Ds. L. Huisman - 1 Petrus 2 : 7 - 8

twee kampen tegenover het Evangelie.

Het Evangelie is de ongehoorzamen een steen des aanstoots.
Het Evangelie is de gelovigen dierbaar

1 Petrus 2 : 7 - 8

1 Petrus 2
7
U dan, die gelooft, is Hij dierbaar; maar den ongehoorzamen wordt gezegd: De Steen, Dien de bouwlieden verworpen hebben, Deze is geworden tot een hoofd des hoeks, en een steen des aanstoots, en een rots der ergernis;
8
Dengenen namelijk, die zich aan het Woord stoten, ongehoorzaam zijnde, waartoe zij ook gezet zijn.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 149: 1 en 2
Lezen : 1 Petrus 2
Zingen : Psalm 70: 1, 2 en 3
Zingen : Psalm 116: 1 en 9
Zingen : Psalm 33: 11

Geliefden, het Woord van de Heere dat wij u willen prediken, staat in 1 Petrus 2, de verzen 7 en 8:

 

7. U dan, die gelooft, is Hij dierbaar; maar den ongehoorzamen wordt gezegd: De Steen, Dien de bouwlieden verworpen hebben, Deze is geworden tot een Hoofd des hoeks, en een Steen des aanstoots, en een Rots der ergernis;

8. Dengenen namelijk die zich aan het Woord stoten, ongehoorzaam zijnde, waartoe zij ook gezet zijn.

 

In deze tekst tekent de Heere ons twee kampen tegenover Zijn Woord, het Woord van het Evangelie, waarvan Christus de inhoud is. Dus: twee kampen tegenover het Evangelie.

1. Het Evangelie is de ongehoorzamen een steen des aanstoots.

2. Het Evangelie is de gelovigen dierbaar.

 

1. Het Evangelie is de ongehoorzamen een steen des aanstoots

Het is vooral de apostel Petrus die met nadruk wijst op de kracht van het Woord van God en aanspoort tot gebruikmaking ervan. Telkens weer zegt hij ons: mensen, houd toch uw oog op het Woord van God geslagen, want anders loopt het mis in uw leven. Van Petrus is ook dat kernwoord: En wij hebben het profetische Woord, dat zeer vast is, en gij doet wel, dat gij daarop acht hebt (2Petr.1:19).

 

Komt het misschien doordat Petrus door schade en schande heeft geleerd dat het verlaten van het Woord in diepe ellende brengt? Is het soms omdat juist Petrus dieper dan de andere discipelen viel, omdat hij geen acht gaf op het woord van de Heere Jezus, omdat hij te rade ging bij vlees en bloed, omdat hij zijn zaligheid liet steunen op de omstandigheden? Toen hij dat deed, kwam hij tot een smadelijke nederlaag, tot een smartelijke verloochening van zijn Heere en Zaligmaker.

Weet Petrus daardoor beter dan de andere discipelen wat het is om getroost en gesterkt te worden door de genade van het Evangelie van onze Heere Jezus Christus? O, wat een blijdschap smaakte hij op het woord van Jezus, Die hem opzocht in de nacht van zijn verloochening, zijn verlaten van God. Toen mocht hij zich vastklemmen aan dat Woord dat eeuwig blijft. En straks zal hij het aan Jezus belijden: Ja, Heere, Gij weet, dat ik U liefheb (Joh.21:15).

 

Die Petrus, de man die het ervaren heeft, zegt nu: mensen, houd toch uw oog op Gods Woord geslagen, want het loslaten ervan is een list van de vijand. De déformatie van de kerk begint bij het loslaten van het Woord, bij het gaan drijven op wat mensen zeggen en wat je zelf zoal denkt, op wat goed voelt. Dat is levensgevaarlijk.

Maar alle réformatie begint daar waar weer gelet wordt op het Woord van God, waar alles weggedaan wordt wat daarmee strijdt en waar men zegt: ‘Uw Woord kan mij, ofschoon ik alles miss’, door zijnen smaak, én hart én zinnen strelen.’ Luther zegt: ‘Gods Woord houdt stand in eeuwigheid en zal geen duimbreed wijken.’

 

Petrus wijst ook de gelovigen in deze algemene zendbrief op de nuttigheid die het Woord in hun leven heeft gebracht. Hij zegt in hoofdstuk 1 vers 23: Gij die wedergeboren zijt, niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad, door het levende en eeuwigblijvende Woord Gods. Hij zegt dus: U die het nieuwe leven kent, u hebt dat aan het Woord van God te danken. Dat Woord is in uw leven als een levend en eeuwigblijvend zaad geplant.

En in de verzen 2 en 3 van ons teksthoofdstuk zegt hij: En als nieuwgeboren kinderkens, zijt zeer begerig naar de redelijke onvervalste melk, opdat gij door dezelve moogt opwassen; indien gij anders (dat is: gelijk gij) gesmaakt hebt, dat de Heere goedertieren is. Hij zegt dus: u bent niet alleen wedergeboren door het Woord, maar u wordt ook door dat Woord gevoed, opdat u sterk zou zijn in de Heere.

In ons tekstvers lezen we dat dat Woord, met als inhoud Jezus Christus en die gekruisigd, voor de gelovigen zo dierbaar is. Maar gelijk vermaant Petrus: Pas op, want dat Woord, dat de gelovigen dierbaar is, is voor de ongehoorzamen een struikelblok, een steen waartegen ze zich stoten en waarover ze vallen zullen. Ze zullen door die steen, door dat Woord van God verpletterd worden.

 

Door alle eeuwen heen wordt het Woord van God van twee kanten geweld aangedaan.

Er is een brede groep mensen, ook onder ons, die de kerngedachte van het Woord van God wegneemt of verdonkert. Ze spreken alleen maar van een uitverkiezing en niet of nauwelijks van een Goddelijke roeping. Ze spreken alleen maar van de vrijmacht van God en zelden of nooit van de liefde van God. Ze spreken vaak over de vreselijkheid waarmee God vreselijk is over degenen die tegen Hem zondigen, maar ze spreken niet of nauwelijks over Zijn vriendelijkheid, waarmee Hij Zich nederbuigt over de diepst gezonkenen om het verlorene terug te brengen.

Degenen die altijd zo’n prediking horen, worden koud en hard. Zij komen terecht in een fatalistische levenswijze: Nou ja, God heeft alles besloten. Wat hebben we tegen God te zeggen? Hij is immers de grote Pottenbakker en wij zijn het leem in Zijn hand.

En dan komen ze tot een openlijke vijandschap die ze uitleven in een puur werelds leven, terwijl ze volop Bijbelteksten in de hand houden om de zogenaamde leer die ze aanhangen, te staven.

Dat is een dodelijk gevaar. Dan wordt het Evangelie als het ware verstikt en de kerngedachte van de waarheid – dat God de wereld alzo lief heeft gehad dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft – wordt verduisterd, zo niet weggenomen.

 

Maar er is ook een andere stroming, niet minder gevaarlijk. Daar moeten we ook op letten. Dat zijn de mensen die het Woord van God telkens willen aanpassen aan het verdorven verstand en de verdorven gevoelens van ons, mensen. Die willen van God een soort reclasseringsambtenaar maken Die de zondaren achterna loopt, maar Die uiteindelijk maar af moet wachten wat die zondaar zal doen. De Heere wil wel goed handelen met de mensen, maar als de mensen zelf niet goed willen, dan is God ten slotte ook machteloos.

Die mensen spreken wel over de liefde, over de hemel, over de zaligheid, maar ze denken over de hemel zonder aan de hel te denken. Ze hebben het over een zaligheid zonder nadrukkelijk te zeggen dat er ook een rámpzaligheid is. Ze stellen zich een soort god voor die achter de feiten aanloopt, een machteloze god, een god waarvan alleen ten behoeve van de mens gebruik kan worden gemaakt en die verder niets kan eisen in ons leven.

Ik zeg: dat is een even dodelijk gevaar. Zulk een zoetsappige, weekhartige god is niet de God van de Bijbel, de eeuwige God. Integendeel, dat is een afgod die de mens zich maakt naar de verdorven begeerte van zijn ellendige hart. Zeker, de Bijbel tekent ons telkens met alle klem dat God barmhartig is en genadig, groot van goedertierenheid en van waarheid. Maar diezelfde Bijbel zegt ons ook dat God de eeuwige Soevereine is, Die degenen die zich aan Zijn Woord stoten als een pottenbakkersvat verbrijzelen zal en zonder pardon zal wegwerpen in het vuur, waar de worm niet sterft en waar de vlam nimmer gedoofd wordt.

 

De apostel zegt aan het eind van dit tekstvers zelfs deze vreselijke woorden: waartoe zij ook gezet zijn. Hij bedoelt hier: waartoe zij ook bestemd zijn.

Vrees voor Zijn aangezicht, want God is ontwaakt uit Zijn heilige woning!

Waartoe zij ook gezet zijn. O, dit moet alle menselijke kunnen, dit moet alle eigengerechtige gedachten, dit moet alle hoogmoedswaanzin terneerwerpen. Dit moet ons aan Gods voeten doen buigen.

Waartoe zij ook gezet zijn. Eeuwige God, Schepper van hemel en aarde, soeverein Regeerder over al wat leeft en aanzijn heeft, grote God, Die met het leem doet als de grote Pottenbakker: genâ, o God, genâ, hoor hoe een boeteling smeekt, pleit op het Woord van Uw genade.

Ja, God heeft ons dit geopenbaard opdat alle hoogten in ons leven geslecht zouden worden, opdat we geen weerwoord meer zouden hebben tegen het spreken Gods, maar opdat we onze gedachten en ons hart, onze begeerten en onze wil zouden gevangen leggen onder het Woord van Gods getuigenis.

 

Petrus spreekt als het ware de oude Simeon na: Deze wordt gezet tot een val en opstanding (Luk.2:34). Petrus zegt in onze tekst: Hij is u dierbaar, óf Hij is een Steen des aanstoots. Hij spreekt tot degenen die zeggen dat ze door het Woord van God zijn wedergeboren.

Wedergeboren – wat een machtige zaak; wat een ontzaglijk voorrecht. Daar hangt het eeuwig wel of wee van een mens van af. Wie niet wedergeboren wordt tussen wieg en graf, wat hij ook gedaan heeft, wat hij ook gepresteerd heeft en hoe hij ook geleefd heeft, is voor eeuwig verloren. Die blijft onder het oordeel tot in alle eeuwigheid. Maar wie wedergeboren is door het Woord van God tot een levende hoop, wordt toebereid tot een vat ter ere om God eeuwig te dienen in Zijn tempel. Daar hangt het dus van af.

Dan is het dus geen vergeefs werk om je af te vragen: ben ik wedergeboren door het Woord van God? Eenvoudig gezegd: heeft dat Woord van God mijn leven omgekeerd? Heb ik andere verlangens, andere begeerten, een andere levensrichting dan de kinderen van deze wereld?

Als u daarop ‘ja’ zegt, dan bent u welgelukzalig. Als u ‘nee’ zegt, dan bent u nog rampzalig.

De niet-wedergeborenen zijn Gods kinderen niet. Zij liggen onder het oordeel Gods, onder de macht van de satan. Wedergeborenen zijn Christus ingeplant. Zij genieten Zijn genade en mogen verzekerd zijn van Zijn hulp tot in alle eeuwigheid.

 

Nou weet Petrus ook wel dat sommigen menigmaal twijfelen. Hij spreekt dan ook tot zulke mensen. Nieuwgeboren kinderkens noemt hij ze hier: pasgeboren kinderen.

Hij heeft ervaren dat velen in die gemeente zeggen: Ja, hoe is het eigenlijk? Zou ik nou wedergeboren zijn? Zij missen de kennis van hun wedergeboren zijn. En dan vraagt de apostel: komt dat doordat u nog zo aan de zonde verkleefd bent? Hij maant de gelovigen in dit hoofdstuk om af te staan van de ongerechtigheid. Want hier klemt het bij velen: ze hebben dat kleed van de zonde niet afgelegd. De apostel Petrus zegt dat ze dat moeten verlaten. En als Paulus het in de Hebreeënbrief heeft over het volgen van Jezus, zegt hij: laat ons afleggen allen last en de zonde die ons lichtelijk omringt (Hebr.12:1). Eigenlijk staat er: die ons als een kleed omringt.

Je kunt niet hard lopen wanneer je kleren aanhebt die tot op je schoenen hangen. In het Oosten droegen de mensen wijde, lange kleren. En nu vergelijkt de apostel Petrus het leven van een christen met een mens die hard moet lopen, die veel werk moet doen, maar een lang kleed aan heeft. Hoewel hij is wedergeboren, blijft hij toch aan de zonde hangen.

Dat kleed is de zonde die de christen dagelijks hindert. Daarvan zegt Paulus in de Hebreeënbrief: dat kan niet; je zal struikelen, want het kleed van de zonde zal je beletten voort te gaan.

 

Is dat bij velen onder ons ook niet zo? Telkens als er gesproken wordt over deze dingen, zeggen velen: Ja, daar zit het nu op vast in mijn leven. Had ik maar houvast. Wist ik nou maar dat hetgeen ik weleens ervaren mag, de vrucht is van de waarachtige wedergeboorte.

Ligt het soms hieraan, geliefden, dat dat lange, zware kleed met zoveel plooien om ons heen hangt en ons belet om voortgang te maken op de weg des levens? O, dan zeg ik met Paulus en Petrus: Leg het toch af! Leg dat zondekleed toch af, voordat u erover struikelen zult ten dode.

Leg alle last en de zonde die u lichtelijk omringt toch af. Maak als nieuwgeboren kinderen toch gebruik van die redelijke, onvervalste melk. Dat wil zeggen: leg uw oor toch te luisteren bij de boodschap van God, waarmee Hij tot u komt. Petrus zegt in vers 3: Indien gij anders gesmaakt hebt, dat de Heere goedertieren is. Met andere woorden: u die dat gesmaakt hebt, weet immers dat God goed is. Dat weten al Gods kinderen. Elk wedergeboren mens, door de Heere omgekeerd, weet dat de Heere goed is.

Nou, zegt Petrus, als je dat nu echt weet, waarom zou je dan langer doen wat God mishaagt? Leg dan dat kleed af; werp die zonde dan weg. Wandel dan ijverig in de wegen des Heeren.

 

Hij tekent in dit hoofdstuk verder de voorrechten van de kinderen van God. Ze worden gebouwd als levende stenen op dat eeuwige Fundament. Ze zijn geroepen om Gode levende offerande te brengen. Daarmee bedoelt hij de dienst aan God. Dat is het grote voorrecht, dat we als priesters van God mogen wandelen.

Maar, zegt hij, nu is er tweeërlei verhouding ten opzichte van dat Woord van God: een verhouding van geloof, maar ook een verhouding van ongeloof. Een verhouding van liefde, maar ook een verhouding van ergernis. En daarom is het Woord van God altijd zo ontzaglijk ernstig, want het trekt aan of het stoot af; het is ten leven of het is ten dode.

Daar moet u goed op letten. U wordt door dat Woord gevangengenomen, of dat Woord wekt uw ergernis op.

 

Dat is zo ontzettend erg, als het Woord ergernis opwekt. Ik merk het weleens, zowel bij jongeren als bij ouderen. Men krijgt steeds minder zin om het Woord van God te horen.

Ach, er zijn hier misschien ook wel van die jongens en meisjes die zeggen: Ik heb eigenlijk helemaal geen zin meer om naar de kerk te gaan. Ik ga nog wel, maar als ik straks op eigen benen sta, dan zien ze mij niet meer. Ik heb er voor mijn leven lang genoeg van. Alles wat ik in mijn jeugd heb moeten horen, begint me steeds meer tegen te staan.

Wat vreselijk als je dat in je leven merkt. Dan is het niet zomaar dat het Woord je niet interesseert, maar dan ergert het je. Dan is het Woord voor jou als een steen waar je je op te pletter valt en als een muur waartegen je je dood loopt. Dat is ontzettend! O, ga zo niet door! Laat deze vreselijke gedachte niet in je hart voortwoekeren. Als je dit in je leven voelt, jongens en meisjes, draag dan ook deze zonde uit naar God terwijl het nog het heden der genade is.

 

Het is geen zeldzaamheid. Als ik de doopboeken na zou gaan vanaf de tijd dat de gemeente geïnstitueerd is, dan denk ik dat meer doopleden zich dood gestoten hebben dan er openbaar gekomen is. Ik denk ook aan leden die al vervreemd waren van God en Zijn dienst en die zich ook aan die steen gestoten hebben, die nooit meer in Gods huis komen, althans nooit meer onder de waarheid die naar de godzaligheid is.

Is dat niet ontroerend? Ouders, is dat niet iets om weer eens even bij stil te staan? Voor sommige oudere kinderen uit de gezinnen geldt: die komt nooit meer in de kerk; die is rooms geworden; die heeft zich bij een waarheid aangesloten die niet uit God is, waarin de mens en niet God verheerlijkt wordt.

O, ga uw eigen gezin eens na. Ga uw eigen leven eens na. En laat ons vrezen voor Gods aangezicht. God laat ons dit verkondigen, Hij laat ons op dit gevaar gewezen worden, opdat we er erg in zouden hebben.

 

Ouders, aan u de opdracht om uw kinderen bij te brengen dat het Woord niet alleen een reuke des levens ten leven is, maar dat het ook een reuke des doods ten dode is voor degene die het Woord ongehoorzaam is. Wie door het Woord van God niet verbeterd en vernieuwd wordt, raakt in slechte conditie; die verslechtert door het Woord van het Evangelie. Dat is het gevaar van in de kerk zitten. Dan groeit er van lieverlee een haat tegen God, tegen Zijn Woord en tegen Christus, als de boodschap van Gods ontferming gehoord wordt. Het is een naderen tot God, of het is een steeds dieper zinken in de put van God vandaan.

 

Dat niet geloven is een ongehoorzaam zijn, zegt de apostel Petrus in onze tekst: den ongehoorzamen wordt gezegd: De Steen, Dien de bouwlieden verworpen hebben, Deze is geworden tot een Hoofd des hoeks, en een Steen des aanstoots, en een Rots der ergernis; dengenen namelijk die zich aan het Woord stoten, en dan zegt de apostel het nog eens: ongehoorzaam zijnde. Want niet geloven is ongehoorzaam zijn.

Toen God zweeg, zweeg de mens ook. Maar toen God ging spreken, ging de mens ook spreken; hij ging God tégenspreken. En naarmate God spreekt, spreekt de ongelovige God tegen. En naarmate het Evangelie met meer klem gepreekt wordt en dichter aan het hart gelegd wordt, ontwaakt ook de vijandschap tegen dat Evangelie.

 

Let er maar op. Misschien is het wel zo in uw eigen hart. Dan is het niet kunnen geloven bij velen een wel kunnen opstaan tegen God. Dan is het niet dúrven geloven bij velen een wél durven spreken tegen God, dus een wel durven wantrouwen van God. Het niet zomaar durven aannemen van het Evangelie van Christus is dan meestal een zomaar durven weigeren van dat Evangelie.

O, de zelfmisleiding onder ons is op dit punt ontzaglijk groot, geliefden. We hebben dikke, zware woorden en het lijkt of we aan de zijde van God staan, maar ik zeg u dat ieder die zich niet vernedert en die zich niet tot God bekeert een vijand van God is, al gebruikt hij Bijbelteksten. De duivel gebruikt ook Bijbelteksten, maar hij zet de mensen ermee tegen God op. Onthoud dat.

Zomaar in Hem geloven zonder enige grond, en zonder gemeenschap met God er toch van verzekerd zijn dat je een kind van God bent, is niet de enige zelfmisleiding. Zelfmisleiding is ook, zoals gezegd: ‘ik kan het niet’ en ‘ik durf het niet’ en ‘zou ik het wel mogen’. Want tegelijk durf je wel ongehoorzaam te zijn en durf je wel de Heere te blijven tegenspreken en durf je wel te blijven leven als een vijand van God. En je durft wel te blijven leven als iemand die aan de kant van de wereld staat, terwijl je het Woord van God in je mond neemt en het teken van Zijn verbond aan je hoofd draagt. Je durft niet zomaar te geloven, maar je durft wel zomaar te weigeren te geloven.

 

Dat is ook wat, hoor! Dat is God tegenspreken. Dat is ‘nee’ zeggen tegen Gods ‘ja’. Dat is ongehoorzaam zijn. Dan acht u wel iets dierbaar, maar niet het Evangelie, niet God en Jezus Christus, niet het Woord Zijner genade. Dan acht u uw eigen bezwaren dierbaar. Dan zegt u: O, ik heb toch zo’n dierbare opvoeding gehad. Ik weet goed dat het van de hemel moet komen. En daarom ga ik niet zomaar geloven.

Wat een dierbare tegenwerpingen hebt u. Maar u gaat ermee verloren. Ach, laat ik het maar kort en goed zeggen. U hebt uw schroom en uw vrees en uw valse rechtzinnigheid en uw ‘had ik maar eens’ en ‘was ik maar eens’. Weet u wat dierbaar is in uw leven? Uw eigen verdorven ik, dát is u dierbaar. Daarmee houdt u God van het lijf en daarmee blijft u buitenstaan. Wat u meent in de Schrift te lezen, is u dierbaar, en wat anderen misschien ten onrechte zeggen van de Schrift.

Maar u acht niet dierbaar het getuigenis dat God van Zijn Zoon getuigt en dat Jezus Christus over u uitroept, namelijk dat Hij geen lust heeft in uw dood, maar daarin dat u zich tot Hem bekeert. Dat is u niet dierbaar. U huilt nooit hete en vele tranen over die dierbaarheid dat God Zijn Zoon gegeven heeft tot een Redder van de wereld en dat Jezus Zijn bloed liet vloeien opdat zondaren zalig zouden worden en dat de Heilige Geest in goddeloze mensen wil wonen om die tot Zijn tempel te maken. Dat is u nooit dierbaar. Daar ligt u nooit eens een nachtje van wakker. Daar huilt u nooit over. Dat brengt u nooit in verwondering aan de voeten des Heeren, uitroepende: Heere, ga uit van mij, want ik ben een zondig mens (Luk.5:8).

 

O, pas toch op! U bent op de weg waarop de Farizeeër gaat. U ergert zich aan het Woord van God. Er zijn mensen die in alle vroomheid – schijnvroomheid dan – het Woord van het Evangelie lasteren, waartoe ze ook gezet zijn. De Rots wijkt niet; de Rots Jezus Christus staat tot in der eeuwigheid. En het is van tweeën één; er is geen andere weg.

Mensen, je kunt niet altijd zo blijven leven, met dat ‘had ik maar eens’ en ‘was ik maar eens’ en ’mocht het maar eens’ en ‘ik durf niet’ en ‘ik kan niet’. Zo kun je niet blijven leven. Dan loop je je te pletter tegen de Rots. Dan wordt het steeds onmogelijker om zalig te worden. Kom toch eens tot die keus; kom toch eens tot die waarachtige keus. Breek toch eens door. Zo is het toch verloren en het gaat steeds dieper verloren.

O, hoor toch die stem van God, die ook nu tot u komt. Want er zijn er, zegt Petrus, die wedergeboren zijn en die midden in de strijd verkeren. Maar hij vermaant ze: laat u vallen op dat vaste Fundament en die uiterste Hoeksteen, Die in Sion gelegd is.

 

Het geloof is niet langer ongelovig kúnnen zijn, niet langer kunnen twijfelen. Het is niet langer kunnen redeneren: ‘ach, Heere, ik kan het niet’ en ‘ik wil het niet’ en ‘zou ik wel’ en ‘had ik maar’. Het geloof zegt: Heere, ik kan niet langer bij U vandaan blijven en ik kan niet langer weigeren om Uw Woord te geloven. Ik kan niet langer weigeren om U lief te hebben. O, er zijn duizenden redenen in mij en buiten mij en in Uw gemeente waarom ik niet tot Uw genadetroon zou vluchten, maar ik kan niet anders. Heere, hier ben ik.

Dat is de rechte kracht en aard van het geloof. Zo breekt het geloof door in het hart van wedergeborenen. Die kunnen aan de ene kan niet geloven, maar die kunnen aan de andere kant niet langer ongelovig zijn. Dat is de kracht van de genade die doorwerkt. Luister, luister naar dat Woord!

 

Als u altijd maar blijft zeggen dat u niet weet of u Hem liefhebt, nou, dan zal ik het zeggen; het is vlijmscherp, maar ik zeg het u toch in liefde: dan hebt u Hem niet lief.

Als er een jongen en een meisje naar mij toe zouden komen en me zouden vragen of ik hen in het huwelijk zou willen bevestigen, en ze zouden zeggen dat ze nog niet helemaal zeker weten of ze echt van elkaar houden, dan zou ik zeggen: Gauw naar huis! Ik trouw jullie niet. Dat is geen basis om een huwelijk te sluiten.

Als u nou altijd maar blijft zeggen: ik weet niet of ik Hem liefheb, dan mankeert er iets aan uw leven. Dan kan het huwelijk niet doorgaan.

Bekeer u van deze goddeloosheid. Ga in uw binnenkamer. Stel u voor Gods aangezicht. Laat het licht van Gods Waarheid uw hart doorzoeken en kom tot die keus. Dan zullen die genadestralen uw hart verlichten. Als Zijn liefde u afscheid deed nemen van de zonde en van de wereld, als Zijn genade u trok uit die bodemloze put van de ongerechtigheid, dan zult u stil zijn voor God en het zeggen: Heere, ik kan niet anders. Als ik dan kiezen moet, dan kies ik U. Al zou de wereld vergaan, al zou ik sterven, al zouden al de duivelen zeggen dat het niet waar is en al zouden alle mensen me verstoten, maar dan kies ik toch U. Dan wil ik met U trouwen. Dan wil ik eeuwig de Uwe zijn. Dan wil ik Uw bruid zijn.

 

Dat zegt het geloof. Daar moet u uw hart maar aan beproeven; daaraan kunt u het weten. Het eerste gedeelte van de tekst zegt: U dan, die gelooft, is Hij dierbaar. Daaraan kunnen we dat geloven toetsen; dan is die Christus u dierbaar, u kostbaar geworden.

Als die Christus u niet dierbaar geworden is, hoort u tot die mensen die zich aan het Woord stoten. Dan roep ik u toe: bekeer u heden. Nu.

 

2. Het Evangelie is de gelovigen dierbaar

Gelukkig! God zij dank, er zullen er zijn die zeggen: ja, Hij is mij dierbaar. En waarom en waartoe is Christus de gelovigen dierbaar? We zullen ervan spreken, nadat we gezongen hebben van Psalm 116 de verzen 1 en 9:

 

God heb ik lief; want die getrouwe Heer’

hoort mijne stem, mijn smekingen, mijn klagen;

Hij neigt Zijn oor, 'k roep tot Hem, al mijn dagen;

Hij schenkt mij hulp, Hij redt mij keer op keer.

 

Och Heer’, ik ben, o ja, ik ben Uw knecht,

Uw dienstmaagds zoon; Gij slaaktet mijne banden;

dies doe ik U gewillig offeranden

van lof en dank, U plechtig toegezegd.

 

Waarin is het Evangelie, waarin is Christus de gelovigen dierbaar?

Hij is de gelovigen dierbaar in Zijn borgtocht bij de Vader. Hij is de gelovigen dierbaar, zoals Hij kloppend aan de deur van hun hart stond en staat totdat Zijn hoofd vervuld is met dauw en Zijn haar met nachtdruppen. Hij is de gelovigen dierbaar als die grote Hogepriester, Die de namen van de twaalf stammen van Israël in Zijn borstlap en op Zijn schouders draagt en zo voor Gods aangezicht staat om Priester te zijn voor de Zijnen. Christus is de gelovigen dierbaar wanneer Hij hen onderwijst uit Zijn Woord, zodat ze het moeten zeggen: Heere, Gij hebt mij overreed en ik ben overreed geworden. Ik stem Uw waarheid toe. Ik kan niet langer weigeren om me te onderwerpen aan dat Woord van U, want het is heilig, het is waar en het is goed.

 

Kom, daar kunnen de kleinsten bij, hoor. U hoeft heus niet bang te zijn dat u geen voedsel zult hebben voor uw ziel. Want die zijn er onder ons; die klagen dat ze in Gods huis geen voedsel hebben voor hun ziel.

U wilt vergiftigd voedsel. En dat wil ik u niet geven, omdat ik een gezant van Christus wens te zijn en Zijn Woord wil verklaren. Jezus Christus en Die gekruisigd, dát is het voedsel waar uw ziel mee gespijzigd moet worden ten eeuwigen leven. En alles daarbuiten houdt geen stand in de dag van het gericht. U verderft uzelf. In de vruchten van uw leven komt openbaar dat u God niet liefhebt en uw naaste niet voor Christus zoekt te winnen.

Dit is het Woord; en daar kan de kleinste bij. Christus is de kleinste van de kleinen dierbaar als de Profeet Die de raad van God verkondigt. Het kleinste kind van Christus’ kudde buigt onder het Woord van God, geeft zich gevangen onder de gehoorzaamheid van dat getuigenis en zegt: Heere, ik kan niet anders. Ik heb tegen U gezondigd en ik deed wat kwaad was in Uw heilige ogen. Ik ben Uw gramschap dubbel waardig. Maar genâ, o God, genâ; ontferm U mijner.

 

Zo wordt Christus de gelovigen dierbaar. Hij wordt hen dierbaar wanneer ze Hem zien met de nodigingen vanuit Zijn Evangelie, met Zijn doorboorde hand kloppend op de deur van hun hart. Zo wordt Hij hen dierbaar en dan kunnen ze de deur niet langer gesloten houden.

Als u vraagt wat dat is, de deur opendoen, dan zeg ik: dat is in hartelijke schuldbelijdenis uw hart uitstorten voor het aangezicht van de Heere, omdat u gelooft dat Hij rechtvaardig en barmhartig is. Rechtvaardig, want Hij zal de zonden niet ongestraft laten. Maar ook barmhartig, want die zonden, die niet ongestraft vergeven kunnen worden, heeft Hij gestraft in de Zoon van Zijn eeuwige liefde.

Steeds als mijn oog daarop staart, zeg ik: Hij is me dierbaar. Dan is de Vader mij dierbaar om de gaven van Zijn genade. Dan is Jezus mij dierbaar om de gave van Zijn leven. Dan is de Geest mij dierbaar, omdat Hij me niet wil verlaten, maar me van stap tot stap wil veranderen, totdat ik als een rein vat in de tempel van de Heere bruikbaar zal zijn voor het aangezicht van mijn God.

Daar wordt Christus dierbaar en daar wordt Hij de gelovigen steeds dierbaarder.

Als u er nog meer van wilt weten, dan raad ik u aan om die kostelijke preek van Comrie te lezen over deze tekst: U dan, die gelooft, is Hij dierbaar. Die staat in het boek ‘De eigenschappen van het geloof’. Daar kunt u nog veel meer kenmerken vinden waarin Christus de gelovigen dierbaar is dan die ik nu genoemd heb.

 

Als u uw hart eraan toetst, dan zult u merken dat het kleinste kind in de genade kan zeggen: ja, Heere, God heb ik lief, want die getrouwe Heere hoort ook mijn stem. Dan zult u niet langer twijfelen. Dan zal er al lezende in uw hart die sterke keus, die sterke bevestiging van Zijn genadewerk komen. En dan zult u zich niet langer stoten aan die Steen des aanstoots, maar op Hem gebouwd worden als de Rots in de branding. Dan is Hij u niet alleen dierbaar tot vergeving van uw zonden, maar dan is Hij u ook dierbaar als uw Leidsman op de weg naar het eeuwig zalig leven. Dan begeert u aan Zijn hand te gaan. Dan wilt u telkens weer opnieuw vragen: Heere, wat wilt U dat ik doen zal?

Dan is Hij u dierbaar, ook in Zijn kastijding, wanneer Zijn straffende hand over u is. Dan zegt u weleens met Job: ‘Zou ik het goede van de Heere ontvangen en het kwade niet ontvangen?’ En als er machtige tegensprekers tegen u opstaan, dan roept u uit de nood van uw hart: ‘Toch weet ik dat mijn Verlosser leeft en dat Hij ten laatste over het stof zal opstaan, en als zij na mijn huid dit doorknaagd zullen hebben, dan zal ik toch God aanschouwen. Dan zullen deze mijn ogen Hem zien.’

Dan zult u zien dat Hij u eerst heeft liefgehad en dat uw liefde tot Hem daarvan het gevolg is.

 

O, hebt u daarin Christus lief en is Hij u daarin dierbaar?

Dan is Zijn dag u dierbaar geworden. Jongens en meisjes, dan is het geen moeite meer om je te scharen onder de dienst van God. Wanneer Christus je dierbaar is, dan zeg je: ‘Hoe vrolijk gaan de stammen op naar Sions Godgewijden top.’ ‘Kom, ga met ons en doe als wij.’ Daar wordt de Naam van mijn Koning verheerlijkt, in Wiens lof ik ook mijn lust heb. Dan komt u en dan zet u zich neer onder dat Woord, onder de dauw des hemels. En dan zegt u: Spreek, Heere, want Uw knecht hoort (1Sam.3:9). Dan bent u als de jonge Samuël en wordt u geoefend in het kennen van de Naam van de Heere.

Dan is Hij u dierbaar geworden in Zijn volk. Dan gaat u het volk van God beminnen om het werk van God. U gaat hun ongerechtigheden en hun zonden – die hen tegen hun wil nog aankleven – niet breed uitmeten, maar ze bedekken in de liefde en hen hoogachten om Christus’ wil. U schaamt zich hunner niet.

Dan gaat u, waar God u geplaatst heeft in deze wereld, getuigen van die ene Naam, zo heilig, groot en goed.

 

Is hij u dierbaar?

Luister dan eens naar wat de apostel in dit hoofdstuk zegt:

12. En houdt uw wandel eerlijk onder de heidenen; opdat in hetgeen zij kwalijk van u spreken als van kwaaddoeners, zij uit de goede werken die zij in u zien, God verheerlijken mogen in den dag der bezoeking.

13. Zijt dan alle menselijke ordening onderdanig, om des Heeren wil; hetzij den koning, als de opperste machthebbende;

14. Hetzij den stadhouders, als die van hem gezonden worden tot straf wel der kwaaddoeners, maar tot prijs dergenen die goed doen.

15. Want alzo is het de wil van God, dat gij wel doende den mond stopt aan de onwetendheid der dwaze mensen;

16. Als vrijen, en niet de vrijheid hebbende als een deksel der boosheid, maar als dienstknechten Gods.

17. Eert een iegelijk, hebt de broederschap lief; vreest God; eert den koning.

En zo spreekt hij verder.

Hier hebt u allemaal kenmerken waaruit u weten kunt of Christus u dierbaar is. Lees dit hoofdstuk thuis nog maar eens, in het bijzonder de verzen 22 tot en met 24:

22. Die geen zonde gedaan heeft, en er is geen bedrog in Zijn mond gevonden;

23. Die, als Hij gescholden werd, niet wederschold, en als Hij leed, niet dreigde, maar gaf het over aan Dien, Die rechtvaardiglijk oordeelt.

24. Die Zelf onze zonden in Zijn lichaam gedragen heeft op het hout, opdat wij de zonden afgestorven zijnde, der gerechtigheid leven zouden; door Wiens striemen gij genezen zijt.

 

Kom, zeg het eens: is Hij u daarin dierbaar geworden?

Laat dat u tot voedsel zijn en u zult er wel bij varen. Uw leven zal gesterkt worden in de strijd tegen de boze en u zult als eerlijke leden van Christus’ lichaam de tijd die u nog rest op de aarde besteden in Zijn dienst.

 

Petrus heeft er nog een woord aan toegevoegd. Hij zegt aan het eind van vers 8: waartoe zij ook gezet zijn.

Degenen namelijk die zich aan het Woord stoten, (…) waartoe zij ook gezet zijn.

O, ik wil van u nog niet geloven wat Petrus geloven moest van het goddeloos Jodendom, dat Christus verworpen had en dat voortging met goddeloosheden tegen Gods Kerk te bedrijven, ook nadat Christus was opgestaan. Ik wil van u nog niet geloven dat u gezet bent om u te pletter te lopen op de Rotssteen Jezus Christus.

Kinderen, als ik jullie vragende ogen zie, kan ik niet geloven dat God jullie daartoe gezet heeft en ik hóef het ook nog niet te geloven. Je bent nog onder het Woord van God; je bent nog in de weg waarin je zalig kunt worden. Maar denk erom: bekeer je jonge hartje tot de Heere, want anders verlaat je straks de gemeente. Dan ga je de wereld in en dan zal ik het moeten geloven: waartoe hij of zij ook gezet was.

Jongens en meisjes, ik wíl het ook niet geloven. Hoewel ik weet dat er veel tegenstrijdige begeerten in je jonge leven zijn, wil ik toch niet geloven dat je door God gezet bent om je te pletter te lopen op de Steenrots Jezus Christus. Want je komt nog in de kerk, hoe dan ook en om welke reden dan ook. God heeft je hier gebracht. Kom, geef je hart aan de Heere terwijl je nog jong bent, voordat je je hart en je hoofd en je leven te pletter stoot op de Rotssteen Jezus Christus. Bekeer je tot Hem, terwijl het nog het heden der genade genoemd wordt. De dag is kort en de tijd der genade vliegt heen. Bekeer je tot Hem, nu, terwijl je Zijn stem hoort.

Vaders en moeders, ouden, stokouden in ons midden, ik kan van u nog niet geloven en ik hoef nog niet van u te geloven dat u daartoe gezet bent, want ik mag Gods Woord van Zijn genade aan u verkondigen – u tot heil, Zijn Naam tot eer.

Heden, indien gij Zijn stem hoort, zo verhardt uw harten niet (Hebr.3:15).

 

U dan, u die door het Woord van God wedergeboren bent tot die levende hoop, u die begerig bent om gevoed te worden met dit getuigenis, laat Hij u steeds dierbaarder worden. Dan zult u in de loop van uw leven steeds duidelijker zien waartoe u gezet bent: om God eeuwig te verheerlijken, om in Zijn tempel een koning en een priester te zijn. U zult de oorzaak vinden in die drie-enige God en Zijn heerlijke Naam eeuwig prijzen, Hem altijd mogen zeggen hoe lief U Hem hebt, hoe dierbaar Hij u geworden is.

Amen.

 

Slotzang: Psalm 33 vers 11

 

Laat ons alom Zijn lof ontvouwen;

in Hem verblijdt zich ons gemoed,

omdat wij op Zijn naam vertrouwen,

dien Naam, zo heilig, groot en goed.

Goedertieren Vader,

milde zegenader,

stel Uw vriend'lijk hart,

op Wiens gunst wij hopen,

eeuwig voor ons open;

weer steeds alle smart.