Ds. J. Driessen - Lukas 24 : 25 - 27

Jezus’ zelfopenbaring aan de Emmaüsgangers

Lukas 24
Zijn opzoekende liefde in hun droefheid en gemis
Zijn onderwijs en rijke vertroosting

Lukas 24 : 25 - 27

Lukas 24
25
En Hij zeide tot hen: O onverstandigen en tragen van hart, om te geloven al hetgeen de profeten gesproken hebben!
26
Moest de Christus niet deze dingen lijden, en alzo in Zijn heerlijkheid ingaan?
27
En begonnen hebbende van Mozes en van al de profeten, legde Hij hun uit, in al de Schriften, hetgeen van Hem geschreven was.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 43: 3 en 4
Lezen : Lukas 24: 13-35
Zingen : Psalm 56: 4, 5 en 6
Zingen : Psalm 89: 3 en 6
Zingen : Psalm 72: 6

Gemeente,

 

Na Zijn opstanding uit de doden is de Heere Jezus niet direct ten hemel gevaren. Nog veertig dagen lang heeft Hij Zichzelf levend vertoond aan Zijn discipelen, met vele gewisse kentekenen, en sprekende van de dingen die het Koninkrijk Gods aangaan. Eigenlijk behoorde de Heere Jezus na Zijn opstanding uit de doden niet meer thuis op deze aarde, maar behoorde Hij toe aan de heerlijkheid Die Hij had bij Zijn Vader, eer de wereld was. Maar ook hier geldt wat de evangelist Johannes van Christus getuigt: Alzo Hij de Zijnen, die in de wereld waren, liefgehad had, zo heeft Hij hen liefgehad tot het einde (Joh.13:1).

 

Wat moet Hij, de Zoon van de Vader, verlangd hebben om na het volbrengen van Zijn Middelaarsarbeid, van Zijn zwerftocht in dit Mésech der ellende in hemelse heerlijkheid Thuis te komen. Straks zullen de poorten van de hemel zich dan ook openen. Dan zal Hij als de Koning der ere mogen ingaan in de hemel. Maar eerst toont Hij nog veertig dagen lang Zijn eeuwige Middelaarsliefde aan de Zijnen, om hen er grondig van te overtuigen dat Hij uit de doden opgestaan is en om hun daarvan volkomen zekerheid te geven. Vandaar die hele reeks van verschijningen aan Zijn discipelen, telkens onder andere omstandigheden en aan andere personen.

 

Daarmee heeft de Heere Jezus nóg een bedoeling. Het is een bedoeling met een diepe en rijke betekenis voor heel Zijn Kerk. Gedurende de veertig dagen dat Hij nog op aarde gebleven is, heeft Hij Zijn jongeren ook een blijvend beeld willen geven van de toe-eigenende arbeid, die Hij door Zijn Heilige Geest in de harten van de Zijnen verricht. Hij wil de gaven die Hij door Zijn lijden, sterven en opstanding verworven heeft, ook deelachtig maken. Immers, eerst verwerft Hij voor Zijn kerk de zaligheid door Zijn lijden en sterven en opstanding. Maar we zien daarna ook hoe Hij in Goddelijke ontferming aan Zijn kerk een schat van gaven gaat uitdelen; hoe Hij de weldaden die Hij verdiende, toepast in de harten van zondaren. Wij zien hoe Hij als Profeet onderwijst in Zijn Priesterlijk werk.

 

Dit alles wordt heel duidelijk getekend in de reeks van verschijningen van de Heere Jezus. Hij zoekt Maria Magdalena op, als zij in haar verdriet dreigt om te komen en klaagt: Zij hebben mijn Heere weggenomen, en ik weet niet waar zij Hem gelegd hebben. Hij verschijnt aan Zijn jongeren, als zij in vertwijfeling neerzitten en zegt: Ziet Mijn handen en Mijn voeten, want Ik ben het Zelf (Luk.24:39). Simon Petrus zoekt Hij op in Zijn ontfermende herderstrouw, zodat de discipelen kunnen zeggen: De Heere is waarlijk opgestaan, en is van Simon gezien (Luk.24:34). En straks mag ook Thomas, die een bange week achter de rug heeft, zijn vingers steken in het teken van de nagelen en zijn hand in Zijn zijde leggen. En nog is de Heere Dezelfde. Zo werkt Hij nog in het leven van Zijn kinderen. De verlatene zal Hij opzoeken en de treurende zal Hij oprichten, want Hij is gisteren en heden Dezelfde, en tot in eeuwigheid.

 

Van deze opzoekende en onderwijzende liefde en trouw van de Heere Jezus, is de geschiedenis van de Emmaüsgangers, die ons zojuist gelezen is, een duidelijk voorbeeld. Het is uiteraard niet mogelijk om tekst voor tekst alles uit te diepen, maar we willen samen deze geschiedenis nagaan om te zien welke troost en welk onderwijs de Heere Christus, de levende Koning, ook daarin aan Zijn discipelen wil schenken. We willen zien hoe de opgestane Zaligmaker Zichzelf openbaart en verklaart in de harten van verloren mensen.

 

We overdenken dus de verzen 13 t/m 35 van Lukas 24. Daarvan lees ik nu nog de verzen 25 tot en met 27:

En Hij zeide tot hen: O, onverstandigen en tragen van hart, om te geloven al hetgeen de profeten gesproken hebben!

Moest de Christus niet deze dingen lijden, en alzo in Zijn heerlijkheid ingaan?
En begonnen hebbende van Mozes en van al de profeten, legde Hij hun uit, in al de Schriften, hetgeen van Hem geschreven was."

 

Het thema van de preek is: Jezus’ Zelfopenbaring aan de Emmaüsgangers.

We overdenken twee zaken:

1. Zijn opzoekende liefde in hun droefheid en gemis;

2. Zijn onderwijs en rijke vertroosting.

 

1. Zijn opzoekende liefde in hun droefheid en gemis

De evangelist Lukas verplaatst ons in gedachten naar een stille landweg even buiten Jeruzalem. Het is in de namiddag van de opstandingsdag van Christus. En op die weg treffen we twee wandelaars aan. Waarschijnlijk een tweetal jongeren uit de uitgebreide discipelkring van de Heere Jezus. De naam van de ene wordt hier genoemd: Kléopas. De naam van de ander weten we niet, maar dat doet ook niet zoveel ter zake. Veel belangrijker is dat zijn naam bekend is bij de Heere in de hemel. Het komt er ook voor ons niet op aan of wij een naam hebben die klinkt onder de mensen. Als onze naam maar bekend is bij God in de hemel.

 

Deze beide wandelaars zijn op weg naar hun dorpje Emmaüs. Een gehucht, ongeveer drie uur lopen van Jeruzalem. Ze zijn met elkaar in levendig gesprek, maar het is bepaald geen vrolijk gesprek dat ze voeren. Met bedroefde gezichten volgen ze de weg naar huis. Intussen spreken ze met elkaar over de gebeurtenissen van de laatste dagen. Over de dingen aangaande Jezus de Nazarener, zoals ze straks zullen zeggen tegen de Vreemdeling Die Zich bij hen voegt. Jezus de Nazarener. Die Naam brengt ons al direct in het hart van het gesprek van deze wandelaars. Die Naam brengt ons in het hart van hun droefheid en gemis: Jezus, de Nazarener. O, wat hadden ze Hem lief gekregen, want Hij had tot hen de woorden van het eeuwige leven gesproken. Hun ziel was tot Hem uitgegaan vanwege Zijn spreken.

 

En wij hoopten - zo bekennen ze later - dat Hij was Degene Die Israël verlossen zou. Het is alsof ze bij dit woord ‘hoopten’ hun vroegere omgang met Hem weer inleven. Wat een verwachting was er in hun harten verwekt toen, nog maar acht dagen geleden, de Heere Jezus zittend op het veulen van een ezelin Jeruzalem ingetrokken was. Nu, nu zal dan eindelijk het ogenblik aangebroken zijn, waarop Hij Zich tot Koning over Israël zal laten uitroepen om de Romeinen te verdrijven! De dagen zijn voorbijgegaan, maar ze hebben niet gebracht wat deze mannen verwachtten. Integendeel. Als een misdadiger is hun Meester gegrepen. In een spotkleed gehuld en met een doornenkroon op Zijn Hoofd is Hij door de straten van Jeruzalem gevoerd. En later hing Hij als een gevloekte aan het kruishout op Golgotha. Daaraan is Hij gestorven. Vriendenhanden hebben Hem van het kruishout afgenomen en begraven in de hof van Jozef van Arimathéa.

 

O, vlijmscherp moet de hoon van de satan door de ziel van deze mannen gesneden zijn. Kijk, kijk, dat was nu jullie Koning, Die van Israëls God was gegeven! Alles is afgebroken. Heel hun leven is een onherstelbare puinhoop geworden. Alles is verloren voor hen, nu Jezus in het graf gelegd is. O, als ze behoord hadden tot de grote schare in Jeruzalem die dacht zalig te kunnen worden door de werken van de wet, dan zouden ze niet zo moedeloos geweest zijn.  Maar door Gods genade konden ze geen vrede meer vinden in wat de farizeeën en Schriftgeleerden hen aanprezen als de enige weg tot de zaligheid. Ze hebben geleerd dat ze met hun werken de toegang tot het paradijs in eeuwigheid niet konden openen. Ze hadden in die nood de woorden van de Heere Jezus ingedronken als levend water, toen Hij tot hen sprak van de genade en vrede die er bij God is voor ieder die in Hem gelooft.

Dit alles was als een balsem voor hun ziel geweest. Had Hij Zich niet het Brood des Levens genoemd en was Hij niet werkelijk het Manna dat uit de hemel neergedaald was? O, nu pas, nu Hij er niet meer is, nu Hij gestorven is, nu beseffen ze pas goed wat ze in Hem hadden bezeten. Zou er ooit wel iets waar geweest zijn van hun vroegere omgang met Hem? Zou het uiteindelijk niet allemaal verbeelding geweest zijn? Zou het geen droom geweest zijn?

 

En wij hoopten, dat Hij was Degene, Die Israël verlossen zou. Wij hoopten. We zouden dus kunnen zeggen dat ze nu níet meer hopen. Maar we zouden ook kunnen zeggen dat ze toch niet los zijn van die hoop. Eigenlijk kunnen we het alle twee wel uit hun woorden aflezen. En zo zal het ook wel zijn. Ze worden geslingerd tussen hoop en vrees, tussen geloven en niet geloven. Hun geliefde Meester is weg, gestorven, begraven. En toch, toch is hun hart vol van Hem, want Hij is toch hun Leven geworden? En de liefde tot Hem - ook al denken ze dat het een verloren zaak is - de liefde tot Hem brandt in hun harten als een vuur. Hun schoonste verwachtingen zijn met de Heere Jezus in het graf gegaan.

 

En nu lopen ze daar moedeloos naar hun dorpje Emmaüs, naar hun woning zonder Thuis. Het is immers wáár dat iemand die buiten Jezus niet kan rusten, die buiten Jezus niet meer leven kan, nergens rust kan vinden voor zijn ziel? Zo wandelen ze verder, elkaar ondervragend. Als de één zegt: "Maar joh, zou het toch niet waar zijn wat die vrouwen gezegd hebben dat Hij leeft?", dan zegt de ander: "Laten we toch voorzichtig zijn. En laten we onszelf niet bedriegen." En zo praten ze maar door. Komt er bij de één een vonkje hoop, dan blust de ander dat weer uit door zijn twijfel.

 

In dát gesprek voegt de opgestane Christus Zich bij hen. Zo zoekt Hij hen op. Zonder dat ze het merken, wandelt er ineens een Derde naast hen. En het geschiedde, terwijl zij samen spraken, en elkander ondervraagden, dat Jezus Zelf bij hen kwam, en met hen ging. We ontmoeten hier een zoekende Christus. Als de Getrouwe, als de liefdevolle Herder zoekt Hij die treurende discipelen op en voegt Zich bij hen. Onverwachts komt Hij naar hen toe, als ze bedroefd bezig zijn met de dingen aangaande Jezus de Nazarener.

 

Hoe is dat bij ons vandaag? Waarmee zijn onze harten gevuld? Waarover gaan onze gesprekken? Vaders en moeders, spreekt u met uw kinderen over de wonderen van de Heere? Meisjes en jongens, waar zijn jullie harten vandaag vol van? Zijn we bezig met de dingen van Jezus de Nazarener, zoals deze Emmaüsgangers? Is ons hart brandende om de Heere te ontmoeten? Van de Emmaüsgangers lezen we: En zij spraken samen onder elkander van al deze dingen, die er gebeurd waren.

Helaas moeten we zeggen, dat dat onder ons geen dagelijks werk is. Mensen, ook kerkgaande mensen, spreken in de regel niet met elkaar over de Koning en de zaken van Zijn Koninkrijk. En evenmin overdenken ze die. Misschien zegt u: Ja, maar toen was het iets heel bijzonders. Is het dat dan nú niet? Is het niet iets heel bijzonders dat wij hier vandaag in vrede en vrijheid mogen overdenken dat Jezus Christus uit de doden is opgestaan? Is het niet iets heel bijzonders, dat de Heere - in onderscheid met miljoenen anderen in deze wereld - in het gewaad van Zijn Woord met uitgebreide armen voor ons staat en zegt: Wendt u naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde! Want Ik ben God, en niemand meer (Jes.45:22)? Is het niet heel bijzonder dat Hij uit het graf verrezen is, dat Hij de dood en de hel overwonnen heeft om zondaren, om ook u te zoeken en zalig te maken?

O, als Hij voor U nog nooit de zoekende Christus was, vraagt u zich dan eens af of u wel ooit op de weg naar Emmaüs was. Met andere woorden: vraagt u zich eens af of de nood van uw leven, de nood van uw ziel, voor u wel ooit gewogen heeft.  Wij kunnen dikwijls maar zo dóórleven. 's Zondags gaan we trouw naar de kerk, maar zonder het verlangen om de levende Zaligmaker te ontmoeten. Er wordt soms geklaagd dat wij in zo'n donkere tijd leven. Er wordt geklaagd over het gemis van Gods nabijheid, over het gemis van Zijn gemeenschap. Maar het is de vraag: bent u biddend bezig met de middelen van Zijn genade? Bent u op weg naar Emmaüs met een bedroefd en een verlangend hart naar het Brood des levens?

 

We weten dat de Heere ook kan komen in harten die helemaal voor Hem gesloten zijn. Hij kan komen tot mensen die naar Hem níet zoeken of vragen. Zie dat bij de Samaritaanse vrouw bij de Jakobsbron. Zie dat bij Saulus van Tarsen, toen hij dreiging en moord blies en op weg was naar Damascus om de gemeente van de Heere te vervolgen.

Maar de Heere wijst ons de weg waarin Hij Zich meestal laat vinden. Het is dan niet vanwege ons bidden, niet vanwege ons zoeken, niet vanwege ons overdenken, niet omdat wij bedroefd zijn. Nee, niets van ons komt in aanmerking. Het is alles uit Hem. Onze Catechismus zegt met grote nadruk dat God Zijn Heilige Geest alleen aan diegenen geven wil, die Hem met hartelijke zuchten zonder ophouden daarom bidden en daarvoor danken (H.C. antw. 116). Zacheüs trok met zijn klimmen in de boom de Heere Jezus niet naar zich toe, maar hij zette zich wel neer aan de weg waar de Heere Jezus voorbijging. En daar werd hij door de Zaligmaker gevonden.

Hoe menigmaal is deze weg naar Emmaüs, deze weg van vervuld zijn aangaande Jezus de Nazarener, voor Gods kinderen de weg gebleken waarin Hij Zijn gemeenschap deed smaken. Want daar, waar Hij het Middelpunt is van hun spreken en hun verlangen, daar wil Hij ook bevestigen: Waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn Naam, daar ben Ik in het midden van hen (Matth.18:20).

Ja, waar zij met elkaar samen kwamen om te spreken vanuit hun gemis, vanuit hun verlangen naar Hem, geschiedde het dat Jezus Zelf bij hen kwam, en met hen ging.

 

Misschien zijn er nu onder ons die zich terugvinden in deze Emmaüsgangers. Die ook zo bedroefd, zo ontmoedigd naar de kerk gekomen zijn en zeggen: Wij hoopten dat Hij was Degene, Die verlossen zou. Vroeger gebeurden er zulke wonderlijke, heerlijke dingen in mijn leven. Ik heb toen Zijn Woord opgegeten en vaak mocht ik wonderlijk vertroost uit de kerk naar huis gaan. Zo vaak mocht ik dicht bij de Heere leven, soms dagen- en wekenlang. Ik mocht Zijn gemeenschap ervaren. Ik heb weleens mogen zeggen: En al wat aan Hem is, is gans begeerlijk (Hoogl.5:16). Het was praktijk in mijn hart: Wien heb ik nevens U in de hemel? Nevens u lust mij ook niets op de aarde (Ps.73:25). Het was alsof ik mijn zonden kwijt was. Er was in mijn hart zo'n stille vrede, een vrede die alle verstand te boven gaat. Maar nu? Nu is Hij geweken en al mijn hoop is vergaan. Het zal allemaal wel van mezelf geweest zijn. Ik zal me wel bedrogen hebben. Allemaal inbeelding.

Wat geeft dat een strijd in onze harten. Wat geeft dat een strijd in het leven van hen die zich afvragen: Zou er eigenlijk ooit wel iets van God zijn bij geweest in mijn hart? Als het van de Heere was, zou het nu toch niet zo donker zijn? Dan verstaan juist zulke mensen de Emmaüsgangers: En wij hoopten, dat Hij was Degene, Die Israël verlossen zou. Ze zijn armer dan ooit daarvoor. Toch, de Heere vergeet de nood en het geroep van de ellendigen niet. Hij roept u ook nu toe door Zijn Woord: Gij, die God zoekt in al uw zielsverdriet, houdt aan, grijpt moed, uw hart zal vrolijk leven. Hij is misschien al onderweg om u te bezoeken. Zo Hij vertoeft, verbeid Hem, want Hij zal gewisselijk komen, Hij zal niet achterblijven (Hab.2:3). Want, zo lezen we: En het geschiedde, terwijl zij samen spraken, en elkander ondervraagden, dat Jezus Zelf bij hen kwam, en met hen ging. Daarop letten wij in de tweede gedachte.

 

2. Zijn onderwijs en rijke vertroosting

Kleopas en zijn medebroeder hebben de Wandelaar Die zich overeenkomstig de oosterse gastvrijheid bij hen voegt, niet herkend. Nadrukkelijk zegt Lukas dat de Heere hun ogen gesloten hield: En hun ogen werden gehouden, dat zij Hem niet kenden. Waarom deed de Heere dat toch? Het zou toch heerlijk geweest zijn als Hij Zich onmiddellijk had geopenbaard in hun gemis en twijfel?

Nee, zo is de weg van de Heere niet. Hij gaat hen eerst onderwijzen vanuit het Woord, vanuit de Schriften die van Hem getuigen. Zo maakt Hij als Profeet plaats voor Zijn priesterlijke bediening. Wat handelt de Heere wijs met Zijn kinderen. Van nu aan gaat Hij Zich aan hun lichamelijk oog onttrekken. Straks, na Zijn hemelvaart, zullen ze het helemaal zonder Zijn uiterlijke verschijning moeten doen. Dan zullen ze alleen het Woord dat Hij sprak, overhouden. In de tijd tussen Zijn opstanding en hemelvaart wil Hij hen losmaken van die uiterlijke verschijning. Hij wil Zijn discipelen leren om aan het Woord alléén genoeg te hebben. En daarom - juist nu - houdt Hij met opzet hun ogen gesloten voor het één, opdat ze voor het andere zullen opengaan.

 

Vriendelijk vraagt deze Onbekende wat toch wel het onderwerp is van hun gesprek en waarom ze toch zo droevig zien. Kléopas neemt dan het woord: Zijt Gij alleen een vreemdeling te Jeruzalem, en weet niet de dingen, die deze dagen daarin geschied zijn? Niet zonder verbazing spreekt hij die vraag uit. Deze Israëliet, die toch ook uit Jeruzalem komt, weet schijnbaar niets af van de dingen die daar de laatste dagen zijn gebeurd. Het zijn voor hen zulke bange, benauwde dagen geweest. De Meester is gestorven. Ze hebben Hem in een graf gelegd en een steen voor de deur van het graf gerold. Het zegel van de stadhouder kwam erop te staan. Er stond een wacht, een Romeinse wacht bij het graf. Het is allemaal een bange droom voor hen.

Nee, het is geen droom, het is werkelijkheid. Het is droeve werkelijkheid! Zij zijn geen vreemdelingen in Jeruzalem en ze kunnen dan ook eigenlijk niet begrijpen dat er iemand is, die zulke vragen stellen kan. Ze menen dat toch ieder wel moet weten waarover ze met elkaar spreken. Waar zouden ze het anders over hebben, dan over de dingen waar hun harten vol van zijn? En zij zeiden tot Hem: De dingen aangaande Jezus de Nazaréner, Welke een Profeet was, krachtig in werken en woorden, voor God en al het volk. En hoe onze overpriesters en oversten Denzelven overgeleverd hebben tot het oordeel des doods, en Hem gekruisigd hebben. En werkelijk, gemeente, dan gaan ze de Heere Jezus vertellen wat Hij Zelf allemaal beleefd en gedaan heeft. En als ze aan het eind van hun verhaal zijn gekomen, vatten ze het nog een keer samen. En ze zeggen: En wij hoopten, dat Hij was Degene, Die Israël verlossen zou

 

De Heere laat hun al hun smart, al hun droefheid uitzeggen. Maar dan neemt Hij het woord en gaat hen onderwijzen: O, onverstandigen en tragen van hart, om te geloven al hetgeen de profeten gesproken hebben! Moest de Christus niet deze dingen lijden, en alzo in Zijn heerlijkheid ingaan?

Wij zouden eerder een woord van medelijden verwacht hebben en van medeleven met deze terneergebogen zielen. Maar nee, de Heere Jezus weet dat ze met hun verstand het mysterie van Zijn dood willen oplossen en dat ze niet gelet hebben op het getuigenis van de Schriften. Daarom noemt Hij hen onverstandigen en tragen van hart, om te geloven al hetgeen de profeten gesproken hebben. Daar ligt dus de diepste oorzaak van hun droefheid, namelijk dat zij de Christus niet verstonden. Zij waren blind voor de noodzaak van Zijn lijden en sterven. Daarom is dit het onderwijs uit het Woord dat deze Emmaüsgangers nodig hebben. En begonnen hebbende van Mozes en van al de profeten, legde Hij hun uit, in al de Schriften, hetgeen van Hem geschreven was. Daarin wijst de Heere niet alleen de Emmaüsgangers, maar ook heel Zijn kerk de weg. Ook nu Hij verhoogd is aan de rechterhand van Zijn Vader, is Hij nog altijd de hoogste Profeet en Leraar, Die ons de verborgen raad en wil van God aangaande onze verlossing openbaart.

 

Hij onderwijst altijd door Zijn Woord, door Mozes en de profeten. Wat wil dat zeggen: Mozes en de profeten? Wat heeft Mozes geleerd? Wat hebben de profeten geleerd? Dat gaat de Heere Jezus hier duidelijk maken. Hij gaat als de grote Profeet en Leraar het heiligdom van de profetie ontsluiten. Begonnen hebbende van Mozes en van al de profeten. Mozes, die geprofeteerd had dat God eenmaal een Profeet zou zenden, als hijzelf. Was niet het hele leven van Mozes één groot lijden geweest om de zonde van zijn volk? Was het dan niet vanzelfsprekend dat die andere Profeet van Wie hij profeteerde - groter dan Mozes - als de beloofde Messias óók door lijden tot heerlijkheid moest gaan? En hadden David en Jesaja en Jeremia en al de profeten niet geprofeteerd dat de Messias, de Knecht des Heeren, als een Lam ter slachting zou worden geleid, en dat Hij dán pas heerlijkheid zou verkrijgen?

Ja, al deze dingen moest de Christus lijden. Al deze dingen - dat is de boordevolle lijdensbeker van smart en leed, van vloek en dood. Die heeft Hij moeten drinken tot de laatste druppel. De beker die gevuld was met Goddelijke verontwaardiging over al de zonden van Zijn kerk, heeft Christus zó diep moeten ledigen dat er voor Zijn kerk geen druppel van Gods toorn meer in is. Zo zullen vloekwaardige zondaren door Zijn werk het eeuwige leven ontvangen.

O onverstandigen en tragen van hart, om te geloven al hetgeen de profeten gesproken hebben! Moest de Christus niet deze dingen lijden en alzo in Zijn heerlijkheid ingaan? En begonnen hebbende van Mozes en van al de profeten, legde Hij hen uit, in al de Schriften, hetgeen van Hem geschreven was.

 

Wat een heerlijk onderwijs geeft Christus aan deze Emmaüsgangers. Die les ligt er ook voor ons in. Maar er is nóg een les in dit onderwijs, namelijk deze: wij zoeken zo graag naar iets bijzonders, naar een bijzondere leiding of naar een bijzondere weg van de Heere met Zijn volk. Dan denken we: Als ik dit of dat nu eens meemaakte, zou ik wel van mijn twijfels verlost zijn. Deze Emmaüsgangers kregen echter niets bijzonders. Zij kregen het Woord van God, de Christus der Schriften. Dat is op zichzelf al bijzonder genoeg.

 

Wat zouden ze graag een lichamelijke Jezus gehad hebben, maar straks komt Hij weg uit hun gezicht; en dan zouden ze daar weer even hopeloos hebben gestaan. Door het onderwijs uit de Schriften geeft Christus hun echter een geopend oog en een verlicht verstand, zoals David dat zegt: Uw Woord is een lamp voor mijn voet, en een Licht voor mijn pad (Ps.119:105). Uit dat Woord van God vloeit dan ook de werkelijke troost voor de kerk des Heeren, die hen doet zeggen: Heere, gedenk aan het woord, gesproken tot uw knecht, waarop gij mij verwachting hebt gegeven. Dan kan het in alle duisternis en twijfel toch zijn: Al ‘t geen Uw mond aan mij had toegezegd, gaf aan mijn hart vertroosting, Geest en leven.

 

De Heere Jezus geeft aan Zijn discipelen niet alleen onderwijs, maar ook een rijke troost. Want wat gebeurt er aan het einde van de dag, toen ze Hem gedwongen hadden om bij hen te blijven? Als ze samen rond de tafel geschoven zijn, neemt Hij het brood en zegent het. Hij breekt het. Dan lezen we in vers 31: En hun ogen werden geopend, en zij kenden Hem.

Dat is de rijke Paasvertroosting, waarmee Hij hen verkwikt. Hij ontdekt Zichzelf aan hen, in het breken van het brood. Zonder Hem was hun leven zonder hoop en verwachting. Maar mét Hem ontvangen ze het werkelijke leven terug: Want Ik leef, en gij zult leven (Joh.14:19).

Dat geldt voor alle ware Emmaüsgangers. Dat geldt voor allen die de troost voor hun ziel gevonden hebben in de Zelfopenbaring van Jezus aan hun hart. Zie het aan Maria Magdalena. Zie het aan de vrouwen. Zie het aan Simon Petrus. Dat is de ware Paastroost voor de kerk van alle eeuwen: de Heere is waarlijk opgestaan. O, wonder van genade - nu is Hij ook van mij gezien! Nu heeft Hij Zich ook aan míj geopenbaard, die het niet waardig ben en niet anders dan de eeuwige dood verdiend heb.

Let erop dat de ogen van de Emmaüsgangers niet geopend worden op een willekeurig punt van de weg, maar dat ze pas worden geopend als de Heere Jezus hun Zijn onderwijs heeft gegeven. Wat zien we hier nogmaals duidelijk dat de Heere als Profeet plaats maakt voor Zijn Priesterlijk werk. En begonnen hebbende van Mozes en van al de profeten, legde Hij hun uit, in al de Schriften, hetgeen van Hem geschreven was. Hij legde hun uit hoe Hij een vloek wilde worden voor vloekwaardige zondaren, opdat die zouden belijden: Heere, ik heb door mijn zonden Uw kroon gevlochten, en door mijn schuld Uw beker gevuld.

 

Het is een onvergetelijk ogenblik geworden voor deze Emmaüsgangers, toen Jezus het brood brak, het zegende en het hun gaf. Toen werden hun ogen geopend en mochten zij blikken in Zijn doorboorde Middelaarshanden. Zij mochten in Hem het Lam van God aanschouwen als hun Borg, als hun Zaligmaker. Toen hebben zij de diepe inhoud verstaan van wat Hij gesproken had bij het Avondmaal: Dat is Mijn lichaam, hetwelk voor u gegeven wordt (Luk.22:19)

 

En Hij kwam weg uit hun gezicht. Plotseling is de Heere Jezus weer verdwenen. De Bijbel zegt ons niet op welke manier Hij is weggegaan. De Emmaüsgangers zien Hem niet meer; en toch, toch zien ze niemand dan Jezus alleen. Dat is immers de zalige vrucht van de openbaring van Jezus aan onze ziel! Toen Hij Zich wilde openbaren aan uw hart, toen er bij u geen enkele hoop en verwachting overbleef, toen Hij Zich ging verklaren aan uw ziel in Zijn beminnelijkheid, in Zijn gepastheid, in Zijn dierbaarheid en noodzakelijkheid, als het Lam van God dat Zich gewillig gegeven heeft tot in de vloekdood van het kruis - hebt u toen ook niet met de bruid uit het Hooglied gezegd: En al wat aan Hem is, is gans begeerlijk. Zulk een is mijn Liefste; ja, zulk een is mijn Vriend, gij dochters van Jeruzalem (Hoogl.5:16)? De bruid doet een poging om de heerlijkheid van haar Bruidegom te beschrijven. Maar er is zoveel, zo ontzaglijk veel aan Hem dat begeerlijk en schoon is, dat ze dat alles samenvat en uitroept: En al wat aan Hem is, is gans begeerlijk. Zulk een is mijn Liefste; ja, zulk een is mijn Vriend, gij dochters van Jeruzalem (Hoogl.5:16)   

 

Misschien zijn er onder ons voor wie de weg naar Emmaüs geen onbekende weg is, maar die nu hun levensweg gaan met een bedroefd en bezwaard hart, en verlangen: Dat ik Hem mocht kennen! Dat ik Hem mocht ontmoeten, Die mijn ziel liefheeft. Dat ik van Hem de woorden des levens mag horen.

Wel, als het zó in uw hart ligt, houd u dan maar aan die weg. Leg hem biddend af, bedelend om het onderwijs van Zijn Heilige Geest. Dit is de enige weg tot de enige troost in leven en in sterven. Wie zoekt, die vindt. Wie klopt, die zal opengedaan worden. U zult het ondervinden op Gods tijd. En hun ogen werden geopend, en zij kenden Hem.

 

Misschien zijn er die Hem mochten omhelzen door het geloof, maar die nu zeggen: Hij kwam weg uit mijn gezicht. Het is weer allemaal zo donker in mijn hart. En ik gevoel het innerlijk verderf van de zonde zo diep in mijn hart… Kijk dan eens naar deze Emmaüsgangers! De Heere liet iets achter: ze ontvingen het brood uit Zijn handen, vóórdat Hij wegkwam uit hun gezicht. Wat blijkt daaruit de liefde en de wijsheid van de Heere, om dat eerst te doen. Wat een liefde en wijsheid om hun eerst dat brood te geven, want anders zouden ze misschien weer aan het twijfelen zijn gegaan of het niet allemaal een droom was.

Maar toen de Heere Jezus wegkwam uit hun gezicht, stonden ze met het brood in hun handen, uitgereikt door de Levensvorst, als een onderpand van Zijn liefde en trouw. Daarom, als u moet klagen: Hij kwam weg uit mijn gezicht - kijk dan eens terug in uw leven! Zijn daar ook niet de blijken van Zijn liefde en trouw? Als u terugdenkt aan die ogenblikken, aan de omstandigheden waarin Hij tot uw ziel wilde spreken, moet u dan niet zeggen: Geen leed zal dat ooit uit mijn geheugen wissen?

Welnu dan, Jezus Christus is gisteren en heden Dezelfde en in der eeuwigheid (Hebr.13:8). Hij laat het u op deze Paasdag horen: Hetgeen uit Mijn lippen ging, blijft vast en onverbroken. Hij zal u niet begeven, Hij zal u niet verlaten. De Heere is waarlijk opgestaan en leeft als de eeuwige Hogepriester, Die nooit laat varen de werken van Zijn handen.

 

Het is zo nodig om op Zijn school onderwezen te worden en steeds weer met al het onze in de dood te komen, opdat wij als onwaardigen, als schuldige zondaren leren leven uit het wonder dat God in Zijn welbehagen omziet naar verloren mensen. Hij raapt hen op uit de modder van de zonde, van het vlakke des velds en wil hen bij vernieuwing het aangezicht van Zijn Zoon, van de levende Koning openbaren.

Daarvan zingen wij uit Psalm 89: 3 en 6.

 

De hemel looft, o Heer', Uw wond ’ren dag en nacht,

Uw waarheid wordt op aard' de glorie toegebracht;

Daar Uw geheiligd volk van Uwe trouw mag zingen;

Want wie is U gelijk bij al de hemelingen?

En, welke vorsten ooit het aardrijk moog' bevatten,

Wie hunner is, o Heer', met U gelijk te schatten?

 

Gij schiept het barre noord' en 't zoele zuiden saam;

Ginds juicht een Thabor, hier een Hermon in Uw Naam.

Gij hebt een arm met macht, Uw hand heeft groot vermogen,

Uw Rechterhand is hoog; Uw troon blijft onbewogen,

Van recht en van gericht zijn vasten steun ontlenen;

En waarheid en gena gaan voor Uw aanschijn henen.

 

De Heere is waarlijk opgestaan. Dat is de boodschap vandaag. Ons is verkondigd dat al de machten van de dood en de hel overwonnen zijn. Wat heeft het ons te zeggen gehad?  Is ook óns hart brandend om Hem te ontmoeten? Of laat de boodschap van de levende Koning ons eigenlijk onberoerd? Als dat laatste het geval is, bent u níet op de weg naar Emmaüs, waar Jezus Zich laat vinden. En als de Levensvorst Zelf u onverschillig is, dan wandelt u op een weg die uitloopt op een troosteloos einde, de buitenste duisternis.

 

Jezus legde de Emmaüsgangers de Schriften uit. Op bijna elke bladzijde is van Hem geschreven. Maar, gemeente, op bijna elke bladzijde van de Schrift is ook van óns geschreven. Daar is geschreven van onze nameloze verlorenheid, van onze zonde, van onze ongerechtigheden, van de toorn van God daarover. Maar daar is ook geschreven van de dringende nodiging van de Heere tot verloren mensen: Bekeert u, bekeert u van uw boze wegen, want waarom zoudt gij sterven? (Ezech.33:11) Zo groot kunnen uw zonden niet zijn, of er is vergeving mogelijk. Als u in uw bittere vijandschap tegen het evangelie van Gods genade als het ware de nagels gedreven hebt door de handen van de Zaligmaker - er is vergeving voor! Als u door grove of grote zonden Zijn kroon hebt gevlochten en Zijn beker gevuld - er is nochtans genade!

Jezus leeft, en dat wil zeggen dat de grootste van de zondaren zalig kan worden. Met het oog daarop mocht Paulus verkondigen: Zo zijn wij dan gezanten van Christus' wege, alsof God door ons bade; wij bidden u van Christus wege: laat u met God verzoenen. Want Dien, Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem (2 Kor.5:20,21). 

 

Wilt u het werkelijke leven? Wel, hier ligt een hele Bijbel voor u, die u verkondigt dat Jezus dood en graf overwon. Al de Schriften zeggen dat er bij Hem ruimte is om zalig te worden. Al de Schriften zeggen dat er bij Hem genade is voor de grootste van de zondaren. Al de Schriften zeggen dat u niet verloren hoeft te gaan.

O, zoek Hem dan toch op de weg naar Emmaüs. Dat wil zeggen: zoek de Heere in Zijn Woord, zoek de Heere in het verborgene, zoek Hem op uw knieën, bedelend om Zijn genade. Want het is nú de dag van zalig worden. Jezus laat Zich heden vinden, maar het is wel nabij de avond en de dag is gedaald. Als we zien op alles wat er in deze wereld gebeurt,  kan het niet zo lang meer duren of Hij komt terug op de wolken des hemels. De toekomst van de Heere genaakt. Maar in het heden der genade staat Hij wenend aan de deur van ouderen en jongeren en zegt Hij: Mijn zoon, mijn dochter, geef Mij uw hart.

 

En u, die door genade hebt leren gaan op deze weg naar Emmaüs, op de weg naar het nieuwe Jeruzalem - als in uw leven de dag gedaald is, als het nabij de avond is, dan zal ook uw droefheid, uw strijd, uw zonde voorbij zijn. U zult ingaan in de vreugde uws Heeren. Dan, aan het einde van de weg - misschien een moeilijke weg, misschien een weg die u hebt moeten gaan met een doorn in het vlees - dan zal Hij Zich voor altijd aan u openbaren. Uw ogen zullen geopend worden om de Koning in Zijn schoonheid te zien en Hij zal nooit meer uit uw gezicht wegkomen. Uw blijdschap zal dan onbepaald, door het licht dat van Zijn aanzicht straalt, ten hoogsten toppunt stijgen. Nu zegt u nog: Blijf met ons; want het is bij den avond, en de dag is gedaald. Maar daar zal geen nacht meer zijn, in het avondmaal van de Bruiloft van het Lam. Daar zult u zeggen: Wij zullen Uw uitnemende liefde vermelden (Hoogl.1:4).

 

Zo sluiten we de preek af, gemeente, ziende op de Levensvorst, ziende op Hem Die het leven en de onverderfelijkheid aan het licht heeft gebracht. Ziende op hem in Wie een volheid van genade is voor de grootste van de zondaren. Ziende op Hem moet ik u zeggen dat ik niet voor de helft, nog niet voor een duizendste zeggen kan Wie Jezus is, en Wie Jezus wil zijn voor de grootste van de zondaren.

Dat voor u de vrucht van deze Paasdag zal mogen zijn: de Heere is waarlijk opgestaan, en Hij is ook door mij gezien.

Amen.

 

Zingen: Psalm 72: 6

 

Ja, elk der vorsten zal zich buigen

En vallen voor Hem neer;

Al 't heidendom Zijn lof getuigen,

Dienstvaardig tot Zijn eer.

't Behoeftig volk, in hunne noden,

In hun ellend' en pijn,

Gans hulpeloos tot Hem gevloden,

Zal Hij ten redder zijn.