Ds. R. Kattenberg - Lukas 24 : 53

Onderwerp

Lukas 24
de Kerk des Heeren tussen Hemelvaart en Pinksteren.
van loven en danken
van bidden en smeken
bij allen en te allen tijde
Preek voor de zondag tussen Hemelvaartsdag en Pinksteren 

Lukas 24 : 53

Lukas 24
53
En zij waren allen tijd in den tempel, lovende en dankende God. Amen.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 108;1,2
Zingen : Psalm 57:1
Lezen : Lukas 24:44-53 en Handelingen 1:1-14
Zingen : Psalm 68: 9 en 16
Zingen : Psalm 119:29
Zingen : Psalm 53:6
Zingen : Gebed des Heeren:10

 

Gemeente, met de hulp van de Heere bedien ik u het Woord van God, en wel uit Lukas 24:53 en Handelingen 1:14. We lezen in Lukas 24:53:

En zij waren allen tijd in den tempel, lovende en dankende God;

en in Handelingen 1:14:

Deze allen waren eendrachtelijk volhardende in het bidden en smeken.

 

Tot zover de teksten voor vanavond, waarin ons gesproken wordt van de Kerk des Heeren tussen Hemelvaart en Pinksteren.

 

Wij horen hier:

1. van loven en danken;

2. van bidden en smeken;

3. bij allen en te allen tijde.

 

1. Van loven en danken

Gemeente, het is een heel majesteitelijk woord waarmee Lukas zijn evangelie afsluit. Een lofzang voor onze God, zo zou je kunnen zeggen. Dat is toch niet te veel gezegd als wij lezen: En zij… (dat zijn de discipelen) waren allen tijd in de tempel, lovende en dankende God. Als u meegaat in uw gedachten, ziet u daar een heel opgewekt gezelschap tussen Hemelvaart en Pinksteren. Wat doen die mensen? Wat doen ze voor het aangezicht van God? Wel, ze heffen de lofzang aan, zoals wij zo straks ook hebben gedaan, vanuit Psalm 108: Mijn hart, o Hemelmajesteit is tot Uw dienst en lof bereid. Dat einde van het Evangelie kun je karakteriseren met twee woorden: loven en danken.

U weet, Lukas heeft niet alleen een evangelie geschreven, maar hij heeft ook het boek Handelingen van de heilige apostelen geschreven. Als we dat openen, vinden we een paar van die treffende woorden, zoals we die ook vinden in de tekst van vanavond: bidden en smeken. Op wie heeft dat betrekking, gemeente? Op dezelfde mensen. De mensen in het slot van Lukas 24 zijn dezelfden als in Handelingen 1. Dus loven en bidden enerzijds en bidden en smeken anderzijds.

Dat roept vragen op, nietwaar? Want het is wel een wat merkwaardige combinatie. Kan dat wel? Kan dat eigenlijk wel naast elkaar staan? Gaat het hier niet over verschillende tijdsmomenten? Was het ene niet ’toen‘ en is het andere ’vandaag‘? Nee, dat is het niet, al zijn loven en danken en bidden en smeken voor ons vaak twee dingen die haaks op elkaar staan.

Gemeente, hier is het anders. En zo hoort het ook. Sterker nog, in die combinatie van dank enerzijds en smeking anderzijds zou ons aller leven getekend moeten zijn. Loven en danken enerzijds, en bidden en smeken anderzijds. Luther heeft eens gezegd: Iemand die gaat bidden om wat hij nodig heeft, moet beginnen met te danken voor wat hij heeft ontvangen.

 

Ziet uw leven er zo uit? Gemeente, juist als u terug mag zien op wat de Heere u heeft gegeven in uw leven, zult u beseffen wat de Heere nog meer geven kan. Vergeten wij dat element van danken niet te veel? Beginnen wij vaak niet te bidden met de gedachte: als wij het maar hebben? Wij willen zo graag naar ons toehalen en vergeten intussen dat God een jaloers God is op Zijn eer. Als de Heere moet zeggen: Ik zie u nooit aan Mijn troon om Mij te danken voor wat Ik u heb gegeven – zou Ik u dan opnieuw in Mijn heil laten delen? Kom eerst maar eens met uw dank en zing eerst maar eens: Mijn hart, o Hemelmajesteit, is tot Uw dienst en lof bereid.

Daarom krijgt het smeekgebed zoals wij dat aantreffen in Handelingen 1, zijn bijzondere diepgang door de lofprijzing, zoals die wordt gehoord aan het eind van Lukas 24.

 

Lof en dank zegt u? Tussen hemelvaart en Pinksteren? Ze zijn toch een verweesde kerk? Het was toch niet zo’n beste tijd voor hen? Waren het dan geen dagen van tranen en zorgen? Nee, gemeente, het waren dagen van dankbaarheid en blijdschap.

Als u dan vraagt: Hoe zo? Wel, ze hebben licht van de hemel ontvangen op de vraag waarom de Heere Jezus moest afdalen in de diepten van de dood! Het is voor hen nu open gevallen dat de Heere Jezus deze dingen móést lijden en ondergaan en alzo in Zijn heerlijkheid ingaan. Ze hebben zicht gekregen op het kruis van Golgotha en op het offer dat de Heere om hunnentwil heeft gebracht! Het graf in Jozefs hof was voor hen een noodzakelijke aangelegenheid geworden, want de macht en de majesteit van de dood moest worden overwonnen!

 

De Heere Jezus is opgestaan van de doden! Er loopt een weg door de dood heen naar het leven. Deze weg is de Heere Jezus gegaan om hunnentwil. Hij heeft het leven en de onverderflijkheid aan het licht gebracht. Hij is gestorven om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardigmaking. Hij heeft het Licht van Zijn Heilige Geest laten vallen op heel Zijn werk tot nu toe. Dat is tot bemoediging voor de discipelen tussen Hemelvaart en Pinksteren. Dat is de blijdschap van hun hart!

 

Maar er is nog méér. De Heere Jezus had afscheid genomen van hen. Jazeker, Hij is weg. En dan toch loven en danken? Zijn ze dan blij dat Jezus weg is? Nee, maar ze loven en danken vanwege het feit hóe Hij afscheid van hen heeft genomen. Hij is niet zomaar weg gegaan en uit hun gezichtskring verdwenen, zonder dat ze er erg in hadden.

Nee, Hij heeft hen welbewust meegenomen naar de Olijfberg en toen is Hij van hen gescheiden. Hoe? Zegenend. Ze hebben naar boven gekeken en Zijn doorboorde handen gezien. Ze hebben het mogen weten: in die handen ligt de vastheid van onze Zaligheid. Dát is de Kracht van Jezus' werk. Dáár herkennen we Hem aan als onze Heere en Koning.

Hij is ingegaan in de hemel en met eer en heerlijkheid gekroond. Zouden ze Hem dat niet gunnen? Heeft Hij niet juist de plaats gekregen die Hij zo waard is om te ontvangen? Kijk eens hoe Hij Zijn handen over hen heeft uitgebreid; dat is toch een zaak van blijdschap, gemeente! De Heere heeft Zijn handen niet ingetrokken en heeft niet gezegd: Mijn jongeren, nu moeten jullie het zelf maar verder allemaal uitzoeken. Nee, Mijn zegen geef Ik u. Die maakt ons alleen maar rijk en blij.

Vandaar die dankzegging aan het adres van hun Heere en Koning. Zeker, het volle licht komt straks na Pinksteren; maar ook nu al, na Pasen en na Hemelvaart is er licht opgegaan over de lijdensweg en stervensgang die hun Meester heeft afgelegd, en er is licht opgegaan over Zijn opstanding uit de doden. Het laatste wat ze van Hem mochten zien, waren Zijn zegenende handen. Dat waren doorboorde handen.

Daarom is de afstand tussen Golgotha en de Olijfberg minimaal geworden!

Golgotha heeft de doorboorde handen laten zien. Toen stonden ze er nog tegenover met ontzaglijke vragen in hun hart. Hoe kan dat nu? Ze hebben gezegd: Heere, dat zal u geenszins geschieden. En het is toch gebeurd. Toen stonden ze voor het raadsel. Maar als ze nú die doorboorde handen mogen zien, weten ze: om onzentwil.

Golgotha en de Olijfberg, ze liggen vlakbij elkaar. Het evangelie van de Hemelvaart geldt ook voor de zondag tussen Hemelvaart en Pinksteren in – het is het evangelie van het kruis.

Gemeente, wat zouden we vandaag ánders moeten preken dan een gekruiste en een opgestane en een ten hemel gevaren Zaligmaker? Ook deze zondag zal de prediking Jezus als centrum hebben, Hij alleen. Ja, Hij is heengegaan, maar hun ten goede. Daarom zijn hun harten vervuld met lof en dank.

 

Er zit een vraag voor ons aan gekoppeld. Dat is deze vraag: Begrijpt u het nu? Begrijpt u dat deze discipelen God loven en danken in het huis des Heeren? Zou u er bij willen zijn? Zou u zeggen: Ja, Heere, mag ik U ook zo groot maken? Is dat ook het verlangen van uw hart?

Als u antwoord geeft op deze vraag, gaat u dan mee op dit geestelijke niveau? Is na de Hemelvaartsdag ook in úw hart de blijdschap, die gekoppeld is aan Hemelvaart?

Ja, zegt u, daar heb je het weer. Nee, niet daar heb je hét weer, maar: Daar hebt U Hém weer, Die u deze vraag stelt. Hoe hebt u Hemelvaart gevierd? Of is alles gepasseerd zoals het al jaren gepasseerd is?

Leeft u zo, gemeente? Niet opgeschrikt door het evangelie van Hemelvaart? Niet erdoor aangeraakt? Niet koud en heet, maar lauw, zoals Christus dat zegt in de Openbaringen? Bent u dood gebleven onder de prediking van het Leven? Bent u niet aangeraakt door het Woord van God, als de handen van de Middelaar Gods en der mensen u gepredikt zijn als milde handen? Is het Hemelvaart geweest en hebt u niet naar boven gekeken? Hebt u niet gelet op het Vaderhuis met Zijn vele woningen? Hebt u niet gevraagd: Heere, is daar ook een plaats voor mij?

Of wel? Heeft het Woord zó'n beslag op uw leven gelegd dat u zegt: ‘Heere, buiten U kan ik niet meer verder.’ Als het over deze dingen gaat, wordt immers niet alleen de ongelovige in zijn schuld aangesproken, maar ook de gelovige. Was er deze dagen in het hart van hen die de Heere hebben lief gekregen, lof en de dank? Staat u in verwondering bij het zien van de Olijfberg en het opzien naar de hemel? Na de dood is het leven mij bereid, want de Koning is ingegaan. God neemt mij op in Zijne heerlijkheid. Lof en dank, dat de Heere vanuit de hoge hemel naar mij heeft willen omzien. Was het zo bij u?

 

Gemeente, het kon vanuit de mens gezien nooit meer. Maar wat onmogelijk is bij de mensen, is mogelijk gebleken bij God. Ons vlees en bloed, zoals de Heere Jezus dat heeft aangenomen uit de maagd Maria, is ingegaan in de hemel. Het is ons een zeker pand dat allen Die geheiligd zijn door Zijn Geest en gewassen door Zijn bloed, eenmaal die hemelvaart óók zullen maken.

De vreugde van Hemelvaart ervaren we in het persoonlijke leven  als we in de schuld van ons leven het evangelie van de genade van God geopend weten door de bediening van de Heilige Geest.

Is die dank en lof er in ons leven? Is er dankbare vreugde, als in de moeite van uw leven en in de aanvechting van uw bestaan het evangelie is opengevallen in Jezus' Naam? Je kunt geen vreugde hebben zonder Hem en buiten Hem. Er is zeker verschil in maat en in trap, maar als het evangelie openvalt, hoort u de Naam Jezus. Hebt ú Zijn Naam gehoord? Hebt u gehoord dat u zalig kunt worden? Meisjes en jongens, hebben jullie het gehoord? Heeft het jullie gebracht aan de troon van Gods genade?

 

Gemeente, God laat ons het evangelie van Jezus Christus niet prediken, opdat we zouden zeggen: Nou, dat weten we dan. En dan verder niks. Maar Hij laat ons het evangelie prediken, opdat we ermee worstelen aan Zijn troon. Maakt onze worsteling dan zalig? Nee, dat niet. Ook al zouden we ons leven lang worstelen, dan hebben we het nog niet verdiend. Maar de Heere heeft het belóófd. Dat is het. Het gaat niet om onze verdienste, maar om Gods belofte. Dat is het, wat Jakob heeft gezegd: Heere, ik laat U niet gaan, tenzij dat Gij mij zegent. Zouden we dat klein achten, gemeente, als de Heilige Geest zo het werk tot zaligheid wil werken in onze harten? Lof en dank!

 

Maar nu is er nog iets, maar we zingen eerst Psalm 119:29

 

De HEER is mijn genoegzaam deel, mijn goed;
Ik heb gezegd: "Ik zal Uw woord bewaren".
'k Heb U gebeên met mijn geheel gemoed,
Dat zich Uw heil aan mij mocht openbaren;
Wees naar Uw woord genadig; ai, behoed,
Behoed Uw knecht, en red hem uit gevaren.

 

2. Van bidden en smeken

We zeiden: er is nog iets. Wat reden geeft tot dankbaarheid en tot de lofzegging op de Naam des Heeren, geeft tegelijkertijd ook aanleiding om te bidden en te smeken. Ik zou dat eigenlijk een koppeling willen noemen. Aan de ene kant loven en danken, en aan de andere kant bidden en smeken. Dat is geen tegenstelling, maar het sluit op elkaar aan. Gemeente, wat legt nou de verbinding tussen deze twee? Dat is de belofte, zoals de Heere Jezus die heel nadrukkelijk heeft uitgesproken.

Er staat in Handelingen 1 vers 4: En als Hij met hen vergaderd was, beval Hij hun dat zij van Jeruzalem niet scheiden zouden, maar verwachten de belofte des Vaders, die gij (zeide Hij) van Mij gehoord hebt. Want Johannes doopte wel met water, maar gij zult met den Heiligen Geest gedoopt worden, niet lang na deze dagen. En aan het begin van vers 8 staat in datzelfde hoofdstuk: Maar gij zult ontvangen de kracht des Heiligen Geestes, Die over u komen zal. In Lukas 24:49 staat: En zie, Ik zend de belofte Mijns Vaders op u; maar blijft gij in de stad Jeruzalem, totdat gij zult aangedaan zijn met kracht uit de hoogte.

 

Dan krijg je die tweeslag, gemeente. De discipelen zeiden tegen elkaar : Heb je het gehoord? Hij heeft ons Zijn belofte meegegeven! Heere, wij mogen u ervoor loven en danken dat U zo aan ons hebt willen denken. De Trooster zal komen, de Geest der waarheid. Ze zullen gedoopt worden met de Heilige Geest.

Wisten ze dan precies wat dat was? Ik denk het niet, gemeente. Nee, ik weet wel zeker van niet. Maar dat het rijk zou zijn, wisten ze op voorhand. Dat hebben ze gehoord uit de mond van hun Heere en Koning. Dat de belofte werkelijkheid zou worden – er was geen haar op hun hoofd dat eraan dacht dat de Heere Jezus Zijn belofte níet zou inlossen.

 

Maar tegelijkertijd is er de andere kant, gemeente; en die leidt tot het aanhoudend bidden en smeken van de discipelen. Deze allen waren eendrachtelijk volhardende in het bidden en smeken. Waarom dan? Och, dat Uw heil aan ons zich openbaarde. U hebt het beloofd, Heere. We zingen op voorhand onze lofzang. Wij zeggen U dank, Heere, dat U ons niet zomaar hebt laten gaan, maar dat U door Uw Woord de verbinding hebt gelegd met de troon van Uw genade. Daarom, Heere, laten we de klopper van het gebed vallen op de deur van Uw heiligdom. En wij vragen wat David eenmaal vroeg: Doe dan, gelijk Gij gesproken hebt. U hebt het toch gezegd, Heere?

 

Wel, zo vinden wij hen daar allemaal samen. Laten we nu eerst eens gaan kijken naar de woordjes: Deze allen. Het is een bont gezelschap, er is grote variëteit. Er is een Thomas, de ongelovige gelovige. Hij heeft gezegd: ‘Als ik mijn vinger niet steek in het teken van de nagelen en mijn hand in Zijn zijde steek, ik zal geenszins geloven.’ En nu heeft hij geloofd en de lof gezongen. We vinden hem hier eendrachtig met de broeders in het bidden en smeken. Je zou toch zeggen: Thomas? Ja, Thomas.

En wat denkt u van Petrus? Nog niet zo lang geleden zei hij: Jezus? Nooit van gehoord. Echt niet. Er staat een heel sterke uitdrukking waarmee Petrus zijn Meester vervloekt en afzweert. Wie ligt daar nu? Biddend en smekend? Diezelfde Petrus.

Mattheüs vind je daar ook. Levi, de man die in zijn vroegere leven van leugen en bedrog aan elkaar hing als tollenaar, voordat Jezus hem riep uit het tolhuis. Hij is er ook bij, biddend en smekend.

 

U kunt er ook bij, gemeente. Enerzijds is het een select gezelschap, select in de zin van verkoren, echt. Maar anderzijds is het een gezelschap waarvan je moet zeggen: Wat daalt de Heere laag af. Als het nou heiligen waren van de hoge plaatsen, eikenbomen der gerechtigheid…
Dat zíjn ze ook wel en ze zijn dat ook meer en meer geworden. Maar ze zijn nooit hun vroegere leven vergeten. Als Paulus straks een brief schrijft, zegt hij: Mensen, ik was het helemaal niet waard. Waarom niet? Omdat ik de gemeente van God heb vervolgd. Je zou zeggen: Paulus, dat is geweest, man. Dat hoef je toch niet altijd weer te zeggen. Maar Paulus doet dat wel – om niet boven zichzelf uit te groeien.

 

Zo gaat er een nodiging uit van die broeders en zusters die hier samen zijn. Ja, er worden ook vrouwen genoemd. Denk aan Maria, de moeder van de Heere Jezus. Wat rijk als we dat zo zien: een bont en wonderlijk gezelschap. Mensen met verschillende karakters, de één zus en de ander zo. En toch één.
Waardoor, gemeente? Wel, er is een basis in hun leven die ze gemeenschappelijk hebben. Hoe komt het nou, Petrus, dat jij hier bent? En jij, Thomas? En jij, Mattheüs? Ach, ieder weet op zijn of haar eigen manier wat het wil zeggen om van genade te leven.
Ze kunnen zeggen: Omdat we weet hebben van de gerechtigheid die Christus heeft aangebracht. Dat kan heel verschillend zijn in trap en maat, maar het brengt wel samen. Ze weten zich verenigd rond de ene Naam die zalig maakt: de Naam Jezus. Dat is als het ware het wachtwoord in het Koninkrijk der hemelen.

 

Hoe kom je daar binnen, in die zaal waarin ze samen zijn om te bidden en te smeken? U klopt aan, de deur gaat open. Zeg het wachtwoord eens. Als u dan die ene Naam zegt, zeggen ze daar: Kom maar binnen. Al komen ze uit verre landen, hun harten smelten saâm ineen als het gaat om Jezus' Naam tot zaligheid. Gemeente, dat bindt samen, dat geeft ook eendracht.

Maar dat leidt ook terug naar hun vroegere bestaan. Ze hebben zich immers allemaal het nodige verbeeld. Ze hebben allemaal hoog van de toren geblazen, en ze zijn allemaal van hun voetstuk gevallen. Toen de Heere Jezus over Zijn lijden sprak, heeft Petrus gezegd: Maar Heere, dat zal U geenszins geschieden. En Thomas had daarvóór al gezegd: Laten we maar met Hem naar Jeruzalem gaan. We laten Hem niet alleen gaan. Laten we met Hem gaan, om met Hem sterven… En al de discipelen hadden een voor een gezegd: Al zullen ze ook allen aan U geërgerd worden, ik niet!

 

Maar Golgotha is werkelijkheid geworden, en daarna Pasen en Hemelvaart. Waar moet je de discipelen zoeken, gemeente? Moet u omhoog kijken? Nee, u moet naar beneden kijken: Petrus is van zijn voetstuk gevallen en Thomas en Mattheüs en allemaal, een voor een. De Heere werkt erop aan – voor het eerst en ook altijd weer opnieuw – dat we met onszelf aan een eind komen.
Waarom dan? Opdat Hij verheerlijkt zal worden. Het gaat er niet om dat ónze naam groot gemaakt en verheerlijkt zal worden. Daar rekenen we wel stiekem op. We vinden het ook wel mooi als mensen goed van ons spreken. Maar dat is levensgevaarlijk, gemeente. Dan ga je krampachtig leven. Wat zouden de mensen er wel niet van zeggen? Wat zou die ervan denken en die? Maar als het om Zíjn Naam gaat, ben je van krampachtigheid verlost. Dan zeg je: Zijn Naam moet eeuwig eer ontvangen. Zo moet de Koning eeuwig leven.

 

Dat is een rijk leven, gemeente. Maar dat is wel sterven aan je zelf en wat van jezelf is. De discipelen zijn van hun voetstuk gevallen; je ziet ze liggen, de één na de ander. Maar er staat wel wat tegenover, want terwijl ze daar liggen en aan zichzelf sterven, blijken het mensen te zijn met verwachting. De belofte is in hun leven, Jezus heeft dat meer dan eens gezegd. Deze verwachting hebben ze van hun Hemelvaartskoning.

Zo zijn ze eendrachtig, als ze opzien naar Hem Die van hen is heengegaan. Dat geeft verbondenheid, dat geeft eendracht, dat geeft liefde. Dit alles is de vrucht van het werk van de Heere Jezus in hun harten. Gemeente, dit is nu het leven uit de belofte, het leven vanuit het Woord van God.

 

Leeft u daar uit? Leeft u uit het Woord van God? Het is zo triest dat mensen graag willen leven uit van alles en nog wat. De één heeft dit meegemaakt en de ander weer wat anders.

Maak je dan niets mee in het leven der genade? Ja, zeker wel. Maar dat is de grond van het leven niet. Maak in Uw Woord mijn gang en treden vast. Gevoelige genade is aangenaam; dat willen we allemaal wel, als het goed is. Maar ze vervluchtigt, ze verdwijnt weer. Ze trekt geen sporen in je leven.
Wat trekt wel sporen in je leven? Dat is het Woord. Het onwankelbare Woord van God. Het Woord, dat zult ge laten staan, zo heeft Luther al gezongen. Als dát je wordt afgenomen, ben je nergens meer. Dan wordt de basis onder je leven weggetrokken.

Daarom – het Woord.

Is dat richtinggevend voor uw leven en uw denken? Het Woord, en daarin de beloften van God. De discipelen hebben zich vastgeklampt aan de beloften.

 

Gemeente, zo heeft de Heere Zijn belofte ook uitgeschreven op onze voorhoofden. Meisjes en jongens, op jullie voorhoofden staan de beloften van heil en zaligheid. Niet omdat jij zo goed bent, maar omdat Hij getrouw is als de God van het verbond.

Dat is maar niet niks. De bediening van de Heilige Doop is niet maar een gewoonte, waarvan je zegt: Och ja, dat moet nou eenmaal. Nee, daarin is God met de mens bezig. God is al begonnen toen je van uw bestaan nog niet afwist. God heeft het op jouw  voorhoofd uitgeschreven: Ik ben de HEERE uw God. Zien we zo op de belofte van God, ons geopenbaard in het evangelie van Zijn genade?

 

Zo hebben de discipelen op hun tijd en in hun omstandigheden zich vastgeklampt aan die belofte. Dat was toch Jezus' eigen Woord! Ze zouden toch gedoopt worden met de Heilige Geest en ze zouden toch met kracht worden aangegord uit de hoogte! De toezegging heeft in hun hart een verlangen gewekt naar de vervulling ervan. En zo is de Heilige Geest hier bezig om plaats te maken voor Zichzelf.

 

De discipelen hebben veel ontvangen. Ze hebben zicht gekregen op Golgotha, op het open graf, op de doorboorde handen van de Heere Jezus Christus. Maar er is nog meer. De Heere gaat via Zijn belofte het verlangen wekken dat die belofte ook vervuld zal worden. Dat geeft verbondenheid aan de troon van Gods genade. Vandaar die twee woorden, bidden en smeken. Je kunt niet lijdelijk afwachten. Je kunt niet zeggen: Nou ja, we zullen wel zien wanneer dat komt. Nee, dan is het heel indringend; en zo zongen we het ook uit Psalm 119: Och, dat Uw heil aan mij zich openbaarde…

Als God aan uw ziel een belofte geeft, verbindt dat aan de troon van God. Dan zit je niet met je handen over elkaar. Nee, dan is er een heilzame verwachting. Mijn ziel verwacht de Heere, en ik hoop op Zijn Woord. Hoort u het? Daar hebt u het weer: op Zijn Woord.

Wat is Gods belofte dan een pleitgrond om de toezegging van het heil ook metterdaad te ontvangen door de Heilige Geest.

 

Wat een zegen als we zo ook zien naar de discipelen. In het geloof hebben ze weet van de vrede der verzoening door het lijden en het sterven van de Heere Jezus Christus. Ze hebben weet van de verzoening door Zijn opstandingskracht. Ze zijn gerechtvaardigd in de opstanding van Christus. De Heilige Geest heeft voor hen het Licht daarover laten vallen. Maar er is meer.

Discipelen, u bent er nog niet. Er is een voortgang in het Koninkrijk der hemelen. De Heilige Geest zal van de Vader en de Zoon gaan getuigen. Door de Geest zullen de Vader en Zijn Zoon woning bij de discipelen maken. Ze zullen tempelen worden van de Heilige Geest, vol van Hem. Al het heil in Christus zal voor hen worden opengelegd. De Schriften zullen nog verder worden geopend.

 

U ziet als het ware het Boek van Gods heilshandelen verder opengaan voor de discipelen. Ja, steeds meer Licht valt er in hun hart over het Woord van God, opdat ze Christus mogen kennen in al Zijn Heerlijkheid en in de rijkdommen van Zijn genade. Zo zullen zij zijn tot levende getuigen in deze ondergaande wereld. Kijk hen dan eens met bidden en smeken bezig zijn, gemeente. Kijk hen dan eens verlangend uitzien naar de vervulling van het Woord van God. Wat zijn ze arm en behoeftig in zichzelf. Wat verlangen ze naar de komst van de Heilige Geest!

 

Kijk, wie zo hangt aan de belofte van God, hangt aan de God van de belofte; van God Die het gesproken heeft. Die vervulling heeft Gods kind nodig. Zo oefent de Heere Zijn kinderen in het allerheiligste geloof, juist daar waar de genade baan breekt. Wat komen we er dan juist achter dat we niet meer kunnen leven uit het verleden. Als je tegen de discipelen zou zeggen: Beste mannenbroeders, kijk eens hoe rijk gezegend u bent. Het Licht is opgegaan over Golgotha en over Pasen; en bij de Hemelvaart hebt u de doorboorde handen van de Heere Jezus gezien. Nu weet u het toch wel? Nee, gemeente, u kunt niet leven met wat er in uw leven is gebeurd.

Dat wil niet zeggen dat het niet groot is; je hoeft dat verleden niet af te schrijven. Maar de Heere werkt aan op de dágelijkse bediening uit de verdienste van de Heere Jezus Christus. Daarom kunnen we niet leven uit onze bekering en onze ervaringen. Je kunt niet leven uit je gestalten. Je kunt niet leven uit alles wat je hebt meegemaakt. Daarom breekt de Heere je daarin ook af. Waarom? Opdat ons leven Christus zou zijn. Opdat we uit Hem zullen leven, Die ons leven is.

 

Zo doen geloof en liefde u volharden in het bidden en smeken. Zo is het geloof een werkzaam geloof. Dat is een heilige activiteit; dat is bidden, smeken, worstelen bij God. Dat is de Heere Zijn eigen Woord voorhouden, Zijn eigen belofte. Zo vervult de Heere Zijn Woord en wordt Hij groot gemaakt. De Heere leest het als het ware af in je hart: Heere, ik verwacht het van U alleen. Dan zegt de Heere: Allen die het van Mij verwachten, zullen niet beschaamd worden.

 

Die voortgaande bediening van het gebed vind je hier bij de discipelen, en die vind je vandaag de dag nog. Dat komt door het werk van de Heere Jezus Christus. Hij is als Priester ten hemel gevaren en Zijn werk is bidden. En omdat Hij in de hemel bidt, zijn Zijn discipelen en de anderen hier op aarde eendrachtig in het bidden en smeken. Zo is er de verbinding. De bediening uit Christus Jezus vervult deze mensen.

Zo komen ze aan de troon van God met bidden en smeken, de Heere lof zeggend voor alles wat Hij heeft gedaan en ootmoedig dankend voor de rijkdom van Zijn ontfermen. Ze zeggen: Heere, dit Woord, waarop U ons verwachting hebt gegeven, wilt U dat ook vervullen?

Zo zien we hen biddend. Hoe lang? Tien dagen. Het getal van de volheid; geen negen, geen elf; nee, tien. Het getal van de volheid, omdat zo de Naam van de Heere zal worden lof gezongen als het gebed verhoord is. Dat gaan wij dan ook zingend verwoorden uit Psalm 53, en daarvan het laatste vers.

 

Och, daalde 't heil uit Sion spoedig neer

Voor Israël. Als God Zijn volk uit lijden

En banden redt, zal Jakob zich verblijden,

En Israël, al juichend, geven d' eer

Aan zijnen Heer.

 

3. Bij allen en te allen tijde

Zo tekent Lukas ons het gemeenteleven tussen Hemelvaart en Pinksteren: de discipelen in hun aanhoudend bidden en smeken aan de troon van Gods genade en in hun lofzegging en in hun dank. Daarin komt rijk onderwijs tot ons. Dat onderwijs is echter niet alleen rijk, maar ook beschamend. Want zeker, het heilsfeit van Pinksteren herhaalt zich niet nóg een keer. Het is één keer Pinksteren geweest en één keer Kerstfeest. Maar als het gaat om de uitwerking van deze dingen in ons hart, blijft de toepassing ervan noodzakelijk tot ontplooiing van het geestelijke leven.

 

Je komt nog weleens een stukje vanzelfsprekendheid tegen, al verschilt dat per gemeente. Er zijn mensen die zeggen dat ze tot het geloof in Christus zijn gekomen; en dan weten ze zo ongeveer alles in één keer; ze kunnen alles, en bezitten alles. Als dat zo zou zijn, gemeente, betekent dat de doodsteek voor het geestelijke leven. Dan is namelijk het werk van de Heilige Geest niet meer nodig. Mensen die beweren dat ze het allemaal bezitten en allemaal kennen, kunnen het zelf wel.  Er zit echter niet veel diepgang in hun leven en dat getuigt juist van onwetendheid.

 

Die kan er ook zijn als het gaat over het werk van de Heilige Geest in de aanvang van het geestelijk leven. Er zijn veel mensen die zeggen: Ik kan het nog niet zo goed onder woorden brengen, ik weet dat nog niet zo goed. Zeker, de één kan gemakkelijker uit zijn woorden komen dan de ander. Maar als de Heere gewerkt heeft, kunnen we toch wel iets onder woorden brengen van de leiding en het onderwijs van de Heilige Geest in ons leven.

 

Zie dan hoe de Heilige Geest ons de weg wijst door te wijzen op het gedrag van de discipelen, als ze volhardend bezig zijn in het bidden en het smeken. De nood van het hart geeft aan dat er geen rusten kan zijn. Ze kunnen niet rusten vóór de Belover Zijn Woord heeft vervuld. Kijk, dat is nu het smeken, het bidden, het hangen aan de belofte van God. Niet om de Heere te dwingen, maar om de Heere te manen op Zijn eigen Woord.

 

Zo is het een werk van het geloof, zoals de Heilige Geest dat werkt. De vervulling door de Heilige Geest veronderstelt immers het volgen van de Heere Jezus. Het veronderstelt het kindschap van God. Waar geen geloof is, kun je niet verwachten dat je vol zult worden van de Heilige Geest. Dat is onlosmakelijk verbonden aan het geloof in Christus. Zo zal ook de vervulling werkelijkheid zijn vanuit de volheid die er is in Hem.

Hoe zal dat wezen? Wel, het gaat Pinksteren worden. Gedoopt met de Heilige Geest – dat wil zeggen ondergedompeld worden in, ondergaan in. U weet wel: dopen gebeurt bij ons met besprenging. Maar als de mogelijkheid er zou zijn, is de onderdompeling toch treffender. Je gaat een ogenblik kopje onder. Nou, als je zo gedoopt wordt met de Heilige Geest, is dat een totaal vervuld zijn met de Geest. Dat is de ambtelijke dienst waartoe ze geroepen worden en waartoe ze in staat zullen worden gesteld. De Heilige Geest werkt eropaan dat het werk van de ambtsdragers zó, in de weg van het geloof, zijn gestalte en beslag zal krijgen.

 

Gemeente, dat is een doorgaande aangelegenheid in het leven van de gemeente Gods. U leest dat ook steeds weer in de Handelingen: het vervuld worden met de Heilige Geest. U zegt misschien: Als je met Pinksteren vervuld bent geworden met de Heilige Geest, moet je dan een paar weken later weer vervuld worden? Kennelijk wel. Hoe komt dat? Omdat je een zondaar blijft. Je verliest zo gemakkelijk weer het nodige en er moet weer bijkomen. Dat is het weer opnieuw vervuld worden met de Heilige Geest, opnieuw ondergedompeld worden, opnieuw leven uit Zijn volheid. Kijk, zo blijft er de afhankelijkheid en het besef maar een klein mens te zijn.

Daarom kun je ook met Pinksteren niet zeggen: Kijk, nu zijn we er, nu weten we alles, nu hebben we alles, en nu kennen we alles. Nee, er is een voortgang, een opbouw, een toenemen in de kennis en de genade van onze Heere Jezus Christus. Het is hier nooit ten volle. Dat wacht nog, tot de tijd dat Hij zal komen en als God alles zal zijn en in allen.

 

Amen.

 

Zingen: Het Gebed des Heeren:10

 

Ja, Amen, trouwe Vader, ja;

Wij maken staat op Uw gena!

Ons hart, o God, die alles ziet,

Veroordeelt ons in 't naad'ren niet;

Het zegt, daar G' op ons bidden let,

Gelovig "Amen" op 't gebed.