Ds. P. van Ruitenburg - Genesis 3 : 15

De eerste rechtsspraak in de Bijbel

De ondervraging
De verdediging
De uitspraak

Genesis 3 : 15

Genesis 3
15
En Ik zal vijandschap zetten tussen u en tussen deze vrouw, en tussen uw zaad en tussen haar zaad; datzelve zal u den kop vermorzelen, en gij zult het de verzenen vermorzelen.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 103: 8 en 9
Lezen : Genesis 3
Zingen : Psalm 4: 3 en 4
Zingen : Psalm 25: 2 en 7
Zingen : Psalm 69: 14

Geliefde gemeente, bewijst de Heere ons alleen genade als we onze schuld belijden? Mogen we het Evangelie alleen prediken aan hen die verbroken en verslagen van hart zijn? Je hoort namelijk nogal eens zeggen dat je alleen maar hoeft te vergeven als de ander zijn schuld belijdt. Denk bijvoorbeeld eens aan hen die in onenigheid leven. Er zijn ernstige dingen gebeurd en dan zeggen ze: ‘Ik kan het je pas vergeven als jij je zonde belijdt, als jij er eerlijk mee voor de dag komt, als je er berouw van hebt. En zolang jij er geen berouw van hebt, vergeef ik je niet.’

Is dat ook zo bij de Heere? Zegt de Hij: ‘Als er geen berouw is, dan is het over? Als u geen berouw toont, dan is de deur gesloten? Als er geen berouw is, dan staan er geen woorden voor u in de Bijbel?’

Is dat zo? Of zou de Heere ook Zijn genade willen verkondigen aan mensen die hun schuld niet belijden? Natuurlijk, schuldbelijdenis is belangrijk en een onderdeel van de bekering. Het is onmisbaar, daar gaat het niet over, maar is het iets wat er éérst moet zijn? Is het zo dat wij eerst verbroken en verslagen moeten zijn en dat er pas dan een Evangelie voor ons is?

 

Onlangs overdacht ik die vragen en kwam ik ze ook tegen in Genesis 3. Ik heb wel meer over die tekst gepreekt, maar toen werd het hoofdstuk weer helemaal levend voor me. Ik dacht meteen: ik ga er wéér over preken. Het was nog geen adventstijd, maar nu had ik toch al een adventstekst voor me.

Moge de Heere ons iets laten zien van het wonder van Zijn genade, van die uitstrekkende armen Gods naar mensen die hun zonden niet belijden, die zich verbergen, bij de Heere weglopen, die hard en werelds zijn. De Heere gaat immers door met Zijn werk!

 

Dus de tekst voor deze dienst is Genesis 3, de verzen 9 tot en met 15, waarvan we alleen het bekende 15e vers lezen:

 

En Ik zal vijandschap zetten tussen u en tussen deze vrouw, en tussen uw zaad en haar Zaad, Datzelve zal u de kop vermorzelen, en gij zult Het de verzenen vermorzelen.

 

Naar aanleiding van deze tekst denken we na over: De eerste rechtspraak in de Bijbel.

 

We noemen u de volgende punten:

1. De ondervraging;

2. De verdediging;

3. De uitspraak.

 

De eerste rechtszaak in de Bijbel. In de eerste plaats de ondervraging. Wat is het treffend hoe de Heere Adam ondervraagt: Waar zijt gij? Wat hebt gij gedaan? Wat hebt gij gegeten?

In de tweede plaats de verdediging. Adam heeft bepaald geen verbroken hart; geen berouwvol hart en hij vlucht niet tot de Heere. Integendeel; hij verdedigt zichzelf en zegt: de vrouw die Gij bij mij gegeven hebt. Dat getuigt niet van berouw, helemaal niet, we horen niets over een schuldbelijdenis! We lezen alleen over een verdediging.

En in de derde plaats de uitspraak. Een wonderlijke uitspraak!

 

Het valt u misschien meteen op dat de Heere niet tegen Adam en Eva zegt: ‘Kom morgen maar eens terug, als je een verbroken hart hebt en een verslagen geest, en beseft wat je gedaan hebt. Jullie begrijpen er helemaal niets van. Ga uit Mijn ogen!’ Nee, de Heere zegt tegen deze eerste mensen, die hun schuld niet belijden: Ik zal vijandschap zetten tussen u en deze vrouw.

Hier hebt u nu de eerste rechtspraak in de Bijbel!

 

Allereerst nu:

 

1. De ondervraging

Gemeente, jonge mensen, de vogels zongen het hoogste lied. Wat was het mooi om naar te luisteren. Wat was het mooi om in het paradijs te kijken naar de vogels in allerlei variatie en kleur. Wat was de dierenwereld bijzonder, ook die Panda's met hun grote tanden, waarvan je zou zeggen: dat zijn vleeseters. Maar ze eten bamboe. Er was vrede op aarde; alles was goed en harmonieus.

Ook tussen de twee eerste mensen, Adam en Eva, was er nooit wat. In het paradijs was zo'n hartelijkheid, zo'n liefde, zo’n verbondenheid, en Eva had er geen enkel probleem mee dat Adam het hoofd van de vrouw was. Graag wilde ze hem erkennen en Adam heeft van zijn positie op geen enkele manier misbruik gemaakt. Ze hadden alles wat hun hart maar kon begeren. Je zou zeggen dat ze niet nog meer konden ontvangen.

 

De Heere had ze wél gewaarschuwd en gezegd dat ze niet mochten eten van de boom der kennis van goed en kwaad. Maar dat zal toch geen probleem zijn? Ze hadden overvloed aan alles en ontbeerden niets. En tóch, het onmogelijke, het meest onwaarschijnlijke, het meest absurde en het meest dwaze gebeurde. Adam en Eva luisterden naar de stem van de slang, naar de satan die zichzelf zo vermomd had. Zij aten van de verboden vrucht omdat ze meer wilden, omdat zij als God wilden zijn, omdat ze geen genoegen namen met wat ze hadden. Wat onredelijk! Wat een vreselijke zonde! Zo hebben ze gebroken met God en gebroken met Gods wet en zijn Hem ongehoorzaam geworden.

Ze wilden hoger opkomen, op een nog hoger niveau komen. Adam dacht dat God gelogen had en nam Hem helemaal niet serieus. Adam brak met zijn Schepper. Hij verbrak het verbond der werken en hij wilde zelf als God zijn.

Hij viel als representant, vertegenwoordiger, van het menselijk geslacht in de staat van de dood, en het hele menselijke geslacht met hem. Wat een vreselijke zonde, willens en wetens, een slag in het heilige en vriendelijke aangezicht van God!

 

Adam en Ava voelden het goed aan. Ze kwamen al heel snel tot het besef dat ze een grote misstap hadden begaan. Ik weet niet hoelang ze in de staat der rechtheid geleefd hebben; een kortere of langere tijd. We weten wel dat het al op de derde bladzijde van de Bijbel verkeerd ging en dat ze God ongehoorzaam werden.

Ze voelden het en wat deden ze? Wat zou je doen als je beseft: ‘O, ik heb het zo verknoeid, ik heb het helemaal verzondigd, ik heb mezelf de verdoemenis waardig gemaakt.’

Wat zou u doen?

Ik zei al: Adam en Eva vluchtten weg bij God vandaan, ze verborgen zich in het struikgewas. Ze schaamden zich en ze waren bang.

 

Gemeente, ziet u ze zitten, daar tussen de vijgenbladeren? Ziet u ze daar zitten in hun ongeluk? Die beide mensen komen nooit meer terug. Adam en Eva keren nooit meer uit eigen wil terug naar de Heere. Ze zullen nooit zeggen: ‘Heere, ik heb er zo'n spijt van, ik heb er zo'n berouw van, het is zo dom geweest, ik ben zo onverstandig, Heere wees mij genadig’. Ze komen niet en ze komen nooit. Zo zijn wij mensen immers!

Ziet u ze zitten? Gelijk geschreven is: Er is niemand rechtvaardig, ook niet één; er is niemand die verstandig is, er is niemand die God zoekt (Rom.3:10,11).

Van nature verkeren we allemaal in diezelfde positie. Allen zijn zij afgeweken, tezamen zijn zij onnut geworden; er is niemand, die goed doet, er is ook niet tot één toe (Rom.3:12).

Dat is nu waar voor alle mensen. Het lijkt hopeloos. Het ziet ernaar uit dat de breuk met God niet te repareren is. Het is verloren en omdat Satan dit heeft kunnen bereiken, schijnt het dat hij gewonnen heeft. Dus ziet u Adam en Eva met hun rug naar God toe staan!

We lezen helemaal niets over berouw. Ze zeggen niet: ‘O God, wees mij genadig.’ Ik hoor Adam en Eva niet bidden. In het geheel niet!

 

Toch klinkt het: Adam, waar zijt gij?

Luister, de Heere komt. De Heere komt naar ze toe! De Heere ondervraagt: Adam, waar zijt gij?

Hoe klonk dat ‘waar zijt gij’? Horen we daarin Gods toornen en schelden? Of vraagt God wanhopig: Adam, waar zijt gij?

Nee, het is Gods opzoekende liefde!

Adam, waar zijt gij? Hij stond met zijn rug naar God toe. Hij wilde van God eigenlijk niets meer weten, dat is voorbij. Hij was bevreesd, hij schaamde zich en hij was als het ware verstijfd van angst voor de dood. O, hij dacht zich te kunnen verbergen.

Jonge mensen, Waar zou ik heen gaan voor Uw Geest, en waar zou ik heenvlieden voor Uw aangezicht? (Ps.139:7). Denk je dat je iets verbergen kunt voor God? Denk je dat er verborgen zonden zijn voor de Heere?

De Heere weet alles! Hij weet alles van je en vergeet ook absoluut niets. We lezen het duidelijk in Psalm 139: Zo ik opvoer ten hemel, Gij zijt daar; of bedde ik mij in de hel, zie, gij zijt daar. Nam ik vleugelen des dageraads, woonde ik aan het uiterste der zee, ook daar zou Uw hand mij geleiden, en Uw rechterhand zou mij houden (Ps.139:8-10).

 

Waar zijt gij? Die indringende vraag was één van de redenen waarom ik weer hierover wilde preken. Het zou immers kunnen zijn dat er iemand hier in de kerk zit, of  meeluistert, die met zijn rug naar God staat. Iemand die zegt: ‘Het hoeft voor mij niet meer, het interesseert me niks.’ Iemand van wie vader of moeder denken: ‘Onze zoon, onze dochter, wil er niks meer van weten, dus het is over.’

Maar het is niet over! Er is een God, Die ook in deze dienst alle jongeren en de ouderen roept. Mensen, die keihard zijn, niet bidden en die het niets meer interesseert. Tot hen zegt de Heere: ‘Waar zijt gij, waar zijt gij? Ik weet wel wie u of jij bent. Ik weet wat in uw hart leeft. Ik weet wat je denkt en Ik weet wel welke gevoelens je koestert. Maar Ik ben er ook! Waar zijt gij?’

 

De Heere roept nog zondaren op tevoorschijn te komen. Hij zegt: ‘Ik wil wat zeggen, Ik wil met je in gesprek. Ik wil je niet wegsturen, ook al toon je geen berouw en ben je niet verbroken.’ Toch vraag Ik: Waar zijt gij? Jesaja zegt: Ik ben gevonden van hen die naar Mij niet vraagden, Ik ben gevonden van degenen die Mij niet zochten (Jes.65:1).

Natuurlijk sporen we de gemeente aan om te zoeken, te bidden, de middelen te gebruiken en om zich te bekeren door het bevel van het geloof. Zeker! Maar dat gezegd hebbende, moeten we tegelijk lezen dat er in de Bijbel staat dat de Heere de Eerste is, dat Hij altijd de Eerste is. Dat Hij altijd Degene is Die komt voordat de mens komt.

 

Adam, waar zijt gij?

Als u over die vraag nadenkt, besef dan dat het de roepstem is die tot ons allemaal komt. En soms is de roepstem zo onweerstaanbaar dat mensen die ook gaan horen. Want het erge is dat wij die stem: waar zijt gij, door onze diepe val in Adam, van nature niet tot ons doordringt. Nog nooit echt gehoord, totdat de Heere ons oren geeft om te horen. Pas dan horen we wat de Heere eigenlijk zegt: waar zijt Gij?

 

De Heere gaat door met Zijn werk. Ik hoorde onlangs van een jongen die samenwoont en die nooit meer naar de kerk ging. Hij was absoluut niet meer geïnteresseerd in geestelijke zaken. Ik ken hem. Wat is er gebeurd? Hij is weer de Bijbel gaan lezen en is veranderd. Hij wil weer naar de kerk komen, hij wil trouwen en hij wil zijn kindje laten dopen. Het is nauwelijks te begrijpen! Het is het werk Gods in mensen die onverschillig zijn, maar ook in hen die vroom en meelevend zijn.

Gemeente, ook degenen die de Bijbelse waarheid belijden hebben dat nodig. Want we kunnen rijk en verrijkt zijn met onze godsdienst en ons toch verbergen in de hof en niet oprecht schuld belijden. Ook tegen die mensen zegt de Heere: Waar zijt gij? Dus er is geen ontkomen mogelijk.

 

Maar wat zien we? Adam en Eva begonnen zich te verontschuldigen. Zij hoorden de stem van de Heere God, wandelende in de hof, aan de wind des daags. Toen verborg zich Adam en zijn vrouw voor het aangezicht van de Heere God en de Heere God riep Adam en zei: Waar zijt gij?

Toen antwoordde Adam: Ik hoorde Uw stem in de hof en ik vreesde, want ik ben naakt;  daarom verborg ik mij. En Hij zeide: Wie heeft u te kennen gegeven, dat gij naakt zijt? Hebt gij van die boom gegeten, van dewelke ik u gebood, dat gij daarvan niet eten zoudt?

Hier leest u hoe de Heere Adam ondervraagt. De Heere wil een rechtszaak beginnen. Hij wil onderhandelen met deze mensen. In de eerste plaats met Adam, want hij is het hoofd van de vrouw. Hij is de representant van het menselijke geslacht.

 

Adam is het hoofd. Laten we daarover nog even nadenken. We leven in een maatschappij waarin de vrouw in het gezin soms meer invloed heeft en meer het hoofd is dan de man. Mannen laten het er te vaak bij zitten en beseffen maar al te weinig dat zij het hoofd van de vrouw en de priester van het gezin zijn. Ik spoor daarom vaders aan om vader te zijn, om man te zijn, om de leiding te nemen, om representant te zijn, om voorganger te zijn, om priester in het gezin te zijn.

 

Maar hoe reageert Adam? Je mag toch verwachten dat als de Heere hem opzoekt met vraag: Waar zijt gij, hij dan in huilen uitbarst, in verbrokenheid omdat de Heere zo goed is! Maar nee, niets van dat alles: ’ik ben bang, ik vrees, ik ben naakt, ik schaam me.’ Het is een belijdenis, maar een bekentenis die niets waard is! Het is ongelofelijk dat hij niet breekt, maar dat hij zich bevreesd toont. ‘Ik ben zo bang’, klinkt het uit zijn mond.

Is dat ook uw reactie?

‘Ik ben zo bang, ik ben zo bang voor de dood, ik ben zo bang dat ik ziek word, ik ben bang dat ik in de problemen kom. Bent u ook zo bevreesd? 

Maar, gemeente, er is iets anders waarvoor u bang moet zijn. Vreest u dan niet voor de toorn van God? Vrezen we de Heere? Zoeken we de Heere? Zien we in dat we tegen Hem gezondigd hebben? Voelt u zich schuldig of bent u alleen maar bang?

Wat is uw antwoord? Bang of schuldig?

Adam was bang. Hij kwam in ieder geval niet met zijn schuld voor de dag.

De Heere moet ernaar vragen: Hebt gij van dien boom gegeten, van welken Ik u gebood dat gij daarvan niet eten zoudt?

 

Adam, hebt gij gegeten? Het antwoord op die vraag wordt Adam bijna in de mond gelegd:

Waarom zegt hij niet eerlijk: ‘Ja, het is waar! Ik heb van die boom gegeten!

Tóch volgt er geen belijdenis, nog steeds niet. Adam is zoals wij allemaal zijn. Lees maar: Toen zeide Adam: De vrouw die Gij bij mij gegeven hebt.

Hoe anders was dat bij David. U kent die gelijkenis wel over die rijke man die het ooilam van een arme man afnam. Toen de profeet Nathan tot David kwam en hem zei dat hij eigenlijk die rijke man was, riep David uit: Ik heb gezondigd tegen de Heere (2Sam.12:13).

Zo’n belijdenis hoor ik niet uit Adams mond. Nee, er klinkt een verontschuldiging: De vrouw die Gij mij gegeven hebt, die heeft mij van die boom gegeven…

Dit brengt ons tot onze tweede gedachte:

 

2. De verdediging

Gemeente, wij weten allen dat we ooit zijn gevallen in zonden en misdaden. Ons hart is daardoor totaal verdorven en corrupt. We kunnen niets goeds meer doen. Er is niemand die van nature God zoekt, zelfs niet tot één toe. Niemand is rechtvaardig! In Genesis 3 hebben we een duidelijk voorbeeld van hoe diep we gevallen zijn: Toen zeide Adam: De vrouw die Gij bij mij gegeven hebt, die heeft mij van die boom gegeven, en ik heb gegeten.

We schuiven onze schuld op een ander. We pleiten onszelf vrij. We willen er niet aan, we wijzen met de vinger naar iemand anders. Hieruit blijkt onze val. Het vreselijke en ontstellende is dat we God de schuld geven: de vrouw die Gij bij mij gegeven hebt.  

Adam, Adam wat zeg je nu? Geef je echt nu God de schuld?

Ja, hij geeft God de schuld, hij geeft Eva de schuld!

Maar Eva is toch de vrouw die hij van de Heere ontvangen heeft? Van haar zei Adam toch:  Deze is ditmaal been van mijn benen en vlees van mijn vlees? (Gen.2:23).      

Hij zegt eigenlijk: ‘Heere, het is toch geen wonder dat ik dit gedaan heb? Dat komt omdat U mij die vrouw gegeven hebt. Dus eigenlijk bent Uzelf de schuldige. Ik kan er niets aan doen.’ Zó probeert Adam zichzelf te verontschuldigen.

 

Maar hoe vaak heeft u dat al gedaan? Hoe vaak heeft u uzelf al verontschuldigd voor bepaalde dingen?

U zegt: ‘Ja maar, ik heb dat wel gedaan, maar u zou ook eens moeten weten hoe de omstandigheden waren. U moet niet vergeten hoe ik opgevoed ben. Het allemaal niet zo eenvoudig, ik ben getraumatiseerd door bepaalde dingen. Het kwaad zit in mijn genen, ik ben gewoon zo.’ Of we wijzen naar de kerk, waarmee van alles mis is. Daar ligt ook een stuk schuld. En vult u maar verder in. Naar anderen wijzen in plaats van: Tegen U, U alleen heb ik gezondigd, en gedaan wat kwaad is in Uw ogen (Ps.51:6). Wat is het toch de dwaasheid gekroond om uzelf te verontschuldigen vanwege de kerk, uw gezin, uw huwelijk en allerlei andere uitvluchten! 

 

Gemeente, deed Aäron dat ook niet? Kinderen, weet je nog van Aäron die een gouden kalf had gemaakt? Hij zei tegen Mozes dat hij tot het volk gesproken had: Wie goud heeft, die rukke het af en geve het mij; en ik wierp het in het vuur, en dit kalf is er uitgekomen (Ex.32:24). Aäron geeft daarmee het volk de schuld.

Of denk aan koning Saul die zelf ging offeren en ook een smoes had. Toen Samuël hem daarop aansprak antwoordde Saul: Omdat ik zag dat zich het volk van mij verstrooide en gij op de bestemden tijd der dagen niet kwaamt, en de Filistijnen te Michmas vergaderd waren, zo zeide ik: Nu zullen de Filistijnen tot mij afkomen te Gilgal, en ik heb het aangezicht des Heeren niet ernstiglijk aangebeden; zo dwong ik mijzelven en heb brandoffer geofferd (1Sam.13:11-12).

Ik, Saul, werd gedwongen door de omstandigheden. Wat een dwaasheid!

 

Zo zijn wij, mensen. We voeren allerlei verontschuldigingen aan als het gaat om onze onbekeerde staat: ‘Ja maar, ik ben niet uitverkoren. Ja maar, ik kan er zelf toch niets aan doen? Ja maar, een mens is toch zondig van nature. Je kunt toch niet zomaar geloven en je mag het toch niet stelen?’ Zo zijn er heel wat verontschuldigingen. We zeggen met Adam: De vrouw die Gij bij mij gegeven hebt, die heeft mij van die boom gegeven en ik heb gegeten.

Wat zegt nu de Heere? Hij spreekt niet meer tot Adam, maar wendt Zich tot Eva. De Heere gaat er niet eens op in. Hij kijkt naar Eva en vraagt: Wat is dit, dat gij gedaan hebt?

Eva’s antwoord is dan: De slang heeft mij bedrogen en ik heb gegeten.

Het is waar, de slang werd vervloekt: Dewijl gij dit gedaan hebt, zo zijt gij vervloekt boven al het vee en boven al het gedierte des velds. Maar uit de monden van Adam en Eva horen we de ene verontschuldiging na de andere. Ze wijzen naar anderen! 

 

Gemeente, wat een totaal andere houding laat de Heere Jezus Christus dan zien. Ik zie de Heere Jezus ook in het struikgewas, maar van de Hof van Gethsémané. Hij kwam er Zelf uit tevoorschijn. Toen daar als het ware klonk: Waar zijt gij?, trad Hij naar voren en zei: Indien gij dan Mij zoekt, zo laat dezen heen gaan (Joh.18:8).

Adam zei: De vrouw die Gij bij mij gegeven hebt. Maar de Heere Jezus sprak, in een heel andere context natuurlijk: ‘Ik bid voor de Kerk, voor degenen die Gij mij gegeven hebt.’ Ik bid voor hen; Ik bid niet voor de wereld, maar voor degenen die Gij mij gegeven hebt, want zij zijn Uwe. En al het Mijne is Uwe,  en het Uwe is Mijne; en Ik ben in hen verheerlijkt (Joh.17:9-10).

De Heere Jezus droeg de schuld van de gehele bruidskerk en van de zonden van het ganse menselijk geslacht. Hij was gewillig de ongedeelde toorn van God te dragen. Hij vermorzelde de kop van Satan.

De slang werd vervloekt, maar de Heere Jezus Christus neemt Zijn werk op Zich en zegt in het vijftiende vers: Ik zal vijandschap zetten tussen u en deze vrouw, en tussen uw zaad en tussen haar Zaad; Datzelve zal u de kop vermorzelen, en gij zult Het de verzenen vermorzelen.                              

 

We gaan zo meteen naar onze derde gedachte, maar nog even dit: Hoe is het eigenlijk met Adam en Eva? Ze zijn tevoorschijn geroepen, ze zijn bang, ze schamen zich, ze verontschuldigen zich, maar ze komen niet voor de dag met een hartelijke schuldbelijdenis.

Zou de Heere nu niet moeten zeggen: ‘Uit Mijn ogen, schijnheiligen en dwaze mensen, alleen maar uzelf verdedigen. Zo gaat het niet, zo kom je niet onder Mijn ogen.’ We zouden eigenlijk verwachten dat de Heere zou zeggen: ‘Kom maar terug als u in een andere gestalte bent, als Ik uw tranen zie, als uw hart verbroken is.’

Maar nee. Ik lees de moederbelofte. Nadat Adam en Eva zichzelf verontschuldigd hebben, zichzelf verdedigd hebben, klinkt uit de mond van de Rechter een verrassende uitspraak! In plaats van: ‘Gij zijt verdoemd, er zal vriendschap zijn tussen jullie en tussen Satan’, zegt de Heere: ‘Ik zal vijandschap zetten.’

 

Maar voor we verder gaan, zingen we Psalm 25 vers 2 en 7:

 

Heer’, ai, maak mij Uwe wegen,

Door Uw woord en Geest bekend;

Leer mij, hoe die zijn gelegen,

En waarheen G' Uw treden wendt,

Leid mij in Uw waarheid, leer

IJv'rig mij Uw wet betrachten;

Want Gij zijt mijn heil, o Heer’,

'k Blijf U al den dag verwachten..

 

Gods verborgen omgang vinden

Zielen, waar Zijn vrees in woont;

't Heilgeheim wordt aan Zijn vrinden,

Naar Zijn vreêverbond, getoond.

d' Ogen houdt mijn stil gemoed

Opwaarts, om op God te letten;

Hij, die trouw is, zal mijn voet

Voeren uit der bozen netten.

 

3. De uitspraak

Gemeente, wat een bijzondere uitspraak, wat een onverwachte en verrassende uitspraak van de Rechter Die tegelijkertijd ook Aanklager is.

En Ik, wat een bijzonder begin van vers 15. En Ik. Had Adam maar gezegd: ‘Ik heb gezondigd tegen de hemel en voor U’, maar zover komt hij niet. Toch zegt de Heere niet: Adam, je voert alleen maar verontschuldigingen aan, je bent totaal niet op je plek.

En Ik, ondanks dat u niet op uw plek bent. En Ik zal. Dit is wat wij noemen het proto- evangelie. Het eerste Evangelie, de eerste evangelieboodschap in de Bijbel, en dat tegen een pikzwarte achtergrond. Zó zwart dat er geen schuldbelijdenis in te vinden is. Maar de Heere zegt toch: En ik zal.

 

Gemeente, u bent gedoopt. Wat betekent dat?

‘Ik, de Heere, kan u zalig maken. En, ik wil u ook  zaligen.’

Ja! Maar er zit in het genadeverbond nog een diepere kern, een binnenste cirkel: Ik zal!

Het genadeverbond is niet alleen Gods kunnen, Gods aanbod, Gods willen en de prediking en de gunning. Dat is er zeker in besloten! Maar als we letten op het hart van het genadeverbond, dan is het: Ik zal. Ik zal een volk hebben op de dag van Mijn heerkracht, en dat zal Mijn lof verkondigen. Ik zal, mensen zullen niets, maar Ik zal.

Ik zal vijandschap zetten… Want er was geen vijandschap, maar vriendschap met de satan. De Heere zegt eigenlijk: ‘Ik ga die vriendschap wegnemen en daarvoor vijandschap in de plaats stellen.’

Er was vriendschap tussen de eerste mensen en de duivel. Ze waren de duivel te voet gevallen. Ze hebben hém geloofd. Ze waren kinderen van de duivel geworden. De duivel was hun vader geworden. Maar nu spreekt de Rechter: ‘Die vriendschap ga Ik wegnemen en Ik ga vijandschap zetten, zodat zondaren vijanden worden van Satan.

 

Ik zal vijandschap zetten tussen uw zaad en tussen haar Zaad, Datzelve zal u de kop vermorzelen en gij zult Het de verzenen vermorzelen.’ Vijandschap zetten… Als we over de betekenis van deze woorden iets dieper nadenken, mogen we allereerst wel een lijn trekken naar de wedergeboorte. Wanneer de Heere door Zijn Heilige Geest gaat werken in een mensenhart, dan zet Hij vijandschap tegen de duivel, dan vindt er een grote verandering plaats in de gezindheid van een mens, dan verbreekt Hij het hart. We hebben gezien dat we ons met Adam en Eva verontschuldigen, maar de Heere zegt in onze tekst: ‘Ik zal de Eerste zijn, Ik zal vijandschap zetten. Er is niets van de mens bij; Ik ben Degene die het doet. Dan verandert alles in een mensenleven. Met wie ze bevriend waren, kunnen ze geen vriendschap meer mee onderhouden. Wie voordien als het ware een vijand was, wordt een vriend. Wat voorheen een last was, wordt een lust. En alles is Gods werk! 

 

Vijandschap tussen u en tussen deze vrouw, tussen uw zaad en tussen haar Zaad. Wie is haar Zaad, wie is zijn zaad? Wie zijn haar nakomelingen en wie zijn zijn nakomelingen?

Er zijn een paar verklaringen mogelijk. Sommigen zeggen: ‘Het vrouwenzaad, dat zijn alle mensen, het hele menselijke geslacht, want we komen allemaal uit Eva voort, dus de Heere zal vijandschap zetten tussen alle mensen en tussen Satan.’

Anderen zeggen: ‘Nee, onder dat vrouwenzaad moeten we de Semieten verstaan; dus het Joodse volk of de Kerk. De Heere zal dan vijandschap zetten tussen de kerk en de wereld.’

Weer anderen zeggen: Nee, dat vrouwenzaad, dat is de Heere Jezus en de Heere Jezus is Degene Die de kop zal vermorzelen van satan.

Wel, ik denk dat die verschillende verklaringen verband met elkaar houden. Het één is niet los te maken van het ander. Maar inderdaad gaat het hier natuurlijk over Christus, over de Zoon van God Die de kop van de satan vermorzeld heeft met Zijn eigen dood en gezegd heeft: Het is volbracht (Joh.19:30). Natuurlijk gaat het over de Heere Jezus. De Heere Jezus is echter ook de Representant, het Hoofd van de kerk, en Hij is het Zaad van Abraham.

De kop vermorzelen: Satans kop is vermorzeld, maar zijn staart roert zich nog en hij slaat er mee en hij is nog steeds gevaarlijk. Hij is iemand om rekening mee te houden. Hij gaat nog steeds rond als een briesende leeuw, zoekende wie hij zou mogen verslinden.

 

Ons tekstwoord wijst op Christus, want er staat: En gij – de slang wordt aangesproken – zult Het – Christus – de verzenen vermorzelen. Met verzenen wordt de hiel bedoeld. Wordt dan alleen maar de hiel van Christus vermorzeld, beschadigd? Klopt dat wel? Het is wel heel pijnlijk, maar toch niet dodelijk?

Gemeente, ik denk dat u dit zó moet zien: Christus sterven leek definitief te zijn, maar Hij is opgestaan uit die dood. Alleen Zijn hiel was door de satan beschadigd. Het is hem niet gelukt om het hoofd van de Zoon van God te vermorzelen. De satan heeft het bij het verkeerde eind gehad. Hij mag gedacht hebben dat hij gewonnen had, maar hij heeft verloren. De Heere Jezus Christus – het vrouwenzaad – is geboren, is gestorven, maar ten derde dage opgestaan uit de dood. Alleen de verzenen waren beschadigd.

 

Haar Zaad – Christus – zegt onze tekst… Abraham heeft met verheuging verlangd om Zijn dag te zien, en hij heeft hem gezien en is over Hem verblijd geweest. In Izak heeft hij de Zoon gezien, want de Heere heeft wonderen gedaan. Het beloofde Kind is geboren en Simeon heeft Het in zijn armen gehad. Hij is hét Zaad van David; Hij heeft de overwinning behaald.

 

Gemeente, die Christus komt in deze dienst tot ons, tot u die met de rug naar Hem toe staat. En deze Zaligmaker zegt: Waar zijt gij? Niet boos en toornig, niet wanhopig, maar vriendelijk: Waar zijt gij? Deze Heere Jezus is gekomen om te zoeken en zalig te maken wat verloren is. Nee, er staat niet: die zich verloren voelt. Hij is gekomen om te zoeken en zalig te maken dat verloren is.

Hierin ligt hoop en verwachting, ook als uw schuldbelijdenis zo armzalig is en deze meer lijkt op een verdediging. Dan nog zegt de Heere: Ik ga door met Mijn werk, en Ik zal en zij zullen, en Ik zal een vrijwillig volk hebben op de dag van Mijn heerkracht en zij zullen Mijn lof vertellen. De Heere gaat door met Zijn werk, en in plaats van vaders zullen er zonen zijn en in plaats van moeders dochters.

Ik denk nu aan een voorval, jaren geleden, dat ik iemand een lift gaf. Ik kende die jongeman niet. Hij vertelde mij dat hij in militaire dienst was geweest bij de marine en dat hij niet meer naar de kerk ging. Maar bij de begrafenis van zijn vader was hij er, en zijn moeder vroeg: ‘Aanstaande zondagmorgen, ga je dan met mij mee naar de kerk?’ Zijn moeder was net weduwe geworden, dus hij zei: ‘Goed, ik ga mee.’ Hij zat onder een leesdienst in één van onze gemeenten. De preek ging over Romeinen 8 vers 7: het bedenken des vleses is vijandschap tegen God, en dat sloeg in. Hij zat in de kerk naast zijn moeder als een vijand van God en de Heere arresteerde hem. Zo gaat de Heere nog steeds door met Zijn werk.

 

Ik zal. De Heere Jezus is het Zaad en de Heere gaat door met Zijn werk. De Heere zegt niet: ‘Ik raad mensen aan om vijandschap te zetten’; de Heere zegt niet: ‘Ik beveel mensen om vijandschap te zetten’, maar Hij zegt: ‘Ik beloof!’ En daarom, al is uw zoon of uw dochter afgedwaald, hopeloos ver, en hebt u alle moed verloren, blijf desondanks uw knieën buigen.

En als u zelf afgedwaald bent, als u zo keihard bent, leg dan uw vinger hierbij en zeg: ‘Heere daar staat het: Ik zal.’ Laat Hem niet gaan tenzij Hij u zegent.

 

Amen.

 

Slotzang: Psalm 69 vers 14.

 

Gij, hemel, aard' en zee, vermeldt Gods lof;

Laat al wat leeft Zijn trouw en goedheid prijzen;

Want God zal aan Zijn Sion hulp bewijzen,

En Juda's steên herbouwen uit het stof.

Daar zal Zijn volk weer wonen naar Zijn raad,

God eeuwig hun Zijn volle gunst betonen;

Daar zullen zij, Gods knechten met hun zaad,

Zij, die Zijn naam beminnen, erf'lijk wonen.