Ds. D. Rietdijk - Mattheüs 27 : 47 - 50

Het offer is gebracht

Elia is onmachtig te verlossen
De edikteug is onnodig
Een noodzakelijk sterven
Deze preek overgenomen uit het boek: “Uw ogen zullen de Koning zien”. Uitgegeven door J.J. Groen en Zoon – Leiden 1994. De preek is hertaald en verkort
Het boek is samengesteld naar aanleiding van het overlijden van Ds. D. Rietdijk op 4 nov. 1993
 

MattheĆ¼s 27 : 47 - 50

Mattheüs 27
47
En sommigen van die daar stonden, zulks horende, zeiden: Deze roept Elias.
48
En terstond een van hen toe lopende, nam een spons, en die met edik gevuld hebbende, stak ze op een rietstok, en gaf Hem te drinken.
49
Doch de anderen zeiden: Houd op, laat ons zien, of Elias komt, om Hem te verlossen.
50
En Jezus, wederom met een grote stem roepende, gaf den geest.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 22: 1 en 4
Lezen : Mattheüs 27: 45-60
Zingen : Psalm 109: 15, 16, 17
Zingen : Psalm 55: 1
Zingen : Psalm 16:5

Gemeente, we overdenken het Woord van God, zoals u dat vinden kunt in Mattheüs 27 vers 27 tot en met 50. We lezen daar de volgende woorden:

 

47. En sommigen van die daar stonden, zulks horende, zeiden: Deze roept Elia. 48.  En terstond een van hen toelopende, nam een spons, en die met edik gevuld hebbende, stak ze op een rietstok, en gaf Hem te drinken. 49. Doch de anderen zeiden: Houd op, laat ons zien of Elía komt om Hem te verlossen. 50. En Jezus wederom met een grote stem roepende, gaf den geest.

 

In onze tekst lezen we: Het offer is gebracht

 

We letten op drie dingen:

 

1. Elia is onmachtig te verlossen.

2. De edikteug is onnodig.

3. Een noodzakelijk sterven.

 

Gemeente, ons eerste punt is:

 

  1. Elia is onmachtig te verlossen

Door heel de Schrift heen en zeker op Goede Vrijdag staat Christus in het middelpunt. De rol des boeks is met Zijn Naam vervuld. Waar het nu om gaat, is of deze gekruisigde Jezus ook het middelpunt van úw hart en leven is.

Op Goede Vrijdag vertoeven wij door het Woord als het ware op Golgotha. Op deze kruisheuvel is het van twaalf uur tot drie uur ’s middags donker geworden. De zon heeft haar licht ingehouden. Het is geen gewone zonsverduistering, want door de maanstand rond Pasen kan het beslist geen natuurlijke zonsverduistering zijn geweest.

De grote Schepper aller dingen heeft het licht van de zon ingehouden. De Heere Jezus heeft deze dagelijkse verkwikking moeten missen. God laat Zijn zon schijnen over bozen en goeden, behalve over de Heere Jezus. De zon houdt haar licht in om Christus ook die weldaad, die goedertierenheid, die verkwikking aan het kruis te onthouden.

Voor de Heere Jezus is het niet alleen van buiten donker, maar ook vanbinnen. Want als de negende ure aanbreekt, en het dus drie uur geworden is, roept Hij met grote stem uit: Eli, Eli, Lama Sabachthani? Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?

De woorden ‘Eli, Eli, Lama Sabachthani’ zijn niet vertaald. Het zijn Aramese woorden uit de moedertaal van Jezus. Hij heeft in de diepte van het lijden juist in Zijn moedertaal om Zijn Vader geroepen.

 

Gemeente, op Golgotha staan we voor de diepte van het lijden van de Heere Jezus. We kunnen Hem daarin met geen enkele stap volgen en het met ons verstand niet bevatten. Hier is de Zoon van God van God ontdaan. Aan deze zijde van het graf zal niemand ooit kunnen doorgronden wat het betekent om van God verlaten te worden.

Op Golgotha’s heuvel heeft de Heere Jezus helse smarten moeten doorstaan. Als u gaat overwegen dat de Zoon van God zelfs de gemeenschap en de gunst van Zijn Vader missen moest, wat hebben dán onze zonden Hem veel gekost. Wat zijn ze dan duur, wat zijn ze dan kostbaar; want Hij heeft een hoge prijs moeten betalen om ze te verzoenen.

Heeft u wel eens geprobeerd stil te staan bij het bittere lijden van de Heere Jezus op de kruisheuvel?

Misschien zegt u: ‘Dat kan ik niet.’

Ja, ons verstand staat dan stil! Alleen het geloof verstaat er iets van. Maar niet door te begrijpen, maar door te aanbidden. Het gaat in verwondering de onpeilbaar diepe liefde van God in de Heere Jezus Christus aanbidden. Het geloof ziet de liefde van de drie-enige God, geopenbaard aan het kruis van Golgotha.

Het ongeloof ziet daar niets van. Het spot er zelfs mee. Luister maar. Zodra het weer licht is op Golgotha zegt het ongeloof: Deze roept Elia!

Felle spot… De omstanders spotten met de woorden van de Heere Jezus. Die spot haakt zich vast in dat herhaalde ‘Eli, Eli – dit betekent: Mijn God, Mijn God.’ De spotters maken van deze diepe roep uit de diepte van het kruis: ‘Hij roept om Elia.’    

 

Gemeente, zo zijn wij ook. De drie uur duisternis, die ongetwijfeld angstwekkend moet zijn geweest, brengt niet tot inkeer. Als het weer licht wordt, gaan we weer gewoon verder. Al horen wij de uitroep van Jezus aan het kruis – Eli, Eli, Lama Sabachthani – dan gaan we toch door en spotten: Deze roept Elia! 

De omstanders roepen het tot tweemaal toe. Direct toen het weer licht werd om drie uur klinkt het: Deze roept Elia. Voor de tweede maal roepen ze het als de Heere Jezus een teug edik wordt aangeboden. Dan zeggen ze: Houd stil, laat ons zien of Elia komt, om Hem te verlossen. Om Hem van het kruis af te nemen, om Hem van dit oordeel te verlossen.  

In het Evangelie van Markus staat dat de soldaat, die met een rietstok de met edik doordrenkte spons aan de Heere Jezus aanbood, heeft gezegd: Houdt stil, laat ons zien of Elia komt, om Hem af te nemen (Mark.15:36). We zien dus dat de spot op Golgotha zowel uit de monden van de soldaten als uit die van de Schriftgeleerden klinkt: Laat ons zien of Elia komt.

 

Waarom noemen ze nu de naam van Elia?

Wel, ik zei u al dat die naam aansluit op die Aramese woorden ‘Eli, Eli’. U mag niet denken, dat ze die woorden per ongeluk misverstaan hebben. Want het was Aramees, de volkstaal in Israël. De hogepriester, de Schriftgeleerden, het hele Sanhedrin, zelfs de soldaten als de bezettingsmacht van de Romeinen, hebben die woorden goed verstaan. Ze wisten dat ‘Eli, Eli, Lama Sabachthani’ betekende: Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? Het is een opzettelijk misverstaan geweest van de diepste schreeuw die ooit op aarde heeft geklonken of zal klinken. Het is een kwaadwillig misverstaan! Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?

Gemeente, wij zijn boosaardige en kwaadwillige mensen. We komen zelfs van het heiligste niet onder de indruk. We buigen er niet voor. Op Golgotha’s heuvel spotten we met Hem, Die gekomen is om te verlossen.

Maar daarmee is de vraag nog niet beantwoord waarom ze per se om Elia vroegen.

Wel, Elia was de grootste profeet die Israël gekend heeft. Hij was een boeteprediker. Zijn kleding – een mantel van kamelenhaar en een leren gordel – liet zien dat hij met een boeteprediking tot Israël kwam. Op grond van Maleachi 4 vers 5 werd aangenomen dat Elia opnieuw zou komen voordat de Messias kwam. Wel, deze Jezus heeft immers gezegd dat Hij de Messias is, en dat heeft Hij zelfs met een eed bevestigd voor Kajafas, de hogepriester…  Dus laten we kijken waar Elia blijft… Want hij moet volgens de profeet Maleachi voor de Messias uitgaan.

Wat een venijnige en bijtende spot met het Messiasschap van Jezus. Laat ons zien of hij komt. Dan zal hij toch de Messias verlossen van het kruis? Dan zal Hij toch als de Messias Israël bevrijden van de Romeinen?

 

Arme mensen, die zo spreken op Golgotha, want de Heere Jezus wérd voorafgegaan. Niet door de persoon van de profeet Elia, maar door Johannes de Doper. Hij kwam in de geest en de kracht van Elia. Hij heeft als boetgezant gepreekt, als het ware in de gedaante van Elia, gehuld in een mantel van kamelenhaar met een lederen gordel om. Hij heeft als een heraut het Lam van God aangewezen, en gezegd: Zie, het Lam Gods, Dat de zonde der wereld wegneemt (Joh.1:29).

Dus Elia ís weergekomen, in de persoon van Johannes de Doper. Bovendien, Elia is nog een keer tegenwoordig geweest, op de berg der verheerlijking, met Mozes samen. Mozes en Elia hebben toen met Jezus gesproken van Zijn gang naar Jeruzalem. Dat wil zeggen: Mozes en Elia hebben met Jezus gesproken over Zijn aanstaande het lijden. Mozes deed dat als wetgever. Maar Mozes heeft de wet niet kunnen vervullen. Want u weet dat hij buiten Kanaän moest blijven en op de berg Nebo gestorven is. Maar nu spreekt Mozes op de berg der verheerlijking met de Heere Jezus over Zijn gang naar Jeruzalem, met de Wetsvervuller Die de wet vervuld heeft.

Elia spreekt ook met Jezus. Hij heeft als boetgezant het oordeel van de wet gepredikt. U weet wel, Elia is de vuurprofeet. Hij bad op de Karmel om vuur op het altaar waarop het offer was klaargemaakt. Vuur van de hemel. En het vuur kwam tot tweemaal toe van de hemel en verteerde het offer. Daardoor liet de Heere zien, dat Hij God was. Vuur van de hemel! Maar toch kon Elia het oordeel van de wet onmogelijk en nimmermeer wegnemen.

 

Gemeente, Elia komt niet naar Golgotha, want hij is onmachtig de zonde te verzoenen, onmachtig om Christus van het kruis te verlossen. Want Christus is het, Die het oordeel dat Elia niet kon wegnemen, gaat dragen. Hijzelf ontvangt dat vuur van de hemel, Hij wordt door het vuur van de hemel verteerd. Elia, de profeet van het vuur, maar hij is niet bij machte het te blussen! Er is er Eén Die dat gedaan heeft, en dat is de Messias Jezus. Het oordeel dat Elia niet kon wegnemen, heeft Hij weggedragen. Daarom is Elia niet op Golgotha gekomen. Hij is onmachtig om het oordeel weg te dragen.

U en ik zijn ook onmachtig om het oordeel weg te nemen. Wij kunnen dat vuur van God niet blussen. Maar ik hoop dat u het oordeel van God van harte hebt onderschreven, omdat het Woord van God u voor het gericht van God stelde, zodat u zeggen moest: ‘Heere, ik ben Uw gramschap waardig.’

U hebt misschien wel gezegd: ‘Heere, heb geduld, wacht nog een ogenblik, ik zal het allemaal beter doen, anders doen, ik zal betalen.’ Maar alles ontglipte aan uw handen. Van al uw inspanningen om de Heere weer terug te betalen en God te verzoenen, bleef niets meer over.

Kent u dat? Nee, niet met uw verstand, maar met uw hart? ‘Uw doen is rein, Uw vonnis gans rechtvaardig.’ Omdat wij al de geboden Gods met onze gedachten, woorden en daden hebben overtreden, nog nooit één ervan gehouden.

Maar gemeente, het gaat niet alleen om uw doen of laten. Ten diepste gaat het naar het paradijs toe. Want daar ben ik het oordeel Gods waardig geworden. David zingt in Psalm 51: ‘Het Is niet alleen dit kwaad – zijn zonde met Bathséba – dat roept om straf. In ongerechtigheid ben ik geboren, in zonde heeft mijn moeder mij ontvangen.’ Nooit ben ik rein geweest voor God.

Augustinus schrijft in zijn Belijdenissen: ‘Waar of wanneer ben ik, o God, zelfs in de moederschoot, zonder zonde geweest?’ Er is niets meer aan te doen. Het is hopeloos. Het is onmogelijk om zalig te worden. Van mijn kant bezien is het totaal onmogelijk om zalig te worden. Van onze levensboom moeten niet alleen wat takken af, nee, hij is tot in de wortel verdorven. ‘Wie zal die prijs der ziele, dat rantsoen, voor God in eeuwigheid voldoen?’ Niemand… Het Woord van God is radicaal! Niemand.

 

Gemeente, maar nu is hier uw Borg. Hier is uw Zaligmaker. Hij hangt daar aan een hout. Hij heeft het oordeel Gods gedragen. Gods gramschap heeft Hij geblust. Het hemelvuur is op Hem neergedaald; Hij heeft het geblust. De toorn Gods gestild, Hij heeft de vrede aangebracht.

Wat is het een wonder wanneer door de Heilige Geest het Woord geopend wordt! Wanneer u gaat zien in dat Woord dat er een Zaligmaker is. Maar niet in het algemeen genomen. Het gaat er niet om of er een Zaligmaker is, maar dat die Gekruisigde mijn Zaligmaker is. Dat te mogen zien, dat is geloof, gewerkt en geopenbaard door de Heilige Geest. Het wordt met onuitwisbaar schrift geschreven in uw ziel en in uw hart. Dat zult u nooit vergeten. De mens zelf, tot in de wortel toe verziekt, gaat te gronde. Opdat u door Jezus zou leven. Het komt bij God vandaan. Het is eeuwige liefde.

 

Die omstanders op Golgotha waren er blind voor. Dat is het ergste. Want ze gaan ermee spotten. Maar gemeente, ook in de kerk wordt er gespot met de Naam van de Heere Jezus. Dan zegt men soms: ‘Ja, maar het gaat zomaar niet; het is altijd maar Jezus.’

Ja, maar bij wie moeten we anders zijn? Het is Goede Vrijdag. Weet u een ander?

Zelfs Elia komt niet, want hij was onmachtig om Hem te verlossen. Hij was onmachtig om Christus van het kruis te verlossen. Er is maar één offerande, en dat is Hij. Hij is getroffen door het hemelvuur, opdat Hij een oorzaak van eeuwige zaligheid zou worden voor de Kerk. En de zaligheid is in geen ander; want er is ook onder den hemel geen andere naam, die onder de mensen gegeven is, door welken wij moeten zalig worden (Hand.4:12).

 

Waar het nu op aankomt is, of u als een verloren mensenkind zó aan de voeten van die Gekruisigde mag terechtkomen. Dat u niemand meer overhoudt dan Hém alleen. Met uw levensnood, met uw dood en met uw schuld bij Hem terechtkomen, Die de schuld betaald en de dood overwonnen heeft. Elia komt niet. Hij is onmachtig en kan niet verlossen. Jezus draagt het alleen.  

 

  1. De edikteug is onnodig

Want als de Heere die uitroep heeft gedaan Eli, Eli, Lama Sabachthani? Als de Heere dit heeft uitgeroepen en de spot heeft geklonken, doopt één van de soldaten een spons in een vat met edik. Hij bevestigt de doordrenkte spons op een rietstok en biedt hem de Heere Jezus aan.

Heeft die soldaat dan medelijden? Is het ontferming over de Gekruisigde?

Nee, dat moet u zeker niet denken. Weliswaar heeft Jezus uitgeroepen: Mij dorst (Joh.19:28), maar Johannes vermeldt erbij: Opdat de Schrift zou vervuld worden. In Psalm 69 vers 22 staat namelijk: En in Mijn dorst hebben zij Mij edik te drinken gegeven. Hij móést die woorden vervullen! De Heere lest Zijn dorst met edik opdat Hij de Christus der Schriften zijn zou, de Beloofde der vaderen.  

Tóch ligt er nog een diepere betekenis in het drinken van die edik. Edik is goedkope zure wijn, soldatenwijn, met water aangelengd. Die drank was voor de wachters om in de hitte van de dag hun dorst te lessen en waakzaam te blijven.

Hadden ze dan medelijden met Jezus? Nee! Die zure wijn is verfrissend, ze werkt opwekkend; ze heft de verdoving op en versterkt de geest. De bedoeling van die soldaat was dat de Heere bij bewustzijn zou blijven tot Elia zou komen om Hem te verlossen. En bovendien zal de edik ervoor zorgen dat Hij de pijn van de wonden aan Zijn handen en voeten, en de geselslagen des te zwaarder zal gaan voelen.

Dus geen ontferming, maar vergroting van het lijden van de Heere Jezus! De edik met gal gemengd die Hij kreeg aangeboden na aankomst op Golgotha weigerde Hij. Dat diende als verdovend middel om de pijn van het kruisigen wat te matigen. Jezus wilde die toen niet drinken. Maar nu, na de duisternis, drinkt Hij iets van de edik die bedoeld is om hem te versterken en de pijn tot het uiterste te doen toenemen.

 

Gemeente, wie zal ooit de diepte kunnen peilen waarin Jezus verzonken was? Hij is gegaan door de dalen van lijden en van verlating. Hij heeft de folteringen van de boze doorgemaakt en weet wat het is om het toegeroepen te krijgen: ‘Je leven is mislukt. Laat Elia maar komen.’

Bovendien was er die dorst! U kent toch die gelijkenis van de rijke man en van Lazarus? Die rijke man heeft dorst en roept: Vader Abraham, ontferm u mijner en zend Lázarus, dat hij toch het uiterste zijns vingers in het water dope, en verkoele mijn tong; want ik lijd smarten in deze vlam (Luk.16:24). De hel is een plaats van dorst en smart! Jezus heeft die helse smart doorgemaakt.  

Dorst is ook een teken van het verlaten zijn van God. Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen, alzo dorst mijn ziel naar U, o God. Mijn ziel dorst naar God (Ps.42:2,3). Jezus’ ziel dorstte meer naar God dan naar water.

 

Wat is dan toch erg om zonder genade te sterven. Want dat betekent dat wij al dat lijden dat de Heere Jezus doorleden heeft, ook moeten doorstaan. Als we zonder borggerechtigheid sterven, begint het lijden pas goed. Het is dan geen verlossing uit het lijden op een ziekbed. Zeg dat maar nooit. De dood is het einde niet; met de dood begint het pas. Helse smarten! Verkeren in een plaats waarvan Jezus zegt: Waar hun worm niet sterft, en het vuur niet wordt uitgeblust (Mark.9:44). Een plaats waar iedereen tegen iedereen opstaat. De dood is het begin van een eeuwig zalig leven, óf van het vertoeven in de hel.

Gemeente, ik wil daarom op uw hart drukken dat er (op Goede Vrijdag) maar één plaats is waar u terecht moet komen: Bij Hem, Die die helse smarten gedragen heeft en Die deze pijn geleden heeft; Die deze dorst heeft doorstaan. Op Golgotha kunt u zien wat de hel is. Maar dan weet u ook, wat vanuit de hemel wordt gegeven om voor eeuwig de poort van de hel voor de Kerk te sluiten.

 

Jezus ondervindt geen ontferming. De edik vergroot de pijn. De Heere heeft geen ogenblik van verlichting gekend. Op Golgotha geldt in het bijzonder: Hij is om onze overtredingen verwond, en om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld (Jes.53:5). Het gericht van God vanwege de zonden van Zijn volk, verplettert Hem. Nergens vindt Hij rust of vrede. Verlichting van dit lijden is er niet. Dat houdt de helse smart van Jezus in!

Maar gemeente, tegelijk staat u voor de eeuwige liefde van Christus, Die Zich zo diep neerboog om die helse smarten te dragen. Hij heeft Zichzelf gewillig overgegeven aan het bittere lijden van de hel. Een zeer wezenlijke plaats, een zeer werkelijke plaats, het is de bestemming voor iedereen die buiten Christus sterft.

Tóch was die edik in zekere zin onnodig. De geest en de kracht van Jezus behoefde niet te worden opgewekt, want Hij had nog volle kracht. Er staat in onze tekst, dat Jezus met een grote stem roepende, de geest gegeven heeft. Hij is niet gestorven, omdat Hij verzwakt was of omdat Hij het lichamelijk lijden niet dragen kon. Christus is een Held met grote kracht. Hij is de Zoon van God, in onze menselijke natuur.

 

Gemeente, niets heeft Hem kunnen verzwakken, niet één ogenblik. Hij had die edikteug niet nodig. Die teug was onnodig om weer wat kracht te ontvangen. De Godheid van Christus heeft onze menselijke natuur ondersteund. Die Godheid van Christus was het altaar, waarop Hij Zijn menselijke natuur heeft geofferd aan de Vader. Daardoor heeft Zijn menselijke natuur tot het uiterste toe geleden. U en ik kunnen het niet dragen, maar Christus heeft het doorstaan en heeft het gedragen op het altaar van Zijn Goddelijke natuur.   

Omdat Hij de Zoon van God is, heeft dat offer eeuwigheidswaarde gekregen. Het heeft een eeuwige gerechtigheid aangebracht. Wij hadden de eeuwige straf verdiend en we kunnen er nooit van verlost worden, tenzij er een eeuwige gerechtigheid tegenover staat. De Goddelijke natuur van Jezus heeft aan dit lijden eeuwigheidswaarde verleend. Jezus is daarom de verdienende oorzaak van de zaligheid van de Kerk. Ze is zo volkomen, dat er geen edik nodig is. Er wordt weleens gesteld dat Simon van Cyréne Hem ondersteunde omdat Hij anders bezweken zou zijn. Gelooft u daar maar niets van. Hij is Gods Zoon, en Zijn Godheid heeft Zijn menselijke natuur ondersteund. Niet één ogenblik heeft Jezus op de weg voor de verlossing van Zijn Kerk gewankeld. Simon van Cyréne was niet nodig en die teug edik evenmin.

De Heere Jezus alleen is de verdienende Oorzaak van de zaligheid van Zijn Kerk, de Geest van God de toepassende Oorzaak. Hij past toe wat Christus aan het kruis heeft verworven. Ons doopformulier zegt dat met enkele zinnen: Hij betuigt en verzegelt ‘dat Hij bij ons wonen, en ons tot lidmaten van Christus heiligen wil, ons toe-eigenende hetgeen wij in Christus hebben, namelijk, de afwassing van onze zonden, en de dagelijkse vernieuwing van ons leven.’ Daarvoor komt de Heilige Geest.

 

Is dat werk van de Geest nu in uw hart te vinden? Hoe wordt dat zichtbaar?

Wel, als de Geest van God in u woont, wordt u zondaar voor God. U leert uw zondeschuld kennen, vanwege de wet en vanwege uw verwerping van Christus. Wat ons in het Woord van God ten laste wordt gelegd is dan niet gering. Als u dát leert wordt u geleid tot de geestelijke kennis van de Heere Jezus. In Hem zult u dan een gewillige Zaligmaker ontmoeten, want Hij is gewillig dat pad gegaan; door niemand geholpen en door niemand bijgestaan. Hij is alléén die weg gegaan. Om Hem te leren kennen met een geestelijke kennis, om Hem te vinden als een volkomen Zaligmaker, Die de grootste der zondaren volkomen zalig kan maken.

Gemeente, ook vandaag is die Gekruisigde als het ware nog op het kruis uitgestrekt, met Zijn armen naar het Oosten en naar het Westen. Hij is zoals Rutherford in een boek geschreven heeft: ‘Nodigend en stervend om zondaren tot Zich te trekken.’ We zien een moordenaar aan Zijn zijde, en aan de voet van het kruis een hoofdman over honderd. Stervende heeft Hij zondaren tot Zich getrokken. Zo staat Hij nog, nodigend en roepend. Hij heeft de pers alleen getreden. Hij geeft deze zaligheid om niet.

Maar nu is het noodzakelijk te leren dat u erbuiten valt. U valt er met al uw vroomheid, uw goede werken, uw reformatiepogingen, en somt u het maar op, helemaal buiten. Alleen het werk van Hem, Die gezegd heeft: Het is volbracht (Joh.19:30), dát werk is het fundament en de oorzaak van onze zaligheid.

 

Gemeente, de eeuwige Zoon geeft het eeuwige leven. De prediker Kohlbrugge vatte het in twee zinnetjes samen: ‘Ik had de eeuwige dood verdiend. En ik krijg het eeuwige leven’. Het kan niet korter gezegd worden, het kan niet anders gezegd worden. Daar hebt u tegelijkertijd het onnodige van die edik. Want Hij heeft het alleen gedaan, zonder enige hulp, zonder de minste menselijke ontferming of medelijden. Hij heeft het gedaan als de Held Die overwonnen heeft – en dat is het wonder – in het bitterste lijden. Daarom mogen mensenkinderen in de grootste en diepste nood van hun leven, roepen tot Hem.

Hij verhoort! Hij weet wat het is. Hij kent het van binnenuit. Hij weet van al uw zitten, al uw opstaan, al uw gedachten, al uw worstelingen, al uw strijd, uw nood, uw verdriet. Hij weet het volkomen.

 

De psalmdichter het ons al voorgezongen. We zingen het met Psalm 55 vers 1 na:

 

O God, neem mijn gebed ter oren;

Gij, Die ’t geroep Uws volks wilt horen,

Verberg U niet voor al mijn smeken;

Verhoor mij, Heer’; geef gunstig acht

Op mijn misbaar en jammerklacht,

Waarin de nood mij uit doet breken.

 

Gemeente, nu ten derde:

 

  1. Een noodzakelijk sterven

De Heere Jezus gaf de geest, dat kunnen wij niet, Hij wel. Hij zegt: Ik heb macht hetzelve af te leggen en heb macht hetzelve wederom te nemen (Joh.10:18). Voor ons is dat onmogelijk, maar Hij is de Schepper van hemel en van aarde, Hij heeft macht over dood en leven.

De Heere Jezus heeft Zijn leven afgelegd. Dit betekent dat Hij de dood tegemoet getreden is. Dat Hij de dood, die afschrikwekkende, gruwelijke en ontzaglijke dood, in zijn volle omvang en zwaarte tegemoet getreden is. Nooit zal iemand de dood kunnen zien, zoals Jezus hem heeft gezien. Alleen Híj heeft de dood in zijn werkelijke gedaante gezien en ervaren.

Die ontzaglijke dood heeft een geweldige prikkel. Want er staat in de Schrift: De prikkel nu des doods is de zonde (1Kor.15:56). De prikkel van de dood is de ongerechtigheid, de zonde van de mens. De dood is ook onherroepelijk. Dan worden er twee dingen die bij elkaar horen van elkaar gescheiden. Lichaam en ziel zijn immers de twee-eenheid waarin wij geschapen zijn. Door onze dood worden lichaam en ziel tijdelijk van elkaar gescheiden.

 

Gemeente, Jezus heeft de dood aangegrepen. Hij heeft die vijand ontmoet. Hij heeft hem verslagen en overwonnen. Dat is de heldendaad van Jezus. Hij is de dood tegemoet getreden. Hij is niet achterwaarts gekeerd, met zijn heldenmoed is Hij er niet voor teruggedeinsd. Met Zijn heldenkracht heeft Hij op Golgotha de dood aangegrepen. En op de paasmorgen is Hij als Overwinnaar herrezen uit het graf. Hij heeft de dood overwonnen en het graf geopend.

En zó legt de Heere Jezus aan het kruis Zijn leven af, nadat Hij Zijn geest bevolen heeft in de Vaderhanden: Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest (Luk.23:46). Johannes zegt: en het hoofd buigende, gaf Hij den geest (Joh.19:30). Het is een gewillig sterven geweest, een zeer gewillig sterven. Hij gaf de geest.   

 

De kruisdood was een langzame dood, een heel smartelijke dood. Maar de Heere is niet gestorven, omdat Hij verzwakt was, omdat Hij door het kruis één of andere ziekte heeft opgelopen. Nee, Hij heeft Zijn leven afgelegd, toen al de dingen die vervuld moesten worden, vervuld waren. Pas toen heeft Hij het leven afgelegd. Het was een gewillig sterven, een gewillige dood, zou je kunnen zeggen.

Hij is ook een gewillige Zaligmaker. U kunt in Zijn lijden de onnaspeurlijke rijkdom van de liefde van Christus zien. Hij heeft Zijn leven afgelegd. Hij is écht dood geweest! De speerstoot is er het bewijs van. Zijn ogen, die met ontferming de scharen hebben gezien, zijn gesloten. Zijn mond, die zoveel dingen heeft gezegd waardoor mensen het leven hebben mogen verkrijgen, is toegesloten. Zijn handen, die met grote teerheid kinderen hebben gezegend, zijn verstijfd. Zijn voeten, die Hem droegen toen Hij goeddoende, en genezende alle ziekte en kwaal (Matth.4:23), het land doorging, waren verstijfd aan het hout. En Zijn hart, dat met innerlijke ontferming bewogen was, stond stil. Jezus is gestorven! En met een grote stem roepende, gaf Hij de geest. Als een misdadiger, als een Godslasteraar, als een leugenaar is Hij gedood.

 

Het sterven van de Heere Jezus is noodzakelijk. Want Zijn sterven stond in verband met het feit dat er over u en mij het vonnis is uitgesproken: Ten dage als gij daarvan eet, zult gij den dood sterven (Gen.2:17). Wij hebben van de verboden vrucht gegeten. We zijn de geestelijke dood gestorven; de scheiding tussen God en ons, tussen Zijn gunst en gemeenschap en ons, is volkomen. Maar Hij heeft de drievoudige dood ondergaan. De Heere Jezus heeft de geestelijke dood doorworsteld aan het kruis: Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? Hij heeft ook de tijdelijke dood ondergaan: de scheiding van ziel en lichaam. Hij heeft het leven afgelegd. Ook de eeuwige dood, dat zijn de helse smarten, heeft Hij op Golgotha’s heuvel gedragen. Hij stierf de dood, schamel en ontbloot, onteerd en bebloed. De schuld van de zonde en de val heeft Hij gedragen. Hij heeft een volmaakt werk verricht. En Hij wordt neergelegd in het stille graf, het nieuwe graf, van Jozef van Arimathéa. Het graf dat wij gedolven hebben in de Hof van Eden. 

 

Gemeente, dit sterven van Jezus kan niet anders dan een diepe indruk nalaten op ieder die niet stelselmatig alle gedachten aan de dood verdringt. U weet het: de wereld heeft over de dood het hoogste woord. Maar als de dood nabijkomt, is men met een diepe vrees bezet. Er zijn mensen die zeggen: ‘je staat er niet zo bij stil…’ Maar onthoud toch, de dood is heel dichtbij. De dood wenkt ieder uur!

We leven zeker dicht bij de dood als de Heilige Geest in ons werkt. Want Hij brengt ons bij de werkelijkheid ervan. Hij laat ons zien dat we sterven moeten!

Maar als we voor de dood hebben gevreesd in ons leven, met de dood in onze gedachten zijn bezig geweest, inderdaad hebben gezien dat de dood ons achtervolgt, dan wordt het anders! Er zijn mensen die zeggen: ‘je kunt daar niet mee leven’. Maar onthoud het: de dood is altijd heel dichtbij. De dood wenkt ieder uur, dat is de werkelijkheid. Voorbeelden te over.   

We kunnen wel zeggen: ‘we leven er niet zo bij’, maar ik denk, als de Heilige Geest in ons leven werkt, dat wij dan wel dicht bij de dood leven. Want de Heilige Geest brengt ons bij die werkelijkheid van de dood. Hij laat ons zien dat wij sterven moeten. Kinderen, ik denk aan die oude predikant die me vertelde dat hij op zevenjarige leeftijd al wist dat hij sterven moest. Want hij besefte tegen God gezondigd te hebben…

Het kan zijn dat er nu ook kinderen in de kerk zitten die ’s avonds wel eens wakker liggen en angstig bedenken: ‘Ik heb tegen God gezondigd.’ Je kunt niet in slaap komen… Maar er is een Zaligmaker! De Bijbel wijst Hem aan. Hij heeft de dood in de ogen gekeken, Hij is de dood gestorven. Hij heeft Zijn leven afgelegd. Opdat Hij mensenkinderen, die sterven moeten en die niet sterven kunnen, zaligheid en het eeuwige leven zal kunnen geven.

      

Er staat over de dood geschreven dat hij als een dief in de nacht komt. Hij komt onaangekondigd, en ook onverwacht. Altijd op een ogenblik dat je het niet verwacht. Het Woord van God heeft gelijk. Maar zalig is de mens die in Jezus geborgen is, die in Zijn armen gedragen wordt. Als u buiten Hem sterft – dat is duidelijk – bent u eeuwig rampzalig. We spreken met huiver en schroom over de dood. U hoort mij er niet veel over zeggen, maar de dood is wel werkelijkheid. Sterven is afschrikwekkend en vreselijk. Vandaar dat wij niet anders kunnen doen, dan u op die enige Naam wijzen, Die tot zaligheid gegeven is, opdat u daar mag terechtkomen.

Gemeente, die ontzagwekkende dood scheurt ook alle gelegde banden uiteen. Hij trekt alles uit elkaar wat bijeen hoort. Maar in Jezus gevonden te worden… Ik hoor dan de apostel Paulus zeggen: Ontbonden te worden en met Christus te zijn; dat is zeer verre het beste (Filipp.1:23). En ‘ontbonden zijn’ wil zeggen: losgemaakt zijn, losgemaakt van de kade waaraan we gemeerd liggen. Ons levensscheepje gaat, als God die banden losmaakt, wegdrijven, en vaart naar de haven van eeuwig behoud, als ‘s Vaders Zoon maar aan boord is.

 

Ontbonden te zijn is stervensgenade ontvangen. Er is levensgenade en stervensgenade. Je moet eerst levensgenade hebben. Als je levensgenade hebt, zal de Heere op Zijn tijd, waar dat nodig is, ook stervensgenade geven. Stervensgenade is dit: uw banden worden dan door de Heere losgemaakt. Dat hoeft u niet zelf te doen. U moet het niet proberen ook, want dat gaat niet. De Heere Zelf verbreekt die banden. Ontbonden te worden en met Christus te zijn, dat is zeer verre het beste. Dat gaat boven alles uit wat een mens ook maar verwachten of verlangen kan in dit leven.

 

Gemeente, de Heere Jezus heeft het offer gebracht. Hij heeft het alleen gebracht. Hij heeft het gewillig gebracht. Hij heeft het volkomen gebracht. En omdat alleen Hij dat gedaan heeft, is er behoud voor een mens die sterven moet en niet sterven kan.

Er is behoud in Hem! Hij nodigt en Hij bidt. We dringen aan alsof God door ons bidt. Wij bidden u van Christuswege: Laat u met God verzoenen (2Kor.5:20). Die verzoening is nodig. Het sterven van Jezus is noodzakelijk. Want Hij heeft de dood overwonnen en Hij heeft het leven aangebracht.

Zoek Hem vroeg! Eer dat de kwade dagen komen en de jaren naderen, van dewelke gij zeggen zult: Ik heb geen lust in dezelve (Pred.12:1). Zoek Hem als je nog jong bent. Zoek Hem in de lentetijd van je leven. Want daaraan heeft de Heere een belofte verbonden: Die Mij vroeg zoeken, die zullen Mij vinden (Spr.8:17).

 

Amen.

 

Onze slotzang is Psalm 16 vers 5:

 

Daarom heeft zich Mijn kwijnend hart verblijd;

Mijn tong, Mijn eer, zingt Godgewijde tonen;

Ook zal Mijn vlees, thans afgesloofd, ten spijt

Des vijands, in den grafkuil zeker wonen.

Gij zult Mijn ziel niet in de hel vergeten;

Uw Heil’ge zal van geen verderving weten.