Ds. M. Golverdingen - Exodus 2 : 21 - 22

Mozes in Midian, op de school van het geloof

Exodus 2
Zijn verblijf
Zijn belijdenis

Exodus 2 : 21 - 22

Exodus 2
21
En Mozes bewilligde bij den man te wonen; en hij gaf Mozes zijn dochter Zippora;
22
Die baarde een zoon; en hij noemde zijn naam Gersom; want hij zeide: Ik ben een vreemdeling geworden in een vreemd land.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 90: 1 en 8
Lezen : Exodus 2
Zingen : Psalm 103: 4, 6 en 7
Zingen : Psalm 66: 4
Zingen : Psalm 73: 1 en 13

Gemeente,

In 1 Petrus 1 ontmoeten we christenen uit verschillende plaatsen in Klein-Azië, het Turkije van vandaag. En van al die christenen zegt Petrus dat ze bedroefd zijn door veel verschillende verzoekingen: hier worden ze achtergesteld in het maatschappelijke leven, daar organiseert de plaatselijke Romeinse overheid een vervolging en ergens anders  worden laster en smaad hun deel. De weg van de Heere is voor hen vaak zo onbegrijpelijk.

 

Als de verrekijker van het geloof niet aan onze ogen is, verliest een kind van God ook alle zicht op de Koning van de Kerk. Daarom wijst de apostel Petrus in het zevende vers de diepe zin aan van de onbegrepen weg die de Heere met hen houdt: opdat de beproeving uw geloofs, die veel kostelijker is dan van het goud, hetwelk vergaat en door het vuur beproefd wordt, bevonden worde te zijn tot lof, en eer, en heerlijkheid, in de openbaring van Jezus Christus (1Petr.1:7). Het is het beeld van de goudsmid die de smeltkroes hanteert. Boven het heet gestookte vuur blijkt in de smeltkroes de echtheid van het goud, dat van het smeltproces geen enkele schade oploopt. Maar al het vuil dat zich nog in het edele metaal bevindt, wordt afgestoten, komt boven drijven en vormt een schuimkraag op het vloeibare goud. Dan komt de goudsmid en met één handige beweging schept hij de vuilkraag weg en dan glinstert het goud hem in al zijn zuiverheid tegemoet.

 

Dat is een beeld, gemeente, van de weg die de Heere met Zijn kinderen houdt. Want hun geloof vermengt zich door allerlei verdrukkingen, lijden en beproeving vaak met onzuivere elementen zoals twijfelmoedigheid, moedeloosheid en harde gedachten over de Heere. De één zegt met David: Nu zal ik een der dagen door Sauls hand omkomen (1 Sam.27:1); en een ander zegt met Jakob, ziende op de menigerlei tegenslagen: Al deze dingen zijn tegen mij (Gen.42:36). Maar in het vuur van de beproeving wordt het goud van het geloof gezuiverd. Het vuil komt bovendrijven, we gaan onze zonden opnieuw onderkennen en belijden. Zo grijpt het geloof van een arme zondaar opnieuw een rijke Christus aan. Door de beproeving van het geloof heen mag Gods kind opnieuw een gezicht op Christus ontvangen en opnieuw op Hem gaan steunen, meer nog dan voorheen. Ze vertrouwen in deze weg van beproeving alleen op Hem en achten de gave van het zaligmakende geloof nog waardevoller dan voorheen.

 

Ook Mozes, in zoveel opzichten een type van de Heere Jezus Christus, had de beproeving van zijn geloof nodig opdat hij zijn vertrouwen alleen op God zou stellen.

Wij staan daarbij nader stil aan de hand van de tekst die u vinden kunt in Exodus 2 vers 21 en 22:

 

En Mozes bewilligde bij den man te wonen; en hij gaf Mozes zijn dochter Zippora; Die baarde een zoon; en hij noemde zijn naam Gersom; want hij zeide: Ik ben een vreemdeling geworden in een vreemd land.

 

Gemeente, onze tekst bepaalt ons bij Mozes in Midian, op de school van het geloof. We letten op twee gedachten:

 

1. Zijn verblijf (vers 21a);

2. Zijn belijdenis (vers 22b).

 

1. Zijn verblijf

Gemeente, de geschiedenis van Mozes staat ons allemaal nog wel voor ogen, in grote lijnen althans. Israël bevindt zich in het land Gosen en dan staat er een farao op die Jozef niet heeft gekend. Deze farao wordt angstig door de snelle groei van dat vreemde volk van de Israëlieten, daar in de provincie Gosen. Hij bedenkt de ene verdrukkende maatregel na de andere. Zo wordt hij een instrument in de handen van de vorst der duisternis, en ten slotte komt het wrede bevel om alle pasgeboren jongetjes van de Joden in de Nijl te werpen.

 

In die tijd is er een echtpaar bij wie een zoon geboren wordt. Vader Amram en moeder Jochebed worden getroffen door de bijzondere schoonheid van hun kind. Door het geloof gaan ze verstaan dat de Heere met dit kind een bijzondere bedoeling heeft. De Heere heeft vierhonderd jaar geleden aan Abram beloofd om Israël te verlossen. Dat heeft Hij ook nog niet zo lang geleden door Jozef op zijn sterfbed laten profeteren: Ik sterf; maar God zal u gewisselijk – zal u zeker – bezoeken, en Hij zal u doen optrekken uit dit land, in het land, hetwelk Hij Abraham, Izak en Jakob gezworen heeft (Gen.50:24). Ze hebben mogen geloven dat God dit kind voor dit werk zou afzonderen. Alles hebben ze gedaan om het voor de ogen van de vijand te verbergen.

Als het kind drie maanden is, wordt dat onmogelijk. De dunne lemen wandjes van de eenvoudige huizen in Gosen laten teveel geluid door. En dan besluiten ze door hetzelfde geloof het kind in een biezen kistje ergens tussen de biezen en het riet van de Nijl te leggen: Door het geloof werd Mozes, drie maanden lang van zijn ouders verborgen, overmits zij zagen dat het kindeke schoon was (Hebr.11:23).

 

U kent de geschiedenis: de Heere leidt het zo dat de dochter van de farao daar gaat baden. Terwijl ze dat doet, vindt ze het jongetje en adopteert ze het kind als haar zoon. Ze noemt hem Mozes: kind van de Nijl, kind van het water. En als ze hem geadopteerd heeft en hij door zijn eigen moeder een jaar of vijf is opgevoed, neemt de dochter van de farao hem aan het Egyptische hof.

Daar wordt hij gevormd in de wetenschap van de Egyptenaren, meer dan dertig jaar. Mozes wordt een Egyptische prins. Al de schatten van Egypte zijn voor hém, totdat de dag komt dat deze man, gevormd in de Egyptische cultuur, de onberouwelijke keuze mag doen voor de Heere en Zijn dienst: alle schatten van Egypte verbleken tot niets als hij door het geloof in de beloften van God de geestelijke rijkdom van Israël mag zien. Zou de Messias, de Zaligmaker der wereld, niet uit dit volk worden geboren en heeft de Heere niet aan Abraham en Jozef beloofd Israël uit de slavernij van Egypte te verlossen?

Mozes heeft de begeerte zijn gaven en talenten te besteden in de dienst des Heeren en wil zich dienstbaar maken ten behoeve van het verdrukte volk van Israël. Hij gaat naar Gosen om te bezien welke lasten het volk dragen moet.

 

Gemeente, het verlangen van Mozes om naar Gosen te gaan, is goed en zuiver. Het is een vrucht van het zaligmakende geloof. Maar in Gosen handelt hij in eigen kracht! In zijn verontwaardiging dat een Israëliet door een Egyptenaar wordt mishandeld, slaat hij de Egyptenaar dood. Mozes wordt een moordenaar.

Hij denkt dat de Israëlieten zijn optreden wel zullen aangrijpen om nu massaal in opstand te komen tegen de farao. Trouwens, is híj wat capaciteiten en vorming betreft niet de meest geschikte man om Israël te verlossen?  Hij voelt zich tot de verlosserstaak geroepen, maar … hij is nog niet geroepen!

De ene teleurstelling volgt op de andere. Zijn eigen volk begrijpt zijn bedoelingen niet. Als we goed in de Schrift lezen, is het duidelijk dat een Israëliet Mozes moet hebben aangebracht bij de farao als degene die de Egyptenaar heeft gedood. De farao laat een arrestatiebevel uitgaan en Mozes moet naar het buitenland vluchten.

 

Schijnbaar is de vlucht naar Midian een willekeurige keus. Hij had immers ook naar Kanaän kunnen vluchten of naar Ethiopië, om maar wat te noemen? Mozes kiest echter  voor Midian. Hij moet hebben geweten dat dat gebied voor een groot deel door de nakomelingen van Abraham en Ketura, een bijvrouw van Abraham, bevolkt werd, want vlak voor de dood van de aartsvader zendt Abraham de zonen van Ketura weg naar dit gebied. Een van die zonen van Abraham draagt de naam Midian en dat is degene die aan de streek zijn naam verbindt.

Deze zonen van Ketura horen niet bij de kerk van het Oude Testament en maken geen deel uit van het uitverkoren volk. Dat zal immers naar Gods belofte uit Izak voortkomen. Daarom heeft Abraham de zes zonen van Ketura weggezonden, zoals de Schrift zegt ‘met rijke geschenken’. Het rijkste geschenk was dat ze enige kennis van Abrahams God met zich meedroegen. Daardoor ontbreekt de kennis van de dienst des Heeren in dit gebied niet geheel.

 

Dat moet Mozes wel voor ogen hebben gestaan: hij zoekt immers asiel in een land waarin hij de Heere kan dienen. Ook beseft hij heel goed dat hij niet altijd als een eenling in dit eenzame, lege steppengebied kan blijven rondzwerven. Hij heeft levensonderhoud nodig. Hij heeft een onderdak nodig. Hij heeft sociale contacten nodig. Wat zullen er in zijn hart gebeden zijn opgegaan of de Heere hem ondanks zijn zonden nog wil horen en hem de weg wil wijzen!

En dan schittert in deze geschiedenis opnieuw de leiding van Gods voorzienigheid: Gods goede hand is over deze vluchteling uitgestrekt. De Heere verliest immers Zijn kinderen nooit uit het oog?

 

Op een dag zet hij zich op zijn zwerftocht neer bij een waterput. Dat is de plaats van ontmoeting voor de zwervende groepen bedoeïenen in zo’n gebied. En daar wordt Mozes in de loop van de middag getuige van het ruwe en ruige optreden van een groep herders die het recht van de sterkste laat gelden. Het ging altijd om de vraag: ‘is er nog genoeg water en heb ik genoeg?’ Deze herders handelen ook zo.

Er zijn zeven jonge vrouwen, de dochters van Rehuël, schaapherderinnen, die de drinkbakken voor hun eigen kudden al hebben gevuld. Maar dan komen die ruige kerels en die schuiven die zeven meisjes opzij om hun eigen kudden eerst te laten drinken. Dat herhaalt zich elke dag.

Maar op deze dag treffen deze meisjes bij hun bron een Egyptenaar aan die het met groot gezag voor de weerloze vrouwen opneemt en hen helpt. Daardoor zijn ze veel vroeger thuis dan op andere dagen. Als vader Rehuël vol verbazing vraagt waarom ze deze keer zo vroeg thuis zijn, vertellen ze hem over het optreden van de voor hen onbekende Egyptenaar. Rehuël verwijt de jonge vrouwen direct hun gebrek aan gastvrijheid. Ze hadden hem toch zeker moeten uitnodigen?

 

Bij ons blijft er ook wel eens iemand mee-eten, maar wij, westerse mensen, hechten daar helemaal niet de waarde aan die de oosterling aan het mee-eten hecht: wie uitgenodigd wordt voor de maaltijd, wordt als een vriend van de heer des huizes gezien. Hij mag ook in de gemeenschappelijke omgang van het gezin en de familie delen.

Zo vraagt Rehuël aan de beschermer van zijn dochters ook om blijvend deel uit te maken van zijn familiekring. U kunt het lezen in de tekst: en Mozes bewilligde bij de man te wonen (Ex.2:21).

Vader Rehuël – zijn naam betekent ‘vriend van God’ – wordt in vers 16 ‘de priester in Midian’ genoemd. Bij de nakomelingen van Abraham en Ketura treffen we nog enige kennis van de ware God aan, zij het minder zuiver en met allerlei vormen van bijgeloof vermengd. Maar we lezen dan toch maar in Exodus 18 dat deze Rehuël de HEERE offers brengt. Zo’n stamhoofd was tegelijkertijd priester, die de taak had de offers voor de gemeenschap te brengen, en leider van de stam. Daarom voert hij ook de titel: Jethro, wat ‘hoogheid, excellentie’ betekent.

 

En Mozes bewilligde bij de man te wonen (Ex.2:21). Mozes is als vluchteling opnieuw op de leerschool van het zaligmakende geloof gegaan. En het onderwijs op díe school maakt je zo klein, zo ootmoedig en kinderlijk afhankelijk! De Heere heeft de verzuchtingen gehoord van Mozes, die zich in Gosen zo eigenzinnig en vleselijk had gedragen. Hij ziet hem aan in Christus. Mozes ontvangt in de stam, in de woongemeenschap van Rehuël, een nieuw tehuis.

 

Zoals Gods oog op Mozes was, zo is Zijn oog ook vandaag nog op ouderen en jongeren die door diepe tegenslagen zijn getroffen. Wat kunnen ze in zulke omstandigheden eenzaam zijn, maar toch ook niet nalaten om de toevlucht tot de Heere te nemen. En dan bloeit het geloof weleens op in het hart: ‘Maar de Heere zal uitkomst geven! Hij, Die ‘s daags Zijn gunst gebiedt; ‘k zal in dit vertrouwen leven en dat melden in mijn lied’. Dan wordt tot hun diepe verwondering opgemerkt dat de Heere deuren die zij altijd voor gesloten hebben gehouden, voor hen gaat openen.

 

En Mozes bewilligde bij de man te wonen (Ex.2:21). Te wonen. Dat betekent ook: deelnemen aan het dagelijkse werk van de familie van Rehuël, het weiden van de kudden in de woestijnsteppen. U vindt dat in het derde hoofdstuk, het eerste vers: En Mozes hoedde de kudde van Jethro, zijn schoonvader, de priester in Midian en hij leidde de kudde achter de woestijn.

 

Gemeente, dat heeft Mozes veertig jaar achter elkaar gedaan. Veertig jaar! Immers, de Bijbel zegt dat hij veertig jaar oud was toen hij de Egyptenaar doodsloeg in het land Gosen. En in Exodus 7 lezen we dat hij tachtig jaar oud is als hij met Aäron bij de farao komt om op Gods bevel het vertrek van Israël uit Egypte te bepleiten. Veertig jaar is hij dus in de woestijn van Midian geweest.

Wat moet dat een grote overgang geweest zijn! Van het Egyptische hof naar de stilte van de steppen van Midian. De zoon van de dochter van de farao is een nomade geworden; de Egyptische prins is nu schaapherder. Een man van hoge beschaving en ontwikkeling leidt nu het leven van een van de bedoeïenen.

 

Laten we nu eens aannemen – en dat mogen we zeker doen – dat die schaapskudde op de sabbat zo dicht mogelijk bij huis bleef. Dan betekent dat dat Mozes veertig jaar lang 313 keren per jaar ’s morgens in de vroegte met zijn kudde de steppe is opgegaan en dat hij even zo vaak ’s avonds weer is teruggekeerd. Veertig jaar in eenzaamheid.

Wat een zware beproeving is dat herdersleven geweest voor een man als Mozes! Een zeer begaafde man, een man met veel kwaliteiten. Maar ook een onstuimige man, opvliegend en vol dadendrang. Deze man mag nu niets anders meer doen dan schapen weiden, veertig jaar lang.

 

Gemeente, op de steppen is Mozes vele jaren alleen geweest met zichzelf en met God. De vragen zullen zich hebben vermenigvuldigd: waarom redde de Heere hem van de dood toen de prinses hem in een biezen kistje vond? En waarom gaat zijn leven nu schijnbaar ten onder in doelloosheid? De wetenschapper en bestuurder van topniveau loopt nu achter de schapen en geiten! Hij had toch de Heere hartelijk lief gekregen en een oprechte keus mogen doen? Zijn hart was toch vol verlangen om Israël te bevrijden van de slavernij? Maar waarom zet de Heere hem dan nu met zijn vele gaven en zijn heldere bekering achter het vee als bestemming?

 

Wie van Gods kinderen kent zulke vragen niet? Hoe vaak breekt de Heere in ons leven niet af wat Hij eerst gebouwd heeft? Hij heeft aan Abraham Kanaän beloofd, maar  Abraham ontvangt alleen de grafspelonk Machpela als zijn eigendom. De Heere roept Paulus heel duidelijk naar Filippi, maar hij komt even later in de gevangenis terecht.

Hij kwam in uw leven en gaf u een heilig verlangen om op te gaan naar Gods huis, maar nu bent u aan bed of stoel gebonden. Jezus openbaarde Zich aan uw hart te midden van uw zielsellende en u mocht uzelf met zoveel blijdschap aan Hem overgeven. Maar daarna heeft Hij Zijn aangezicht voor u verborgen, zodat u in het donker uw weg gaat. De  geloofsoefening is er niet meer en dan weet een christen niet meer wat hij aan zijn God heeft. Dan zijn de bestrijders op de been die vanbinnen zeggen: ‘Waar is God op wie gij bouwde en aan Wie ge uw zaak vertrouwde?’

 

En Mozes bewilligde bij de man te wonen (Ex.2:21). Hij hoedde de kudde van Jethro en hij leidde de kudde in de woestijn. De Heere brengt Mozes in de eenzaamheid. Daar wil Hij hem, die in het land van Gosen vóór de Heere uit liep, uit enkel genade opnieuw op de school van het geloof nemen. Want, gemeente, de opbloei en de groei van het geestelijke leven kan nooit zonder afzondering en zonder eenzaamheid om Gods aangezicht te zoeken. Zegt de Heere Jezus het niet: Maar gij, wanneer gij bidt, gaat in uw binnenkamer, en uw deur gesloten hebbende, bidt uw Vader, Die in het verborgen is; en uw Vader, Die in het verborgen ziet, zal het u in het openbaar vergelden (Matt.6:6)? Achter gesloten deuren liggen de eerste worstelingen van het leven der genade. Achter gesloten deuren liggen ook de laatste worstelingen wanneer een kind van God gaat sterven.

 

Ouderen, hoe vaak sloten wij in de week die achter ons ligt de deuren van de binnenkamer om God te zoeken? Zeg het eens tussen de Heere en uw hart: hoe vaak hebt u Hem in het verborgene gezocht, in de achterliggende week?

Jonge mensen, zonderen jullie je af om de Heere te zoeken? Of bid je alleen voor de vorm plichtmatig een formuliergebed? Of duik je misschien zónder gebed onder de dekens? Je hebt in de achterliggende week allerlei deuren opengedaan: de deur van de woonkamer, de deur van het klaslokaal, de deur van de fabriekshal, de deur van het kantoor. Maar als de deur van de binnenkamer niet open is gegaan en je daar niet bent geweest, dan gaat het niet goed met jou op weg naar de grote eeuwigheid! Dan ben alleen in naam een christen!

Het gaat bij het christen-zijn niet om de buitenkant, maar om de binnenkant, die dan vervolgens de buitenkant bepaalt. Kom! Keer tot jezelf in en vraag om de werking van de Geest der genade en der gebeden! Nóg roept de Heere je toe: Bidt, en u zal gegeven worden; zoekt, en gij zult vinden; klopt, en u zal opengedaan worden. Want een iegelijk, die bidt, die ontvangt; en die zoekt, die vindt; en die klopt, dien zal opengedaan worden (Matt.7:7 en 8).

 

Gemeente, wat kan ook een kind van God na ontvangen genade om de deur van zijn binnenkamer heen lopen. Dan willen we liever zelf onze vragen beantwoorden en zelf onze problemen oplossen. Dan kan het zijn dat we de verborgen omgang met de Heere maar voor ons uit schuiven.

Wat doet de Heere dan? Dan komt er een dag dat de Heere u in Zijn grote liefde in de steppen van Midian brengt. Hij kan het immers niet áánzien dat een van Zijn schapen, die Hij met Zijn bloed gekocht heeft, zó ver van Hem weggaat. En dan brengt Hij u in de eenzaamheid van Midian: u wordt ziek, u wordt getroffen door werkloosheid, u wordt afgekeurd, u komt in de WAO terecht, u wordt uitgeschakeld door een ongeluk. Zo brengt Hij u in de eenzaamheid van Midian. Daar wordt het opnieuw geleerd: heilig eenzaam, met God gemeenzaam!

 

Is de weg die de Heere met u gaat de laatste tijd zo vol raadsels? Gaat u zo in het donker? Vermenigvuldigen de zorgen zo? Vraag toch om de leiding en het licht van de Heilige Geest! Ga toch in de binnenkamer naar het Woord van Christus, en stort uw hart uit voor Gods aangezicht. Want in de eenzaamheid wil de Heere u om Jezus’ wil opnieuw in het geloof gaan oefenen. Dan valt er van Zijn kant ook licht op uw pad. Dan valt het licht op uw zonden, maar óók op wie de Heere in de Heere Jezus Christus is en blijven zal voor Zijn volk. Dan mogen we zien op de overste Leidsman en Voleinder des geloofs, Die voor de vreugde die Hem was voorgesteld het kruis heeft verdragen en de schande veracht. Dan breken onze banden en leren we de loopbaan met lijdzaamheid lopen.

 

Zo is het met Mozes in de steppen van Midian gegaan. Zijn zelfzuchtig verlangen is gedoofd en gekruisigd. Daar heeft hij zijn volstrekte afhankelijkheid ingeleefd en beleden. Daar heeft hij God in Christus alleen mogen overhouden en lijdzaamheid mogen beoefenen. De Heere had immers aan Israël een verlosser beloofd? Zijn ouders en hijzelf hadden mogen geloven dat hij die verlosser zou zijn. En wat gebeurt er nu? Het ene jaar na het andere verstrijkt. Mozes wordt, terwijl hij de schapen hoedt, een oude man. Maar door het geloof heeft hij zich opnieuw aan de Heere mogen vastklemmen, op hoop tegen hoop. Mozes heeft daar in het vertrouwen leren leven dat de Heere hem Zelf zal roepen op een hem niet bekende tijd.

 

Gemeente, zo heeft Mozes in de eenzaamheid van Midian lijdzaamheid geleerd. Als hij in het volle leven was blijven staan, was hij nooit bekwaam geworden voor zijn latere taak: het leiden en regeren van een moeilijk en murmurerend volk. Maar op de school van het geloof in Midian heeft God hem geoefend in geduld en kalmte, in zelfverloochening, in onvoorwaardelijk vertrouwen op de Heere alleen. De eenzaamheid van Midian is voor Mozes de hete smeltkroes geworden waarin het edele metaal werd gezuiverd. En later heeft hij de Heere daarvoor hartelijk kunnen erkennen en met de psalmist mogen zeggen: ‘Gij hebt ons voor een tijd bedroefd en ons gelouterd door het lijden, gelijk het zilver wordt beproefd’.

 

Wij zingen daar samen van uit Psalm 66, het vierde vers.

 

Looft, looft den HEER’ der legerscharen.

O volken, heft een lofzang aan!

Hij wil ons in het leven sparen,

Ons hoeden op de steilste paân

Voor wank’len onze voet bevrijden,

Gij hebt ons voor een tijd bedroefd,

En ons gelouterd door het lijden

Gelijk het zilver wordt beproefd.

 

En Mozes bewilligde bij den man te wonen; en hij gaf Mozes zijn dochter Zippora; Die baarde een zoon en hij noemde zijn naam Gersom; want hij zeide; ik ben een vreemdeling geworden in een vreemd land (Ex.2:21,22).

 

Dat brengt ons bij de tweede en laatste gedachte:

 

2. Zijn belijdenis 

Jethro gaf Mozes zijn dochter Zippora. Dat is natuurlijk niet de volgende dag gebeurd. De dingen hebben tijd nodig om te rijpen. Deze sobere vermelding betekent ook niet dat Mozes niet van deze vrouw zou hebben gehouden, zoals weleens is geopperd. De wijze waarop huwelijken in die oude culturen tot stand kwamen, was heel anders dan bij ons. Het geven van Zippora door Rehuël sluit een wederzijdse liefde tussen Mozes en Zippora niet uit. Hij trouwt tenslotte met Zippora – ‘kleine vogel’ betekent haar naam – en niet met een van de andere zes dochters van Rehuël die hij bij de waterput heeft ontmoet. God zorgt voor Mozes. Het is immers niet goed dat de mens alleen zij? En Zippora is geen heidense vrouw, maar een vrouw die met hem dezelfde God dient, al is er in haar denken veel bijgeloof aanwezig, zoals later nog wel tot uitdrukking zal komen. Maar wat zal ze hem tot steun geweest zijn in die lange ballingschap!

 

Het huwelijk van Mozes en Zippora wordt met een zoon gezegend. Hij noemt hem Gersom, wat letterlijk ‘vreemdeling daar’ betekent. Mozes geeft er in de tekst een nadere uitleg bij, want hij zeide: ik ben een vreemdeling geworden in een vreemd land (Ex.2:22). Hier legt Mozes zijn hart voor God open. U zegt misschien: Mozes had nu toch in Midian een eigen huis of een eigen tent? Hij was in de kring van Rehuël toch een gerespecteerd man, want hij was met diens dochter Zippora getrouwd! Nu hij ook nog een zoon krijgt, moet hem dat toch wel een heel bijzondere binding aan Midian hebben gegeven?

 

Maar toch belijdt hij in de naamgeving ‘Gersom’ dat hij zich daar niet kan thuis voelen. Hij spreekt openlijk uit – want dat doe je met een naamgeving – tegenover zichzelf, tegenover zijn vrouw, tegenover zijn schoonvader en tegenover de vriendenkring om hem heen dat hij zijn vaderland ergens anders zoekt. Hij kende immers de belofte die God aan Israël had gegeven: dat de Heere in Israël Zijn bijzondere genade zal verheerlijken in de komst van de Heere Jezus Christus. Dit volk zal Hij ook naar de belofte uit de slavernij van Egypte verlossen.

Door de naamgeving van die jongen – elke keer sprak hij die naam immers uit – werd hij daar steeds weer aan herinnerd. Als hij Gersom bij zijn naam noemde, werd hij erdoor aangespoord om te hopen op de verlossing die de Heere aan Israël geven zou. Hij heeft bij de naamgeving door het geloof op Gods belofte mogen zien. Dat zal hij later nog een keer doen, bij de naamgeving van zijn tweede zoon: Eliëzer: ‘mijn God is groot’. De Heere zál uitkomst geven, hoe dan ook!

 

Het geloof van Mozes is in de smeltkroes van Midian gereinigd van allerlei onzuiverheden. Omdat hij door het geloof op de belovende God mocht zien, is hij een vreemdeling in een vreemd land gebleven. Zijn hart bleef daardoor vol heimwee uitgaan naar het volk van God en naar de God van het volk van Israël.

Mozes is hier een type van de Heere Jezus. Heeft de Heere Jezus bij Zijn omwandeling aan de Joden immers niet betuigd: Gijlieden zijt van beneden, Ik ben van boven; gij zijt uit deze wereld, Ik ben niet uit deze wereld (Joh.8:23)? Heeft Hij niet Zelf gezegd dat de vossen holen hebben en de vogelen des hemels nesten, maar dat Hij, de Zoon des mensen, nergens een plek op de wereld gevonden heeft om Zijn hoofd op neer te leggen? Voor Hem was er geen plaats in Bethlehem, voor Hem was er geen plaats in Nazareth, voor Hem was er geen plaats in Samaria, voor Hem was er geen plaats in Jeruzalem, in het huis van Zijn Vader.

 

Dit is het geheim: in Zijn eeuwige, onuitsprekelijk grote zondaarsliefde wilde de Heere Jezus een Vreemdeling op deze aarde voor Zijn volk zijn, opdat Hij verloren zonen en dochters tot God zou terugbrengen. Hij wilde op Golgotha een Vreemdeling worden voor Zijn Vader. Daar moest Hij immers naar Zijn menselijke natuur voor een zeer korte tijd, op een zeer werkelijke manier, de gemeenschap met Zijn Vader missen? Daarom heeft Hij uitgeroepen: Mijn God, Mijn God! Waarom hebt Gij Mij verlaten? (Mark.15:34). Zijn vreemdeling-zijn op deze aarde behoorde bij Zijn Middelaarswerk. Dat was nodig om gevallen adamskinderen, die zich totaal van God hebben vervreemd, weer een thuiskomen bij de Vader te bereiden.

 

Gemeente, omdat de Heere Jezus Christus nu een Vreemdeling was op deze aarde, wordt iedere man, iedere vrouw, iedere jongere die genade ontvangt innerlijk een vreemdeling in deze wereld. Nee, dat betekent niet dat we ons gaan terugtrekken in een klooster! Het betekent ook niet dat we ons niet meer toeleggen op de taken die God ons in deze wereld gegeven heeft. We zijn in deze wereld, maar zodra we vreemdeling worden, zijn we niet meer van deze wereld. Een kind van God wordt immers geroepen om de voetstappen van de Heere Jezus te leren drukken.

 

Nee, dat betekent niet dat iemand nog iets zou moeten toebrengen aan de betaling voor de schuld die Christus heeft betaald. De prijs van Zijn offerande is volkomen. Híj alleen heeft uitgeroepen: Het is volbracht! (Joh.19:30). Maar op de weg van de heiligmaking, in de dagelijkse bekering, leren zij met Mozes in Midian om Hem enigermate gelijkvormig te worden. Daarom wordt er na de bekering voortdurend gevraagd: ‘O Zoon, maak mij Uw beeld gelijk! Schenk mij toch zonden-dodende genade! Geef mij toch kracht om tegen de zonden in mij te strijden en in Uw wegen te wandelen!

Zo worden Gods kinderen hier enigermate gelijkvormig aan de gezegende Heere Jezus.

 

Hoe is het met u, met jou? Noemt u zich een christen? Maar voelt u zich eigenlijk op en top thuis in deze wereld? Maar dan gaan we dus nog helemaal op in het hier en nu! Dan wordt ons hele denken nog beheerst door de wereld en door de zonde.

Is dat nog zo? Gaat u nooit in afzondering op de knieën om God te zoeken? Houden de dingen van deze wereld u van maandag tot en met zaterdag bezig? En zelfs nog als u ’s zondags in de kerk zit? Kom toch tot inkeer, want de Heere Jezus zegt het ook met een heilige eed tot ú: Zo iemand – dat bent u! -zo iemand niet geboren wordt uit water en Geest, hij kan in het Koninkrijk Gods niet ingaan (Joh.3:5).

Kom, stel nu eens uw leven van vandaag zonder God naast de zaligheid die Christus verworven heeft. Vergelijk die twee nu eens: wat blijft er dan van uw leven zonder God en zonder Christus over? Wat een ontzettende leegheid! Wat een kou! Wat een armoe!

 

Gemeente, zoek toch de gekruisigde Christus te leren kennen! Roep toch de Heere aan om bekering en geloof, want Hij maakt nog geestelijk doden levend! Zijn genade is onweerstaanbaar. Hoor maar: Dan zal Ik rein water op u sprengen, en gij zult rein worden; van al uw onreinigheden en van al uw drekgoden zal Ik u reinigen. En Ik zal u een nieuw hart geven en zal een nieuwen geest geven in het binnenste van u; en Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen en zal u een vlesen hart geven (Ez.36:25 en 26). Want Ik zal water gieten op de dorstigen, en stromen op het droge; Ik zal Mijn Geest op uw zaad gieten en Mijn zegen op uw nakomelingen (Jes.44:3)

 

‘En hij noemde zijn naam Gersom.’ Gemeente, ligt ons leven reeds in deze naam verklaard? Als dat zo is, hebt u Psalm 119 leren verstaan: Ik ben, o Heer’, een vreemdeling hier beneên, laat Uw geboôn op reis mij niet ontbreken (Ps.119:10 berijmd). Dan worden we een vreemdeling in deze wereld, vaak ook een vreemdeling in ons eigen huis, soms ook een vreemdeling in de kerk, omgeven door allerlei godsdienstige mensen.

Dat valt niet mee, dat doet pijn. Maar er ligt in ons hart een onberouwelijke keuze voor de Heere en Zijn dienst.

 

En hoe kwam die keuze tot stand? Wel, u zag de leegheid van de wereld die op weg is naar de ondergang. U zag ontelbaar diepe en onoverbrugbaar brede kloven tussen God en uw hart. U miste de Heere, Die u niet missen kunt. God werkte in u een heilig heimwee naar Zijn gemeenschap en Hij ging u onderwijzen over het werk van Hem, de dierbare Zaligmaker, Die de kloof heeft overbrugd en de weg tot de troon van Gods genade gebaand heeft.

Toen kwam er een heilige begeerte in uw hart om deze Jezus te leren kennen. U zag Hem blinken door de tralies van het Woord onder de verkondiging van het Evangelie, soms bij het Bijbellezen aan tafel, soms bij het persoonlijk onderzoek van de Schrift of het lezen van een verklaring daarvan. U bent zo begerig gemaakt naar alles wat Hij verworven heeft en wat u niet missen kunt: vrede, gerechtigheid, heiligheid, ootmoed, geloof, hoop en liefde.

O, wat gaf dat een vreemdelingschap in uw hart, wat gaf dat bij ogenblikken een heimwee naar Huis, naar de eeuwige gemeenschap met Hem! Want wie een vreemdeling hier op aarde wordt, die zoekt het leven in Hem. Hij wordt het Leven van die vreemdeling! En wat is dat verlangen van een vreemdeling naar Hem en naar het beloofde land anders dan het werk van de Geest van Christus, Die zondaren met God verzoent door de dood van Zijn Zoon?

Het is waar dat uw geloof in Christus vaak zo zwak is, het is waar dat de beproevingen vele zijn, maar in Midian wil Hij ook úw ogen opnieuw op de dierbare Borg richten en u door Woord en Geest verkwikken en vertroosten!

 

Het mogen zien op Jezus, gemeente, is de spiegel van onze genadige verkiezing. Het mogen zien op Jezus is het bewijs dat het verblijf in Midian niet altijd duren zal! Gods kinderen komen Thuis; de woestijnreis krijgt een einde. Ze komen Thuis: de van verre staanden en de meest geoefenden. Ze komen Thuis: de bekommerden over de vraag of ze deel aan Christus hebben en de bevestigden. Elk hunner zal in Sion, dat zalig oord, voor God verschijnen! Dan zijn ze geen vreemdeling meer, dan is de zwerftocht voorbij. Zalig is de man die verzoeking verdraagt; want als hij beproefd zal geweest zijn, zal hij de kroon des levens ontvangen, welke de Heere beloofd heeft dengenen, die Hem liefhebben (Jak.1:12).

Amen

 

Slotzang: Psalm 73: 1 en 13

 

Ja waarlijk, God is Isrel goed,
Voor hen, die rein zijn van gemoed;
Hoe donker ooit Gods weg moog' wezen,
Hij ziet in gunst op die Hem vrezen.
Maar ach, hoewel mijn ziel dit weet,
Mijn voeten waren in mijn leed
Schier uitgeweken, en mijn treên
Van 't spoor der godsvrucht afgegleên.

Wien heb ik nevens U omhoog?
Wat zou mijn hart, wat zou mijn oog,
Op aarde nevens U toch lusten?
Niets is er, waar ik in kan rusten.
Bezwijkt dan ooit, in bitt're smart
Of bangen nood, mijn vlees en hart,
Zo zult Gij zijn voor mijn gemoed
Mijn rots, mijn deel, mijn eeuwig goed.