Ds. M. Golverdingen - 1 Korinthe 15 : 7

De verschijning van de Levensvorst aan Jakobus

herinnert aan zijn afwijzing van Christus
getuigt van de overwinning door Christus
heen wijst naar zijn leven uit Christus
De preek is eerder gepubliceerd in het in 2019 door Den Hertog uitgegeven boekje 'In de loopbaan van het geloof’.
 

1 Korinthe 15 : 7

1 Korinthe 15
7
Daarna is Hij gezien van Jakobus, daarna van al de apostelen.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 150: 1
Lezen : 1 Korinthe 15: 1-20
Zingen : Psalm 20: 6 en 7
Zingen : Psalm 21: 4
Zingen : Psalm 95: 4

Gemeente,

 

In Korinthe, de grote Griekse havenstad uit de oudheid, is door de arbeid van de apostel Paulus een christelijke gemeente ontstaan. De apostel heeft deze gemeente nog geen vijf jaar verlaten of er komen al grote moeilijkheden aan het licht. Er zijn namelijk enkele gemeenteleden die de gedachte uitdragen dat er geen opstanding van de doden is: Christus is wel opgestaan, maar dat is bij wijze van grote uitzondering. Níemand zal er verder uit de doden opstaan! U voelt wel welk gevaar hierachter schuilt: nog een enkele denkstap en dan zal men zeggen: ‘Ja, maar dan is Christus ook niet uit de doden opgestaan.’ En aan de opstanding van Christus, alleen dááraan is het leven en de zaligheid van Gods kinderen verbonden! Vandaar dat Paulus in deze eerste zendbrief de Korinthiërs met kracht het Evangelie voorhoudt. Hij heeft hun dat gepredikt in de verzen drie en vier van het voorgelezen Bijbelgedeelte: Want ik heb u lieden ten eerste overgegeven hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de schriften; En dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derde dage, naar de schriften.

 

Niemand, ook deze dwalende gemeenteleden niet, kunnen iets afdoen van de heerlijkheid van het evangelie dat Christus is opgestaan. Hij leeft en Zijn volk zal dóór Hem leven, door al de eeuwen heen. De waarheid van de opstanding van de Heere Jezus gaat de apostel Paulus nu bewijzen door uitvoerig in te gaan op de verschijningen die deze opstanding bevestigen. Zo heeft de Levensvorst Zich aan Petrus oftewel Cefas geopenbaard. Hij is aan de twaalf apostelen verschenen. Daarna heeft Hij Zich bekendgemaakt aan vijfhonderd broeders op eenmaal. Dat zijn vijfhonderd mensen geweest met een beginsel van genade, die door deze verschijning in het allerheiligste geloof zijn gesterkt. En ook heeft de Levensvorst Zich geopenbaard aan een volstrekt ongelovige, tot diens eeuwige behoud.

Daarbij willen wij in deze dienst met de hulp van de Heilige Geest samen nader stilstaan.

U vindt de tekstwoorden die we overdenken in 1 Korinthe 15 vers 7a met deze woorden:

Daarna is Hij gezien van Jakobus.

 

Deze tekst spreekt over de verschijning van de Levensvorst aan Jakobus, de broeder des Heeren. We lezen de tekst uiteraard in het verband van alle andere Schriftgegevens en dat betekent dat deze verschijning ons

 

1. herinnert aan zijn afwijzing van Christus;

2. getuigt van de overwinning door Christus;

3. heen wijst naar zijn leven uit Christus.

 

1. Deze verschijning herinnert aan zijn afwijzing van Christus

Wie is deze Jakobus? De naam komt viermaal voor in het Nieuwe Testament. We weten dat er onder de twaalven een heel bekende apostel is geweest: Jakobus, de broer van Johannes, de zoon van Zebedeüs. In de apostelkring was daarnaast nóg een Jakobus, namelijk Jakobus, de zoon van Alféüs. Verder treffen we in het Nieuwe Testament de vader van de apostel Judas aan, die ook de naam Jakobus draagt. Het zal duidelijk zijn dat in deze tekst onmogelijk een van deze drie mannen bedoeld kan zijn.

De twee eerstgenoemden behoren namelijk tot de directe kring van de discipelen en de Heere Jezus is op de avond van de dag der opstanding reeds aan hen verschenen. Dat lezen we in het vijfde vers: En dat Hij is van Cefas gezien, daarna van de twaalven.

Over Jakobus, de vader van Judas, vermeldt de Bijbel geen enkele nadere bijzonderheid.

 

Maar de vermelding van dit Bijbelwoord aan de gemeente van Korinthe, zomaar, zonder verdere toelichting, maakt duidelijk dat deze Jakobus een algemeen bekende persoonlijkheid moet zijn geweest. Het is niet nodig dat Paulus enige toelichting bij de naam geeft. Hij zegt zonder meer: Daarna is Hij gezien van Jakobus.

Daarom heeft men vanouds gedacht aan Jakobus, de oudste broer volgend op de Heere Jezus. Deze Jakobus neemt in de tijd van de apostel Paulus een heel belangrijke plaats in. Die plaats heeft hij vooral in de joods-christelijke gemeente in Jeruzalem. Als de apostel Paulus na een verblijf van drie jaar in Arabië, waarin hij door de Heere wordt voorbereid op zijn zendingstaak, terugkeert naar Jeruzalem, logeert hij vijftien dagen bij Petrus. In Galaten 1 zegt hij van dit verblijf daar: En zag geen ander van de apostelen dan Jakobus, den broeder des Heeren (Gal.1:19).

 

In Galaten 2 rekent Paulus deze Jakobus tot de pilaren van de gemeente van Christus. Van deze Jakobus, deze broer van de Heere Jezus, is ook de algemene zendbrief die wij achter in het Nieuwe Testament aantreffen.

Jakobus behoort met drie broers Joses, Judas en Simon en enkele zussen tot de kinderen van Jozef en Maria. Rome heeft dat altijd met klem ontkend. Maria zou eenvoudig te heilig zijn om na de geboorte van de Heere Jezus, Gods Zoon, nog een jongen of een meisje voort te brengen. Men zou dan ook min of meer vastlopen met de leer van de onbevlekte ontvangenis van Maria. Je zou voor de vraag komen te staan of de broers en zussen van de Heere Jezus dan óók geen erfzonde zouden bezitten. In het notenmateriaal van elke Rooms-katholieke Bijbelvertaling wordt tot op de dag van vandaag nog altijd het volgende gezegd: ‘De woorden broers en zussen zijn een aanduiding van een verdere graad van familieverwantschap, namelijk die van neven en nichten.’ Zelfs onze Statenvertalers hebben zich op dit punt niet aan de kracht van de in hun dagen nog sterke Middeleeuwse traditie kunnen onttrekken, want ook zij spreken in de kanttekeningen over nichten en neven.

Het zal echter duidelijk zijn dat wij geroepen zijn om te lezen wat er in de Bijbel staat. Wij zijn gebonden aan de letterlijke betekenis van de tekst. En dan is er één ding doorslaggevend: in de Evangeliën ontmoeten we de broers en zussen van de Heere Jezus.

 

Waar ontmoeten wij hen? Wel, altijd in de omgeving van Maria. Kinderen kom je bij hun moeder tegen en niet in de eerste plaats bij een oom of een tante. In het Evangelie ontmoeten we hen in de omgeving van Maria. Er bestaat geen enkele twijfel over dat Maria en Jozef na de geboorte van Christus nog jongens en meisjes hebben ontvangen. Jezus is wél de eerstgeboren Zoon van Maria, maar niet haar eniggeboren Zoon. Wat zegt de Bijbel nu van deze broers van Christus? En daarmee van deze Jakobus? Ik zou uw aandacht dan eerst willen vragen voor het gedeelte dat u vindt in Johannes 7. Lees het thuis maar eens in je Bijbel na, jongelui!

 

In Johannes 7 vinden we de broers van de Heere Jezus rondom Hem. Ze dringen er sterk bij Hem op aan om vanuit Galilea naar Judea te gaan, om Zich daar op het Loofhuttenfeest als Messias bekend te maken. Ze zeggen tegen Hem: Indien Gij deze dingen doet, zo openbaar Uzelven aan de wereld (Joh.7:4). Anders gezegd: als U werkelijk Davids grote Zoon bent, laat dat dan zien. Maar het is het ‘als’ van het ongeloof. Want in datzelfde hoofdstuk wordt in dit verband gezegd: Want ook Zijn broeders geloofden niet in Hem (Joh.7:5).

Er bestond dus wel een familieband tussen de Heere Jezus en die broers en zussen, maar geen gééstelijke band. En dat blijkt ook treffend uit het tweede Bijbelgedeelte waarop ik in dit verband wil wijzen, namelijk Markus 3. We vinden daar een geschiedenis waaruit blijkt dat de Heere Jezus een reeks heerlijke wonderen verricht. Een grote schare mensen omringt Hem en de zorg voor deze mensen in hun nood houdt de Heere Jezus erg bezig. Hij gunt Zichzelf zelfs geen tijd om een maaltijd te gebruiken. De familieleden zijn aanwezig, maar ze verstaan het optreden van de Heere Jezus niet. Ze begrijpen de heerlijke tekenen niet. Ze zien Hem helemaal niet als de Zoon van God, Die Zich in en door deze wonderen als de Beloofde der vaderen, als de Messias, openbaart.

Nee! Ze geloven een of ander gerucht dat onder het publiek de ronde doet: Jezus zou overspannen zijn, zouden wij zeggen, en daarom proberen ze bij Hem te komen en willen ze Hem met geweld dwingen om mee naar huis te gaan. Zó proberen ze de voortgang van het koninkrijk Gods te blokkeren. Jakobus is er ook bij. Hij heeft met de andere broers in ongeloof gezegd: Hij is buiten Zijn zinnen (Mark.3:21). Hij is Zijn verstand kwijt! Hij is wat overspannen!

 

Zo heeft Jakobus, de broeder des Heeren, gedurende de omwandeling van Christus in zijn ongeloof volhard. Het feit dat hij met de Heere Jezus opgegroeid is, Zijn zondeloosheid heeft gezien, Hem heeft horen prediken en Zijn wonderen heeft gadegeslagen, opent zijn ogen niet. En als de Heere Jezus sterft aan het kruis, staat Jakobus nog steeds volstrekt afwijzend tegenover zijn broer als Messias. Blijkt dat niet uit het derde kruiswoord? Daar beveelt de Heere Jezus vanaf het kruis Maria niet aan in de zorg van Jakobus, na Jezus Maria’s oudste zoon. Dat zou voor de hand liggend geweest zijn. De Heere Jezus vertrouwt Maria echter toe aan de zorgen van Johannes, de discipel die Hij liefheeft: Vrouw, zie, uw zoon. … Zie, uw moeder (Joh.19:26,27).

Jakobus zou ongetwijfeld goed voor Maria gezorgd hebben, maar er is geen geestelijke overeenstemming tussen deze moeder en deze zoon. Maar die geestelijke band verbond Johannes wel aan Maria en Maria aan Johannes.

 

Misschien heeft u zich al luisterend verbaasd over het feit dat een man, die zo in de directe omgeving van de Heere Jezus leefde, in zijn ongeloof volhardde. Verbaast u er niet over! Want vlees en bloed heeft u dat niet geopenbaard, maar Mijn Vader, Die in de hemelen is (Matt.16:17).

Hoevelen van u, van jullie die al jaren onder de bediening van het Evangelie verkeren, hebben nog nooit een geloofsgezicht ontvangen op Christus als de Zaligmaker van zondaren? Er is een wonder nodig om op Christus te mogen zien als de Zaligmaker van de wereld. Zonder dat wonder blijven we volharden in ons ongeloof. Wat is ongeloof toch ontzettend! Wat is ongeloof gruwelijk van aard! Wij leven in een geestelijke doodstaat! We zijn ontvangen in zonden en  misdaden. Maar die geestelijke doodstaat is ook een staat van púúr ongeloof. Hoeveel ongelovigen, hoeveel ‘Jakobussen’ zijn er wel niet in de kerk? Hoeveel zijn er onder ons, die zich met deze Jakobus rekenen tot keurige, onberispelijke kerkgangers? Hoeveel zijn er die zichzelf met deze man beschouwen als orthodoxe belijders? Hoeveel ‘Jakobussen’ zijn er hier in de kerk, die leven onder de bediening van het verbond der genade en toch in hun ongeloof volharden?

 

Gemeente, de kwaal van het ongeloof in het leven van een godsdienstig mens is deze: we zeggen dat we zondaar zijn, maar in de praktijk ontkennen we dat ons ongeloof  zonde is. Er is geen verdriet en geen smart over!

Mag ik één praktisch voorbeeld noemen dat ons ongeloof van nature heel duidelijk illustreert? Wat denkt u van de aanbieding van Christus in het Evangelie aan allen die het Woord horen? Velen van u geloven ten diepste niet dat God oprecht is, als Hij het u laat verkondigen: Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere Heere, zo Ik lust heb in de dood van de goddelozen! Maar daarin heb Ik lust, dat de goddeloze zich bekere van zijn weg en leve (Ez.33:11). Velen van u geloven ten diepste niet dat God oprecht is als Hij het u toeroept: Zoekt Mij en leeft (Amos 5:4).

 

Beseffen we dat we God tot leugenaar verklaren, als wij durven zeggen of denken dat dit Woord des Heeren, Hem, de eeuwige God, niet ten volle ernst is? Er is bijna geen grotere belediging in het burgerlijke verkeer van elke dag denkbaar dan een ander, zonder enige grond, voor leugenaar uitmaken. Dat roept terecht ieders verontwaardiging op.

Wat is het dan aangrijpend wanneer wij als nietige mensjes de Allerhoogste, de God der waarheid, in onze onbekeerlijkheid, in onze geestelijke doodsstaat, in ons ongeloof tarten en Zijn Woord in twijfel durven trekken! Waarom doen we dat? Wel, dat doen we, omdat het ongeloof één hoofdtrek in zich heeft: mijn ‘ik’ moet blijven regeren! Alle uren, álle dagen van mijn leven. Mijn ‘ik’ moet regeren en níet de genade van God.

Laten we toch nooit het ongeloof vergoelijken, nóóit een goed woord van het ongeloof spreken! Het ongeloof is de officier van alle zonde. In al onze ongerechtigheid gaat het ongeloof voorop. Het is een zonde die God verdacht houdt in Zijn waarheid, in Zijn liefde, in Zijn trouw en in Zijn macht.

 

Heden ten dage wordt er veel gesproken over de zonde van de homoseksualiteit. Er bestaat geen twijfel over dat de Bijbel overal de homoseksuele praxis veroordeelt: daar is de Schrift zonder meer duidelijk over. Wie het anders leest, degradeert de Heilige Schrift tot een mensenwoord. Het is die zonde, zo zegt de Bijbel ons onder meer, waarmee Sodom de Heere heeft getergd en waarom God Sodom heeft bezocht.

En nu komen we bij de kern van de zaak ten aanzien van het ongeloof: de zonde van de homoseksuele praxis wordt naar het Woord van Christus in graad overtroffen door de zonde van het ongeloof. Als wij in onze onbekeerlijkheid de aanbieding van Christus in het Evangelie blijven verwerpen, zullen we met dubbele slagen worden geslagen. Doch Ik zeg u, dat het den lande van Sodom verdraaglijker zal zijn in de dag des oordeels, dan u (Matt.11:24). Het zal een inwoner van Sodom, die voor Gods gericht, voor de heilige Rechter, verschijnt op de dag der dagen dus verdraaglijker zijn dan een kerkganger die in zijn ongeloof heeft volhard; een kerkganger die zich wellicht niet aan de zonde van de homoseksuele praktijk heeft schuldig gemaakt. Het zal de inwoner van Sodom verdraaglijker zijn.

 

Daarmee geeft de Heere aan hoe ernstig de zonde van het ongeloof is. Het kan best zijn dat u tegen deze Woordbediening steigert. Het kan best zijn dat u zegt: ‘Dominee, stop alstublieft!’ God heeft mij echter gezonden om zonder aanziens des persoons aan ieder het Woord van Zijn majesteit te verkondigen: dat ongeloof zonde is. En dan moge de Heere als de grote Ruiter op het witte paard door onze gemeente heengaan en de pijlen van Zijn overwinning afschieten in het hart van ‘s Konings vijanden!

Het is mijn hartelijke wens en bede dat de pijlen van de Koning door deze prediking uw hart zullen doorboren! Een prediking, waar u misschien tegen opkomt, omdat die u te scherp is; omdat deze prediking u aantast in de kern van uw verzet tegen God.

Het hart van ieder die met deze Jakobus, de broeder des Heeren, blijft volharden in de afwijzing van de Heere Jezus en Zijn Gezalfde, zal doorboord worden! Als Hij komt en u wordt neergeveld, zult u zien dat u niet alleen tegen de geboden Gods hebt gezondigd, maar dat u óók gezondigd hebt tegen het Evangelie. Want dit is Zijn gebod, dat wij geloven in de naam van Zijn Zoon Jezus Christus. (1Joh.3:23).

 

U zegt: ‘Maar kan een zondaar of een zondares, die in ongeloof niet anders gedaan heeft dan jaar na jaar Christus verwerpen, nog behouden worden?’ Ja, gemeente dat kan! Daarom staat de tekst van vandaag in de Schrift: Daarna is Hij gezien van Jakobus.

U zegt: ‘Is er dan redding voor een zondaar of een zondares die het doel waartoe de mens is geschapen, geheel en al heeft gemist? Die God nooit de eer heeft gegeven en op weg is naar de eeuwige ondergang? Is er redding voor zo’n mens mogelijk?’ Ja, gemeente! Daarom heeft Paulus onder de leiding van de Heilige Geest dit korte bericht hier neergeschreven: Daarna is Hij gezien van Jakobus.

De apostel ziet er een bewijs te meer in dat Christus uit de doden is opgestaan. De Heere Jezus is niet alleen verschenen aan Zijn kinderen die in moedeloosheid neerzaten; moedeloos omdat ze de beloften dat Hij uit de doden zou opstaan, uit het oog hadden verloren. Hij heeft zich daarnaast óók aan een volstrekt ongelovige geopenbaard! De Christus der Schriften lééft! Hij maakt Zich bekend en Hij spreekt! Hij verbreekt door Zijn verschijning de kettingen van de geestelijke dood! Hij roept door Zijn verschijning de geestelijk doden tot het leven.

 

Dat brengt ons bij de tweede gedachte.

 

2. Deze verschijning getuigt van de overwinning door Christus

Dit korte tekstwoord vertelt ons dat de Heere Jezus aan Zijn eigen broer naar het vlees is verschenen. Wanneer is dat gebeurd? We laten ons leiden door de volgorde die de apostel Paulus hier aangeeft. In ieder geval is het geweest ná de verschijning van de Heere Jezus aan de vijfhonderd broeders op eenmaal en vóór de hemelvaart. In Handelingen 1 staat namelijk een belangrijk gegeven. Immers, onmiddellijk na de hemelvaart treffen wij de broers van de Heere Jezus in de discipelkring aan en ook zíj volharden, samen met de discipelen, in het bidden en smeken.

De houding van Jakobus, Joses, Judas en Simon tegenover Christus en de Zijnen is na de hemelvaart dus totaal gewijzigd. En onze tekst bevat wellicht het geheim van die verandering: Jakobus heeft niet kunnen zwijgen van het werk van de opgestane Christus die hem overwon. Wij weten niet met zekerheid of de drie andere broers tot bekering zijn gekomen door het getuigenis van Jakobus, omdat de Bijbel erover zwijgt. De Heere is bovendien geheel vrij in de manier waarop Hij met mensen handelt. Maar in elk geval is Jakobus in plaats van een vijand een vriend geworden.

 

Wat een wonder! Een wonder omdat er ook enkele aanwijzingen in de Bijbel staan dat Jakobus, de broeder des Heeren, zich bij de groepering van de Farizeeën had gevoegd. Wat zal deze Jakobus zich daarom tijdens de omwandeling van Christus geërgerd hebben aan de prediking van de Heere Jezus, Die sprak over de vergeving van de zonde door het geloof in Hem. Denk aan Johannes 6: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: die in Mij gelooft, heeft het eeuwige leven (Joh.6:47). Wat zal hij zich aan dit soort uitspraken gestoten hebben! De Farizeeër was er immers op gericht om zelf de hemel te verdienen? Hij zag altijd de weegschaal van zijn verdiensten voor Gods aangezicht. De schaal zou doorslaan naar de rechterkant, omdat hij er in slaagde goede werken op te stapelen. De mens kon een krediet bij God opbouwen en daarom zou hij in het oordeel worden vrijgesproken.

 

Wat zal hij zich gestoten hebben aan de gang van Christus naar het kruis. Toen Christus aan het kruis geslagen was, zal hij misschien wel gezegd hebben: ‘Zie je wel? Ik heb het altijd bij het rechte eind gehad: mijn broer kan nooit de beloofde Messias zijn. Dat bestaat eenvoudig niet! De gehangene is immers voor God een vloek? Alleen trouwe wetsvolbrenging brengt ons de rechtvaardigheid. Wat moet je nou van een mens verwachten? Wat moet je nou van mijn broer verwachten? Nee, wie aan een kruis geslagen is, kan nooit de Messias zijn.’ Zó heeft Jakobus geredeneerd.

 

Gemeente, als we in ons eigen leven zicht hebben gekregen op ons ongeloof, weten we dat ongeloof altijd redeneert. Genade capituleert, maar ongeloof buigt niet: dat redeneert. Maar ... het redeneren van Jakobus hield op toen Christus aan hem verscheen in Zijn macht en heerlijkheid als de Levensvorst. Op dat moment werd deze man in één enkel ogenblik omgezet van de staat van de geestelijke dood naar de staat van het geestelijke leven. Toen is zijn ongeloof verbroken! Toen is zijn hart vernieuwd! Toen werd de Farizeeër  een zondaar en kwam Jakobus tot oprechte bekering.

 

Het heeft de Heilige Geest niet goed gedacht om het onderhoud tussen Christus en Jakobus voor ons te laten beschrijven: over dat gesprek ligt eenzelfde sluier als over de ontmoeting tussen Christus en Petrus.

Spraken twee broers met elkaar? Nee gemeente! Nee! De Middelaar sprak met de zondaar en de zondaar ontving zicht op de Middelaar! Daarna is Hij gezien van Jakobus. Wat een blijde tijding moet dat voor Maria zijn geweest. Haar kinderen stonden eerst immers uiterst vijandig tegenover het Messiasschap van de Heere Jezus, die zij als haar Zaligmaker in haar lofzang had bezongen! Zij was ook niet in staat om het hart van die broers te veranderen, maar de Heere Jezus kon het wel!

Híj kan het alleen en Hij hééft het gedaan. Hij heeft Jakobus opgezocht tussen Zijn opstanding en hemelvaart en zijn vijandschap overwonnen.

 

Gemeente, stel u voor wat dát voor Jakobus geweest moet zijn: een man met het hart van een Farizeeër, een zeer godsdienstig mens, een vijand van genade, een vijand van Christus – werd door Christus opgezocht en overwonnen. Diezelfde Jezus leeft nóg, ouders! Zijn er onder uw kinderen, die een dwaalweg zijn ingeslagen? Deze zelfde Jezus, Die Jakobus overwon, leeft nog! Zijn er onder uw kinderen die geheel van de kerk zijn vervreemd? Deze zelfde Jezus leeft nog! Ontbreekt elk teken van genade bij anderen die trouw meeleven? Bij uw man? Bij uw vrouw? Bij uw kinderen? Denkt u soms dat het hopeloos met hen is? Wanhoop niet! Leg hen in het gebed aan de Heere voor. Deze zelfde Jezus, Die Zich ontfermde over Jakobus, leeft nog! Als Hij Zich aan een onbekeerd mens bekendmaakt en hem tot bekering roept, wordt de Psalm geboren die Jakobus ongetwijfeld heeft aangeheven en die wij ook gaan zingen, namelijk uit Psalm 21 en daarvan het vierde vers.

 

Hij heeft, o God van U begeerd

Het onvergank’lijk leven;

Gij hebt het hem gegeven.

Zo zijn de dagen hem vermeerd;

Zo leeft de Vorst altoos;

Zo leeft hij eindeloos. 

 

Tenslotte, gemeente, staan wij stil bij de derde gedachte.

 

3. Deze verschijning wijst heen naar zijn leven uit Christus

Jakobus heeft de Heere Jezus Christus mogen verheerlijken in zijn leven en in zijn sterven. De Zaligmaker heeft hem bedeeld met wijsheid en heiligende genade. Dat komt treffend openbaar op het apostelconvent in Jeruzalem. In feite gaat het in Handelingen 15 om de beschrijving van de eerste synode. Op die synode dient een uiterst moeilijke zaak: Moet je aan christenen uit de heidenen dezelfde eisen stellen als aan christenen uit de Joden? Anders gezegd: is het echt nodig dat christenen uit de heidenen besneden worden? Moeten ze de spijswetten houden?

Daarover zijn de meningen volstrekt verdeeld. Maar in die synode neemt Jakobus het woord en hij geeft een advies dat én voor de christenen uit de Joden én voor de christenen uit de heidenen volstrekt aanvaardbaar is. Het advies begint met deze woorden: ’Het heeft de Heilige Geest en ons goed gedacht, u geen andere dingen te schrijven, dan deze.’

 

En dan komen er enkele nadere aanwijzingen. Zo zou eigenlijk elke kerkelijke uitspraak moeten beginnen. In die gezindheid zouden de kerkelijke vergaderingen altíjd moeten en kunnen spreken: ‘Het heeft de Heilige Geest en ons goed gedacht.’ Gemeente, we zien hierin, dat Jakobus wordt bediend met de gave van de wijsheid uit de Heere Jezus. Volgens oude geschriften uit de vroeg christelijke kerkgeschiedenis heeft deze Jakobus tijdens zijn optreden in Jeruzalem gedurende vele jaren de bijnaam ‘de rechtvaardige’ ontvangen. Het werd in zijn leven duidelijk dat hij uit de Heere Jezus werd bediend met heiligende genade. Hij verspreidde de reuk van Christus en daarom kreeg hij die bijnaam.

Hij verwierf zich niet alleen de achting van de christenen in zijn gemeente, maar ook van vele Joden. Elke dag droeg hij in de tempel het volk op aan de troon der genade. Daardoor waren zijn knieën vereelt als bij een kameel. Er zal best een legendarische trek aan die laatste vermelding kleven. Duidelijk is wel dat het gedrag van Jakobus in grote lijnen ook wordt ondersteund door mededelingen van de Joodse geschiedschrijver Flavius Josephus.

 

We weten ook dat door zijn prediking velen tot geloof zijn gekomen en dat hij in 66 na Christus door de Farizeeën is gearresteerd. Deze mensen hebben hun vijandschap tegen hem tot uitdrukking gebracht door hem mee te nemen naar de tinnen van de tempelmuur en te zeggen: ‘Kijk, van hieruit kun je het hele tempelplein overzien. Het is volgestroomd met mensen ten tijde van het avondoffer. Spreek ze nu toe en zeg dat ze de oude Joodse inzettingen handhaven en dat ze bij de ceremoniële wetten blijven, zoals Mozes die heeft geleerd. Spreek ze toe!’

En Jakobus hééft ze toegesproken, maar niet zoals de Schriftgeleerden en de Farizeeën dat wilden. Hij is daar op de tinnen van de tempel begonnen om Christus aan de grootste van de zondaren aan te prijzen. En terwijl hij zo preekte, hebben ze hem in hun vijandschap van de tinnen van de tempel naar beneden gestoten. En beneden hebben ze deze man met stokken verder doodgeranseld. In leven én sterven heeft Jakobus zijn Heere mogen verheerlijken!

 

Veel van wat er in het leven van Jakobus gebeurd is, is ons niet meegedeeld. Het heeft de Heilige Geest goed gedacht dat niet te doen. Maar één ding komt duidelijk naar voren: de vruchten van het werk van Christus zijn niet verborgen gebleven. Hoe is dat nu in uw en mijn leven?

 

Als Profeet heeft de Heere Jezus Jakobus uit de Schriften onderwezen dat Hij werkelijk de Middelaar Gods en der mensen was. Wat zal zijn ongeloof hem tot schuld geworden zijn! De Farizeeër, de stipte wetsbetrachter die meende dat hij bij God goede werken kon aanbrengen, kon niet meer voor de Heere bestaan! Door het onderwijs van Christus bij Zijn verschijning is deze man een rechteloos mens geworden, een goddeloze in zichzelf.

 

Gemeente, als God een kerkganger bekeert, een keurige kerkganger, dan hoeft zo iemand helemaal niet in uitbrekende zonde geleefd te hebben om overtuigd te worden van de verdorvenheid van zijn bestaan, opdat hij zich voor de Heere als een goddeloze gaat aanklagen. Daar hoef je écht niet voor in de wereld geleefd te hebben! In de voortgaande ontdekking door de Heilige Geest worden we schuldig gesteld als een mens die voor God in geen één enkel opzicht kan bestaan. Wat zal ook Jakobus zijn schuld hebben thuisgekregen, omdat hij niet in Christus als de Messias had geloofd.

 

Weten wij ook van dat profetisch onderwijs van de Heere Jezus? Is het ons al tot verdriet geworden dat we tegen God gezondigd hebben van onze kinderdagen af? Hebben we gezien dat de Heere ons al vanaf onze jongens- en meisjesjaren met Zijn goedertierenheden heeft omringd? Werden we niet vele jaren lang tot bekering geroepen en hebben we de roepstem van God niet versmaad? Is het ons al tot verdriet geworden dat we Zijn roepen in ongeloof hebben verworpen? Weet de Heere van de ootmoedige belijdenis van die persoonlijke zonden en schuld af?

Dan is er in dat belijden een zoetheid, die de wereld niet kent! Een geestelijke zoetheid. Geen psychologische gevoeligheid, maar een geestelijke zoetheid: ‘k  Bekend’, o Heer’, aan U oprecht mijn zonden; ‘k verborg geen kwaad dat in mij werd gevonden, maar ik beleed, na ernstig overleg mijn boze daan; Gij naamt die gunstig weg!

 

Christus is aan Jakobus ook als Priester verschenen. En als Priester heeft Hij Jakobus betoond dat Hij van de Vader gegeven was om het Lam Gods te zijn. Dat Hij op Golgotha moest sterven en ook wílde sterven om de verzoening van de zonde teweeg te brengen. Dat Hij moest opstaan tot rechtvaardigmaking van al de Zijnen. Wat is deze Christus Jakobus toen dierbaar geworden! Toen heeft hij door een oprecht geloof mogen rusten op de zoen- en kruisverdiensten van de Heere Jezus.

Is dat in uw leven ook reeds zo gegaan? Hebt u ook onderwijs mogen ontvangen van Christus als Priester? Hebt u deze Heere Jezus ook nodig gekregen als uw Borg en Zaligmaker? Heeft Hij Zich zo, midden in de nacht van uw zonden, aan u willen bekend maken? Heeft Hij tot u gesproken door Zijn Woord: Ik ben het Brood des Levens; die tot Mij komt, zal geenszins hongeren, en die in Mij gelooft, zal nimmermeer dorsten (Joh.6:35)?

 

Gemeente, de Heere Jezus is aan Jakobus ten slotte verschenen als Koning. Als Koning heeft Hij hem overwonnen en heeft Hij hem bij de geschonken verlossing bewaard. Daarom noemt Jakobus zich in de aanhef van zijn zendbrief: Een dienstknecht van God en van de Heere Jezus Christus (Jak.1:1).

Dat woordje ‘dienstknecht’ betekent daar  een ‘gewillige slaaf’! Jakobus is door de verschijning van de Heere een gewillige slaaf van God en Jezus Christus geworden. Zoals we gezien hebben, is hij rijkelijk uit de Heere bediend met heiligende genade.

 

Maar... is Hij ook úw Koning geworden? Dat kunnen we weten! We kunnen het weten, gemeente, of God in ons leven werkt; écht waar. De Heere heeft ons Zijn lieve Woord gegeven om daaraan onze gevoelens en werkzaamheden te toetsen. Is Hij uw Koning geworden? Dan begeert u heilig voor Hem te leven! Die begeerte kan door uw afwijkingen wel minder worden en soms kwijnen, maar ze keert télkens weer terug. Is Hij uw Koning geworden? Dan gaat u bij die Koning bedelen om heiligende genade en herkent u zichzelf in het gebed van de psalmist: Leer mij naar Uw wil te hand’len! ‘k Zal dan in Uw waarheid wand’len! Neig mijn hart en voeg het saam tot de vrees van Uwen Naam.

Dat is de erkenning van het koningschap van Christus in ons leven. Leer mij naar Uw wil te handelen! Wil toch mijn zondige lusten en begeerten kruisigen door Uw bediening en wil me vervullen met Uw vreze!

 

U kent het woord van de apostel toch wel dat zonder heiligmaking niemand de Heere zien zal (Hebr.12:14)? Welnu, ís Hij uw Koning geworden? Dan hebt u Christus nodig gekregen tot uw heiligheid en dan hebt u het verstaan: Zonder Mij kunt gij niets doen (Joh.15:5).

Het komt op de persoonlijke beleving van deze zaken aan. We kunnen misschien wel een bekering beredeneren en een stukje werk van de Heilige Geest schematiseren en tot onderwerp van ons gesprek maken, maar het gaat om de bevinding in ons hart. In het uwe en in het mijne. Als die bevinding ontbreekt, zijn we net als iemand die aan leerlingen les moet geven over Zwitserland, maar er nooit geweest is. Hij schetst de Alpen op het bord. Hij tekent hoe hoog ze zijn. Hij geeft de boomgrens aan. Hij vertelt het verhaal wat hij uit een boekje gelezen heeft en hij doet zijn best.

Maar nu komt tijdens die les de inspecteur op bezoek en die is wél in Zwitserland geweest. Al luisterend in de klas beseft die inspecteur in één moment: Dat is een aardige onderwijzer, maar hij is er nooit geweest. Hij heeft de Alpen nooit gezien. De verwondering ontbreekt!

 

En zo kan het ook zijn als we de dingen van het geestelijk leven bespreken. We hebben er geen bevinding van! De verwondering ontbreekt. De beleving ontbreekt. Het komt juist op de beleving aan. Jakobus weet dat: Daarna is Hij gezien van Jakobus. Die man heeft anderen er deelgenoot van gemaakt dat Christus in zijn leven verschenen was. Hij heeft iets mogen zeggen van wat hij heeft ondervonden. Het zal niet veel geweest zijn, maar wel zoveel dat de apostel het wist en het kon opschrijven: Daarna is Hij gezien van Jakobus.

 

De ene mens kan meer uit zijn persoonlijk leven meedelen dan de ander. De een krijgt meer onderwijs dan de ander, maar delen we weleens iets over het onderwijs dat de Heere ons meegeeft? Volgen we het voorbeeld van Jakobus in deze ook na? Mogen we weleens iets van het werk Gods vermelden, zodat anderen jaloers gemaakt worden? Zodat anderen bemoedigd worden of tot nadenken worden aangespoord? Het gaat niet om het vele, maar het gaat om het ware en het beleefde. Kom ..., mag u weleens zeggen dat de Heere u ontmoet is? Volg dan het voorbeeld van Jakobus na! Veel zal hij niet gezegd hebben, maar één ding was voor iedereen duidelijk: hij had Christus ontmoet!

 

Daarna is Hij gezien van Jakobus. Nu zullen er ongetwijfeld jongens en meisjes in de kerk zitten, die denken: Leefde ik ook nog maar in de tijd na de opstanding van de Heere Jezus! Als de Heere Jezus aan mij was verschenen, zou ik ook geloven!

Moet je eens luisteren, jonge mensen. De Heere Jezus verschijnt nu niet meer aan zondaren zoals Hij dat toen deed. Dat hoorde bij Zijn verhoging: Hij is opgevaren ten hemel en zit nu aan Gods rechterhand. Maar tóch spreekt Hij! En tóch maakt Hij Zich bekend! Naar het woord van Calvijn openbaart Hij Zich nog in het gewaad van Zijn Woord! Hebben we Hem zo mogen ontmoeten? Zo verschijnt Hij ook aan jonge mensen, die Hij bekeert! Vraag daarom of je Zijn stem mag horen bij het Bijbellezen, of je Zijn stem mag horen onder de prediking. Als je die stem hoort, is dat niet altijd een stem die allereerst bemoedigt. Veel mensen denken dat. Het is echter een stem die schuldig stelt en uitdrijft tot God en die in die weg vertroost.

Lezen we de Bijbel nog? Komen we weleens op de knieën terecht om licht te vragen? Om de Bijbel te mogen verstaan? De Heere werkt zó middellijk! Als Hij spreekt, wéten we dat! Dan proeven we de zoetheid van Gods getuigenis. Dat heeft Salomo op het oog gehad toen hij zei: Eet honing, mijn zoon, want hij is goed; en honingzeem is zoet voor uw gehemelte (Spr.24:13).

Als God spreekt door Zijn Woord, is Zijn spreken zoet! Zoek de verborgen omgang met de Heere door middel van het Woord: Eet honing mijn zoon!

 

Daarna is Hij gezien van Jakobus.

Gemeente, met dit woord heeft de apostel Paulus de gemeente van Korinthe, die geteisterd werd door dwaalgeesten, bemoedigd. Ook hiermee! De apostel heeft erop gewezen dat Gods kerk een levende Koning heeft. Hij zorgt voor Zijn kerk! En Hij roept al de Zijnen ook nu toe: En Ik geef hun het eeuwige leven; en zij zullen niet verloren gaan  in der eeuwigheid, en niemand zal dezelve uit Mijn hand rukken (Joh.10:28).

 

Kom, volk des Heeren! Hij heeft de gemeente van Korinthe bemoedigd. Paulus was het middel in Gods hand. Hij wil ook ú bemoedigen! De gezegende Christus leeft! Hij zal Zijn werk voor u voleindigen, zoals Hij het werk in Jakobus heeft voleindigd. Roep Hem dan aan als de grote Profeet om door Hem te mogen worden onderwezen met Zijn Woord en Geest. Ga dikwijls tot Hem uit als uw enige Hogepriester, Die Zijn bloed vergoten heeft voor goddelozen zoals u, en Die met Zijn voorbede voor u tussen treedt bij de Vader. Prijs Hem als uw eeuwige Koning, Die u bij de verworven verlossing zal beschutten en bewaren! Val Hem heilig lastig, opdat het in uw leven zal worden vervuld: In Uw licht zien wij het licht (Ps.36:10).

Amen.

 

Slotzang: Psalm 95 vers 4

 

Want Hij is onze God, en wij

Zijn 't volk van Zijne heerschappij,

De schapen, die Zijn hand wil weiden;

Zo gij Zijn stem dan heden hoort,

Gelooft Zijn heil- en troostrijk woord;

Verhardt u niet, maar laat u leiden.