Ds. S.W. Janse - Johannes 18 : 1 - 9

Jezus’ borgwerk

Zijn arrestatie (naar aanleiding van de verzen 1 tot en met 3)
Zijn vraag (vers 4 tot en met 7)
Zijn bevel (in vers 8 en 9)

Johannes 18 : 1 - 9

Johannes 18
1
Jezus, dit gezegd hebbende, ging uit met Zijn discipelen over de beek Kedron, waar een hof was, in welken Hij ging, en Zijn discipelen.
2
En Judas, die Hem verried, wist ook die plaats, dewijl Jezus aldaar dikwijls vergaderd was geweest met Zijn discipelen.
3
Judas dan, genomen hebbende de bende krijgsknechten en enige dienaars van de overpriesters en Farizeen, kwam aldaar met lantaarnen, en fakkelen, en wapenen.
4
Jezus dan, wetende alles, wat over Hem komen zou, ging uit, en zeide tot hen: Wien zoekt gij?
5
Zij antwoordden Hem: Jezus den Nazarener. Jezus zeide tot hen: Ik ben het. En Judas, die Hem verried, stond ook bij hen.
6
Als Hij dan tot hen zeide: Ik ben het; gingen zij achterwaarts, en vielen ter aarde.
7
Hij vraagde hun dan wederom: Wien zoekt gij? En zij zeiden: Jezus den Nazarener.
8
Jezus antwoordde: Ik heb u gezegd, dat Ik het ben. Indien gij dan Mij zoekt, zo laat dezen heengaan.
9
Opdat het woord vervuld zou worden, dat Hij gezegd had: Uit degenen, die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik niemand verloren.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 27: 5,7
Lezen : Johannes 18: 1-11
Zingen : Psalm 41: 4,5
Zingen : Psalm 56: 4, 6
Zingen : Psalm 54: 1, 4

Gemeente, in biddend opzien om licht van boven willen wij Gods Woord bedienen uit het u voorgelezen Schriftgedeelte: de eerste negen verzen van Johannes 18. We lezen nu alleen vers 8b:

 

Indien gij dan Mij zoekt, zo laat dezen heengaan.

 

Deze woorden bepalen ons bij: Jezus’ borgwerk.

 

We noemen u drie gedachten:

1. Zijn arrestatie (naar aanleiding van de verzen 1 tot en met 3);

2. Zijn vraag (vers 4 tot en met 7);

3. Zijn bevel (in vers 8 en 9).

 

  1. Zijn arrestatie

Gemeente, Johannes vult de andere evangelisten aan. Mattheüs, Markus en Lukas hebben hun Evangelie ongeveer 60 jaar na de geboorte van Christus geschreven. Johannes schrijft zo’n 30 jaar later zijn Evangelie; rond het jaar 90. Als hij oud geworden is en hij de pen ter hand neemt, schrijft hij onder meerdere over dingen die de andere evangelisten hebben laten liggen, of soms heel kort hebben weergegeven. Johannes geeft ze dan wat uitvoeriger weer. Soms zwijgt hij over gebeurtenissen.

 

Leest u nu vers 1 van ons teksthoofdstuk mee: Jezus dit gezegd hebbende, ging uit met Zijn discipelen over de beek Kidron waar een hof was in welken Hij ging en Zijn discipelen.

Jezus heeft tijdens Zijn leven veel woorden gesproken. Bladert u maar terug: in het bijzonder de hoofdstukken 14 tot en met 17 van het Johannesevangelie bevatten woorden van afscheid en allerlei woorden van troost, die Jezus tot Zijn discipelen sprak. Ook in de nacht waarin Hij verraden werd; terwijl ze op weg waren naar de paaszaal, en terwijl ze door de donkere straten van Jeruzalem gingen op weg naar de Olijvenhof. Jezus geeft altijd onderwijs! Afscheidswoorden. Troostwoorden. Ontroerende woorden, zoals in het hogepriesterlijk gebed waarin Hij zo innig met Zijn Vader spreekt.

 

Jezus dit gezegd hebbende, ging uit met Zijn discipelen… Kinderen, hoeveel discipelen waren er bij Jezus? ‘Elf’, hoor ik je zeggen. Inderdaad! Judas was er niet meer bij. Judas had de deur van de paaszaal achter zich dichtgegooid.

Het was nacht. We lezen in het eerste vers: Jezus dit gezegd hebbende, ging uit met Zijn discipelen over de beek Kidron, waar een hof was, in welken Hij ging en Zijn discipelen. U ziet hen gaan: ze passeren de beek Kidron, een snelstromende beek. Nu, in de maand Nisan – het is dan ongeveer maart, april – is het een beek die niet zoveel voorstelt: een klein stroompje. Door deze beek stroomde het afval van de tempel. Door die beek gaan ze naar de Olijvenhof.

Jongens, meisjes, wie ging ooit ook door die beek? Je zegt vast: ‘David! Toen hij met gescheurde kleding werd nagezeten door zijn zoon Absalom.’

Inderdaad! En nu zien we de meerdere David, de grote Davidszoon, ook die beek oversteken. Hij gaat met Zijn discipelen naar een bekende plaats; de Olijvenhof. En dan lezen we de zo veelzeggende woorden: En Judas, die Hem verried, wist ook die plaats, dewijl Jezus aldaar dikwijls vergaderd was geweest met Zijn discipelen.

 

Ze gaan die donkere hof in. Gemeente, daarmee betreden ze heilige grond. Waarom heilig?

Wel, Johannes zwijgt daarover. Hij gaat ervan uit dat zijn lezers dat weten uit de andere evangeliebeschrijvingen. Heilige grond! Zijn zweet werd daar tot grote druppels bloed. Daar was Christus in zware strijd en bad Hij met diepe ernst. Daarom is het een heilige hof! Een heilige Middelaar!

 

Het was een bekende plaats. Zelfs voor Judas. Het was een gebedsplaats. Op die Olijfberg bad Christus in de eenzaamheid, ook aan de voet van de Olijfberg, in de Olijvenhof. Daar gaf Hij soms zelfs ’s nachts onderwijs vermeldt Lukas in zijn evangeliebeschrijving. Dat is een zegen! Wat een wonder als het zo mag zijn: zelfs bij nacht onderwijzen mij mijn nieren (Ps.16:7). Zó verging het de discipelen bij ogenblikken ook! En nu gaan ze juist naar déze plaats toe! De Olijvenhof.

Hij wordt vergezeld door Zijn elf discipelen, maar alléén zal Hij de pers gaan treden! Hij zal alléén de wijnpersbak van Gods toorn betreden. Hij zal de gramschap van God tegen de zonde dragen en wegnemen!

Je ziet ze gaan. Naar de plaats waar de Heere Jezus met Zijn discipelen vaak samen was geweest.

 

Gemeente, Johannes schrijft ook over Judas. We mogen daar niet overheen lezen. Drie jaar lang is hij met de Heere Jezus omgegaan. Leest u mee? Vers 1: En Judas die Hem verried. Vers 3: Judas dan, genomen hebbende. En vers 5: En Judas, die Hem verried, stond ook bij hen. Je kunt het je toch nauwelijks voorstellen? Zojuist is het Pascha bediend. We weten niet of Judas aan het avondmaal gezeten heeft. Guido de Brès zegt in onze belijdenis van wel. In elk geval heeft Judas in de tegenwoordigheid van Christus gegeten en gedronken. Judas, de verrader. Zo meteen zal hij Jezus met een kus verraden!

 

Judas. Het noemen van zijn naam vraagt voor u én voor mij om zelfonderzoek. ‘Doorgrond me en ken mijn hart, o Heer’! Is hetgeen ik denk niet tot Uw eer? Ben u er ook weleens bang voor? Dat je een Judas bent? ‘Dominee, als ik dit hoor voorlezen, zou het dan mogelijk kunnen zijn dat ook ik als een Judas, als een huichelaar, openbaar zal komen? Ook al draag ik een ambt, Judas droeg het ook!’

Het dragen van een ambt zegt toch niets? Al zit ik aan de avondmaalstafel, de vraag is toch: ken ik Christus persoonlijk?

Judas heeft Hem verraden. Hij was een disgenoot van Christus, zegt Psalm 41. Hij heeft met Christus de bete ingedoopt in de schotel. Hij heeft – zo vroom als hij was – gevraagd: ‘Ben ik het, Heere?’ Maar kom, gemeente, als u bevreesd bent op een schadelijke weg te wandelen, vraag dan: ‘Heere, leid mij op de eeuwige weg.’ Als we Judas’ naam noemen, zou dat ons moeten opscherpen. Het kan soms zo vér gaan, het kan soms zo veel lijken! Ondanks dat anderen ons houden voor een kind van God. Of dat predikanten of ambtsdragers ons misschien overnemen. En tóch, een Judas zijn.

 

Johannes is er diep van onder de indruk. Hij legt er, door Gods Geest geleid, de vinger bij: Judas dan, genomen hebbende de bende krijgsknechten en enige dienaars van de overpriesters en de farizeeën, kwam aldaar met lantaarnen, en fakkelen, en wapenen. Kinderen, er komt een hele troepenmacht aan. Judas wijst ze de weg naar de hof.

Wat is dat voor leger?

Het zijn krijgsknechten, Romeinse soldaten, die heel wat mans zijn, die voor geen kleintje vervaard zijn. De soldatenlaarzen hoor je stampen in de duisternis van Gethsémané.

Wie zien we nog meer? Wel, niet alleen Romeinen met een zwaard, maar ook de tempelpolitie. Ze worden ‘dienaars van de overpriesters en de Farizeeën’ genoemd. Ze hebben als taak het heiligdom te bewaken en de orde te handhaven. Ze zijn ook opgetrommeld.

 

De Hoge Raad heeft Pilatus overgehaald en deze heeft toestemming gegeven om een bandiet op te pakken. Daar komt het arrestatieteam. Opsporing verzocht!

Maar wie wordt er gezocht?

Een crimineel? Iemand die staatsgevaarlijk is? Iemand die uit de weg geruimd moet worden? Een bedreiging voor de samenleving?

Kinderen, het gaat om een Man – met een hoofdletter – Die onrust veroorzaakt. Om Hem heeft Pilatus ze gestuurd. Het gaat om de Man Die op het veulen van een ezelin zat. ‘Hosanna! Hosanna!’, heeft de massa geroepen. Maar straks zal de menigte roepen: ‘Kruist Hem! Kruist Hem.’

Daar komt het arrestatieteam de hof binnen. Ze weten waar Jezus is want ze hebben een gids bij zich; het is Judas. Ze zijn goed bewapend en dragen lantarens en fakkels. Alles licht op door die toortsen, die lantaarntjes en die oliekruikjes! Want die Jezus zal maar ontsnappen!

 

Het is dwaas wat hier gebeurt, zegt u. Ja, inderdaad! Ze zoeken het Licht der wereld met lantaarns en fakkels. Ze zoeken Hem in de duisternis, terwijl Hij van Zichzelf sprak dat Hij het Licht des levens is en dat wie in Hem gelooft in de duisternis niet zal wandelen. Ze gaan achter de Held der hulp aan, Die machtig is te verlossen van de zonde! Deze Held, Die vaardig is het pad van Gods geboden te lopen, zullen ze binden en meenemen naar het rechthuis.

Het is trouwens opmerkelijk dat kerk en wereld de handen ineen slaan tegen Jezus. Kerk en wereld staan vaak tegenover elkaar en kunnen vaak niet door één deur, maar nú wel. Ze lopen te hoop: ‘Weg met Hem!’ Ze zijn het hartelijk met elkaar eens: Jezus moet uit de weg geruimd! 

 

Maar gemeente, ik zie u óók lopen! En jou ook! Misschien achteraan in die stoet, maar toch...

Ik hoor u zeggen: ‘Lopen wij er echt ook bij?’

Ja, inderdaad! Gewapend met zwaarden en met stokken.

‘Ja maar, ik ben toch godsdienstig?’

Dat moge waar zijn, maar denkt u dat die overpriesters niet godsdienstig waren?

Zeker! Ze meenden misschien wel met Saulus Gode een dienst te bewijzen. Gemeente, daar lopen we, en klinkt de roep: ‘Laat ons Zijn banden van ons werpen! Laat ons de touwen verscheuren!’ En ik hoor een jongere zeggen: ‘Ga weg van mij! Ik wil niet dat U Koning over mij zult zijn!’

Dát is ons beeld, kijk maar eens goed. Ziet u uzelf lopen in deze stoet op weg naar Jezus? Op weg naar Hem, maar wel om Hem te arresteren. Hij wordt immers gezocht!

Maar dat is toch dwaasheid? Hij Die zegt: ‘Zoek Mij en leef!’ Hij Die laat verkondigen dat Hij de Zoon des mensen is om te zoeken wat verloren is – Hij wordt Zélf gezocht.

Nee, niet om Hem te aanbidden, niet om Hem te voet te vallen, maar om Hem gevangen te nemen. Hij Die u wil arresteren, wordt door ú gearresteerd!

Wat is dat aangrijpend! Wat zijn we toch dwaas, als we onbekeerd verder leven. Als we ons aansluiten bij deze stoet, zoals wij mensen dat van nature doen. Misschien niet met Judas vooraan, handenwringend, en met een grijns op ons gezicht. Maar tóch, we lopen mee.

U zegt misschien: ‘Dat is toch wel het toppunt van de zonde!’

Ja inderdaad! Eén Die ons van de zonde verlossen wil, gaan wij gevangennemen.

 

Zijn arrestatie was onze eerste gedachte. Wat gebeurt er vervolgens?

Met deze vraag komen we bij onze tweede gedachte:

 

  1. De vraag van Jezus

Jezus dan wetende alles wat over Hem komen zou, ging uit en zeide tot hen: Wien zoekt gij? Laat deze woorden eens tot u doordringen: Jezus dan ging uit...

Kinderen, wat deed Adam in de Hof van Eden?

‘Nou’, zeg je denk ik, ‘Adam vluchtte weg. Hij kroop weg in het struikgewas.’

Inderdaad, Adam kwam niet naar voren toen hij door de Heere gedagvaard werd met de vraag: Waar zijt gij? (Gen.3:9).  Nee, Adam niet, maar Jezus, de tweede Adam, treedt in de hof van Gethsémané wél naar voren.

Jezus dan ging uit. Hoe?

Onbevreesd! Adam vreesde wél. Ik ben naakt; daarom verborg ik mij (Gen.3:10). Maar Jezus vreest níet. O nee! Hij is gewillig! Hij heeft als het ware de beker in Zijn hand: ‘Die drinkbeker die tot de rand gevuld is, zal Ik drinken. Niet Mijn wil, maar o Vader, Uw wil geschiede!’ In vers 10 en 11 zal Hij die woorden herhalen.

 

Jezus dan ging uit. Hij gaat uit, ook vandaag, om naakte zondaren te bekleden die net als Adam moeten zeggen: ‘Ik heb niets.’ Hij gaat uit om zondaren te bedekken met Zijn bloed- en borggerechtigheid. Misschien hebt u wat vijgenbladeren genomen, net als de eerste Adam, om uzelf nog wat te fatsoeneren, om uzelf op te knappen en om uzelf te bedekken. Wat is het nodig dat de Heere u eraan ontdekt, want dan krijgt Zijn allesbedekkende gerechtigheid zóveel waarde!

Jezus dan ging uit. Daar gaat Hij: de Heere, ónze gerechtigheid! Het is alsof we Hem in de stilte van de eeuwigheid horen zeggen: ‘Zie, Ik kom, o God, om Uw wil te doen. Om Uw welbehagen te doen.’ In de tijd brengt Hij dat ten uitvoer: er kan niet anders betaald worden dan door de dood van de Zoon van God.

Zondaar, u die niets bezit om te betalen, hier is uw betalende Borg!

 

Vervolgens lezen we: Jezus dan wetende alles wat over Hem komen zou. Ook dat is opmerkelijk. Over het ‘weten’ van Jezus heeft Johannes al meer geschreven. Bijvoorbeeld in hoofdstuk 13: En voor het feest van het pascha, Jezus wetende dat Zijn ure gekomen was, dat Hij uit deze wereld zou overgaan tot den Vader, alzo Hij de Zijnen, die in de wereld waren, liefgehad had, zo heeft Hij hen liefgehad tot het einde.

Kinderen, Jezus weet alles. Hij wist wat Hem zou overkomen, Hij wist wat er op Zijn pad zou komen.

Je zegt nu misschien wel: ‘Hij had toch weg kunnen vluchten? Hij wist dat Hij gearresteerd zou worden. Hij had die weg naar de hof niet in moeten slaan.’

Maar de Heere neemt die weg wél! Adam was ongehoorzaam in de eerste hof maar déze Adam is gehoorzaam in de tweede hof. Jezus Christus, gehoorzaam tot de dood des kruises. Hij twijfelt niet. Hij gaat daar als Koning. Hij spreekt als een Profeet met priesterlijke bewogenheid.

 

Gemeente, ziet u Hem staan, daar in de hof? Hij weet álles wat over Hem komen zal. ‘Hoe zwaar, hoe smartelijk valt dit lijden voor Zijn gemoed!’ En toch, Hij deinst niet terug, zoals straks die soldaten, maar Hij treedt vóórwaarts. Hij komt tevoorschijn. Het is alsof Hij wil zeggen: ‘Vader, hier ben Ik!’ Een Bijbelverklaring zegt: ‘Hij ontbloot als het ware Zijn borst: Laat die pijlen maar komen!’ O, Hij wijkt niet voor de satan. Hij is gewillig. Zó staat Hij daar, in het duister van de hof. En wat vraagt Hij dan?

In vers 4 staat het: Wien zoekt gij? 

 

Jezus opent Zélf het gesprek. Je zou verwachten dat die bende zou vragen: ‘Bent u de man die we zoeken?’ Maar nee, Hij neemt het heft in eigen handen. Hem loopt niets uit de hand. Daarom vraagt Hij: Wien zoekt gij? Het is een liefelijke vraag die Hij stelt. Het hart van deze levende Koning, Profeet en Hogepriester, klopt erin.

Wien zoekt gij? Jongens, meisjes, wat zoeken jullie?

Misschien zeg je wel: ‘Het leven! Het lacht me toe. Aan het einde van mijn leven wil ik nog niet denken.’

Of zoek je het wáre leven?

Dan moet je hier niet op de aarde zijn. Sla de krant maar eens open bij de overlijdensberichten: een jongen van zeventien, van vierentwintig. Het is eeuwigheid geworden. Misschien het leven gezocht. De Heere weet het.

O, zoek toch het leven in de Koning – Jezus, Die daar levend staat. Voor wie? Voor vijanden. Voor goddelozen. Gemeente, zelfs die overpriesters zijn daarbij ingesloten!

Je zegt misschien eerlijk: ‘Ik zoek de zonde. Ik zoek het genot. Dat drink ik op als water.’

Jongelui, als je de zonde zoekt, blijft er een leegte over. Er blijft niets over.

Maar nu de vraag zoals die er staat. Niet: ‘Wát zoek je, maar Wie zoek je, Wie zoekt u?’

De krijgsknechten wisten het antwoord wel. Maar, gemeente, het gaat hier ten diepste om een Persóón – de Heere Jezus.

 

Mag ik wat lessen trekken uit deze vraag: Wien zoekt gij? Zitten er mensen in de kerk die Jezus zoeken?

Dan bent u God gaan zoeken met ingespannen krachten. Dan leeft het in uw of jouw hart: Ik zal U hartelijk liefhebben, Heere, mijn Sterkte! (Ps.18:2). Bent u God kwijt en Hem daarom gaan zoeken? Zijn er hier mensen die geleerd hebben dat ze zonder Christus niet verder kunnen en in de kerkbank uitroepen: ‘Geef mij Jezus, of ik sterf. U zoekt mijn hart! Mijn oog blijft op U staren?’

Kom, jongeren! Zoek je Hem met ingespannen krachten? Óf kan Hij je gestolen worden? Dat zou aangrijpend zijn! Daarom de vraag: Wien zoekt gij? Wat is dit een ernstige, indringende, maar ook een liefelijke vraag!

 

De soldaten zijn op zoek naar Jezus, Die goeddoende het land doorging. Ze zijn op zoek naar Jezus, Die melaatsen heeft gereinigd. Ze zijn op zoek naar Jezus, Die ‘wonderen deed op wonderen horen.’ Ze zijn op zoek naar Jezus, Die op het tempelplein predikte. Naar Jezus Die de wil van Zijn Vader deed en doet. Alleen, het is een ánder zoeken dan de Schrift leert.

Kom, gemeente, hoe zoekt ú?

U zegt: ‘Er is niemand die naar God vraagt en naar God zoekt.’

Dat is waar. Dat is onze doodstaat. Maar nu zoekt God nog mensen op door middel van deze liefelijke vraag. Het gaat van Hém uit! Wien zoekt gij?

Wat leeft er in uw hart? Waaraan heeft u uw ziel verpand? Waarin ligt eigenlijk uw leven? Als de Heere – met eerbied gesproken – uw ziel zou ontleden, wie zou er dan uitkomen? De duivel óf Christus? Mag u dan op goede gronden zeggen: Heere, Gij weet alle dingen! Gij weet dat ik U liefheb! (Joh.21:17). Kom, is Hij de liefste van uw ziel? Heeft Hij de liefde van uw hart?

 

Bij deze bende is dat bepaald niet het geval. Zij antwoordden Hem: Jezus de Nazarener. Kort en krachtig. Verachtelijk: ‘Jezus. die Man uit Nazareth. Kan er uit Nazareth iets goed komen?’ Nazareth… Als er opstandjes of opstootjes waren, dan was er vaak wel iemand uit Nazareth bij betrokken. Mensen met een wat rebelse geest. Hier staat zo’n ‘rebel’. Jezus, de Nazarener!

Maar wie zoek jij, wie zoekt u? Zegt u het ook zo verachtelijk?

Misschien durft u het zó wel niet te zeggen. Maar van nature is dit wél de taal van ons hart: ‘Jezus, de Nazarener.’ We moeten niets van Hem hebben, net als deze vijanden. We hebben níets met Hem op. We hebben Hem voor geen geld en goud nodig, laat staan om niet.

Jezus, de Nazarener… Maar misschien zeggen nu arme zondaren: ‘Ja, ik zoek Hem wél. Door genade kan ik Hem niet missen: Jezus, de Zaligmaker. Jezus, Die verlost van het grootste kwaad en brengt tot het grootste goed. Ik moet in Gods gunst en gemeenschap hersteld worden!’

Wel, Jezus doet dit! Wat is Hij daarom noodzakelijk, wat is Hij daarom gepast voor zondaren die zonder Hem niet leven kunnen.

Zoekt u ook deze Jezus, Wiens naam hier zo verachtelijk wordt uitgesproken?

O, maar weet u wie er in zekere zin ook zo verachtelijk zijn? Die arme zondaren! Weet u wie niet in tel zijn? Dat is dat zondaarsvolk dat naar Jezus uitziet en om Hem verlegen is. En daarom roepen ze uit: ‘Jezus, naar U gaat mijn hart uit!’ Ja, die Naam is voor ’t oprecht gemoed van al Zijn gunstvolk goed! (Ps.52:7 berijmd).

 

Wat is nu het antwoord van Jezus?

We lezen het in vers 5: Ik ben het. Zoveel zegt de Heere Jezus eigenlijk niet, vindt u wel? Een paar woordjes maar. Eén zinnetje. Een kort antwoord. Het laat aan duidelijkheid niets te wensen over. In het Grieks staat er: ‘Ik, Ik ben het.’ Hij legt de nadruk op Zichzelf. Hij mag dat doen, want Hij wijst Zichzelf aan.

Dat mág Hij doen. Hij heeft dit al zo vaak gedaan. Jullie kennen toch de ‘Ik ben’ uitspraken van de Middelaar wel? Ik ben het Licht der wereld (Joh.8:12). Ik ben het Brood des levens (Joh.6:35). Wel, hier zegt Jezus: ‘Ik. Ik ben het!’

Zo spreekt Hij nog steeds. Weet u dat Hij zo ook sprak toen Hij Zich bekendmaakte aan de Samaritaanse vrouw? Ik ben het, Die met u spreek (Joh.4:26).

Gemeente, de discipelen die eerder bevreesd waren, zijn het nu weer. Ze zijn weliswaar nog bij Jezus, maar aanstonds zullen ze zich bij wijze van spreken, net als Adam in het struikgewas verschuilen. 

 

We zien dat Jezus Zich ook bekend maakt aan vijanden: ‘Ik, Ik ben het.’ Hier staat Hij. Kom, heeft Hij Zich weleens bekend gemaakt aan uw ziel? Mocht u zeggen: ‘Ja, Hij is gekomen, Die mijn ziel liefheeft?’ Gods kinderen gaan Hem hartelijk beminnen. Hier staat Hij Die tot Jozua gezegd heeft: Ik ben de Vorst van het heir des HEEREN; Ik ben nu gekomen (Joz.5:14). Ze roepen het uit, en misschien jij ook wel: Zeg Gij tot mijn ziel: Ik ben Uw heil alleen (Ps.35:3). Hij openbaart Zich ook nu nog. Ook aan vijanden! Hij maakt zich in de Olijvenhof duidelijk bekend: Ik, Ik ben het! Het is alsof Hij zeggen wil: ‘Ik ben tot uw dienst bereid. Ik, Ik ben het. Ik sta hier gereed. Ik ben nog machtig om te verlossen.’

 

Wie zoekt u? We noemden zo-even die vraag een liefelijke vraag. Hij had de engelen kunnen gebieden en heel die bende uit kunnen roeien. Hij had Zichzelf over kunnen leveren zonder nog Zijn naam te noemen. Maar, gemeente, Hij maakt Zich nog bekend. Ook tijdens deze dienst.

Nee, niet alleen aan Gods volk. Het aanbod van genade komt tot alle hoorders. Algemeen. Onvoorwaardelijk. Welmenend. Hij zegt in de prediking van het Evangelie: Ik, Ik ben het!

Ga dan niet zonder Hem verder. Val Hem te voet. Buigt u dan in het stof. Hij komt nog tot vijanden. Is dát geen wonder van opzoekende zondaarsliefde? Hij opent Zijn hart nog. Hij breidt Zijn handen de ganse dag nog uit tot een ongehoorzaam en wederstrevend volk. Hij zegt: ‘Zie, hier ben Ik! Zie, hier ben Ik!’ Met andere woorden: Zie op Mij! Wendt u naar Mij toe, wordt behouden (Jes.45:22). Die boodschap, die nodiging gaat nog uit tot de zaligheid, ook vandaag. Wat erg, jongeren, als je doorgaat! Daarom, kust de Zoon, gemeente!

 

Daar staat de Zoon van God. Judas heeft Hem met een kus verraden, maar desondanks zegt de Heere: ‘Toe! Kus dan de Zoon. Uw onreine lippen op Mijn reine lippen. Onderwerp u aan deze Middelaar. Omhels deze Zaligmaker. Verneder u onder Zijn krachtige hand, opdat Hij u verhoge te Zijner tijd.’

Zal het niet verschrikkelijk zijn als ik Hem niet kus? Als ik zo door leef?

Daar spreekt de tekst ook over: Als Hij dan tot hen zeide: Ik ben het, gingen zij achterwaarts en vielen ter aarde. Hij vraagde hun dan wederom: Wien zoekt gij? En zij zeiden: Jezus den Nazaréner (Joh.18:6,7).

 

Dus kinderen: Ik ben het. Als Jezus dat zegt, dan valt die hele bende achterover. Je moet het goed lezen: ze vallen niet vóórover, op hun gezicht, met hun neus in het stof, maar ze klappen áchterover. Daar liggen ze, op de grond. En het waren er heel wat, we weten niet precies hoeveel. Sommige schriftuitleggers denken aan 200 mannen – we laten dat maar rusten – maar het zijn in ieder geval geoefende strijders, die voor geen kleintje vervaard zijn. Daar liggen ze. In één ogenblik geveld. Het is de hand van God Die hen achterover werpt. Gemeente, de Heere heeft maar één wenk van Zijn alvermogen nodig. Er is maar één woord nodig om de vijand op de grond te drukken.

Wat een aangrijpend gebeuren! Ik ben het, spreekt Jezus, en ze weken achterwaarts en vielen ter aarde. Terstond. Direct. De majesteit van God, de hoogheid van de Allerhoogste, de almacht van de Heere der legermachten wordt in dit ogenblik zichtbaar.

 

Meisjes, jongens, hebben jullie dat ook weleens gezien? Heb je Gods grootheid, Zijn almacht, Zijn Goddelijke majesteit weleens gevoeld in je leven? Toen je bij een graf van een vriend stond, misschien? Toen je bij het sterfbed van je lieve moeder zat? Toen u iemand grafwaarts moest brengen? Toen u in het ziekenhuis was opgenomen en een ernstige uitslag ontving? Was het toen niet zo dat u achterover viel, en de Heere tot u zei: ‘Kom tot bezinning. Kom tot inkeer. Zo kan het niet verder. Zó kunt u Mij niet ontmoeten, zó kunt u voor Mijn rechterstoel niet verschijnen!’

 

Die soldaten vallen achterover. Het is een voorteken van de wederkomst van de Heere. Dan zullen alle ogen Hem zien, ook degenen die Hem doorstoken hebben. Dan zullen ze ook achterover geworpen worden, maar dan voor eeuwig: Hij zal de aarde slaan met de roede Zijns monds, en met de adem Zijner lippen zal Hij de goddeloze doden (Jes.11:4). Zó worden die vijanden vernederd, opdat Christus verhoogd zal worden. Zó worden die vijanden hier neergeveld, en straks – als ze niet tot bekering komen – zullen ze horen: Deze Mijn vijanden die niet hebben gewild dat Ik over hen Koning zou zijn, brengt ze hier en slaat ze hier voor Mij dood (Luk.19:27)!

Dit maakt de prediking hoogst ernstig. Het is geen verhaaltje of een praatje. O nee! Als de Zaligmaker nu zó vriendelijk nodigt om de zoom van Zijn kleed aan te raken, als Hij tot ons zegt: Wien zoekt gij, en we verharden ons en laten ons niet door Hem leiden, dan zal dit ons deel zijn! Dan zullen we door Gods majesteit voor eeuwig worden getroffen en dan, dán zal het te laat zijn. Voor eeuwig te laat!

 

Gemeente, denk eens terug aan die ogenblikken dat er enige overtuiging was in uw ziel. Ik weet dat het daarbij niet kan blijven. Want er zijn ook algemene overtuigingen – dat blijkt in deze geschiedenis ook, want de bende krabbelt weer op en staat weer overeind. Vraag daarom of de Heere verder werkt in uw leven. Vraag om Zijn bijzondere overtuiging, of Hij Zijn liefde uitstort.

 

Wat is het verschil tussen een algemene en bijzondere overtuiging?

Wel, de discipelen zijn ooit in hun leven vóórover gevallen. Gods kinderen weten daar ook iets van. Ze zijn door de liefde van God in hun hart aan de voeten van Christus terechtgekomen. Ze hebben voor de Heere in het stof mogen buigen. Dat is een goede plaats! Daar wordt een zondaar klein, daar wordt een zondaar nederig en ootmoedig. We staan zonder genade zo hoog. Maar de Heere kan ons echter door één druppel liefde aan Zijn voeten brengen. Dan word ik vernederd en klein!

Kent u dat? Dan val je niet áchterover, maar vóórover. Dan mag u de voeten van deze Koning natmaken met uw tranen en zeggen: ‘Al moet ik sterven aan Uw voeten, ik kan U tot in eeuwigheid niet meer missen! Al moet ik met Esther zeggen: ‘Kom ik om, zo kom ik om’, ik val U toe in Uw heilig recht.’ Dan valt u niet áchterover, maar gaat u God te voet vallen; dan mag u aan de kant van God staan. Daar kennen de discipelen iets van, maar ook al Gods kinderen. Wie dáár terecht komt, wie voor Hem neervalt, wordt door Hem weer opgericht. Hij raapt hen op en spreekt: Vrees niet, geloof alleenlijk! (Mark.5:36). Hij vat zulke zondaren bij hun rechterhand, en leidt ze naar Zijn raad. De Heere geeft ze dan een plaats in het hart van de Middelaar: Ik, Ik ben het Die uw overtredingen uitdelg, om Mijnentwil, en Ik gedenk uw zonden niet (Jes.43:25).

 

Johannes kende die plaats ook: En toen ik Hem zag, viel ik als dood aan Zijn voeten (Openb.1:17). Als dood! Nee, dan valt u niet dood. Dat kan niet. De Heere laat Zijn kinderen niet in de wanhoop omkomen. Als dood aan Zijn voeten. Zó onwaardig, zó doodschuldig, zó veroordeeld en onrein. Maar er staat in datzelfde vers: Hij legde Zijn rechterhand op mij, zeggende tot mij: Vrees niet; Ik ben de Eerste en de Laatste (Openb.1:17).

 

Kom, bange zondaar, Hij legt Zijn rechterhand op u. ‘Hij zal leiden ’t zacht gemoed in het effen recht des Heeren; Wie Hem nederig valt te voet, zal van Hem Zijn wegen leren.’ (Ps.25:4 berijmd).

 

We gaan zingen uit de 56e psalm, de verzen 4 en 6:

Gij weet, o God, hoe 'k zwerven moet op aard';
Mijn tranen hebt G' in Uwe fles vergaard;
Is hun getal niet in Uw boek bewaard,
Niet op Uw rol geschreven?
Gewis, dan zal mijn wreev'le vijand beven,
En, als ik roep, straks rugwaarts zijn gedreven.
Dit weet ik vast: God zal mij nooit begeven;
Niets maakt mijn ziel vervaard.

Gij hebt mijn ziel beveiligd voor den dood;
Gij richt mijn voet, dat hij zich nimmer stoot';
Gij zijt voor mij een schild in allen nood;
Gij hebt mijn smart verdreven;
Uw dierb're gunst is m' altoos bijgebleven;
'k Zal, voor Gods oog, naar Zijn bevelen leven;
Zo word' door mij Zijn naam altoos verheven;
Zo word' Zijn lof vergroot.

Gemeente, ten slotte onze derde gedachte:

 

3. Jezus’ bevel

Jezus antwoordde: Ik heb u gezegd dat Ik het ben. Indien gij dan Mij zoekt, zo laat dezen heengaan. Daar staan ze weer, overeind, alsof er niets gebeurd is. Ze kijken Christus in de ogen. Hij geeft hen als antwoord: Ik heb u gezegd, dat Ik het ben.

Hij herhaalt Zijn vraag: Wien zoekt gij?

Weer zeggen ze: ‘Jezus, de Nazarener.’

Zeg, Judas, zou je niet buigen? Zeg Judas, zou je niet naar voren komen en zeggen: ‘Meester! Wat heb ik gedaan? Ik heb U verraden!’

Maar niets daarvan. Hij verhardt zich!

Gemeente, zo kan het gaan: hoe meer nodigingen, hoe meer we die in de wind slaan en verachten, des te harder we worden. Zo hard als een steen. Daarom, nogmaals: Kust de Zoon, opdat Hij niet toorne (Ps.2:12).

Wat zegt Jezus vervolgens?

Voor de derde keer spreekt Hij: Ik, Ik ben het! Jezus spreekt als Koning.

 

Gemeente, die Romeinse soldaten hebben gebeefd als een rietje maar de schrik was gauw over. Zo gaat het zo vaak! We kunnen onder tranen de kerk verlaten. Jongens en meisjes, misschien word je ’s nachts wel eens wakker en denk je dat de Heere terugkomt, dan lig je bevend in je bed, met schrik in je geweten, maar de volgende dag is het over. Twee dagen later is het weggeëbd. Dan is het dus niet het ware werk van God, want dat verbindt aan Jezus! Zó ligt het bij de discipelen.

 

Dan vers 9: Indien gij dan Mij zoekt, zo laat dezen heengaan.

Wie zijn die ‘dezen’? Dat zijn die discipelen die vóór het avondmaal nog ruzie gemaakt hebben. Nee, niet om de vraag wie de minste was – dat is zo’n verkeerde twist nog niet – maar wie de meeste was. Ze hebben aan één tafel gezeten, maar wat hebben ze er weinig van begrepen. Wat waren ze blind voor bloed en beker. Wat waren ze blind voor het bloed en het borgwerk van deze enige Hogepriester. Dezen… Dat zijn degenen die van de Vader gegeven zijn, zegt vers 9. Die gaat Hij toebrengen, toen, maar ook nu nog, door middel van Zijn offerande, door middel van de prijs die Hij betaald heeft en door de toepassing van Zijn levendmakende Geest.

Indien gij dan Mij zoekt, zo laat dezen heengaan. Het zijn mensen die wegvluchten en die Hem verlaten, alle elf. Ja, Petrus probeert nog wat te redden door zijn zwaard te trekken. Maar dat zwaard moet in de schede terug. Hij zal Jezus niet van Zijn lijden kunnen afhouden, want Hij gaat voort, voorttrekkend in Zijn grote kracht, rood aan Zijn gewaad.

 

Gemeente, laat dezen heengaan, is de kern van het lijdensevangelie dat nu klinkt. Het is de samenvatting van het Middelaarswerk van de door God gezonden Knecht des Heeren. Hij is in de plaats van de Zijnen gaan staan. Hij staat vóór Zijn discipelen. Hij treedt voor hen uit. Hij gaat vóór, opdat zij mogen volgen. Borgtocht, Borgwerk. De goede Herder stelt Zijn leven voor Zijn schapen.

Ja, het zijn zwarte schapen, alle elf. Maar, Hij loopt niet weg. Nee! Hij legt Zijn leven in de weegschaal van Gods recht. En daarom zullen zij niet verloren gaan in der eeuwigheid. Dat staat in vers 9: Uit degenen die Gij Mij gegeven hebt, heb ik niemand verloren.

Johannes schrijft dit alles op als hij op hoge leeftijd is gekomen: ‘Dit moet nu allemaal gebeuren, opdat de Schrift vervuld zal worden.’ Hij stalt de heerlijkheid van de Zoon van God uit, zowel in Zijn vernedering als in Zijn verhoging, in Zijn bitter lijden, voorafgaande aan Zijn kruisiging, en hier in de hof van Gethsémané. Wat schittert hier de heerlijkheid van Immanuel!

 

Indien gij dan Mij zoekt, zo laat dezen heengaan…
U zegt: ‘Dat kan ik niet begrijpen.’

Nee, dat is ook niet te begrijpen. 

Het is onbevattelijk! Gemeente, als ik dit wonder vatten wil, staat mijn verstand vol eerbied stil.

Ik hoor u zeggen: ‘Het is ondoorgrondelijk.’

Inderdaad, er spreekt grondeloze barmhartigheid uit deze woorden. De discipelen zullen Hem verlaten, maar Hij zal ze niet verlaten, in dure tijd en hongersnood. Hij staat voor hen in. Jezus zegt: ‘Ik spring in de bres. Ik zal Borg zijn. Dat heb Ik beloofd en nu maak Ik het waar: niet één van Mijn woorden laat Ik ter aarde vallen. O, Ik zal de benauwdheid ingaan, om u in de ruimte te stellen.’ Daarom zegt Hij: indien gij dan Mij zoekt, zo laat dezen heengaan.

 

Daar staan ze: dezen. De discipelen… Verward, verbaasd en bevreesd door alles wat gebeurd is en nog komen gaat. Ze gaan het vege lijf redden.

Maar tóch is Jezus tot hun behoud genegen. Hij is de Behouder des levens. Hij zal voor hen de dood ingaan. Hij wordt gebonden opdat Hij dezen zal ontbinden.

 

Kinderen, zien jullie Hem Zijn handen uitstrekken? Die milde handen die kinderen hebben gezegend? Die slijk aan de ogen van blinden hebben gestreken? Die melaatsen, de paria’s van de samenleving, hebben aangeraakt? O, die handen… Die handen worden nu gebonden, opdat Hij u, gebonden zondaar, in de banden van de dood, zou ontbinden. Is dat ook jouw verzuchting: ‘Heere, verlos mij van de banden waarin de boze mij beknelt?’

 

Jongelui, je denkt misschien dat je vrij bent, maar je bent helemaal niet vrij. Je zit vast aan een slavendrijver, maar nu is Jezus gekomen om de vorst der duisternis te verdrijven en om slaven tot dienstknechten te maken van de allerhoogste God. Er ligt zo’n ruimte in dit Woord: Zo laat dezen heengaan.

De Heere Jezus eist een vrijgeleide voor Zijn discipelen. Zij mogen gaan. Hij gaat in hun plaats staan. Daarom zijn Gods kinderen vrij, want indien dan de Zoon u zal vrijgemaakt hebben, zo zult gij waarlijk vrij zijn (Joh.8:36). Ze mogen staan in de vrijheid van de kinderen van God: enerzijds gebonden aan het Woord, aan de Borg, gebonden aan Zijn geboden, maar toch zijn ze vrij, want er is een liefdesband. Het is een koord van goedertierenheid. Daarom kunnen ze van Jezus niet af en kan Jezus van hen niet af.

 

Wat een troost. We gaan ermee eindigen. Opdat het Woord vervuld zal worden – dat wordt hier voor de vierde keer in het Johannesevangelie gezegd. Niemand zal verloren zal gaan. Wie? Wel diegenen die Hem van de Vader gegeven zijn. Er zal geen klauw van achterblijven. Al zegt de satan: ‘Je gaat verloren!’ Al zeggen de binnenpraters: ‘Het is een verloren zaak.’ Al moeten ze toestemmen wat de duivel zegt: ‘Ja, inderdaad, van mijn kant is het verloren. Voor eeuwig verloren!’ Toch zullen ze voor eeuwig behouden zijn. Waarom? Omdat ze behouden zijn als door vuur. Ze horen bij Hem Die door de Vader gegeven is. Ze zijn verkoren. Ze zijn gekocht. Ze zijn bemind en daarom zullen ze niet verloren gaan in eeuwigheid.

 

Wat ligt de zaligheid vast, gemeente! Het is geen ‘misschientje’! De zaligheid staat niet op losse schroeven: Uw onbezweken trouw, van God in Christus, zal nooit, nooit, nooit, de val van de Kerk gedogen, maar Uw gerechtigheid hen – ook die discipelen – naar Uw Woord verhogen!

 

Amen.

 

Onze slotzang is Psalm 54 vers 1 en 4:

 

O God, verlos mij uit den nood,
En red door Uwen naam mijn leven;
Mijn rechtszaak zij aan U verbleven;
Och, of Uw arm mij bijstand bood!
O God, sla acht op mijn gebed,
Neig tot mijn rede gunstig d' oren,
En wil mijn bitt're klacht verhoren;
Zo word' ik uit den angst gered.

 

Want God wil mij Zijn bijstand biên.
Hij heeft mij 't onheil doen ontkomen,
En mijn benauwdheid weggenomen:
lk heb mijns vijands val gezien.