Ds. D. Rietdijk - Lukas 24 : 25 - 27

De verschijning aan de Emmaüsgangers

Lukas 24
Het ongeloof
De zaak waarom het gaat
De taal van de Schriften
Deze preek is met toestemming van de uitgever J.J. Groen en Zoon, overgenomen uit de bundel: Uw ogen zullen de Koning zien. (Leiden, 1994). Deze bundel werd samengesteld naar aanleiding van het overlijden van ds. D. Rietdijk op 4 nov. 1993.
De preek is naar het hedendaags Nederlands hertaald en ingekort om ze voor de leesdiensten geschikt te maken. De verantwoordelijkheid voor deze hernieuwde uitgave berust bij ds.C.G.. Vreugdenhil (GG), die de geestelijke nalatenschap van ds. Rietdijk beheert.
 

Lukas 24 : 25 - 27

Lukas 24
25
En Hij zeide tot hen: O onverstandigen en tragen van hart, om te geloven al hetgeen de profeten gesproken hebben!
26
Moest de Christus niet deze dingen lijden, en alzo in Zijn heerlijkheid ingaan?
27
En begonnen hebbende van Mozes en van al de profeten, legde Hij hun uit, in al de Schriften, hetgeen van Hem geschreven was.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 119: 65
Zingen : Psalm 21: 1
Lezen : Lukas 24: 13-27
Zingen : Psalm 118: 11,12,13
Zingen : Psalm 40: 4
Zingen : Psalm 69: 13

Gemeente, wij gaan met elkaar luisteren naar het Woord des Heeren, zoals u dat vinden kunt in Lukas 24 vers 25 tot en met 27:

 

En Hij zeide tot hen: 0 onverstandigen en tragen van hart, om te geloven al hetgeen de profeten gesproken hebben! Moest de Christus niet deze dingen lijden en alzo tot zijn heerlijkheid in­gaan? En begonnen hebbende van Mozes en van al de profeten, leg­de Hij hun uit, in al de Schriften, hetgeen van Hem geschreven was.  

 

Wij denken aan de hand van deze woorden na over de verschijning van Jezus aan de Emmaüsgangers

 

We noemen u drie gedachten:

1. Het ongeloof. Want Jezus zei tot hen: O onverstandigen en tragen van hart.

2. De zaak waarom het gaat: Moest de Christus niet deze dingen lijden?

3. De taal van de Schriften: Hij legde uit wat van Hem geschreven was.

 

Ten eerste dus:

 

1. Het ongeloof

Twee van hen gingen op denzelven dag naar een vlek dat zestig stadiën van Jeruzalem was, welks naam was Emmaüs. We voegen ons bij die twee wandelaars…

Lukas heeft de verschijning van Jezus aan de Emmaüsgangers op een meesterlijke wijze weerge­geven. Als wij ze tegenkomen is het inmiddels ver in de middag van die heerlijke opstandingsdag van de Heere Jezus Christus. De twee wandelaars zien er echter niet feestelijk uit. Hun gezicht weerspiegelt hun teleurstelling en wanhoop waarin beiden verkeren.

Gelukkig dat ze samen op weg zijn. Wie zij waren, weten we niet. We weten wel dat de naam van de ene man Kléopas was. Maar dat zegt weinig, want we weten verder niets van hem. De ander is een naamloze; we kennen zijn naam niet.

Samen worden ze 'twee van hen' genoemd. Een zeker schriftuitlegger schrijft: ‘Die ene naam heeft de Heere ongenoemd gelaten, opdat u uw eigen naam zou kunnen invullen.’ De vraag is daarom nu: ‘Kunt u uw naam invullen voor die ene naamloze? Wandelt u met Kléopas?

 

Het gaat dus niet om discipelen in de meest enge zin van het woord, want niemand van hen heette Kléopas. Het zijn twee disci­pelen uit de wijdere kring die er rondom de Heere Jezus was ontstaan. Hij had hen geroepen en bij Zich gehouden. Het gaat dus ten diep­ste hierom: horen wij tot de levende Gemeente van de Heere Jezus Christus? Alle andere namen en lidmaatschappen waarmee wij ons versieren, helpen ons niet. Zijn wij twee van hen? Twee van de men­sen uit de kring rondom Jezus?

Twee van hen… Daarmee is eigenlijk alles gezegd. Ze behoren tot de bevoorrechte kring van hen, naar wie Jezus zocht en ook steeds opnieuw zoekt. En Hij zoekt ze niet één keer op, maar steeds opnieuw. Ook als ze verdwaald zijn zoals die twee Em­maüsgangers op de weg naar huis. Ze horen bij de schapen van Zijn weide, die Hij bijeen vergadert. Ook die ene naamloze hoort erbij. Daar­om mag u uw naam invullen.

Twee van hen… Ze zijn druk in gesprek. Waarover spreken ze? Wel, over alles wat er gebeurd was. Dus over de kruisiging, over het sterven van de Heere Jezus en over Zijn begrafenis.

Het zijn dingen die hun hart en hun gedachten hebben vervuld. Ze zijn erover in gesprek met elkaar. En wel op een bijzondere manier! Ze spreken erover door elkaar te ondervragen, staat er. Dus de een heeft aan de ander gevraagd: ‘Heb jij dat nu ook?’ En hij krijgt een antwoord waaruit blijkt dat die ander met dezelfde vragen loopt en over dezelfde dingen tobt.

Wat kan het geweldig goed doen als u iemand ontmoet die u begrijpt, zodat u elkaar kunt ondervragen. Het behoeven er geen tien of meer te zijn; maar u kent misschien wel mensen, al zijn het er maar één of twee, met wie u van hart tot hart kunt spreken en aan wie u kunt vertellen wat er in uw hart omgaat, iemand die over dezelfde vragen loopt te tobben.

Ze ondervragen elkaar, ze zijn in gesprek… Die twee Emmaüsgangers zijn diep bedroefd en proberen tijdens hun gesprek voorzichtig de scherven van hun verloren gegane geluk te verzamelen en op te rapen. Op deze wijze kunt ook u uw verdriet, uw rouw en uw treurigheid delen met een ander.

 

Terwijl ze zo met elkaar spreken ‘over de din­gen aangaande Jezus van Nazareth’, gebeurt het opeens!

Wat gebeurt er dan?

Wel, Jezus is hen ontmoet!

Ze spreken over Hem en op datzelfde moment ontmoeten ze Jezus! Hij vervult Zijn belofte: Want waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn Naam, daar ben Ik in het midden van hen (Matth.18:20).

Kijk, hier ziet u er twee en ze zijn samen vergaderd rondom die ene Naam. En opeens voegt Jezus Zich bij hen. Om Hem gaat het; om de Levensvorst, om de Gekruisigde. Nu is Hij er Zelf!

U zegt misschien: ‘Wat een verrassing!’

Denkt u? Die twee wandelaars ontmoeten weliswaar een derde, een vreemdeling die hen achteropkomt, die hen inhaalt, maar ze herkennen hem niet. Ze weten niet wie het is. Hij is in hun ogen een vreemdeling. Het is iemand die vreemd voor hen is.

Dit komt niet omdat de Heere Jezus na Zijn opstanding veranderd is. Nee, de oorzaak ervan is dat God in Zijn almacht hun ogen gesloten houdt. Hun ogen werden gehouden dat zij Hem niet kenden. Het kan dus zo zijn dat de Heere Jezus naast u loopt, u vragen stelt, u onderwijs geeft – het kan zelfs indrukwekkend en diepgaand zijn – maar toch herkent u Hem niet!

 

Er loopt dus een vreemde naast hen en die vreemdeling – dat is Jezus! Maar de Heere laat zich niet onmiddellijk herkennen als de Levende. Hij zegt niet direct al tegen die twee wandelaars: ‘Zie, hier ben Ik, Ik ben opgestaan uit de dood, Ik ben Jezus.’

Waarom zegt Hij dat dan niet? Waarom laat de Heere Zich nu niet onmiddellijk kennen als de Levende en opent hun ogen, zodat ze in verwondering mogen zeggen: ‘Het is de Heere?’

Wel, uit alle paasgeschiedenissen blijkt dat de Heere zo Zijn eigen opvoedkunde hanteert. Hij wil Zijn discipelen eerst terugbrengen naar het Woord. Vóór Hij Zich als de Levende openbaart, laat Hij eerst uit de Schriften zien Wie de Christus is.

Op Pasen begint de Heere Jezus eigenlijk met het Woord terug te geven aan de Kerk. Hoe dat gaat? Luister maar…

De droefheid is van hun gezichten af te lezen. De Vreemdeling opent daarom het gesprek met de vraag waarom ze toch zo droevig zijn. ‘Waarover spreekt u met elkaar? Waarom bent u zo bedroefd?’  Wat redenen zijn dit, die gij wandelende onder elkander verhandelt, en waarom ziet gij droevig?

Die Vreemdeling vraagt dus naar wat er in hun hart leeft. Dit is typisch een werk van de Heere Jezus. Hij heeft er Zijn eigen methode voor: Hij vraagt wat er in hen leeft. ‘Er moet toch een oorzaak zijn voor uw droefheid?’

Kléopas antwoordt. ‘Als u in Jeruzalem zou wonen of in de omgeving, dan weet u toch wat daar gebeurd is. Dan kunt u toch niet onbekend zijn met de din­gen die daar gebeurd zijn met Jezus van Nazareth?’ Het heeft hun leven stilgezet en zou die Vreemdeling helemaal niet weten wat er gebeurd is in Jeruzalem? Weet gij deze dingen niet?

 

De Vreemdeling antwoordt met een wedervraag. Hij zegt niet dat die dingen Hem bekend zijn maar vraagt: ‘Welke dingen? Er gebeurt zo veel in een mensenleven.’ 

U ziet nu dat de Heere aan het licht weet te brengen wat er in hun harten leeft. Want beiden gaan spreken, zowel Kléopas als die naamloze discipel. Ze vertellen Hem over Jezus, de Nazarener, Welke een Profeet was, krachtig in werken en in woorden, voor God en al het volk. De beide Emmaüsgangers kunnen dus nog zo bedroefd zijn en nog zo diep weggezonken zijn, maar ze laten hun liefde voor die Jezus, de Nazarener, zonneklaar blijken! Ze zeggen: ‘Hij was een Profeet, een groot Profeet in werken en in woorden, bekend bij God en al het volk!’

Ze schamen zich er niet voor. Al zijn er overpriesters en ouderlingen in de buurt die hen daarop kunnen aanspreken en gevangen nemen, ze komen ervoor uit dat zij Jezus liefhebben. ‘Hij was een Profeet! Een groot Profeet!’ Ze zeggen het ronduit. ‘En nu hebben onze oversten…’ Hoort u het? ‘Onze ouderlingen en onze priesters hebben Hem overgeleverd.’

Dat is toch schokkend? ‘Ons eigen volk, onze ouderlingen, en onze overpriesters, heb­ben Hem overgegeven tot de kruisdood.’ En dán zeggen de beide wandelaars waar het ze eigenlijk om te doen is: En wij hoopten dat Hij was Degene Die Israël verlossen zou.

Valt het u op? Wij hoopten… Dus hun hoop is vergaan. Er is niets van overgebleven. Kapot, in stukken ligt het... Het was een ijdele hoop! Want Hij kwam niet om Israël in oude luister te herstellen.

 

Ziet u dat elke valse hoop vergaat, dat elke verkeerde verwachting beschaamd wordt? U ziet het hier bij die Emmaüsgangers: ‘Wij hoopten dat Hij het was die Israël verlossen zou.’ Maar Jezus is niet gekomen om Israël te verlossen van de Romeinen en Davids troon te herstellen. Hij kwam voor totaal iets anders.

Hun hoop is vergaan! Bovendien zeggen ze: ‘En het is nu al de derde dag.’ Niets hebben ze overgehouden van de belofte van de Heere Jezus dat Hij de derde dag zou opstaan. Niets! ‘Het is nu al de derde dag en helaas, er is niets gebeurd.’

Ja, de discipelen hebben weliswaar verteld dat ze bij het graf zijn geweest en dat het open was, en vrouwen zeggen dat daar een engel tot hen heeft gesproken dat Hij zou opstaan, maar… Hem zagen ze niet! Wel dat open graf, maar Hem, en daar gaat het om, Hem zagen zij niet!

En nu is het aan de avond van de derde dag. Wat moet je er nu van denken? Nu is hun hoop totaal vergaan, want die derde dag is voorbijgegaan zonder Hem te zien.

 

Gemeente, zo zijn er nog steeds wandelaars die de weg gaan van Jeruzalem naar Em­maüs. Ze hebben de Heere Jezus vanuit het Woord van God leren kennen en álles in Hem gezien. Maar nu is Hij aan hun oog onttrokken en alle hoop is vergaan. Bij hen vandaan is er geen weg meer tot God. Dat is ten enenmale onmoge­lijk! De enige Weg was Jezus. En nu is Jezus weg! Dat betekent dat hun hoop in stukken ligt. Geen verwachting, geen hoop of uitzicht meer.

Wandelaars op de weg naar Emmaüs… U hebt niets meer aan die berichten van ande­ren. Want het is u te doen om Hem te ontmoeten. Jezus, de Levende, de Koning der ere, Die opgestaan is uit de dood. De Zaligmaker Die het leven heeft aangebracht. Waar is Hij?

Kent u die vraag misschien? Of zegt u: ‘Nee hoor, in de grootste nood houden wij ons geloof over.’ Dan moet ik u zeggen: ‘Emmaüs­gangers zijn bekende figuren onder het volk van God. We leren ze kennen uit het paasverhaal. De satan fluistert bovendien in uw hart: ‘Waar praat je eigenlijk over? Waar is God op Wien gij bouwde en aan Wien ge uw zaak vertrouwde?’ Alle hoop is vergaan: Jezus is weg!

 

Gemeente, maar dan is het ogenblik aangebroken waarop de Vreemdeling gaat spreken. De Heere weet altijd de juiste tijd te vinden. De Emmaüsgangers hebben alles uitgesproken wat er in hen leeft: Wij hoopten dat Hij was Degene die Israël verlossen zou en nu is het alrede de derde dag. In hun waarneming staat er een punt achter.

Ziet u dat die Vreemdeling, ziet u dat Jezus allang naast hen loopt?

Waar is Jezus? Ze weten het niet.

Maar dán spreekt die Vreemdeling! Want Hij is gekomen voor hopeloze geval­len; Hij heeft trouwens alleen maar hopeloze geval­len.

Als u nou zo in de kerk zit, als zo'n hopeloos geval, is die Vreemdeling al onderweg of Hij loopt al naast u. Hij zoekt ze op, geeft raad, neemt ze mee en opent hun hart.

Allereerst wijst Hij de oorzaak aan waarom het fout ging in hun leven. Dat is de methode van de Heere. Hij vraagt naar het ‘waarom’ van hun treurigheid en klagen. Die oorzaak ligt niet in de gebeurtenissen op de heuvel van Golgotha. Nee, daaraan ligt het niet. Het ongeloof heerst in het hart van die twee wandelaars naar Emmaüs. Daar hebt u de oorzaak van alle treu­righeid en klagen. Daar klopt het niet!

 

Christus' liefde is zo groot, dat Hij zelfs Zijn kinderen daarvoor over heeft om hen te kastijden. Hij begint met hen te bestraffen. We zou­den kunnen zeggen: ‘Hij pakt ze op een harde manier aan.’ Hij bezigt scherpe woorden om hen terecht te wijzen en hen in het rechte spoor te leiden. Buitengewoon streng. Maar tóch is het Zaligmakersliefde en zondaarsliefde, zullen we straks zien.

We horen Hem spreken: O onverstandigen en tragen van hart, om te geloven al hetgeen de profeten gesproken hebben! Onverstandig en traag van hart. Het ongeloof vindt zijn oorzaak niet in de Heere, niet in de gebeurtenissen op Golgotha, maar altijd in ons eigen hart. Niet geloven wat in de Schrift gezegd was. Onverstandig en traag. Daar zit de fout!

Wat ontbreekt er dan aan hun verstand? Is het te beperkt om te begrijpen wat in de Schrift staat?

Helemaal niet. Het is het niet verstaan van de Heilige Schrift van toen; de geschriften van Mozes, van de profeten en de psalmen. Ze kennen het Oude Testament. Dat was hen van kinds af aan ingescherpt. Maar een dieper inzicht in de zin en de betekenis van die profetieën hebben ze echter niet. Het ontbreekt die Emmaüsgangers aan de kennis van wat de Heere in Zijn Woord zegt.

0 jawel, ze kennen Jezus wel. Ze hebben geen deksel op hun hart zoals de Joden wanneer de boeken van Mozes worden voorgelezen. Ze hebben in beginsel wel de verlossende waarheid ge­zien, zoals die in Jezus is. Dat deksel is voor een deel opgelicht. Daardoor hebben ze in Jezus een Zaligmaker gezien, een groot Profeet, krachtig in woorden en werken. Maar het volle en het rechte inzicht in de Schriften ontbreekt hen nog. Daarom bestraft de Heere Jezus hen krachtig: O onverstandigen en tragen van hart om te geloven al hetgeen dat de profeten gesproken hebben!

 

U mag over dat onverstand niet al te gemakkelijk denken: ‘Ach ja, een mens is nu eenmaal verduisterd in zijn verstand.’ Nee, over dat onbegrip moet ik u wat zeggen. Er staat namelijk in het Grieks een woord dat duidt op onachtzaamheid; door een zekere onverschilligheid, door onoplettendheid. Het gaat dus niet om de beperktheid van hun verstand. Nee, ze zijn onopmerkzaam, ze hebben geen acht geslagen op de Schriften!

Had­den ze kunnen weten waarover het ging?

Ja, want hoe vaak had de Heere Jezus niet gezegd dat Hij moest overgeleverd worden in de handen van zondige mensen, veel moest lijden en sterven en ten derde dage zou opstaan? Daarbij heeft Hij ook telkens naar het Oude Testament ver­wezen en gezegd: ’U weet immers dat daarin geschreven staat dat de Zoon des mensen moet lijden?’

Wat hebben de discipelen nu gedaan met al die woorden?

Wel, die hebben alles naar de achtergrond van hun gedachten gedrongen. Ze wilden er niet van weten. Petrus was de spreekbuis geweest: Heere, dat zal U geenszins geschieden. En u weet wel dat wij mensen geneigd zijn de onaangename dingen in ons leven zo ver mogelijk van ons af te schuiven. De Emmaüsgangers en de andere discipelen hebben dat ook gedaan. Na alle werk van de Heilige Geest aan hun ziel, zijn ze nog steeds on­kundig omtrent het doel van de komst van de Heere Jezus in het vlees.

 

Maar laten we toch niet neerkijken op die Emmaüsgangers en denken: ‘Het  is toch wel erg dat ze uit onver­schilligheid of onachtzaamheid de woorden van de Heere niet opgemerkt hebben.’ Want kent ú het doel van Jezus' komst en van Zijn lijden en sterven?

Ja, het is u gepredikt. Zo lang als u leeft, wordt het hoge doel van de komst van Jezus, Zijn lijden en sterven, verkondigd. En dat het noodzakelijk is dat we Hem als de onze leren kennen.

Kunt u zeggen: ‘Dat weet ik! Hij is om mijnentwil aan het kruis gehangen, maar om mijnentwil ook opgestaan. Ik ben met Jezus gedood en met Jezus opgewekt?’ Dat moet u weten!

Het is onvoorstelbaar dat je mensen kunt tegenkomen, die zestig, zeventig of tachtig jaar in de kerk zitten en als het er dan om gaat of de Heere Jezus hun deel geworden is, ze je aankijken alsof ze zeggen willen: ‘Hoe kunt u dat nou vragen?’ Terwijl ze naar een eeuwigheid reizen die op elk moment kan beginnen. En dan gerust voortreizen, onachtzaam, onopmerkzaam, onverschillig...

 

O onverstandigen.., zegt ook vandaag nog de opgestane Levensvorst. Zonder bedekking voor onze schuld voor eeuwig verloren gaan? Door onverschilligheid, onachtzaamheid of onverstand? Gemeente, de Heere Jezus bestraft dit scherp!

Schuiven we de schuld misschien van ons af? ‘We kunnen het niet, wij weten het niet, ons verstand is verduisterd, we begrijpen het niet en je moet het beleefd hebben...’ Maar de Heere openbaart nu de schuld. Hij zegt: ‘O, onverstandigen, u die onopmerkzaam bent, onverschil­lig aan de ene kant of onachtzaam aan de andere kant, in beide gevallen bent u schuldig...’  

O tragen van hart! Dat is de tweede diagnose die Jezus stelt. Hun verstand is zo onbe­vattelijk, omdat hun hart traag is. Wat wil dat zeggen, een traag hart te hebben? Traag om te geloven al wat de profeten gesproken hebben?

Nu, dat wil zeggen: lui zijn, je te weinig inspannen, lusteloos zijn, geen belangstelling hebben... Dat laatste verdient evenzeer afkeuring: geen belangstelling hebben! Geen belang hebben bij die gekruisigde Jezus!

Wat is dat erg! Hem niet nodig hebben, onverschillig zijn, geen belangstelling voor Hem hebben, traag om te geloven… Misschien nog wel iets van Hem verwachten voor de tijd, maar voor de eeuwigheid in ieder geval niet. Traag van hart. De inner­lijke gesteldheid van deze twee mensen is dus verkeerd en wordt door de Heere bestraft. Ze wandelen in ongeloof omdat hun hart traag is.

 

Jongens, meisjes, jullie hebben allemaal een Bijbel. Lees je erin? Als je hem dicht laat, heb je er kennelijk geen belang bij. Maar als je er wel regelmatig in leest, doe dat dan biddend:  ‘Heere, mag ik U erin vinden. Alstu­blieft, open mijn ogen, opdat ik Uw Woord echt mag begrijpen.’

Jongeren, lezen jullie met belangstelling het Woord van God? Of blijf je zondagmorgen uitslapen, om­dat je zaterdagavond tot twaalf uur in de wereld bezig bent geweest. Dáár lag dus je interesse! Waar je schat is, daar zal je hart zijn. Maar straks, in de rampzaligheid, zul je eeuwig de gevolgen van je keuze moeten ondervinden. Denk er eens over na. Want Jezus zegt: 0 onverstandig en tragen van hart! Maar zodra de Heere je ontdekt aan je verkeerde hart, je onverschilligheid en je traagheid, zal je leven anders worden.

0, onderzoek je hart en je leven toch eens! De levende Heere, Die harten kent en nieren proeft, heeft er wetenschap van. Straks zullen we voor Hem staan. Alle dingen zijn dan naakt en geo­pend! Dan zul je beschaamd staan!

 

Gemeente, die twee wandelaars uit Emmaüs hebben wel een deel van de profeten geloofd. Want de Heere zegt: ‘Waarom bent u zo traag van hart, dat u niet alles gelooft wat de profeten gezegd hebben?’ Ze hebben wel een deel ervan ge­loofd: de komst van Jezus als Davids Zoon en het Koninkrijk dat on­vergankelijk is… Maar ze hebben het toegepast op de situatie van Israël. Hun zicht op de Messias was gebrekkig en onverstandig; ze geloofden niet alles wat de profeten gezegd hadden. Ze hebben een eigen keuze gemaakt uit de woorden van de profeten; ze hebben eruit gehaald wat hen aanstond en wat hen niet aanstond, heb­ben ze genegeerd.  

Heeft ú die neiging ook? Een mooi stuk uit de Bijbel lezen? Maar leest u wel eens een gedeelte dat uw leven tot op de bodem toe veroordeelt? We zijn geneigd de Bijbel zo selectief te lezen. Je pakt eruit wat mooi en aangenaam is, wat aanspreekt, lieflijk is en troostvol. Wordt u altijd maar getroffen door een troostvolle tekst, en nooit door een scherpe en beschuldigende? Het gaat om alles wat de profeten gesproken hebben. De Zaligmaker geeft er wandelaars naar Emmaüs onderwijs over. Daarmee komen we bij onze tweede gedachte:  

 

2. De zaak waarom het gaat

Waar gaat het nu om? Het staat in onze tekst: Moest niet de Christus deze dingen lij­den en alzo tot Zijn heerlijkheid ingaan? De Emmaüsgangers hebben het kruis en de dood van de Heere gezien als een doorbreking van hun verwachtingspatroon, van hun hoop en van hun uitzien. In hun ogen was wat er in Jeruzalem gebeurd was een soort toeval. Een misdadig gebeuren. Zo zagen de Emmaüsgangers het.

Maar nu gaat die Vreemdeling het gesprek aan: ‘O ja? Vinden jullie dat? Moest de Christus dan niet al deze dingen lijden en alzo tot Zijn heerlijkheid ingaan?’

Gemeente, er is een moeten! Want er valt geen musje van het dak zonder de wil van uw hemelse Vader. Er is geen toeval! Alles wordt bestuurd door uw hemelse Vader. Dat geldt voor elk mensenkind, maar hoeveel te meer voor de Zoon van God, hoeveel te meer voor de Messias.

Nee! Het is geen toeval geweest! Nee, achter dat ‘moeten’ van het lijden zit het raadsplan van God tot zaligheid. God heeft een plan om een verloren wereld zalig te maken. Daarin staat alles beschreven wat er gebeuren moet om een zondaar zalig te maken. Dat moest geschieden! In dat raadsplan is alles opgenomen wat nodig is voor de Christus om te lijden en om verheerlijkt te wor­den. Daarin staat het verraad van Judas, de verloochening van Petrus, de samenspanning tussen Herodes en Pontius Pilatus. Daarin staat de dood aan het hout van het kruis en de begrafenis in het graf van Jozef. Christus moest al deze dingen lijden!  

Tegelijk is het vanzelfsprekend dat we voor al onze daden voor de volle honderd procent verantwoordelijkheid dragen. We gaan niet vrijuit. U bent voor elke daad, elk woord en elke gedachte voor de volle honderd procent verantwoordelijk. Pontius Pilatus, Herodes, Judas, Petrus, ze zijn verantwoordelijk voor hun eigen daden. Alles ligt besloten in de raad van God!

 

Christus moest al deze dingen lijden. Niet alleen volgens het raadsplan van God, maar ook en vooral moest aan Gods gerechtigheid worden voldaan. Er zit een heilig ‘moeten’ achter. Dat kruis en sterven van de Heere Jezus – er moet aan de gerechtig­heid van God worden voldaan opdat zondaren zalig kunnen worden.

Alleen wanneer de Zoon van God Zijn bloed geeft, in de dood wordt overgegeven, en tot de laatste penning toe betaalt, is er een gerechtigheid. Er is geen andere weg dan die van het kruis van Christus. Dat kruis moest er zijn, anders zou er nooit een zaligheid en een heerlijkheid kunnen volgen. Die prijs – het offer van het kruis, het lijden van de Zoon van God en Zijn sterven – moest worden betaald! Gods récht eist het. Dat zit achter dat  ‘moeten’.

Gemeente, hebt u dat heilig ‘moeten’ in uw leven leren kennen? Dat de Christus lijden moest? Hoe meer u leert dat u onverstandig en traag van hart bent; een mens, zo diep gezonken dat er geen helpen meer aan is, verloren voor God, des te meer u dat ‘moeten’ gaat verstaan, het ‘moeten’ van het lijden. Voor het ingaan in de heerlijkheid is het lijden van de Zoon van God  onontkoombaar! Er is maar één Weg en die ene Weg wordt de roem van de Kerk des Heeren. De roem van het kruis. ‘In dit kruis zal ik eeuwig roemen en geen wet zal mij verdoemen.’ Dat is het. Christus moest lijden! Geen samenloop van omstandigheden, maar een ‘moeten’!  

Het ‘moeten’ van dat lijden is ook het ‘moeten’ van eeuwige liefde. Achter dat ‘moeten’ staat de eeuwige liefde van God de Vader. Het is het welbehagen van God, waardoor Hij zondaren zaligt en uit dat welbehagen vloeit dat ‘moeten’ van het lijden van Christus voort. Alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe (Joh.3:16). Het is de liefde van God de Vader en de liefde van de Heere Jezus Christus; Hij heeft Zijn Kerk zo volkomen liefgehad, dat Hij Zichzelf aan het kruis wilde laten nagelen. Dat is nu het heilig ‘moeten’ van het lijden, het lijden van Christus, gedreven door de liefde tot Zijn Kerk.

 

Moest de Christus niet al deze dingen lijden? Gemeente, over dat offer hebben de psalmen gesproken. Mozes en de profeten; het hele Oude Testament spreekt van Hem. Op elke bladzijde van de Bijbel wordt gesproken over het raadsplan van God, de gerechtigheid van God en van de liefde van God. De kinderen van God die u in de Schrift tegenkomt hebben eruit gezongen, ze hebben erin geroemd en ze hebben Hem hierom geprezen. We gaan nu met de dichter van Psalm 40 daarvan zingen. Het vierde vers:

 

Brandofferen, noch offer voor de schuld,

Voldeden aan Uw eis, noch eer.

Toen zeid' ik: ‘Zie, ik kom, 0 Heer;

De rol des boeks is met mijn naam vervuld.

Mijn ziel, U opgedragen,

Wil U alleen behagen;

Mijn liefd' en ijver brandt:

Ik draag Uw heil'ge wet,

Die Gij den sterv'ling zet,

In 't binnenst' ingewand.’

 

Gemeente, nu onze derde gedachte:

 

3. De taal van de Schriften

De Heere Jezus gaat on­derwijs geven vanuit de Bijbel, de Schriften. Die Vreemdeling op de weg naar Em­maüs treedt nu op als een Dienaar van het Woord. Hij ontleent woorden aan de Schrift om te staven dat de Christus lijden moest. Hij onderwijst vanzelfsprekend vanuit het Oude Testament. Hij bladert de Schriftrol door die met Zijn Naam vervuld is. De Heere Jezus kent die rol van binnen en van buiten. De ‘rol des Boeks’ is immers met Zijn Naam vervuld…

De Vreemdeling begint bij Mozes. In het derde hoofdstuk van Genesis wordt al over het lijden van de Heere Jezus gesproken. Met de moederbelofte begint het. Het vrouwenzaad – daarvan zullen de verzenen vermorzeld worden. Maar het zaad van de vrouw zal wél het zaad van de slang, de duivel, de kop vermorzelen.

Meteen zijn twee dingen duidelijk: Hem zullen de verzenen vermorzeld worden, Hij, de komende Messias, zal lijden. Maar te­gelijkertijd zal Hij Overwinnaar zijn over de satan. Het staat al in Genesis 3 vers 15. Hij moest lijden om tot Zijn heerlijkheid in te gaan.

 

De Vreemdeling vervolgt zijn onderwijs: Hij neemt die wandelaars mee naar Abraham en Izaäk. Op de berg Moria ligt Izaäk gebonden op het altaar. Maar Abraham krijgt een ram dat met zijn horens in de struiken verward is. Dát lam moet geofferd worden, opdat Izaäk leven mag. Dát Lam moet sterven!

Vervolgens neemt de Heere hen mee naar die nacht in Egypte, toen zij uit Egypte gevoerd zouden worden. Het paaslam was geslacht. En het bloed van het paaslam werd gestreken aan de bovendorpel en aan de zijpos­ten van de deur. Daarachter mocht die eerstgeboren jongen van dat gezin schuilen. Hij moest eigenlijk sterven, maar nu mag hij leven. Achter het bloed van het paaslam is hij veilig. Het paaslam moest lijden sterven, want anders mocht die jongen niet leven.

De onbekende Vreemdeling neemt hen ook mee naar de tabernakel en spreekt over de voorschriften van de offerdienst, over de schuldoffers, over de zondoffers. Over al het bloed dat geplengd werd tot verzoening van de zonden. Dierenbloed kan natuurlijk nooit de zonden wegnemen. Nee! Jezus is hét Offerlam. Want met één offerande heeft hij in eeuwigheid volmaakt degenen, die geheiligd worden (Hebr.10:14). En dan gaat Jezus verder door de psalmen heen. Ik denk aan de psalmen 22, 69, 118.

 

Hij leidt hen door Jesaja en al de profeten, staat er. Hij heeft verteld uit Jesaja over de Knecht des Heeren, Die Zijn rug boog voor degenen die hem sloegen. Hij wijst de Emmaüsgangers op het 'moeten': Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld; de straf die ons den vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen is ons genezing geworden (Jes.53:5). Op deze wijze heeft Jezus vanuit het Woord van God Zijn onderwijs gegeven over Zijn lijden en ingaan in de heerlijkheid. Zestig stadiën vormen dan geen grote afstand.

 

Ten slotte komen we in Emmaüs. De woorden van die Vreemdeling nemen de Emmaüsgangers volledig in beslag. Want uit die oude geschriften van Mozes en de profeten rijst de Christus der Schriften op. Het wordt steeds duidelijker en steeds meer helder: de Gekrui­sigde moest alzo lijden en tot Zijn heerlijkheid ingaan. De Vreemdeling Die hen vergezelt, is Christus, als het ware in de gestalte van een dienaar van het Woord. Uit Zijn eigen Woord verrijst de Christus als de Heere van het Woord. Als Dienaar én Inhoud van het Woord van God tegelijk.

 

Gemeente, kennen wij de Christus, Die ons in de Schriften wordt voorgesteld? Hij moest alzo lijden en tot Zijn heerlijkheid ingaan. Als de grote Meester, de opgestane Jezus, door Zijn Heilige Geest de Schriften voor u opent, als Hij samen met u het Woord gaat lezen, dan vergeet u dat nooit meer. Dan wordt het een Woord, dat tot uw hart door dringt en daarin blijft. Dan is uw hart niet lauw of traag meer. Want er staat: Was ons hart niet brandende in ons?

Als Hij de Schriften opent, dan gaat Christus voor u schitteren. Niet als een aards koning met een kroon, een Jezus zonder kruis, zoals de Emmaüsgangers Hem graag wilden zien, maar dan ziet u Hem als de Jezus met het kruis, in Zijn diepe vernedering!

Pasen laat licht vallen over het kruis van Golgotha, over het lijden van Jezus, over Zijn heerlijkheid, over de met doornen ge­kroonde, de geslagen, de verwonde en verbrijzelde Zaligmaker. Dan gaat Jezus heerlijkheid verkrijgen, harten worden dan brandende.

En als ons hart gaat branden, gaan we uitzien naar meer. We gaan dan voortdurend uitzien naar Hem. U gaat verlangen naar Hem. Er komt een heimwee naar Hem. Dat heimwee zal Hij op Zijn tijd vervullen, en de vervulling van dat heimwee zal niets anders dan zaligheid zijn. De opening van het Woord geeft bran­dende harten. Hem te omhelzen – dat is één en al zaligheid!

 

De Heere begint bij het blijvende Woord. Daarom brengt Jezus op Pasen Zijn discipelen eerst naar dat Woord terug. Straks zal Jezus in de hemel zijn. Straks zal Hij opvaren boven al de hemelen. Zijn discipelen zullen dan alléén verder moeten, zou u kunnen zeggen. Maar nu laat de Heere Zijn Woord ach­ter. Zij hebben tot nog toe met de Heere Jezus in Zijn menselijke gedaante geleefd, met Zijn woorden en met Zijn wondertekenen. Ze hebben zich vermaakt in al de dingen die de Heere deed. Een groot Profeet, groot bij God en al het volk!

Nu zullen ze alleen moeten leven uit het Woord van God. Die gevoelige dingen gaan voorbij. Daarom brengt de Heere hen eerst terug tot het Woord van God. De opgestane Jezus opent steeds opnieuw het Woord, door Zijn Heilige Geest, waardoor ze onderwijs krijgen. Daarmee zal de Kerk van alle eeuwen moeten leven. Hij gebruikt daar ook Zijn dienaren voor. Het Woord wordt geopend en u mag erin lezen, u mag daarin zien wat de Heere gegeven heeft, u kunt daarin de Christus der Schriften vinden.

Het Woord is genoeg. U kunt daarin álles vinden. Daarom brengt de verrezen Heere Jezus Zijn Kerk op aarde terug naar het Woord van God. Dat Woord zal spreken tot de laatste dag.

 

De grote Levensvorst zit nu in de hemel aan de rechterhand van Zijn Vader. Hij opent nog steeds de Schrift, Hij opent nog het verstand. Hij laat zien dat Christus leed en stierf, en waartoe dat nodig was. Maar Hij onderwijst ook dat Hij opgewekt is ten derde dage en alzo tot Zijn heerlijkheid is ingegaan.

Gemeente, dan ligt uw zaligheid niet meer vast in uw gevoelsleven want dat is zo veranderlijk! Die aangename ervaringen waaruit ik geleefd heb, gaan voorbij. Ons gevoel is bovendien bedrieglijk. Dat is erg gevaarlijk, weet u dat? U weet het wel: Jacobs stem, maar het zijn Ezau’s handen. Zo werd Izaäk bedrogen. Gevoel be­driegt. Jacob voelde de handen van Ezau, jawel, maar het was Jacobs stem. Gevoel bedriegt.

Het ligt alleen vast in het Woord! Daarom vraagt de psalmdichter ook: ‘Maak in uw Woord Mijn gang en treden vast.’ Door het Woord en door het geloof in het Woord wordt het vastgemaakt. Daardoor mag de Kerk des Heeren leven en daarmee heeft ze een vast fundament dat niet zal wankelen. ‘Gods Woord houdt stand in eeuwigheid en zal geen duimbreed wijken.’

Wie daaruit mag leven staat op het fundament waarvan de apostel Petrus zegt: En wij hebben het pro­fetische Woord, dat zeer vast is. En gij doet wel dat gij daarop acht geeft als op een licht, schijnende in een duistere plaats totdat de Morgenster op ga in uw harte. Al struikel ik keer op keer; het anker van de hoop ligt niet vast in mijn gevoel, niet in mijn doen en laten, het ligt vast in het binnenste heiligdom, waarin de opgestane Jezus is binnengegaan. In die eeuwige Rotsgrond ligt het vast! Dan ligt ook uw levens­scheepje veilig verankerd!

 

Gemeente, wat is het onmisbaar om Jezus te kennen. In Zijn lijden, maar ook in Zijn opstanding. Zonder de Gekruisigde Die weder levend is geworden, is er geen zaligheid. Hij moest lijden. Weet u dat? Van dat ‘waarom’ van Zijn lijden moeten we iets leren kennen. Opdat wij ook zullen delen in Zijn heerlijkheid.

 

Amen.

 

Slotzang.

 

Psalm 69 vers 13:

 

Dat zal den Heer’ veel aangenamer zijn
Dan os of var, die hunnen klauw verdelen.
De blijdschap zal het hart der vromen strelen,
Als zij mij zien verlost van smart en pijn.
Gij die God zoekt in al uw zielsverdriet,
Houdt aan, grijpt moed, uw hart zal vrolijk leven;
Nooddruftigen veracht Zijn goedheid niet;
Nooit zal Hij Zijn gevangenen begeven.