigheid, want die alleen redt van de dood.’ Zo bidt deze weduwe. De Heere kent haar naam, Hij kent ook haar zaak! Hij zal erop terugkomen.

 

Herkent u zich in deze weduwe? In uw moeilijke omstandigheden en verdriet? We hoeven dat verdriet niet te meten, te wegen en met dat van anderen te vergelijken. We moeten maar niet proberen vast te stellen wie van ons het zwaarste kruis heeft. Je kiest uiteindelijk toch voor je eigen kruis. Het gaat erom of u een zaak hebt tussen u en de Heere. Of u een gebedszaak hebt tussen u en Hem. Of u uw verlorenheid, uw innerlijk verderf, uw moeite, uw leegheid, maar ook uw verlangens voor de Heere neerlegt.

Dan kijk je niet meer alleen naar buiten, maar ook naar binnen. En dan is er een voortdurend gebed. De Heere Jezus zegt Zelf dat wij bidden moeten en niet vertragen. Bidden in verdrukking. Wat wordt deze vrouw verdrukt. Zal ze ook gehoord worden in die verdrukking?

 

Maar de gelijkenis tekent eerst nog de rechter. We lezen: Hij wilde voor een lange tijd niet. Hij wil niet luisteren naar het roepen van de vrouw in de binnenplaats. Hij wil haar misschien wel de toegang ontzeggen. Nu is het wel genoeg geweest. Ik wil je niet meer horen.

Maar na verloop van een lange tijd zegt hij bij zichzelf: Hoewel ik God niet vrees en geen mens ontzie. Er is op zich helemaal geen reden om iets te doen. Die vrouw die steeds terugkomt. Ik wil er eigenlijk niets aan doen. Het hoort wel bij een Bijbelse rechtspraak, maar ik vrees God niet, dus is er geen reden om iets te doen. Als mensen kwaad van me spreken, dat hindert ook niets. Ik let niet op mensen.

 

Toch is er iets wat hem dwars zit: die vrouw blijft hem maar lastig vallen. Hij denkt: Nochtans, omdat deze weduwe mij moeilijk valt. Het gaat hem dus helemaal niet om recht, om wat eerlijk is, maar om verlichting voor zichzelf. Zo zal ik haar recht doen, opdat ze niet eindelijk komt, en mij het hoofd breke.

‘Iemand het hoofd breken’ is een Nederlands spreekwoord geworden, ontleend aan de Statenvertaling. Iets kan je veel hoofdbrekens kosten. Er staat eigenlijk: ze kan wel komen en mij in mijn gezicht slaan met heel veel geweld. Ze valt me moeilijk. Laat ik het toch maar oplossen. Dan ben ik ervan af.

 

De Heere Jezus past deze gelijkenis daarna toe. Wat is de betekenis?

Het is heel belangrijk wat de Heere er Zelf van zegt. Hij zegt: let op. Hoort – let op – wat de onrechtvaardige rechter zegt. Eerst dit: de Heere Jezus noemt hem een onrechtvaardige rechter. Hij is niet onrechtvaardig omdat de rechtszaak lang loopt, want op zich kan dat soms. Nee, hij is onrechtvaardig, omdat hij de zaak steeds maar uitstelt. Er is geen enkele voortgang. Hij denkt alleen aan zichzelf en laat anderen voorgaan. Dat is oneerlijk.

Maar nu de betekenis: Als déze onrechtvaardige rechter, die de weduwe hoort roepen en dan tóch recht doet, zal God dan geen recht doen, Zijn uitverkorenen, die dag en nacht tot Hem roepen, hoewel hij lankmoedig is over hen?

Zal God dan geen recht doen? Heere, bij U is geen onrecht. Er stijgt bijvoorbeeld een gebed op in Nigeria, waar een kerk in brand is gestoken. Er klinkt een gebed in India, waar een weduwe van een voorganger haar nood iedere dag bij de Heere brengt. ‘Denk aan mijn kinderen. Doe mij recht. Heere, zorgt U Zelf voor Uw zaak.’

Doe mij recht! De Heere Jezus wijst door het voorbeeld van die rechter op Zijn Vader. De Heere, Die in de hemel woont, Die daar troont. Hij is de Vader van de Heere Jezus, maar ook Christus Zelf is God. De Heere Jezus wijst omhoog, naar God!

 

Hoort! Let op, zegt de Heere Jezus. Zal God dan geen recht doen, Zijn uitverkorenen? Het woord ‘uitverkorenen’ wijst erop dat er een bijzondere groep is. Het laat iets zien van de vrijheid van Gods genade. Hij zoekt mensen op en trekt ze uit de modder. Ze gaan bidden leren.

God geeft ook kenmerken van die verkiezing. Daar wijzen de Dordtse Leerregels op. Je vindt er ook iets van terug in deze gelijkenis, van een roepen en een smeken om genade. Een honger en dorst naar recht en naar gerechtigheid. Dat is niet een jezelf verheffen. Het is een ontzag voor de Heere. Juist anders dan die rechter die God niet vreest en geen mens ontziet. Dan heb je ontzag en eerbied voor de Heere en liefde tot Hem en andere mensen. Het is onverklaarbaar in je hart gekomen.

 

Die kenmerken zijn er niet om op te rusten, niet om in jezelf te gaan graven, te vergelijken en te rekenen, en intussen het gebed na te laten. Juist in de weg van het gebed wil de Heere er licht over geven. U moet daarom niet vertragen, maar aanhoudend bidden: ‘Doe Gij mij recht.’ U mag zelfs, te midden van zoveel moeite, de vraag op uw lippen nemen: ‘Wat zou U met Uw grote Naam doen?’

De Heere Jezus zegt hier iets over Zijn Vader; iets over God in de hemel. Hij heeft uitverkorenen. Ze roepen dag en nacht: ‘Ik heb mijn tranen onder het klagen, tot mijn spijze dag en nacht.’

 

Bidden in verdrukking. Soms is het een roepen met vreugde. In de gevangenis van Filippi klinken psalmen in de nacht: ‘Ik zal Zijn lof zelfs in de nacht, zingen, daar ik Hem verwacht.’ Je roept dag en nacht tot God, omdat je Hem zo liefhebt, Zijn grote Naam zo liefhebt, en je het niet verdragen kunt dat de omstandigheden niet in overeenstemming zijn met Wie Hij is. Bidden in verdrukking. Tot je een blijk van Zijn nabijheid mag ontvangen, van Gods ontferming. Zo bidt de uitverkorene. Zo bidt de weduwe. Zo bidt de Kerk!

 

Er wordt nog iets over de Heere gezegd: hoewel Hij lankmoedig is over hen. Hij is ook over de weduwe lankmoedig. Wat bedoelt Jezus daarmee?

Het zegt heel veel over Wie de Heere Zelf is. Hij is een God Die rechtvaardig is. Hij is ook een God Die lankmoedig is. Op beide mag de weduwe Hem aanspreken: ‘U bent een God van recht, dan kan het toch niet bestaan dat mijn zaak niet beslecht wordt. U bent een God van lankmoedigheid.’

Wat betekent dat?

Het betekent lang van geduld. Maar, eens komt er een einde aan Gods lankmoedigheid voor mensen die nooit naar Hem vragen. Hij is heel geduldig. Hij lijkt soms Zijn komst te vertragen. Het staat in 2 Petrus 3. Hij lijkt Zijn komst uit te stellen, Zijn voetstappen soms in te houden, omdat Hij nog lankmoedig is over mensen die niet bekeerd zijn. Niet willende dat enigen onder hen, verloren gaan.

Aan die lankmoedigheid komt een einde! Maar niet aan Zijn lankmoedigheid over de weduwe!

Hij is zo verdragend, zo geduldig, zo mede-dragend, zo ontfermend over die roepende weduwe dat Hij zich nooit aan haar ergert. Hij zegt niet tegen Zijn knechten, tegen ouderlingen, diakenen en dominees: ‘Stuur die smekende bedelaars maar weg. Stuur die verdrietige mensen maar weg. Daar word je niet blij van. Dat is alleen maar lastig.’

Nee, in tegendeel! Hij zegt: ‘Zoek ze maar op, met diaconale ondersteuning, met troostrijke woorden. Zoek ze op. Stuur ze niet weg, want Ik stuur ze niet weg. Ze zijn welkom aan Mijn hemelhof. Ik erger Mij niet aan hen. Hun bloed, hun tranen en hun lijden zijn dierbaar, kostbaar in Mijn oog. Ik tel hun tranen, één voor één. Ik bewaar ze in Mijn fles, in Mijn voorraadkamer. Daar komen ze één voor één in. Ik onthoud ze alle en Ik kom erop terug. Ik doe dat haastiglijk.’

 

Maar laten we eerst over deze tranen die zo kostbaar zijn in de ogen van de Heere, zingen uit Psalm 72, het zevende vers:

 

            Nooddruftigen zal Hij verschonen;

            Aan armen, uit gena

            Zijn hulpe ter verlossing tonen;

            Hij slaat hun zielen ga.

            Als hen geweld en list bestrijden,

            Al gaat het nog zo hoog;

            Hun bloed, hun tranen, en hun lijden

            Zijn dierbaar in Zijn oog.

 

Gemeente, bidden als de weduwe. Het is een bidden in verdrukking. Ons tweede punt is:

 

2. Verhoring in verdrukking

Het smeken van de weduwe is een zich neerwerpen voor de Heere; een pleiten op Zijn zaak, op Zijn grote Naam. In de Psalmen zingen we erover. ‘O Heere, dat duldt Uw glorie niet, dat de Kerk zo in stukken uiteenvalt.’ Die verbrande kerken; dat verdraagt zich toch niet met uw glorie? En dan zien we op die verwoeste kerk op het zendingsveld weer een kruis. De Heere is zo getrouw als sterk. Op Zijn tijd hoort Hij dat gebed. Ja, het staat in de gelijkenis; zelfs nog veel sterker!

 

De eerste vraag die klinkt is deze: Zal de Heere haar dan geen recht doen? Zou Hij niet komen tot de Zijnen? Zal God geen recht doen Zijn uitverkorenen?

Er is maar één antwoord mogelijk: Ja! Ik zeg u, dat Hij hun haastiglijk recht doen zal. Ik zal het haastig doen. Volgens sommige mensen betekent dat ‘onverwachts’, maar ik geloof dat het hier toch vooral de betekenis ‘snel’ heeft. Hij zal met haast recht doen.

 

Een scherpe vraag stelt de Heere Jezus aan de hemel: Zal God dan geen recht doen? Het zijn scherpe vragen die ook Job aan de hemel stelt. Hoewel hij later wel moet erkennen dat hij niet altijd de benodigde eerbied in acht heeft genomen. Wij zijn schepselen. Maar ondanks het feit dat Job te ver is gegaan, mag de vraag toch wel gesteld worden: ‘Doe Gij mij recht.’ De Heere Jezus zegt het Zelf. Hij zal het met haast doen. Snel.

 

Wat is dat een troost. Maar het kan ook heel veel vragen oproepen wanneer je let op de omstandigheden die nog steeds niet veranderd zijn. Het is al een heel oud probleem. Ook als je het betrekt op de terugkomst van de Heere Jezus waar de Kerk om moet bidden. Je leest het hier in Lukas 18 en ook in het slot van Openbaring 22. De Kerk bidt of de Heere Jezus terugkomt en Hij is er nog steeds niet. We wachten al tweeduizend jaar en Hij is er nog niet. En toch staat hier dat Hij met haast zal komen.

Het is ook het onopgeloste probleem van Job. Nog steeds met zweren bedekt op de ashoop. Nog steeds een vrouw die hem minacht. Alles kwijt. Het kan tot de bange vraag leiden uit de Psalmen: wie zal ons het goede doen zien? Het komt niet goed. Er komt niets van terecht.

 

Doe Gij, o Heere, Uw aanschijn over mij lichten. Blijven bidden, gemeente. Hoelang is het gebed van de klaagliederen niet? Voortdurend bidden. Waarom? Omdat de Heere dat gebed zo graag hoort. Hij komt met haast, maar wel op Zijn tijd. Die laatste dag, dat Christus weerkomt op de wolken, ligt vast in de raad van Zijn Vader. Blijven bidden. Hij komt spoedig terug. Daarnaar verlangt de weduwe, omdat ze ook bruid is. Ze verlangt naar haar trouwdag, zodat ze haar bruidegom ontmoeten mag in die stralende kleding en met een gezicht dat zo blij is.

Blijven bidden, niet vertragen. Zo wacht de Kerk al tweeduizend jaar, terwijl de Heere zegt dat Hij met haast zal komen.

Waarom komt Hij nog niet?

Wel, Hij wil niet dat enigen verloren gaan. Er is nog een getal van de uitverkorenen dat toegebracht moet worden. Daarom is de aarde er nog. De Heere wil nog jongens, meisjes en ouderen toebrengen. Die zaak heeft haast, maar het is toch op Gods tijd. Spoedig zal Hij komen.

Is het ook uw persoonlijk vraag waarom de Heere Jezus nog niet gekomen is?

Zo niet, wat kan dat tégen ons getuigen. Ik spreek ook degenen aan wie de Heere bidden heeft geleerd. Wat kan het tégen ons getuigen dat we zo weinig verlangen naar de komst van de Bruidegom.

Maar het geldt ook wie nog niet met zekerheid of eigenlijk helemaal niet, iets durven te zeggen van dat verlangen. Zo ver ben ik niet… Of: Ik heb Hem nog nooit gezien. Ik ken Hem niet. Wat is het erg als we nooit uitzien naar de komst van de Heere Jezus.

 

Misschien zegt u: Ik ken Hem nog niet maar ik hunker ernaar om Hem te ontmoeten. Ik verlang ernaar om een woord van Hem te horen. Hij zegt dan: ‘Met haast zal Ik komen. Ik zal recht doen.’ Met haast. Maar dat is altijd op Zijn tijd. En de beste tijd is de tijd waarop de bidder het niet meer zelf kan. Een uitgewerkte bidder, een tollenaar die niets meer heeft.

 

Bidden als die weduwe: je zaak aan het hemelhof brengen. ‘Heere, dat duldt Uw glorie niet.’ En dan mogen ervaren dat Hij op Zijn tijd komt. Dat Hij een bidder hoort. Een bidder die Zijn armen uitbreidt, die hoopt op Gods Woord. ‘Heere, hier staat het in de Bijbel.’ Leg je vinger er maar eerbiedig, verlangen en verwachtend bij. De Heere verdrijft op Zijn tijd de wolken. Dan is er opeens de zon en de bloemen gaan open. Je ziet ze stralen. Het is de hemel zelf nog niet, maar het komt wél van de hemel. Een kelk van heil dat nooit vergaat. Dat is verhoring in de verdrukking. Roepen uit de verdrukking, en dán Zijn komst. Zoveel glans kan er liggen op genade. God is het alleen. Zijn komen is zo onverdiend.

 

Ons laatste punt:

 

3. Verwachten in verdrukking

Onze gelijkenis eindigt met vers 8 heel verrassend. Tijdens de voorbereiding dacht ik: hoe kan deze gelijkenis zo eindigen? In vers 8 staat: Ik zeg u, dat Hij hun haastelijk recht doen zal. Dat begrijp je. We hebben in de vorige verzen gehoord dat die weduwe zo aanhoudend roept tot die rechter. En de Heere zegt vervolgens: Zal God dan geen recht doen? Ja, Hij zal het met haast doen.

Maar waarom eindigt de gelijkenis dan zo: Doch, de Zoon des mensen, als Hij komt, zal Hij ook geloof vinden op de aarde?

 

De Zoon des mensen, Jezus noemt Zichzelf zo. Waarom?

In Daniël 9 wordt Hij voor het eerst zo genoemd. We lezen daar dat de Zoon des mensen op de wolken komt tot Hem Die op de troon zit. Dat wijst naar Zijn hemelvaart. Op de dag van hemelvaart hebben de engelen tegen de discipelen gezegd: ‘Zoals je Hem nu ziet heengaan, zo zal Hij terugkomen op de wolken.’ Dat is de dag van de Zoon van de mensen waarover Christus hier spreekt.

Ook in Lukas 17, het vorige hoofdstuk, wordt over de Zoon des mensen gesproken. Op Zijn dag komt Hij terug. ‘Maar nu is het nog niet zo ver’, zegt Hij dan tegen Zijn discipelen. ‘Eerst moet de Zoon des mensen nog heengaan. Ik ben nu nog bij jullie.’  In vers 25 van hoofdstuk 17 zegt Hij dat Hij nog veel moet lijden en verworpen worden door ‘dit geslacht’. De mensen die de Bijbel hebben gekend, die ermee opgegroeid zijn, wijzen Hem af. Dat moet nog gebeuren. Hij moet nog lijden en sterven en heengaan op de wolken, en eens komt Hij dan terug.

 

Wat een ernst ligt er in deze woorden. Als de dag van de Zoon des mensen is aangebroken, zal Hij dan – we zijn weer terug bij het slot van de gelijkenis – zal Hij dan nog geloof, verwachting vinden op de aarde?

De dag van de Zoon des mensen. In Lukas 17 lees je wat voor een dag dit is. Hij komt als een dief in de nacht, heel onverwachts. Wij kunnen het tijdstip niet uitrekenen. Het is dwaasheid om dat te doen. Dan zijn we wijzer dan de Heere Jezus.

We mogen wel op de tekenen letten. Welke zijn dat?

Wel, leven zoals mensen in de tijd van Lot. Ze aten en dronken, stonden op en deden hun werk. Ze baden niet voor hun eten en dankten niet. Datzelfde lezen we over Ezau, en we lezen erbij dat hij God niet vreesde en geen mens ontzag. Als een dier leefde hij op zijn eigen kracht, tot hij stierf. Als je in zo’n tijd leeft, dat mensen als de dieren leven zonder besef van God en Hem uit hun leven bannen, op zo’n dag kan Hij terugkomen. Leven we in zo’n tijd? Let op de voortekenen!

 

Leven we zoals Ezau, of buig je al voor God? Is er een klein worden, een besef van rechteloosheid en toch niet zonder God te kunnen leven? Zoals die tollenaar?

Hij had niets om trots op te zijn, misschien een heel groot huis, maar dat hielp niet. Hij besefte wel dat hij een ziel voor de eeuwigheid had. Dat is een heel ander leven dan in de dagen van Noach en Lot. Geen mens vrezen en ook God niet. Je hart uitleven. Als de Heere terugkomt, is er dan nog geloof op aarde? Wat is dat voor een tijd?

 

Uit Openbaring leren we dat er verdrukking op de aarde zal zijn. Zal Hij dan nog geloof vinden? Als het je spot oplevert? Als je naar de kerk gaat op zondag, twee keer. In zo’n kerk waar de Tien Geboden worden voorgelezen en je opgeroepen wordt om ernaar te leven. Kan zo’n boek zeggen hoe je leven moet? Je moet toch zelf uitmaken hoe je leeft? Het kan spot opleveren. Er kan een tijd komen dat de kerkdeuren dichtgaan door verdrukking en vervolging. Als de Zoon des mensen op zo’n dag terugkomt, zal Hij dan nog geloof vinden op de aarde?

Heb je het ervoor over? Je naam, je huis, je positie, om de zaak van de Koning? Gedenk aan de vrouw van Lot. Zij keek achterom. Ze hield meer van het hier en nu, maar ze kwam er mee om. Zal Hij nog geloof vinden?

 

Welk geloof wordt er bedoeld?

Een geloof dat verdrukking doorstaat. Een geloof dat gelooft, bidt, smeekt en worstelt. Als de Zoon des mensen terugkomt, zal Hij dat dan nog vinden? Zal Hij nog een biddende Kerk vinden? De Heere Jezus weet wel dat tot op het laatst van de dagen er een Kerk op aarde zal zijn. Maar zal Hij alleen mensen vinden bij wie het geloof is uitgedoofd?

Ik denk nu ook aan Noord-Korea. Je kunt je er geen voorstelling van maken hoe het is als je al tientallen jaren in een strafkamp zit, zonder contact te mogen hebben met medechristenen. Je hebt geen Bijbel. Wat blijft er dan over van je geestelijke leven?

Maar wat kan daar de Heere dan zo wonderlijk nabij zijn. Zo’n christen, die tegen alle omstandigheden in toch zegt: ‘Ik geef mijn geloof niet op.’ Zal Hij nog geloof geven te midden van de verdrukking? Zal Hij het nog vinden?

 

Gemeente, als het geloof niet gelooft, als het geloof niet kleeft aan God, zegt Augustinus bij deze gelijkenis, dan verdwijnt ook het gebed. Dan bidt u niet meer. Als het geloof zich niet meer richt op de Heere, verflauwt ook het gebed. Als de Heere dan terugkomt, wat zal Hij nog vinden? Uitgebluste, uitgedoofde kaarsjes? ‘Dan moet u niet vertragen’, zegt Augustinus. Nu niet, straks niet, nooit! De Heere Zelf zegt het!

Petrus roept het met Pinksteren uit op het tempelplein: ‘Iedereen, een iegelijk die de Naam des Heeren zal aanroepen, die zal zalig worden.’ Dus moet u bidden. Bidden en niet vertragen.

Zal Hij nog geloof vinden op de aarde? U kunt aan toekomstige vervolging denken. We weten niet hoever weg het is. Maar het gaat echter ook om vandaag. Als de Heere nu de gemeente rondkijkt, een blik slaat in uw hart en huis, vindt Hij dan geloof?

Het is zo’n uiterst belangrijke vraag, want wij kennen het moment niet dat Hij terugkomt. Vindt Hij dan geloof in ons hart?

 

Uw antwoord is misschien: ‘Er klopt bij mij helemaal niets van, want ik bid niet. Was mijn bidden wel een echt gebed? Ik verwacht u niet en ik zoek u niet. Als ik het maar even probeer, dwalen mijn gedachten zo weer weg. Ik ben zo werelds en zo aards. Het kruipt overal naar binnen en er klopt helemaal niets van.’

Gemeente, dat is heel erg! Dat ziet de Heere ook.

Wat doet u ermee?

Brengt het u bij de Heere?

Die vraag wordt ons vandaag gesteld. De Heere Jezus vertelt deze gelijkenis opdat we bidden en niet traag worden. Om tot Hem te gaan, Hem aan te kleven, om als een tollenaar het bij Hem te zoeken. Uw onwaardigheid hoeft het niet in de weg te staan. De tollenaar zou anders nooit de trappen zijn opgeklommen naar de tempel. Hij wist wel dat hij onwaardig was, maar hij kon God niet missen.

 

Bidt u zo en smeekt u zo? U mag niet vertragen. Maar weet u wat zo wonderlijk is?

De Heere zoekt dat geloof, maar Hij brengt het ook tevoorschijn. Hij deed het bij de tollenaar. We lezen niet hoe en wanneer het gebeurd is, maar wel dat hij gerechtvaardigd naar zijn huis ging.

Weet u wat er gebeurt, als de Heere geloof zoekt? Als Hij met Zijn Geest dat geloof werkt? Dan komt Hij terug op Zijn eigen werk. Dan is het de Geest die erin blaast. Als u moet ervaren weduwe te zijn, in zo veel moeilijke omstandigheden verkeert, vergeet dan niet dat u ook bruid bent.

Dan zegt de Geest: Bid maar met Mij mee, ook als u het niet zo goed kunt. Ik blaas het in u. De Geest en de bruid zuchten en smeken dan: ‘Kom! Ja, kom Heere Jezus, kom haastiglijk. Kom snel. Ik kan u niet missen!

Laat het uw gebed zijn dat Hij komt en overkomt. ‘Ja, Bruidegom, kom, en snel mij tegemoet. Ik heb nauwelijks kracht om te kunnen lopen en ik wankel zo snel. Kom mij tegemoet. Ik kan zo hoog niet klimmen, maar daal af uit de hemel, buig U over mij heen, en fluister Uw boodschap van ontferming en vrede in mijn oor.

 

Gemeente, de Heere Jezus komt straks terug als Rechter. Terwijl Hij deze gelijkenis uitspreekt, is Hij al onderweg. En dat is Hij nog steeds! Hij spreekt over een onrechtvaardige rechter. Maar Christus is een rechtvaardige Rechter! Hij heeft als een rechtvaardige geleden voor onrechtvaardigen. Kunt u dat begrijpen?

Als er niets van uw leven klopt, kunt u dan begrijpen dat Hij voor onrechtvaardigen wil komen? Dat is echt waar. Het staat in Gods Woord. Dat mag ik u prediken. Hij moest lijden en sterven. Dat is al gebeurd. Hij wil nu nog tot u komen, nog niet als Rechter, maar als Redder. Jesaja zegt: De goddeloze verlate zijn weg, en de ongerechtige man zijn gedachten; en hij bekere zich tot den Heere, zo zal Hij Zich zijner ontfermen, en tot onzen God, want Hij vergeeft menigvuldiglijk (Jes.55:7).

 

Dus kom maar! De Geest en de bruid zeggen: Kom. En die het hoort, zegge: Kom. Christus Zelf bidt: En die dorst heeft, kome; en die wil, neme het water des levens om niet (Openb.22:17). Wat een genade! Wat een heil! Wat een overvloed! Al krijgt u er maar een druppel van – alles is dan tóch vol. Al is het maar een kruimel, die komt van Hem. Daarin ligt het leven!

De bruiloft is er nog niet, die wacht nog. Al is die kruimel, die druppel olie, wél van de Bruidegom! Wat is het rijk als Hij in uw leven steeds opnieuw komt, en éénmaal, op Zijn dag, ten volle.

‘Kom, ja, Heere Jezus, kom haastig!’ En tot de bruid zegt Hij: ‘Ga uit Mij tegemoet.’

 

Amen.

 

Psalm 26 vers 1 en 12:

 

O Heer’, doe Gij mij recht;

Ik wandel als Uw knecht,

En vind mijn lust in Uw gebod.

Ik blijf op U betrouwen;

Op U, mijn rotssteen, bouwen:

Ik zal niet wank'len, grote God.

 

Nu stap ik rustig aan;

'k Betreed een effen baan;

Mijn God verhoort nu mijn gebed.

'k Zal Hem, met blijde klanken,

In Zijn vergaad'ring danken.

Wanneer Zijn gunst mij heeft gered.