Ds. D. Rietdijk - Lukas 24 : 50 - 51

De hemelvaart van de Heere Jezus

Lukas 24
Zijn leiding
Zijn zegen
Zijn opneming
PrekenWeb heeft deze preek met toestemming van de uitgever J.J. Groen en Zoon, overgenomen uit de bundel: Uw ogen zullen de Koning zien. (Leiden, 1994). Deze bundel werd samengesteld naar aanleiding van het overlijden van ds. D. Rietdijk op 4 november 1993.
De preek is naar het hedendaags Nederlands hertaald en ingekort om ze voor de leesdiensten geschikt te maken. Hierbij is aan de oorspronkelijke inhoud volledig recht gedaan. De eindverantwoordelijkheid voor deze hernieuwde uitgave berust bij ds. C.G. Vreugdenhil (GG), die de geestelijke nalatenschap van ds. Rietdijk beheert.  
 

Lukas 24 : 50 - 51

Lukas 24
50
En Hij leidde hen buiten tot aan Bethanie, en Zijn handen opheffende, zegende Hij hen.
51
En het geschiedde, als Hij hen zegende, dat Hij van hen scheidde, en werd opgenomen in den hemel.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 103: 10
Lezen : Handelingen 1: 1-12
Zingen : Psalm 24: 2,4,5
Zingen : Psalm 68: 9
Zingen : Psalm 47: 3

Gemeente, wij willen enkele woorden overdenken die u kunt vinden in het Heilig Evangelie naar Lukas, daarvan het vierentwintigste hoofdstuk, de verzen 50 en 51:

 

En Hij leidde hen buiten tot aan Bethanië, en Zijn handen ophef­fende, zegende Hij hen. En het geschiedde, als Hij hen zegende, dat Hij van hen scheidde en werd opgenomen in den hemel.

 

In deze dienst willen we de hemelvaart van de Heere Jezus overdenken.

  

We letten dan op drie aandachtspunten:

1. Zijn leiding. Want er staat in onze tekst geschreven: En Hij leidde hen buiten tot aan Bethanië.

2. Zijn zegen. En Zijn handen opheffende zegende Hij hen.

3. Zijn opneming. En het geschiedde als Hij hen zegende, dat Hij van hen scheidde en werd opgenomen in den hemel.

 

1. Zijn leiding

En Hij leidde hen buiten tot aan Bethanië. Het einde van de veertig dagen na Zijn opstanding uit de doden is aangebroken. De Heere zal naar de hemel opvaren, zoals Hij op de paasdag voorzegd heeft. Maria Magdalena heeft het op die dag uit de mond van de Heere Jezus ge­hoord: ‘Zeg tegen Mijn broeders dat Ik opvaar tot Mijn Vader en tot Uw Vader, tot Mijn God en tot Uw God.’

Het werk van de Heere Jezus op aarde is ten einde. Hem wacht een andere taak. Daartoe zal Hij ten hemel varen, naar het huis van Zijn Vader, om daar plaats te bereiden voor Zijn discipelen en voor allen die Hem door de Vader gegeven zijn. Naar de hemel, want Zijn verheerlijkt lichaam waarmee Hij uit de dood is opgestaan behoort niet meer aan de aardse werkelijkheid toe, maar aan de hemelse.

Ongetwijfeld  heeft Maria Magdalena de woorden van de Heere Jezus, dat Hij op zou varen tot Zijn Vader, doorverteld. De discipelen hebben ze aangehoord. Ze zijn echter nog deels onwetend; zelfs op Hemelvaartsdag vragen ze nog: Heere, zult Gij in dezen tijd aan Israël het Koninkrijk wederoprichten? (Hand.1:6). Wat zijn hun ogen nog gericht op het hier en nu!

 

Maar de Heere neemt de leiding. Hij leidt hen Jeruzalem uit naar Bethanië. De weg ernaartoe hebben ze meerdere malen bewandeld; want het is de weg naar het huis van Lazarus en zijn zuster. Maar toch hebben de elf discipelen er geen idee van wat er vandaag gebeuren gaat. Ze hebben er geen erg in dat de weg die Jezus met hen inslaat tot hun nut en zaligheid is. Ze zijn er nog steeds onkundig van dat het afscheid van de Heere Jezus tot hun zaligheid zal zijn! Zo neemt de Heere Zelf de leiding in het leven van deze discipelen, die nog zo dwaas en blind zijn.

 

Maar, gemeente, dit geldt ook vandaag nog voor al de gunstgenoten van de Heere; ook zij zijn nog zo dwaas en onkundig en weten de weg niet. Gelukkig neemt de Heere ook hen aan de hand en leidt ze op een pad dat hen onbekend is. Als de overste Herder der schapen leidt Hij Zijn kudde. Ook na Zijn hemelvaart zal Hij dat blijven doen. Hoewel niet meer in hun tegenwoordigheid, maar door Zijn Woord en Geest zal Hij Zijn Kerk leiden. De overste Leidsman tot zaligheid neemt voortdurend de leiding, want anders zouden ze zeker in deze wereld verdwalen. Hij houdt hen vast op die voor hen onbekende wegen naar de eeuwige gelukzaligheid!

 

En Hij leidde hen uit naar buiten tot aan Bethanië. Het is voor de discipelen een betekenisvolle gang naar de Olijfberg. Op deze weg ontmoeten ze allerlei stille getuigen van eerdere gebeurtenissen. Want ze herinneren zich nog goed dat de Heere Jezus deze weg reisde naar Jeruzalem. Het was de dag waarop ze hebben geroepen: ‘Hosanna, gezegend is Hij Die daar komt in de Naam des Heeren.’ Wat waren ze verrast en wat kregen ze een verwachting… Zal de Heere echt het Koninkrijk oprichten? Zal Hij plaatsnemen op de troon van David en die in ere herstellen?

Maar nee! Hun verwachting is radicaal de bodem ingeslagen.

In de nacht waarin Jezus verraden werd ging Hij met Zijn discipelen nogmaals die weg. Toen maakte Hij vanuit Jeruzalem, door het Kedrondal, de gang naar de Hof van Gethsémané, het bittere lijden tegemoet. In die nacht zijn de discipelen allen weggevlucht. Geen van allen bleef bij de Heere. Ze leerden tot hun schande dat zij niet één uur met Hem waken konden. Zij zijn haastig wegge­vlucht door de nacht.

 

De weg van Jeruzalem naar Bethanië is dus een zeer verootmoedig­ende weg. Daar liggen bloeddruppels als stille getuigen. Ze getuigen van Jezus' lij­den, ze getuigen van hun falen. Het is een pad dat eigenlijk be­sprengd is met bloed. Het bloed van de Heere dat ook in de Hof van Gethsémané, die aan dezelfde weg gelegen was, in het stof der aarde neer drupte. Later op de dag zal het bloed van Christus nog eens vloeien op dezelfde weg, als het in de richting van de kruisheuvel van Golgotha gaat. Het is dus een weg van schande en schaamte, van lijden en van dood, van angst en benauwdheid. Al die stille getuigen op de weg naar Bethanië prediken het lijden van Christus. Maar ook het falen van Zijn discipelen. Die weg predikt dat de angsten van de hel de Borg hebben omvangen.

 

Gemeente, als u terugkijkt naar de weg die de Heere met u gehouden heeft in uw leven, nee, dan blijft er geen enkele roem over. Dan kunt u alleen maar beschaamd het hoofd buigen en zeggen: ‘Heere, in mij is er geen enkele waardigheid. Want ik ben niet méér dan iemand die U steeds verlaat en vergeet!’ Nee, er blijft maar één Grond over; het enige waarop u zich beroemen kunt, is de genade van de Heere Jezus Christus.

En zo zijn de discipelen ook op die Hemelvaartsdag erachter gekomen dat ze dwaas zijn, dat ze krachteloos zijn, maar tegelijk dat hun kracht alleen van de Heere is. Ook in deze morgen volgen ze Hem. Zij moeten leren dat ze niet behoeven te weten wat voor hen ligt.

 

Gemeente, de weg van Jeruzalem naar Bethanië over de Olijfberg spreekt over de verlossing door het bloed. Op deze feestdag, op deze dag van de kroning van de Heere Jezus, staat u daarom voor een persoonlijke vraag. Een vraag die u niet terzijde mag schuiven. Jezus stelt u de vraag: ‘Volgt gij Mij?’ De discipelen volgen Hem op die weg naar de Olijfberg. Of ze nu zoals Levi uit het tolhuis zijn geroepen, vanachter de visnetten vandaan gehaald of tot de kring rond Johannes de Doper behoorden, ze zijn allen uitgeleid uit het diensthuis van de zonde. Ze volgen Hem door bezaaide en onbezaaide wegen, al gaat het vaak in een richting die ze niet begrijpen. ‘Heere, waar komt het op uit? Is dit Uw weg wel?’

Maar de Heere leert ons dat Zijn weg alleen de veilige en de zekere weg is. ‘Heilig zijn, o God, Uw wegen, niemand spreekt Uw hoogheid tegen.’ Op onze vragen antwoordt Hij: ‘Wat Ik nu doe, weet gij niet, maar gij zult het na deze verstaan.’ Dat pad leren we kennen op de weg van Jeruzalem naar Bethanië toe. Alle verwachting op Hem! Zelfs door de tegenvallers heen. Zo reist de Kerk van God naar Jeruzalem.

De vraag is dus of u achter de Heere Jezus bent gebracht, of u Hem volgt op de weg naar de Olijfberg. Of u Hem volgt en Zijn voetstappen drukt, want dan bent u gezegend!

 

Over die zegen denken we na in onze tweede gedachte:

 

2. Zijn zegen.

Als wij achter Hem aan mogen wandelen, zijn wij gezegende mensen. We zien die elf mannen achter de Heere gaan. Op weg naar de Olijfberg. Als ze dan op de top van de Olijf­berg staan, heft de Heere Jezus Zijn handen op en zegent hen. Lukas besluit Zijn Evangelie met dit beeld. Een zegenende Jezus, daar op de top van de Olijf­berg, met niet meer dan elf van die eenvoudige vissers uit Galilea…  

 

Het Evangelie begon in de tempel te Jeruzalem, met Zacharias die in de tempel hoorde van de komst van Johannes de Doper. Het vervolgde zijn loop in het huis van Maria in Nazareth, waar de geboorte van de Heere Jezus werd aangekondigd. Lukas besluit ten slotte Zijn Evangelie met de zegenende Jezus op de Olijfberg, omringd door die elf eenvoudi­ge vissers. Hij gaat niet heen in stilte, maar voor het oog van de elf mannen die Hem gevolgd zijn.

De Heere wil niet onopgemerkt vertrekken. De opstanding was wél aan mensenogen onttrokken. Niemand was er getuige van. Maar als Jezus opvaart naar de hemel, zijn de elf discipelen erbij, elf mannen die Hem zijn gevolgd op Zijn weg.  

 

En Zijn handen opheffende, zegende Hij hen. Vóór Hij opvaart heft Hij Zijn handen op en zegent zijn discipelen. Twee dingen treffen ons dan: Zijn handen en Zijn zegen.

De handen opheffen. Het is een bekend gebaar. Als Jakob zijn zonen zegent, dan heft hij zijn handen op boven die jongens. Het is dus een oud gebruik. Als de priester in de tempel het volk zegende, hief hij tijdens het uitspreken van de zegen zijn handen op. Dat gebaar van die opgeheven handen is veelzeggend. Want het zijn geopende han­den, handen die schenken, handen die uitstorten, handen die gaven uitdelen, handen die zegenen… Want als de schare uiteenging nadat de priester in het heilige het wierookoffer gebracht had, sprak hij de zegen uit: De Heere zegene u en Hij behoede u, de Heere doe Zijn Aangezicht aan u lichten en zij u genadig. De Heere verheffe Zijn Aangezicht over u en geve u vrede. De Naam des Heeren werd door de priester opgelegd, genade weggeschonken en vrede gegeven.

 

Gemeente, nu staat er op de Olijfberg geen priester uit de orde van Aäron, maar de Heere Jezus Zelf. Hij is de Hogepriester naar de orde­ning van Melchizédek. Hij is Priester in eeuwigheid en heeft Zijn of­fer gebracht. Niet een dier, niet een lam, maar Hij heeft Zichzelf geofferd. En vanuit dat offer zegent Hij. Dat kunt u aan Zijn handen zien. De handen van Jezus.

Kent u die handen? Het zijn weldoende handen. Hij heeft ze kinderen opgelegd, Hij heeft met het slijk van Zijn vingers blinden het licht gegeven, zieken ermee genezen, zelfs doden het leven gegeven en Zijn handen hebben het brood gebroken. Die handen van Jezus heb­ben alleen maar wél gedaan. Maar als Hij zijn armen op de Olijfberg uitstrekt over de discipelen, dan kunt u in Zijn handen littekens zien. Die handen spreken van het kruis. Ze werden door de soldaten met spijkers aan het kruis genageld. De littekens zijn zichtbaar. Thomas heeft ze gezien, de discipelen hebben ze gezien.

 

Hebt u die handen ook gezien?

Het teken der nagelen in Zijn handen spreekt van het vloekhout. Jezus’ handen spreken over de vloek die Hij gedragen heeft. Hij is een vloek geworden voor ons, opdat Hij ons met Zijn zegening vervullen zou. Hij is gehangen aan het vloekhout. Want er is geschreven: Vervloekt is een iegelijk die aan het hout hangt (Gal.3:13). Opdat Hij wetsovertreders die deze vloek verdiend hebben Zijn zegen zou kunnen opleggen. Christus heeft daarmee de vloek, die op mij lag, op Zich genomen!  Daarom moest Hij gekruisigd worden!

Op de Olijfberg heft Hij nu Zijn handen zegenend uit; want er is een verband tussen die handen en die zegen. Christus kan deze discipelen die bij Hem staan, zegenen. Discipelen die ook mensen zijn, gevallen mensen, die moedwillig God hebben verlaten. Ze zijn uit Adams nageslacht. Ze hebben de vloek verdiend van dood en straf en verderf. Men­sen die hun hand hebben uitgestrekt naar de verboden vrucht. En nu zijn Jezus’ handen doorboord. Zijn handen spreken van de vloek die Hij weggedragen heeft. Nu is er een zegen.

 

En Zijn handen opheffende zegende Hij hen… Tussen Bethlehem en de Olijfberg liggen drieëndertig jaren. Bethlehem waar Hij geboren werd en de Olijfberg waar Hij zegent. Die drieëndertig jaren zijn jaren van lijden, van het doen van de wil des Vaders. Om die zegen te kunnen uitspreken heeft de Heere Jezus Zichzelf vernietigd tot in de dood des kruises toe. En deze zegen deelt Hij uit.

Daar staan ze, de elf discipelen. Petrus, Thomas, Nathanaël, Johannes. Niemand van hen kan zeggen: ‘Ik heb die zegen verdiend.’ Ze hebben allen gezondigd en ze derven de heerlijkheid Gods. Ze zijn allen aan Hem geërgerd. Ze zijn allemaal gevlucht. Er is er niet één bij die trouw geweest is. Maar desondanks staan ze nu onder die zegenende, doorboorde handen.

 

Het is een wederhorig kroost dat daar staat. ‘Wederhorig’ betekent: niet willen luisteren, tegenstrevend, de andere kant op willen. U denkt dan meteen aan Psalm 68: ‘Gij zaagt Uw strijd bekronen. Met gaven tot der mensen troost. Opdat zelfs wederhorig kroost. Altijd bij U zou wonen.’ Wederhorig: nooit willen buigen voor God en voor de Heere Jezus.

Bent u zo’n tegenstrever? Tegendraads en vloekwaardig? Wat is het een diep pijnlijke les om te leren. ‘Heere, ik heb niets verdiend. Ik ben Uw gramschap waardig!’.

Een wederhorig kroost; een tegendraads geslacht. Maar op Hemelvaartsdag heeft Hij gaven genomen om uit te delen! Op Hemelvaartsdag schenken Jezus’ open handen genadegaven aan een wederhorig kroost. Ze staan daar, elf discipelen. Hij schenkt genade vanuit Zijn volheid. Niet omdat ze dat waardig zijn, maar alleen om de verdiensten van de Heere Jezus.

 

Gemeente, het is goed om elkaar een zegen toe te wensen. Maar dan is het niet meer dan een zegenbede. De zegen van Christus is echter méér! Als Hij zegent, zijn we gezegend. Dan ontvangen we de zegen.

De zegen van Jezus omvat alles wat Hij verdiend heeft. Als Jezus ons ons zegent, ontvangen we licht en leven. De psalmdichter bad daarom: ‘Gun leven aan mijn ziel, dan looft mijn mond Uw trouwe hulp.’ Als Jezus zegent ontvangt u de ge­meenschap met God. Daar gaat het u toch om? Of laat het u onverschillig of God u ziet of niet ziet? Kent u het heimwee naar God en naar Zijn gemeenschap? Brandt uw hart van vurig zielsverlangen naar Hem?

Wel, Hij zegent met die gemeenschap. Luistert u maar naar Psalm 68: ‘Opdat zelfs wederhorig kroost, altijd bij U zou wonen.’ Hij zegent met een vrede die alle verstand te boven gaat. Hij vervult op een onnaspeurlijke wijze met Zijn zegen de ziel van een mensenkind. Hij vervult met de rijke zegen van Zijn bewaring, de zegen van Zijn lei­ding, van Zijn licht, van Zijn leven. Hij zegent met tijdelijke, met geestelijke en met eeuwige zegeningen. Daarvoor heeft Hij de helse smarten doorstaan. Dit is in Zijn handen te lezen. Daarin staan de teke­nen van de nagels. Met die handen zegent Hij

Staat u onder die handen van Jezus?

Alleen als u onder de handen van Jezus staat, ontvangt u die zegen. 

 

Hoe komt u nu onder die zegende handen van Jezus terecht?

Wel, alleen als u achter Hem ge­bracht bent, als u Hem volgt, als u Zijn voetstappen drukt, Hem achterna wandelt. Dan alleen komt onder de zegenende handen van Jezus terecht. Daar wordt u gebracht door de leiding van de Heilige Geest en door het Woord van God.

Wat is het erg, als u dat niet kent! Als die handen u vreemd zijn, als u die zegenende handen van deze Hoge­priester niet kent, Die Zichzelf opgeofferd heeft tot in de dood van het kruis.

O, dan is er geen enkel leven, geen licht, geen bewaring of leiding op uw pad. U wenst niets te ontvangen uit de handen van Jezus. U hebt er geen oog voor dat het deze Jezus niet gaat om wat u meent te bezitten, maar dat het Hem gaat om onverdiende gaven uit te delen. Want Jezus is niet alleen een verdienende Zaligmaker, maar ook een Zaligmaker van toepassing. Zijn zegenende handen zijn daar het teken van. Hij vaart op naar de hemel om zijn verdiensten, het werk wat Hij gedaan heeft, ook toe te kunnen passen aan mensenharten. Zo gaat Hij ten hemel in. Is die zegen ook uw en jouw deel?

 

Daarmee zijn we toegekomen aan het derde punt dat we willen overdenken:

 

3. Zijn opneming

En het geschiedde als Hij hen zegende, dat Hij van hen scheidde en werd opgenomen in de hemel. Het ogenblik dat de Heere Jezus Zijn discipelen moet verlaten, is aangebroken. Naar het lichaam, want naar Zijn genade, Majesteit en Geest blijft Hij altijd bij hen. Hij gaat nu echter van hen scheiden. Terwijl de elf discipelen daar op de Olijfberg staan, en de Heere zegenend Zijn handen over hen uitstrekt, wordt Hij opgenomen. Al hoger en hoger stijgt Hij op van de aarde, terwijl Zijn zegenende handen zijn uitgebreid over Zijn discipelen.

 

De discipelen hebben Hem verbaasd nagestaard. Verwonderd hebben ze Hem nagekeken. Lukas schrijft in Handelingen 1: Totdat een wolk Hem wegnam voor hun ogen. Maar dan staan er twee engelen bij hen met een boodschap: Deze Jezus Die van u heengevaren is naar de hemel, zal alzo komen gelijkerwijs gij Hem hebt zien heenvaren.

Er valt dus een scheiding; de Heere is in Zijn menselijke gedaante niet meer bij hen. Hij zal ook niet meer verschijnen zoals in die veertig dagen na Zijn opstanding. Ze zullen Hem niet meer met hun ogen zien en Zijn stem horen. Hij verlaat deze aarde totdat Hij eens wederkomen zal.  

 

Scheiden, heeft altijd iets weemoedigs. Scheiden doet pijn. Vooral wanneer we er niet op rekenen. Maar in onze tekst staat dat de Heere al zegenend opvaart. En hoe hoger Jezus opstijgt, des te groter wordt het bereik van Zijn zegenende handen. Eerst over die elf mannen, ten slotte over de gehele aarde. Zó gaat Hij ten hemel in. Zó laat de Heere Zijn Gemeente op de aarde achter.

De elven moeten nu de strijd in, ze moeten de nacht van het leven nog door. Maar de Heere gaat vooruit; Zijn leiding is niet afgelopen. Hij wil dat Zijn discipelen eens Zijn heerlijkheid zullen zien; de heerlijkheid die de Vader aan Christus gegeven heeft. De Heere gaat hen vooruit. En zij zullen en mogen Hem volgen. Jezus baande een weg door lijden en door dood, naar het Vaderhuis!

 

Gemeente, dit alles legt de Heere op Hemelvaartsdag vast. Hij verzegelt op Hemelvaartsdag, dat die elven, de discipelen, de kinderen van Hem, Hem zullen volgen en dat ze Zijn heerlijkheid straks voor eeuwig zullen zien. Ik ga heen om u plaats te bereiden. Zo wordt Jezus door die wolk aan het menselijk oog onttrokken en betreedt Hij als de grote Voorloper het binnenste heiligdom. Hij laat Zijn zegen achter op die elf discipelen. Hij laat het zien terwijl Hij opvaart: Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld. Met Mijn Genade, Majesteit en Geest wijk Ik nimmermeer van u.

Ze verkeren wel in de strijd hier op de aarde, maar ze zijn niet zonder zegenende handen. De Kerk wordt niet alleen gelaten. Nog tien dagen en dan zal de verhoogde Heere Jezus Zijn Heilige Geest, naar Zijn belofte, uitstorten op de gemeente te Jeruzalem. Die Geest zal hen leiden, zal hen troosten en zal eeuwig bij hen blijven. Zijn zegen laat Hij achter. Zo staan die mannen daar op de Olijfberg, om­hoog starend, onder zegenende handen.

Wat een ge­zegend volk! Want er is nog meer: als de Heere Jezus van hen scheidt en wordt opgenomen in de hemel, neemt Hij die elf ook mee in Zijn hart. Maar niet alleen de elf discipelen; al degenen die Hem van de Vader gegeven zijn, zijn in dat hart van Jezus. Die er geweest zijn, die er op dat moment zijn en die er nog komen zullen. Ze zijn in het hart van de Heere Jezus.

 

Als Hij opvaart naar de hemel, zegenende opvaart, is Hij net als die hogepriester van het Oude Testament. Hij had op zijn borst de borst­lap, waarin de twaalf edelstenen waren met daarop de twaalf namen van de stammen van Israël gegraveerd. Die borstlap wilde zeggen dat de hogepriester het gehele volk van Israël op zijn hart droeg. Al de namen van het uitverkoren volk. En zo draagt de Heere Jezus, als Hij opvaart naar de hemel, de namen van al de uitverkorenen niet op Zijn hart met een borstlap, maar in Zijn hart. Ze zijn nooit uit dat hart geweest.

 

Gemeente, van eeuwigheid af zijn de namen van degenen die van de Heere zijn, als met een griffel gegrift in die edelstenen van de borst­lap van de Middelaar. Hij nam hen mee toen Hij op de aarde kwam in Bethlehem. Hij nam hen mee, toen Hij leed in Gethsémané, Hij nam hen mee toen Hij leed aan het kruis van Golgotha. Hij nam hen mee in Zijn opstan­ding. Hij nam hen mee in de hemel. Hij draagt ze in Zijn hart. Nu is Hij aan de rechterhand van Zijn Vader. Daar draagt Hij al de na­men van de Zijnen. Pau­lus schrijft in Efeze 2 dat de Kerk des Heeren met Christus is gezet in de hemel.

Dat wil dus zeggen: in Christus is de Kerk al in de hemel. Met Christus opgewekt en met Christus gezet in de hemel. Hij draagt hen in Zijn hart. En in dat heerlijk Hoofd Christus is de Kerk gezet in de troon van de Vader. Zij zijn daar al in hun heerlijk Hoofd. Dat is de garantie dat ook zij daar zullen komen. Zó zijn ze wel naar het lichaam van Hem gescheiden, maar eeuwig aan de Heere Jezus verbon­den. Ze zijn zo vast aan Hem verbonden, dat niets hen van de liefde van Christus scheiden zal. Noch dood, noch leven, noch tegenwoor­dige, noch toekomende dingen. Ze zijn gescheiden en toch verenigd, want ze gaan met Hem mee in Zijn hart ten hemel in. Ze zullen daar zijn, totdat ook zij daar mogen binnenkomen. Hij vaart op naar de hemel Zijn Kerk ten goede.

Het kan zijn dat wij niets meer zien dan strijd en zon­den, dan het woeden van de satan, die naar het schijnt overwinning op overwinning behaalt, maar het zal toch blijken dat de Gemeente des Heeren de eeuwige overwinning behalen zal. Want die Gemeente bevindt zich onder de zegenende handen van Jezus en wordt meegedragen in Zijn hart ten hemel in.

 

Hij werd opgenomen in de hemel. Als Hij Zijn handen opheft en de discipelen zegent, dan trekt bijzonder onze aandacht dat dit een actieve handeling van de Heere Jezus Zelf is. Maar als er staat dat Hij opgenomen werd, dan is Hij passief. God de Vader handelt en neemt Christus op in de hemel; de geschapen woonplaats van God. Waar God in al Zijn luister Zijn heerlijkheid vertoont. Het is de plaats waar al de heilige engelen zijn en de gezaligden. De plaats waar alleen blijdschap is in God. De plaats waar de heiligheid van God luis­terrijk geopenbaard wordt, waar alles blinkt van licht en blijdschap, waar engelen en gezaligden zich in eeuwige vreugde om de troon scharen. Naar die plaats is Jezus opgevaren.

 

Opgenomen in de hemel. De Vader nam de Mid­delaar en de Borg op in Zijn heerlijke woonplaats. De Vader heeft Hem ver­hoogd en verheerlijkt.

Wat een intocht is dat geweest! Als de Heere Jezus door de Vader wordt opgenomen in de hemel en Hij de troonzaal van de Vader binnentreedt, verwelkomen de engelen Hem met gezang. Ze begeleiden Hem met gejuich. Zó betreedt Hij de hemelse heerlijkheid! Want als Jezus als het Hoofd van Zijn Kerk binnenkomt, zet de Vader een zegel op het werk van de Heere Jezus dat Hij op de aarde verricht heeft.

De hemel is dus niet door Christus met kracht geopend. De toegang werd niet geforceerd. Nee, de Vader heeft de hemel voor Christus geopend. Hem werd een welkom toegeroepen, omdat Zijn werk op aarde voltooid was, omdat Zijn werk werd goedgekeurd. Op Hemelvaartsdag hecht de Vader een zegel aan het werk van de Heere Jezus. De he­melen waren voor mensenkinderen toegesloten, maar nu gaat de hemel voor onze menselijke natuur open. Hemelen die eeuwig gesloten hadden moeten blij­ven, worden voor Christus geopend. Hij heeft de zonden weggedragen en de schuld verzoend. Daarom kan de hemel geopend worden. De strijd is gestreden, de overwinning is behaald, Jezus mag binnenkomen!

 

Pasen vindt zijn bekroning in de hemelvaart van Jezus. Het is een dag van grote blijdschap. Christus heeft als Borg de schuld betaald. Hij heeft de vloek weggedragen. De Vader nam Hem op. De Vader, Die Hem naar de aarde zond, heeft Hem ook weer opgenomen in de hemel. En met Christus, allen die in Christus zijn.

Nu is er een geopende toegang tot de troon der genade. Hij werd ont­vangen als de Leeuw uit de stam van Juda, die overwonnen heeft. Nu is er in Christus een geopende toegang tot de troon der genade. Nu mag de kerk met al haar gebeden en verzuchtingen altijd tot God komen. Nu mag zij al haar noden, haar zorgen, haar verdriet en haar gehele schuld voor Hem neerleggen! Nu is er een geopende toegang. Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden om geholpen te worden ter bekwamer tijd (Hebr.4:16). Er is bij de Heere een geopende toegang. Daar is Jezus zegenende naar toe gegaan. ‘Daar leeft die Vorst altoos, daar leeft Hij eindeloos.’

 

Gemeente, zó is de Heere Jezus met onze menselijke natuur, die Hij in Bethle­hems stal heeft aangenomen, naar de hemel gegaan. In de Hem is de menselijke natuur daar op de troon van God gezet. U mag vanuit het Woord vernemen dat er maar één Naam onder de hemel is waardoor we zalig kunnen worden. Het is gegrond op het heilsfeit dat de Heere Jezus onze menselijke natuur in de hemel heeft gebracht. Hij is door God gezegend en daarom mag het Evangelie uitgaan naar alle creaturen en op de gehele aarde gepredikt worden. Hij zendt die Boodschap, waar dan ook, tot een wederhorig kroost, tot mensen uit Adams geslacht, tot men­sen van vlees en bloed. Om Zijnentwil, Die mens geworden is uit een vrouw. Maar ook omdat Hij opgevaren is, ver boven al de hemelen.

Hij Die nedergedaald is tot de neder­ste delen der aarde, is Dezelfde Die ook opgevaren is ver boven al de hemelen. Opdat Hij alle dingen vervullen zou. Die prediking zal vrucht dragen. Want zij vloeit voort uit het welbehagen van de Vader en vanonder doorboorde en zegenende handen. Jezus zal door het middel van de prediking Zijn genade aan alle schepselen uitdelen.

 

Het hemelvaartslied spreekt ervan; we zingen daarom Psalm 68 vers 9:

 

       Gods wagens boven 't luchtig zwerk,

       Zijn tien- en tienmaal duizend sterk,

       Verdubbeld in getalen;

       Bij hen is zijne Majesteit

       Een Sinaï in heiligheid,

       Omringd van bliksemstralen.

       Gij voert ten hemel op, vol eer;

       De kerker werd Uw buit, 0 Heer!

       Gij zaagt Uw strijd bekronen

       Met gaven tot der mensen troost;

       Opdat zelfs 't wederhorig kroost

       Altijd bij U zou wonen.

 

Gemeente, de Kerk des Heeren ontvangt op Hemelvaartsdag het onderpand dat zij eens bij de Heere zal zijn. De kinderen Gods zullen Hem eenmaal mogen volgen naar de hemel. Niet alleen met de ziel, maar straks zullen zij ook met het lichaam altijd bij de Heere zijn en in Zijn gemeenschap delen. Dat is het vooruitzicht dat de kinderen van God mogen hebben. De strijd zal dan gestreden zijn. De tranen, álle tranen, zullen van hun ogen worden afgewist, zullen gedroogd zijn. Eeuwige blijdschap zal dan op hun hoofd zijn.

 

De discipelen gaan aanstonds terug naar Jeruzalem, met grote blijdschap, staat er. Dus dat is het wonder, gescheiden van Jezus en toch met grote blijd­schap. Het is de zegen die Jezus schenkt aan Zijn Kerk. Maar de vreugde van de Kerk in de hemel zal die blijdschap verre overtreffen, want zij zullen de Koning aanschouwen in Zijn schoonheid. Zij zul­len Hem zien in Zijn hemelvaart. De Heere werd met eer en heer­lijkheid gekroond. Hij is een weinig minder geworden dan de enge­len, maar Hij is op de dag van Zijn heerlijkheid met eer en heerlijkheid gekroond.

De discipelen hebben dat begrepen. Daarom staat er: En zij aanbaden Hem. En zij keerden weder naar Jeruzalem met grote blijdschap. De discipelen hebben de eer en heerlijkheid van hun Koning gezien. Zij hebben zich daarover verblijd. Zij hebben zich erover verheugd dat Hij een Naam ont­vangen heeft Die boven alle naam is. In die Naam van Jezus zal zich alle knie buigen van degenen die in de hemel en die op de aarde, en die onder de aarde zijn. Alle tong zal belijden dat Jezus Christus de Heere is, tot heerlijkheid Gods des Vaders. In die eer van Christus ligt hun zaligheid.

 

Met grote blijdschap keren zij weer naar Jeruzalem. In Efratha’s velden klonk het uit de mond van de engel: Ik verkondig u grote blijdschap (Luk.2:10). Op Hemelvaartsdag is het vervuld: En zij keerden weder met grote blijdschap naar Jeruzalem.

Zó ging Jezus, opgenomen door de Vader, de eeuwige heerlijkheid in. Hij is ingegaan om er een Voorspraak te zijn bij de Vader. Hij ging in met Zijn offerande. Hij bracht dat offer voor het aangezicht van de Vader. Nu bidt Hij voor al degenen die in Zijn hart zijn. Altijd. Hij leeft daar om voor hen te bidden. En Jo­hannes vertroost de Kerk: Kinder­kens, indien wij gezondigd hebben, wij hebben een Voorspraak bij de Vader. Jezus Christus, de Rechtvaardige. En Hij is een verzoening voor onze zonden. En niet alleen voor de onze, maar ook voor die van de ganse wereld (1Joh.2:1,2).

Hij is in de hemel om voor de Zijnen voorbede te doen. Indien wij gezondigd hebben… Gaat er wel eens een dag voorbij dat we niet zondigen? Maar Jezus is met Zijn offerande de hemel ingegaan en Hij bidt daar altijd voor de Zijnen. Zijn bloed is een verzoening voor al onze zonden.

 

Gemeente, nu is het de vraag of we in Hem begrepen zijn. Zijn we door het geloof in Hem ingelijfd? Want we kunnen voor God niet verschijnen met ons doen en laten. We zijn verloren voor God, als we niet in Christus begrepen zijn, als onze naam niet in Jezus’ hart geschreven staat.

Hoe weet u dat dan?

Wel, als u zich leert kennen als zo’n wederhorige uit psalm 68, zo’n tegenstrevend en ongehoorzaam mens. Als u het onder tranen belijdt: ‘Hee­re, hier is zo-iemand. Tegenstrevend, ook na ontvangen genade!’ Dán brengt de Heilige Geest u aan de voeten van Hem, Die zegent vanuit Zijn doorboorde handen. Hij brengt u tot het Evangelie en werpt licht op de ruimte die er ligt in Christus Jezus. Hij draagt niet slechts een naam van vijf letters en meer niet. Nee, in die ene Naam ligt een volheid. In die Hoorn des heils, in Christus Jezus, ligt een ruimte van zaligheid. Wat geeft dat een vreugde!

De discipelen keren terug naar Jeruzalem, met grote blijdschap, een stad van moordenaars, een stad waar ze elk ogenblik kunnen worden gegrepen en in de gevangenis geworpen worden. Tóch gaan ze met grote blijdschap, want ze hebben de ruimte die er is in Christus Jezus gezien. De hemelen zijn geopend. En Jezus ging in. Hij ging hen voor.

 

Gemeente, die openbaring van Christus, vanuit het Woord door de Heilige Geest, is een gebeuren dat u nooit meer uit uw geheugen kunt wissen. Dan gaat de dag op in uw leven. In de nacht van uw leven wordt het licht. Dan verandert alles. U zoekt niet meer naar de dingen die aards zijn; want die zijn tijdelijk, want dan gaat u verloren. Nee, vanaf die dag zoekt u dan de dingen van boven, waar Christus is, zittend aan de rechterhand van God.  ‘Wat zou mijn hart, wat zou mijn oog, op aarde nevens U toch lusten? Niets is er waar ik in kan rusten. Bezwijkt dan ooit in bittere smart of bange nood mijn vlees en hart, zo zult Gij zijn voor mijn gemoed, mijn rots, mijn deel, mijn eeuwig goed.’

 

Sta ernaar die Zaligmaker te kennen. Vraag om de werking van de Heilige Geest. Bij Christus Jezus is verzoening, bij Hem is leiding, bij Hem is bewaring, bij Hem is voorbede te vinden. Wie hier met Hem door de diepten gaan, zullen straks met Hem mogen zijn in dat zalig oord, waar zij eeuwig met de Heere zullen zijn. Paulus roept het u toe vanuit de Thessalonicenzenbrief, en we besluiten ermee: Zo dan, vertroost elkander met deze woorden. Dan zullen wij altijd bij de Heere zijn.

 

Amen.

 

Onze slotzang is Psalm 47 vers 3:

 

God vaart, voor het oog,
Met gejuich omhoog;
’t Schel bazuingeluid
Galmt Gods glorie uit.
Heft den lofzang aan;
Zingt Zijn wonderdaân;
Zingt de schoonste stof;
Zingt des Konings lof,
Met een zuiv’ren galm,
Met een blijden psalm;
Hij, de Vorst der aard’,
Is die hulde waard.