Ds. R. Kattenberg - Psalmen 42 : 1 - 3

De schreeuw van de ziel om God

Psalmen 42
waaruit die schreeuw opkomt
op Wie die schreeuw zich richt
wat die schreeuw kenbaar maakt

Psalmen 42 : 1 - 3

Psalmen 42
1
Een onderwijzing, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach.
2
Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen, alzo schreeuwt mijn ziel tot U, o God!
3
Mijn ziel dorst naar God, naar den levenden God; wanneer zal ik ingaan, en voor Gods aangezicht verschijnen?

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 42: 1 en 2
Lezen : Psalm 42
Zingen : Psalm 63: 1, 2 en 3
Zingen : Psalm 42: 3
Zingen : Psalm 130: 4
Zingen : Psalm 149: 5

Gemeente,

Met de hulp van de Heere bedien ik u het Woord van God, en wel uit Psalm 42 vers 1 tot en met 3.

 

Een onderwijzing, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach. Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen, alzo schreeuwt mijn ziel tot U, o God. Mijn ziel dorst naar God, naar de levende God; wanneer zal ik ingaan en voor Gods aangezicht verschijnen? 

 

Onze tekstwoorden behelzen de schreeuw van de ziel om God.

En wij zien:

1. waaruit die schreeuw opkomt;

2. op Wie die schreeuw zich richt;

3. wat die schreeuw kenbaar maakt.

 

1. Waaruit die schreeuw opkomt

Gemeente, ver weg, daar ergens in het noorden, waar de Jordaan zijn loop begint bij de Hermon, daar waakt een balling. Hij is alleen en eenzaam. Zo voelt hij zich ook bij het geweld van het water dat in de diepte neerstort.

En dan is de vraag die voor de hand ligt: Wie is die balling? Wie zit daar zo in zijn eentje in het hoge noorden? Hoe heet die man? Is het David? Er zijn uitleggers die deze mening  zijn toegedaan. Alleen, het stáát er niet. Dus het kan ook iemand anders zijn. Wie het uiteindelijk is, niemand zal het met zekerheid kunnen zeggen.

 

Wel valt er met betrekking tot deze psalm te zeggen dat ze bekend was bij de tempelzangers. Met name bij de kinderen van Korach. De dichter van deze psalm heeft die psalm aangereikt tot onderwijs, tot lering.

Een onderwijzing, zo begint immers de psalm. Als die psalm gezongen wordt, kun je er dus van leren. Dan kun je daaruit horen wie God uit genade wil zijn voor Zijn kinderen, in het leven van het geloof.

Kom, Korachieten, u bent gespaard in het oordeel, zoals dat gegaan is over Korach, Dathan en Abiram! Uit genade bent u door God in het oordeel bewaard. En daarvan mag u gaan zingen.

Ja, de kinderen van Korach mochten zingen, zingen voor het aangezicht van de  Heere. Wie de dichter ook was, we weten dat dit lied een koorzang is bij de gratie van God. Een lied van diep verlangen en van nameloos heimwee.

Deze zang, gemeente, is doortrokken van heimwee. Je kunt alleen maar heimwee hebben naar iemand die je wel kent, maar bij wie je op dit ogenblik niet bent. Je kunt geen heimwee hebben naar iemand die je niet kent en die ergens ver weg woont. Je weet niet eens van het bestaan van die man of die vrouw af. Maar als je iemand hebt leren kennen van wie je bent gaan houden, en je bent dan van hem of haar gescheiden – ja, dan kan er sprake zijn van heimwee.

 

Zo is het ook in het leven van deze man Gods. Hij is de Heere kwijt. Hij is zijn God kwijt. Hij weet zich ver bij de stad van God vandaan. Hij weet zich ver bij het heiligdom van God vandaan. Hij mist de tegenwoordigheid van God in zijn leven.

Nu is er in het leven geen gemis, gemeente, zo schrijnend en zo pijnlijk, als het missen van God. De Schrift zegt ervan dat het missen van God dodelijk is.  Daarmee tekent de Bijbel uw en mijn beeld, dat we van nature hebben.

Wat voor leven hebt u, gemeente? Een leven mét God of een leven zónder Hem? Ik vraag dus niet of u een leven met of zonder godsdienst hebt? Nee, hebt u een leven mét of zónder God?

 

Vanuit onszelf zijn we mensen die leven zónder God. Heb je er erg in, meisjes en jongens? Een leven zonder God is een leven zonder hoop, zonder uitzicht, zonder perspectief, zonder doorzicht. Als je alleen maar naar beneden kijkt en naar de dingen die van de wereld zijn; als je alleen maar om je heen kijkt en geen weet hebt van de verborgen omgang met God – dan is je leven eigenlijk doelloos en verloren. Dan ben je een beklagenswaardig mens. Maar het is bovenal een leven dat getekend wordt door schuld. Een verloren leven en een schuldig leven.

Waarom? Wel, wij hebben de Springader van het levende water verlaten en onszelf bakken uitgehouwen. Maar het blijken gebroken bakken te zijn. Je kunt er wel water ingieten, maar het loopt er net zo snel weer uit als u het erin giet. Dat geeft geen enkel houvast.

 

Ziet u uzelf zó gaan over deze wereld? Zo moeten we sterven van dorst, al van het uur van onze geboorte af. En het ergste bij dat alles is dat we er geen last van hebben, dat we er vrede mee hebben, dat we er gerust in voortleven. We doen dat misschien af met een rechtzinnige dooddoener: Ja, God moet het doen… Jazeker! Als er één ding waar is, dan is het dat: God moet het doen! Maar, gemeente, weet u ook dat God beloofd heeft dat Hij het zál doen?

Meisjes en jongens, er staat in onze belijdenis dat Koning Jezus niet zonder onderdanen kán zijn. Ik kom vandaag niet alleen zeggen dat het duisternis en donkerheid bij ons is. Jazeker, dat is een wezenlijk deel van de boodschap van de dienaren van Jezus Christus. Maar waar duisternis is, moet ook licht zijn. Zo heeft Johannes geschreven in zijn Evangelie: Er was een mens van God gezonden (…). Deze kwam (…) om van het Licht te getuigen, opdat zij allen door hem geloven zouden (Joh. 1: 6,7) Hoort u wel: Opdat ze állen door hem geloven zouden.

Weten we dan niet dat niet alle mensen zalig worden? O, zeker wel. Is dan het Woord met zichzelf in tegenspraak? Nee, gemeente. Maar waar de genade van God de boventoon voert in ons leven, daar gunnen we het iedereen.

Als u zelf weet van de worsteling van het geloof, zegt u: Kom, maak God met mij groot! Dan is er bewogenheid naar anderen, als we zien dat ze leven zonder God.

 

Deze balling wist van de ontmoeting met God. Hij wist van de opzoekende liefde van de Heere Jezus in zijn leven. Hij heeft bij het altaar in de tabernakel of in de tempel gestaan. Deze man Gods heeft bij de offerdienst gestaan; daar heeft hij bloed zien vloeien. Daar heeft de Heilige Geest het op zijn hart gesprengd. Het bloed van hét Lam, het bloed van Gods Zoon. 

Wat mocht hij getuigen van de vele verlossingen in zijn leven. Deze psalm is er immers vol van? … want ik zal Hem nog loven voor de verlossingen Zijns aangezichts. (…) Hij is de menigvuldige Verlossing mijns aangezichts, en mijn God.

 

Dus, als die man terugkijkt in zijn leven, weet hij het: kijk, dáár heeft de Heere mij gesterkt; dáár ging het bijna fout in mijn leven, maar Zijn hand heeft mij bewaard. Ik was in grove zonden gevallen, maar er was er Eén Die mij gedragen heeft door Zijn Middelaarshanden. Heere, ik zal nooit groot van mezelf kunnen spreken, maar het zal de begeerte van mijn hart zijn om groot te spreken van U. Zó was er de verheuging in de God van zijn heil, door het geloof in de komende Messias.

 

Maar het is zo anders geworden in zijn leven. God is ver weg en het stormt in zijn ziel. Hij moet nu leven onder de verberging van Gods aangezicht.  Onze vaderen schreven in de Dordtse Leerregels: ‘De verberging van het aangezicht van God  is voor de godvruchtigen bitterder dan de dood.’ De afgrond roept tot den afgrond, bij het gedruis van de watergoten. Daar zit die balling nu. Eenzaam en verlaten. Ver van God en met pijn in zijn hart.

 

We stellen nóg een keer de vraag, gemeente: wie is  deze balling? Wie geeft hier uiting aan de gevoelens van zijn hart? Wie heeft dit lied gedicht vanuit het heimwee naar God?

Zou u het kunnen zijn? Kun jij het zijn, meisje of jongen? Daar hoef je niet oud voor te zijn! Dan weten we ervan dat de hand van God ons gevonden heeft in de dood van ons bestaan, in de zonde van onze ongerechtigheid. Dan weten we ervan dat de levendmakende kracht van de Heilige Geest werkelijkheid werd in ons leven. Maar het is nu weer zo anders geworden! Dan denken we terug aan vroeger, korter of langer geleden.

We hebben het zojuist gezongen: ‘k Heb U voorwaar in ’t heiligdom, voorheen beschouwd met vrolijk’ ogen. Hoe zag ik daar Uw alvermogen, wat blonk Uw Godd’lijk’ eer alom… Wat was ik er dankbaar voor, en wat was ik er blij mee, Heere, toen U er blijk van gaf dat U wist wat er omging in mijn hart.

 

Wat was uw hart verblijd als het Evangelie openviel bij die ene Naam, nietwaar! Bij Jezus’ Naam. Anders kan er geen waarachtige blijdschap zijn; dat voelt u wel, gemeente.  Als de Heere Zelf in Zijn Woord zegt dat er maar één Naam onder de hemel is gegeven waardoor we moeten zalig worden, waardoor we gered kunnen worden – dan is de waarachtige blijdschap alleen in die ene Naam. Buiten die Naam is er geen blijdschap, geen vreugde des heils en geen blijdschap in onze ziel.

Ja, zo viel het Evangelie open bij die ene Naam, en dan zong u het: God heb ik lief (…); Hij hoort mijn smekingen, mijn klagen. Toen hebt u gezegd: Ik zal U hartelijk liefhebben, Heere, mijn Sterkte  (Psalm 18:2). Toen stond u met de dichter bij de plenging van het bloed, en daarin mocht u lezen van de vergeving van uw zonden en de vrede met God tot in eeuwigheid.

Maar… dat was toen. Het kan echter veranderen. Zo is het hier ook in het leven van deze man. Waar is nu uw God?

 

Kent u de dichter van binnenuit? Zit u als het ware vandaag naast hem? Of zit hij naast u? In deze psalm zien we immers de heiligen van God in het hart!  Roept u het mee met deze dichter: Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen, alzo schreeuwt mijn ziel tot U, o God? Daar waakt hij in de eenzame streken, verlaten van iedereen. Daar is hij compleet alleen. Totdat… Wat hoort hij daar? Er kraken takken.

Daar komt iets met woest geweld. Hij hoort het daar op zijn eenzame, vooruitgeschoven post. Daar, vlakbij, beweegt iets. Er komt iets aan met grote snelheid, het blijkt een hert te zijn, een hinde. Kennelijk is het dier opgejaagd, achterna gezeten door jagers, en het heeft gerend voor zijn leven; van rotspunt naar rotspunt. Al sneller en sneller. Maar wat is het dier afgemat geraakt… Wat is het aan het eind gekomen van zijn krachten.

Wat laat de dorst zich voelen in het leven van dit beest. Het hijgt naar water. Maar waar kan het lafenis vinden? Waar kan het een ogenblik uitrusten om te drinken van het koele water dat het zo hard nodig heeft? Nóg een sprong, en dan staat het beest opeens vlak bij onze zanger; op die vooruitspringende rots, waar deze man zich bevindt.

 

Dáár is het water. Maar wat merkt de hinde? Het water is beneden, in de diepte; daar klotst het en daar bruist het. Maar het beest kan er niet bij. Het water is er, maar het rotsblok is zó hoog dat het onmogelijk is om te drinken van het water beneden. En dan heft het beest de kop omhoog en het roept, het schreeuwt in doodsnood.

U voelt wel, het gaat voor dat dier niet allereerst om een dronk water. Nee, het gaat om leven of dood. Als het niet kan drinken, zal het de dood sterven. Als de dorst niet gelest wordt, zal het beest moeten omkomen.

Zo hoort de dichter de doodskreet van de hinde. Het gaat de man Gods door merg en been. Hij voelt iets aan van de spanning waarin dit hert zich bevindt. En tegelijk weet hij: zoals het met die hinde is, zo is het ook met míjn leven. Want gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen, alzo schreeuwt mijn ziel tot U, o God.

 

Hoort u het? Gelijk… alzo… Hij ziet daar het beeld in van zijn eigen leven. Gemeente, dat is nu het leven dat uit God is, door de Heilige Geest. Wie van Gods kinderen weet er niet van? Van die donkere diepten, en van die donkere dagen?

Misschien zit je er wel middenin. Je zegt: Ik voel me zo ver bij God vandaan… Dan is het werkelijkheid in ons leven dat we de Heere moeten missen. Al ligt het dan vast van de kant van God; al ligt het onwrikbaar vast in de doorboorde handen van de Heere Jezus Christus.

 

Hoeveel schuddingen kent het leven des geloofs niet? Hoeveel beproevingen zijn er niet in het leven van Gods kinderen? Zo dikwijls gaat de weg anders dan we gedacht en gehoopt hadden. De Heere heeft ons op een woestijnweg gebracht – een weg van eenzaamheid, een weg van afgebroken worden, een weg van verlatenheid, een weg waarop je niets overhoudt. Dat is een weg van de vernedering, een weg waarop we het steeds weer opnieuw moeten belijden dat er in ons, dat is in ons vlees, geen goed woont (Rom. 7:18). Dat is de weg waarop u leren moet dat u het met alles wat u wilt aanbrengen voor het aangezicht van God, niet verder brengt dan een verloren zondaar te zijn. Dat is een weg, gemeente, waarin God ons gaat afbreken tot de fundamenten toe. Een weg, waarin we leren om te belijden dat er in ons geen goed is, maar dat wij midden in de dood liggen.

Dorst hebben – dat is een begin van sterven. Dorst hebben naar God houdt in: sterven aan jezelf. Hebt u daar erg in? Dorst hebben naar God wil zeggen: sterven aan jezelf, niets overhouden. De dood ingaan, opdat u zó leven zult. Want dat zullen we aanstonds nog wel horen van deze man Gods.

Dorsten naar God, sterven aan jezelf, dat geeft de vraag en de roep: Ai, geef mij weer gewenste zielenvreugd! Heere, geef me weer dat ik bíj U en voor U mag leven. O, God mag ik het weten, ook vandaag, dat U goed wilt zijn voor slechte mensen? Geef mij weder de vreugde van Uw heil (Psalm 51:14). Doe me toch weer leven in de gemeenschap met U.

 

Hoort u het? De dichter kan er niet in berusten dat hij God mist. Maar vanuit het missen van de Heere is er het roepen tot Hem. Vanuit het missen van God is er het komen aan de troon van Zijn genade. De dichter klemt zich met alles wat in hem is, toch vast aan God.

U zegt: Hoe weet u dat? Wel, dat staat in de tekst: Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen, alzo schreeuwt mijn ziel tot U, o God. Hoort u het? Te midden van de verlatenheid, te midden van de verdrukking en te midden van alles wat hem overkomt, weet  hij zich nochtans verbonden met God. Dat houdt een belijdenis in: Heere, het moet van Uw kant komen.

 

Gemeente, misschien moet u belijden dat u niet tot God kunt komen. Maar het gaat ook niet van u uit. U zegt: Ik kom er niet uit. Dan zeg ik: Hij komt erin. Dat is veel belangrijker; Hij komt erin. Want het zal alles geschreven zijn op Zijn rekening. Zo ook hier, bij deze dichter, als hij zegt: Heere, het moet van Uw kant komen. Tot U roep ik de ganse dag!

Zo is nu iemand eraan toe, die vervuld is met het heimwee naar God, met het verlangen om zijn God te mogen ontmoeten. Gemeente, zo is het de eerste keer in het leven der genade, en zo is het ook steeds weer opnieuw. Dat is de schreeuw naar God, om God. Hoor maar, als in het begin van het derde vers gezegd wordt: Mijn ziel dorst naar God, naar de levende God. 

Dat is dus het tweede: de schreeuw van de ziel om God - op Wie ze zich richt, maar zingen we eerst het derde vers van Psalm 42:

 

O mijn ziel, wat buigt g' u neder?
Waartoe zijt g' in mij ontrust?
Voed het oud vertrouwen weder;
Zoek in 's Hoogsten lof uw lust;
Want Gods goedheid zal uw druk
Eens verwiss'len in geluk.
Hoop op God, sla 't oog naar boven;
Want ik zal Zijn naam nog loven.

 

2. Op Wie die schreeuw zich richt

De balling roept in zijn moeite en zorg niet zomaar wat in de ruimte. Hij zegt niet: Het is me onverschillig, wie of wat me helpen kan, als ik maar uit de nood kom, als ik maar uit mijn ellende en eenzaamheid ben. Nee, nee, hij roept heel nadrukkelijk in zijn gebed tot God. Mijn ziel dorst naar God, naar de levende God. Daar strekt zich dus zijn dorstend hart naar uit.

En dan is het duidelijk. Ook voor het hart van deze dichter gaat het om twee dingen: dood of leven. Omkomen of behouden zijn. Drinken of sterven. Het is net als bij het hert, weet u wel? En dan voor de dichter heel nadrukkelijk toegespitst: God tot zijn Deel hebben, of niet. Binnen zijn of buiten moeten blijven. Deze zanger heeft geen deel aan het leven met de Heere, als Heere Zélf zijn Deel niet is.

 

Gods ‘heimwee-kinderen’ kunnen uiteindelijk niet leven als ze niet kunnen zingen. Je kunt niet zingen, gemeente, zolang je keel brandt van dorst. Daar hebt u nu precies het verlangen van deze man Gods. Hij wil zo graag zingen voor de Heere. Dat is het heimwee. Maar hij kán het niet. Hij heeft zo’n vreselijke  dorst. Mijn ziel dorst naar God...

Mijn ziel… dat wil niet alleen zeggen: de binnenkant van mijn leven. Maar dat wil zeggen: heel mijn bestaan. Mijn ziel en lichaam hijgen, en dorsten naar God in een land, dat dor en mat van droogte brandt, waar niemand lafenis kan krijgen.

Je ziel, gemeente, dat is heel je leven; in de kerk en op het werk en in je huishouden. Dat doortrekt heel je bestaan. Daar ben je bij betrokken met alles wat in je is.

 

Mijn ziel dorst naar U, o God. Op dat laatste komt het aan voor de dichter. Op dat laatste komt het ook aan voor u en mij. Dorst u naar God? Uiteindelijk wordt elk mensenleven gekenmerkt door dorst. Wat is er een dorst naar de zonde, een dorst naar de begeerlijkheden van de ogen, een dorst naar de grootsheid van het leven, een dorst naar de waanwijsheid van de Farizeeën en de Schriftgeleerden, een dorst naar geld en goed, een dorst naar godsdienst opdat we toch nog wat betekenen zullen.

Dát is nu ons aller deel van nature. Sinds wij de Springader van het levende water hebben verlaten, smachten we van dorst naar de bronnen van de ongerechtigheid.

U zegt: Ja, dat zijn de mensen van de wereld. Hoort u daar ook bij, of staat u daar boven? Gemeente, als u niet te hoogmoedig bent om met de wereld op één hoop geveegd te worden; als u nu niet te hoogmoedig bent om met de tollenaren en zondaren gerekend te worden – dan is er hoop voor u. Als u aan die mensen voorbijgaat in hoogmoed en in eer en aanzien – dan vrees ik voor u.

Geef nu eens rekenschap van uw dorst in uw leven. Waar gaat het u om, waar leeft u  voor? Dat vragen de broeders als ze op huisbezoek komen. Ik zeg niet dat u geen huis mag hebben, ik zeg niet dat u geen bezittingen mag hebben, dat u geen kinderen mag hebben, dat u geen fijn huwelijk mag hebben; al die dingen zijn een gave van de Heere.

Maar als dat nu álles is? Hoe rijk het ook is – dan komt u precies alles tekort. Jezus heeft tegen de Samaritaanse vrouw gezegd: Een ieder die van dit water drinkt, die zal weer terugkomen. Want die zal opnieuw dorst krijgen. Een ieder die van dit water drinkt, zal wederom dorsten (Johannes 4:13).

 

God roept u weg, gemeente, bij de brakke wateren van de zonde. God roept u weg bij de ongerechtigheden van uw leven. God zegt: Zo kom je om! God roept u weg bij uw eigengerechtigheid. God roept u weg bij uw godsdienst, waarmee u meent voor God te kunnen bestaan. Want daar kom je ook mee om. U kunt links van de weg afgaan, u kunt er ook rechts afvallen. U komt om, zegt God.

Maar nu zegt de Heere: Ik begeer uw dood en uw ondergang  niet. Ik begeer je eeuwige dood niet, meisjes en jongens, maar je behoud en je leven. Want er is genade bij God, zelfs voor de grootste  der zondaren. De Heere roept met al de liefde van Zijn hart: O alle gij dorstigen, komt tot de wateren … (Jes. 55: 1). Dat wil zeggen:  kom tot de hemelse goederen die God u aanbiedt in Zijn Evangelie.

 

O, denk er toch om, gemeente: wat staat u te wachten als u buiten God zult sterven? Als u sterft met de dorst naar de wereld in uw hart, dan staat u dit te wachten: u zult vragen om een druppel water tot verkoeling van uw tong. De rijke man klaagt: Ik lijd smarten in deze vlam (Lukas 16:24). De Heere legt vandaag Zijn Woord open en Hij buigt Zich over uw verloren leven. Hij komt met de aanbiedingen van Zijn genade, met de  aanbieding van Christus aan de deur van uw hart… 

Als Hij niet aangeboden wordt, kan Hij ook niet verworpen worden. Maar Hij is gekomen tot het Zijne – daar hoort u ook bij – en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen (Joh. 1:11). Die hebben Hem verworpen. Die hebben gezegd: Weg met zo Eén…. O, maar dan blijft er geen slachtoffer meer over voor uw zonden (Hebr. 10:26).

De Heere roept. Hij klopt op de deur van uw hart en zegt het: Mijn zoon, geef Mij uw hart… (Spr. 23:26). Hij wil dat u de eer van God weer zal gaan bedoelen in uw leven. Hij wil dat uw leven weer glans zal krijgen door de duisternis en de macht van de zonde heen.

Want er is er Eén gekomen in deze wereld, opdat Hij de macht van de duisternis en de hel verbreken zou. Ik bedoel de Heere Jezus Christus. De dorst buiten God – dat is de dorst naar de afgoden. Maar dat zijn dode goden. Die hebben wel oren, maar ze horen niet; die hebben wel ogen, maar ze zien niet. Afgoden waren er voldoende in de landstreek van de Jordaan en daaromheen, bij de heidenvolkeren. Als het de dichter om afgoden te doen was geweest, ach, dan had hij ze wel kunnen vinden.

Maar hij zegt juist heel nadrukkelijk: Alzo dorst mijn ziel naar God.  Als je dan vraagt: Welke God bedoel je, dichter? - dan zegt hij: Eén. Ik bedoel er maar Eén, namelijk de levende God.

 

Dat is toch een heel bijzondere uitdrukking, gemeente: de levende God. Waarom dan? Wel, als de Heere zo over Zich laat spreken, bedoelt Hij voor Israël de God van het Verbond te zijn. Dat is de God Die leeft. Hij heeft een hart dat kan liefhebben. Een God met handen die kunnen vertroosten en kunnen sterken in moeite en in verdriet. Hij is de levende God, Die met Zijn oren het gekerm en het geroep van Zijn ellendigen kan en wil horen. Hij is de levende God met innerlijke bewegingen van barmhartigheid. Daarom staat er in de Heilige Schrift dat Hij een God Die tot in het diepst van Zijn innerlijk barmhartig is en bewogen met zondaren die tot Hem de toevlucht nemen.

 

De Heere is de levende God. Er zijn zoveel mensen die leven met een godsbeeld dat niet beantwoordt aan de Heilige Schrift. Voor veel mensen die leven onder het Woord, is God als een rots in de zee: de Onveranderlijke. Is God dan niet de Onveranderlijke? Ja, zeker wel. Maar niet zoals een rots staat in de zee. De golven klotsen er tegen, eeuw in, eeuw uit, maar die rots blijft precies dezelfde en verandert niet. Jaar in, jaar uit blijft die rots dezelfde; er verandert niets aan; die staat daar, massief en dreigend.

Zo denken veel mensen over God: God is onbeweeglijk. Ach ja, maar Hij is niet de onbewogen, massieve God Die niet van Zijn  plaats te krijgen is. Nee, God is een God Die van Zichzelf heeft laten zeggen dat Hij Zich wil laten verbidden. Is God dan de Veranderlijke? Nee, God is de Levende. Dát wil de dichter hier duidelijk maken. God is de levende God.

 

Heere, zonder U kan ik niet leven. Zonder U is het leven mij bitterder dan de dood. Uit al de nood en verdrukkingen van zijn ziel perst zich de roep omhoog: Heere, waar bent U? Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten? (Matth. 27:46) Mijn God, ik roep des daags, maar Gij antwoordt niet; en des nachts, en ik heb geen stilte (Psalm 22: 3). Waarom bent U ver van mijn verlossing, o God? Waarom hebt Gij mij verlaten?

U zegt: Maar dat is toch een kruiswoord: Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?  Dat is toch een kruiswoord uit de mond van de Heere Jezus Christus?

Gemeente, u hebt gelijk. Dat is waar. En ik zeg: Gelukkig! Want daarmee raken we precies de diepste kern van deze psalm. De diepste kern: dat is niet de dichter, dat bent u niet. Maar de diepste kern is onze Heere Jezus Christus. Christus is in dit woord. Dit woord is allereerst op Hem van toepassing. Want, gemeente, er is nog nooit iemand op aarde geweest die zó heeft doorleefd wat het zeggen wil om te leven onder de verberging van Gods aangezicht, als juist de eigen Zoon van God.

Heel Zijn lijdensweg  is een bittere en zware weg geweest. Maar het bitterst is het lijden geworden aan het einde, toen Hij op Golgotha in de drie-urige duisternis heeft gehangen. Toen verborg God Zijn aangezicht voor Zijn eigen Kind, hoewel de Heere Jezus de teer beminde Zoon van Zijn Vader in de hemel bleef. Toen tastte Hij naar de hand van Zijn God, en Hij vond die niet. Toen daalde Hij neer in de diepte van de hel, en uit de diepte riep Hij naar omhoog, maar vond de hemel gesloten.

Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen, alzo schreeuwt mijn ziel tot U, o God! Mijn ziel dorst naar God, naar de levende  God. Daar bedekte de duisternis het leven van de Middelaar Gods en der mensen. Toen was God van God verlaten. En het verbergen van God was voor Christus bitterder dan de dood.

 

Gemeente, in deze psalm staan voetstappen – de voetstappen van de Kruiskoning. Hij is afgedaald in de diepste diepten. Want Hij wilde volkomen Borg zijn – Borg tot in al de geledingen van Zijn opdracht.

Wat zien we juist zó Zijn borgtocht heerlijk tot openbaring komen. Zo heeft Hij willen hangen in de honger van hen die hongeren  en dorsten naar de gerechtigheid van Christus. Zo heeft Hij Zich één verklaard met heel Zijn Kerk, uitverkoren tot het eeuwige leven. Zo heeft Christus Zich één verklaard, ook met de zanger van deze  psalm. Mijn kind, Ik ben u voorgegaan, Ik ben u vooruit gegaan in de verlatenheid.

 

Gemeente, hoe diep ook onze weg mag zijn – en ik weet, daar is verschil in – nooit zal ze zo diep wezen als de weg van de Zaligmaker. Dan druppelt ook van deze tekst het bloed van Christus. En daarom, hoezeer u gebukt gaat onder het missen van de Heere; hoezeer  uw hart roept en schreeuwt; hoe onmogelijk het ook is om van uw kant tot God te komen – in de aanvallen van de duisternis en verlatenheid is de grote Voorzanger van Psalm 42 bij u. Hij zegt: Zing het Mij maar na, Mijn kind. Want Ik ben afgedaald in de diepste diepten, opdat Ik het u vóór zou zingen.

 

Misschien zegt u: Die 42-ste psalm, dat is nu mijn psalm. Ik gun het u graag, als u maar niet vergeet dat het allereerst de psalm van een Ander is. Het is allereerst de psalm van de Heere Jezus Christus. Hij heeft Zich deze psalm eigen gemaakt. Door de zwaarte van het kruis heen, door de diepte van de dood heen, door het graf heen. Hij heeft Zich deze psalm eigen gemaakt door de Godverlatenheid heen. Want dwars door deze verdrukkingen heen, dwars door het lijden van de hel heen, heeft Hij het leven aan het licht gebracht. De Heere zal des daags Zijn goedertierenheid gebieden.

Gemeente, daar vallen lichtstralen van Pasen door de duisternissen van de Godverlatenheid heen. En daarom – in Hem is hoop. Ook nu. Als deze psalm nu uw psalm geworden is, hebt u dat lied van Hem ontvangen. Zo alleen kan onze ziel schreiend bewegen naar God in het hongeren en dorsten naar de gerechtigheid van Christus. Hoe donker het dan ook mag wezen, toch vallen de eerste lichtstralen hier al, bij het begin van de psalm, door de duisternis heen. Te midden van alles wat neerdrukt, is daar de roep aan het adres van de levende God.

 

Gemeente, als het zó in uw leven ligt, als het u om de levende God te doen is en om de gemeenschap met Hem, zult u niet beschaamd uitkomen. De Heere zal niet  beschamen degenen, die het van Hem verwachten (naar Psalm 25:3). Als het ons om deze God te doen is, zal de Heere ervoor zorgen dat het heimwee, gewerkt en gewekt door Zijn Heilige Geest, ook vervuld zal worden.

Uit Wie? Uit Christus. Geen andere bron, van waaruit ons de voorrechten van het Evangelie zullen toevloeien, dan uit deze ene Bron. Heere, wil dan uit die volheid bedienen, opdat onze ziel niet van dorst zal omkomen, en opdat we te midden van de verlatenheid nog reden zullen hebben om het te zingen met Psalm 130, daarvan het vierde vers.

 

Hoopt op den Heer’, gij vromen;

Is Israël in nood,

Er zal verlossing komen;

Zijn goedheid is zeer groot;

Hij maakt, op hun gebeden,

Gans Israël eens vrij

Van ongerechtigheden;

Zo doe Hij ook aan mij!

 

De schreeuw van de ziel om God: waaruit die schreeuw opkomt, waarop die schreeuw zich richt, en in de derde plaats wat die schreeuw kenbaar maakt.

 

3. Wat die schreeuw kenbaar maakt

Weet u wat hier zo wonderlijk is, gemeente? Dat de Heilige Geest de balling laat zeggen: Wanneer zal ik ingaan en voor Gods aangezicht verschijnen? Als de balling bidt, gloort daarin toch immers de dageraad van de hoop! Dan spreekt daarin toch het geloof, het geloof van al Gods heiligen. Het geloof is een genade die aangevochten wordt. Maar het is ook een genade die overwint. Want het geloof overwint de wereld.

Nu, dat geloof mag ook de dichter hier beoefenen, als hij zegt: Wanneer zal ik ingaan? Hij zegt niet: Zou ik nog wel een keer ingaan? Het is voor hem dus niet twijfelachtig. Dat hij zal ingaan, is een uitgemaakte zaak voor het geloof. Hij vraagt alleen: Wannéér zal ik ingaan? Hoort u het vertrouwen daarin? Heere, U kunt toch van Uw Woord niet af? U zult toch niet verlaten wat Uw hand begon? U zult het toch voleindigen tot op de dag van Jezus Christus?

 

Wanneer zal ik ingaan? Kijk, dat is het nu, gemeente: staan in de poorten van de dood, en roepen om het leven. Lijden aan de verberging van Gods aangezicht, en vragen om het Licht van Gods aangezicht. Ver bij de Heere vandaan zijn, en verwachten dat je mag ingaan voor het aangezicht van de Heere. Niets bezittend, maar naar alles uitziend en zeggen: Heere, mag ik Uw goedertierenheden proeven en smaken? Belijden dat het van mij uit nooit kan, en toch zeggen: Heere, wilt U de weg banen? Alles tegen hebben, maar toch God overhouden.

U kent misschien de uitdrukking wel, zoals onze ouden die gebruikten: ‘De klomp tussen de deur zetten.’ Even ter verduidelijking voor onze meisjes en jongens. Vroeger waren er kooplieden die aan de deur kwamen met allerlei spullen: veters en band en knoopjes en garen, enzovoort. Dat waren vaak heel gewiekste mensen. Als de deur openging, was het eerste wat ze deden: de voet tussen de deur zetten, want dan kon je die deur niet dicht doen. Dan konden ze in ieder geval hun boodschap meegeven: Ga eens aan je moeder vragen, of ze nog iets nodig heeft. En ja, je was zo goed of zo kwaad niet, of je moest wel gaan, want die klomp stond tussen de deur.

 

Zo is het ook in het leven van het geloof. Alles tegen hebben, en toch de klomp tussen de deur zetten – in alle eerbied en heiligheid – bij de God des hemels. U zegt: Ja, zou dat nu wel kunnen? Zou dat nu wel mogen? Gemeente, ik zou haast zeggen: Het kan niet anders! Waarom? Dat is de olie van de Heilige Geest, Die het vuur brandende houdt in ons leven. Hij geeft aan waar het ons om te doen is in ons leven, namelijk om God.

Heere, wanneer mag ik bij U zijn? Wanneer mag mijn ziel zich weer verblijden vanwege Uw tegenwoordigheid? Heere, sterk me toch in de weg die U met mij gaat.

Als de Heere bezig is het geloof van Zijn kinderen te  sterken, wordt dat heimwee hoe langer hoe sterker. De dorst wordt steeds sterker en de honger komt steeds meer openbaar. Het gaat erom dat het heimwee van het hart vervuld wordt. Dat is hier op aarde nog maar een begin; het heimwee wordt hier altijd nog maar ten dele vervuld. Straks zal het heimwee echter eeuwig volkomen vervuld zijn. De dichter heeft ervan gezongen: Verzadiging der vreugde is bij Uw aangezicht, (…) eeuwiglijk (Psalm 16:11).

 

Dat is de heerlijke toekomst. Maar het begin daarvan ligt in het strijdperk van dit leven. Het begin daarvan zal ook werkelijkheid moeten zijn voor ons hart. Heel persoonlijk. Want hoe zult u in de eeuwigheid voor God kunnen verschijnen om te zingen en te spelen voor Zijn aangezicht, als u het hier in beginsel niet geleerd hebt?

Voor God verschijnen. Dat wil zeggen: het aangezicht van God weer zien in gunst en genade. Onze Dordtse Leerregels zeggen dat de aanschouwing van het aangezicht van God voor de godvruchtigen zoeter is dan het leven. Dus… de verberging van Gods aangezicht is bitterder dan de dood, maar de aanschouwing daarvan is zoeter dan het leven.

 

Hoe kan dat, gemeente? Dat kan alleen langs de ene Weg, Die God gebaand heeft. Die Weg is Jezus. Want Hij zegt: Ik ben de Weg, en de Waarheid, en het Leven (Joh. 14: 6). Zo zag de Israëliet van het Oude Testament op de ark. Hij wist dat die in het heilige der heiligen stond. En aldaar zal Ik bij u komen en Ik zal met u spreken van boven het verzoendeksel af …’ heeft de Heere gezegd (Ex. 25:22).

 

Heere, dan moet ik dáár zijn om Uw stem te horen, om Uw aangezicht te zien. Dan moet ik daar zijn, waar het offer gebracht wordt. Zonder bloedstorting zal er geen vergeving zijn. Want, Heere, bij U, mijn Koning en mijn God, dáár verwacht mijn ziel een heilrijk lot.

Zingt u dat mee, gemeente? Is dat ook het verlangen van uw hart? O, er kan zoveel op afkomen. Het kan aangevochten worden en er kunnen zoveel stormen opsteken in ons leven. Dan zeg je: Wat blijft ervan over?

Nu, als we deze psalm lezen, blijft er dit over: O, God. Te midden van het woeden: O, God. Dat is het vaste punt dat overblijft: O, God. Hoe bedrukt ook, hoe bezwaard ook van hart. O, hoor dan hoe er ook in deze psalm een stroom ruist: de stroom van Gods genade in het werk van de Heere Jezus Christus. Hij is in dit woord. En waar Hij Zijn voetstap zet, daar druipt het al van vet, daar zal Hij het al ten zegen doen gedijen.

 

U moet er dus maar op letten, gemeente, of u te midden van de strijd en zorgen de voetstappen van de Koning mag opmerken, de voetstappen van de Herder. Let toch op de voetstappen van de Koning in de woestijn van deze wereld. Let op de plaatsen waar de Koning is vóórgegaan. Dan zult u niet beschaamd uitkomen. Dan zal Hij u vervullen uit Zijn gezegende volheid. Waar we zó de Herder der schapen mogen volgen, daar doen we afstand van alles wat van ons is.

 

Maar Híj gaat voor. Hij gaat voor naar het Vaderhuis met zijn vele woningen, waarvan Johannes gezegd heeft, toen hij de gezaligden zag: Zij zullen niet meer hongeren en zullen niet meer dorsten (Openb. 7:16). Waarom niet meer? Daar is de scheiding opgeheven. Daar is het aangezicht van God tot in alle eeuwigheid. Daar is het Lam; daar is het Kind van de Vader Thuis, het Kind met een hoofdletter.

Daar zijn ook álle kinderen Thuis, en dat alles ter wille van Hem, Die hing in de verberging van het aangezicht van God op Golgotha. Maar het licht des levens is Hem opgegaan op de paasmorgen. Laat na de sabbat begon het te lichten. De duisternis is voorbij en het licht is opgegaan.

Welnu, dat licht wil de Heere ook nu nog laten verspreiden. Opdat we in onze duisternissen en in onze moeiten en zorgen het tóch mogen doorleven, als Goddelijke genade: Het licht is voor de rechtvaardige gezaaid, en vrolijkheid voor de oprechten van hart.

Amen.

 

Slotzang: Psalm 149 vers 5

 

 

Zo zal de heerlijkheid der vromen

Op ’t luisterrijkst tevoorschijn komen;

Zo schenkt Gods goedheid hun begeren;

Lof zij den Heer’ der heren.