Ds. A. Elshout - Mattheüs 5 : 9

Vreedzamen worden zalig gesproken

Waar komt de vreedzaamheid van die zalig gesprokenen vandaan?
Hoe wordt deze vreedzaamheid zichtbaar?
Wat is de vrucht van die vreedzaamheid?

MattheĆ¼s 5 : 9

Mattheüs 5
9
Zalig zijn de vreedzamen; want zij zullen Gods kinderen genaamd worden.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 84: 1
Lezen : 2 Petrus 3
Zingen : Psalm 34: 6, 7, 8
Zingen : Psalm 103: 9
Zingen : Psalm 122: 3

Geliefde gemeente, de tekst waarvoor wij uw aandacht vragen vindt u in het negende vers uit Mattheüs 5:

 

Zalig zijn de vreedzamen; want zij zullen Gods kinderen genaamd worden.

 

Wij worden bepaald bij: De zaligspreking van vreedzamen.

 

Naar aanleiding van dit thema willen wij een antwoord geven op drie vragen:

 

  1. Waar komt de vreedzaamheid van die zalig gesprokenen vandaan?
  2. Hoe wordt deze vreedzaamheid zichtbaar?
  3. Wat is de vrucht van die vreedzaamheid?

 

De eerste vraag is dus:

 

  1. Waar komt die vreedzaamheid van die zalig gesprokenen vandaan?

 

Gemeente, in de Heidelbergse Catechismus wordt in Zondag 25 de leer over de sacramenten behandeld. Sacramenten heeft de Heere ingesteld om Zijn kinderen meer zekerheid te verschaffen over de vergeving van hun zonden en het bezit van het eeuwige leven. Uit genade, op grond van het enige offer van Christus, aan het kruis volbracht!

De Heere weet dat er om werkelijk rust te hebben voor een ziel, zekerheid nodig is. Want zonder zekerheid kan er voor de ware vromen geen rust voor de ziel zijn! Daarom heeft Hij Woord en sacrament ingesteld. Woord en sacrament zijn de middelen waarvan de Heilige Geest Zich bedient om in het strijdperk van dit leven zekerheid te verschaffen.

 

In het antwoord van Zondag 25 de klinkt heel duidelijk het geluid van de Reformatie door, dat de zuivere leer naar de godzaligheid opnieuw in het centrum plaatst. De Rooms Katholieke Kerk leert geen heilszekerheid. Wat is daarvan de achtergrond? Wel, volgens Rome kan niemand van zijn zaligheid verzekerd zijn! Niemand is volmaakt én niemand zal ooit volmaakt zijn. Rome beweert dat mensen die zeggen wél verzekerd te zijn van hun zaligheid hoogmoedige, vermetele, mensen zijn. Nee, zegt Rome, niemand kan en mag van zijn zaligheid verzekerd zijn, want niemand is volmaakt en geen mens weet wat er nog gebeuren kan, dus: geen zekerheid!

De Heere Jezus heeft het heel anders geleerd! Híj heeft niet gezegd: ‘Er is een mógelijkheid van zaligheid voor de armen van geest, voor de treurigen, voor de zachtmoedigen, voor diegenen die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, voor de barmhartigen, voor de reinen van hart, voor de vreedzamen…’

Zo heeft de Heere Jezus niet gesproken! Hij zei: ‘Zálig zíjn ze.’ Niet: ze kúnnen zalig worden, maar: zalig zijn ze! Die zekerheid is niet afhankelijk van of verankerd in het werk van een mens. Ook niet in het werk van de kinderen van God, want hun werken blijven in dit leven onvolmaakt. Dat is zeker.

De zekerheid en de zaligheid hangen gelukkig niet af van menselijke trouw en ook niet van Gods kinderen! Nee, hun zekerheid ligt verankerd in de genade en trouw van de Heere; Hij is getrouw in de vervulling van de belofte. Geloofszekerheid hangt niet af van menselijke volmaaktheid, maar ligt verankerd in de volkomenheid van God; in Zijn verbondstrouw aan de Zijnen!

Zalig zijn de vreedzamen! De Heere Jezus heeft de zaligsprekingen uitgesproken opdat de ware gelovigen zekerheid zouden hebben. Dáárin ligt het vast en daarop zijn ook de zaligsprekingen gebaseerd. Wij willen er een ogenblik bij stilstaan.

 

We kunnen de zaligsprekingen vergelijken met een ladder met een achttal sporten die behulpzaam kan zijn ons uit de put halen, zodat we tot vastheid en zekerheid kunnen komen. We kunnen voor de zaligsprekingen ook het beeld gebruiken van een wegwijzer. U weet wel: hij vertelt ons welke weg naar een bepaalde plaats leidt; die wegwijzer wijst naar een bepaald doel. Dat is de eerste functie van een wegwijzer.

Een andere functie van zo'n wegwijzer is, om degenen die onderweg zijn, keer op keer te verzekeren: ‘U bent op de goede weg.’ Door de zaligsprekingen verzekert de Heere de Zijnen tegenover al de twijfels die ze hebben. Hij zegt als het ware: ‘Ik heb uw voeten door Mijn genade geplaatst op het spoor van de godsvrucht. U bent op de goede weg en u zult zeker op uw bestemming aankomen, al bent u er nog niet! Haast u! Spoed u om uws levens wil! Niet door angst gedreven, maar uit kinderlijke gehoorzaamheid aan Mijn wil.’

 

Zalig zijn de vreedzamen… U mag deze zaligspreking dus niet op zichzelf laten staan; u moet haar lezen in de context van het geheel van de zaligsprekingen! U moet ook niet denken dat er met de verschillende zaligsprekingen elke keer verschíllende groepen mensen worden aangesproken! Nee! Het zijn steeds dezélfde mensen: de ware vromen, de ware gelovigen, die door de Heilige Geest met Christus zijn verenigd. Door het ware geloof, vanuit een van Godswege wedergeboren hart. Ze worden elke keer vanuit een andere kant belicht! De mensen die vreedzaam zijn, zijn dezelfde mensen als de armen van geest, dezelfde als de reinen van hart, maar ‘in een andere werkzaamheid’, zouden we kunnen zeggen.

 

Zalig zijn de vreedzamen, want zij zullen Gods kinderen genaamd worden! Wie zijn die Gods kinderen? Allen die wedergeboren zijn én degenen die nog Gods kinderen kunnen en zullen worden. Met alle heil dat eraan verbonden is. De Heere Jezus zegt van hen dat ze vreedzaam zijn.

Is dat het enige wat van hen te zeggen valt? Nee, ook in dezen moeten we de Schrift in haar geheel lezen. Gods kinderen zijn in de eerste plaats kinderen van God, omdat ze daartoe genadig en soeverein zijn uitverkoren van voor de grondlegging der wereld. Dat leert ons de Heilige Schrift, tot roem van Gods vrije gunst, die eeuwig Hem bewoog.

In de tweede plaats zijn zij kinderen van God, omdat Christus met de prijs van Zijn dierbaar borgwerk die aanneming tot kinderen heeft verworven.

En in de derde plaats zijn zij kinderen van God, omdat zij uit genade door de Heilige Geest tot kinderen van God zijn gemaakt. Deze Geest heeft hen op het moment van de wedergeboorte tot nieuwe schepselen gemaakt. Want Hij heeft hen naar Gods beeld herschapen.

Er staat in de Schrift: Want zovelen er door de Geest Gods geleid worden, die zijn kinderen Gods (Rom.8:14). Eén van de kenmerken van dat door de Geest van God geleid worden, is het arm van geest zijn. Andere kenmerken van een kind van God zijn: treuren, zachtmoedig zijn, hongeren en dorsten naar de gerechtigheid. Weer een ander kenmerk is: barmhartig zijn, rein van hart zijn, en in onze tekst worden ze vreedzaam genoemd.

 

Zalig zijn de vreedzamen. Of, zoals het ook vertaald kan worden: zalig zijn de vredemakers. Door onze zonde en die van alle mensen is er onvrede in de wereld. Onvrede met God en onvrede met elkaar. God wil echter vrede! Met Hem en met elkaar. In Jesaja 27 vers 5 lezen we dat de Heere wil dat wij vrede maken met Hem! Dat we Hem smeken om vergeving en ontferming. Letterlijk staat er: Of hij moest Mijn sterkte aangrijpen, hij zal vrede met Mij maken; vrede zal hij met Mij maken.

Mijn sterkte aangrijpen?

Ja, dat staat er. Het wil zeggen: onze toevlucht zoeken bij Hem, Die God heeft gegeven tot een Middelaar en Zaligmaker van verloren Adamskinderen. Als boetelingen oprecht onze zonden belijden en tot Zijn gerechtigheid de toevlucht zoeken en bij Hem te schuilen; God te smeken om de vrede, om Jezus' wil.

God biedt die vrede aan in Zijn Evangelie, op voorwaarde van geloof en bekering, Hij roept ons ernstig toe: Och, of gij ook bekendet, ook nog in dezen uw dag, hetgeen tot uw vrede dient! (Luk.19:42). Het moet in orde komen tussen God en ons, in het verticale!

 

In Maleáchi 2 lezen we dat de stam van Levi wandelde met God, in vrede en rechtmatigheid. Om met Hem in vrede te kunnen leven is niet alleen gehoorzaamheid aan de eerste tafel van de wet des Heeren nodig, maar ook aan de tweede tafel. Wie door eigen schuld in onvrede leeft met zijn naaste en weigert vrede met hem te sluiten, leeft niet in vrede met God. Zalig zijn de vredemakers. De Heere wil dat wij in vrede met Hem, én met onze medemens leven. Daartoe zijn we volgens 1 Korinthe 7 vers 15 geroepen: God heeft ons tot vrede geroepen. We hebben het ook gezongen uit Psalm 34: ‘Jaag naar de vrede.’ Maar eerst vrede met God, en in de tweede plaats met elkaar en onze naaste.

Helaas zijn we van nature geen vredemakers, maar onvredemakers. Vandaar dat er ook zoveel onvrede is, zoveel ruzie in de gezinnen, in de kerken en in alle levensverbanden. Vandaar dat er zoveel oorlogen en oorlogsdreigingen zijn. De Schrift zegt: Vernieling en ellendigheid is in hun wegen; en de weg des vredes hebben zij niet gekend (Rom.3:16,17). Het geldt helaas voor ons allen: de weg des vredes kennen wij niet, óf we weten de weg van de vrede wel met ons verstand, maar bewandelen hem niet. We willen immers de minste niet zijn? Als er iets is, waar we een hekel aan hebben, dan is het schuld bekennen; de minste zijn voor God en voor elkaar.

 

Het vreedzaam-zijn, waarvan de Heere Jezus spreekt, is geen vrucht van onze verdorven natuur. Nee, deze vreedzaamheid waaraan onze zaligheid verbonden is, is een vrucht van de Geest!

Vreedzaamheid wordt heel duidelijk onder de vruchten van de Geest genoemd. Dit komt niet voort uit de wortel van eigenbelang, maar uit de wortel van de liefde. Die wortel doet om Gods wil de vrede najagen! In verticale en horizontale zin, in diepe afhankelijkheid van de door God gegeven Zaligmaker! Anders kán er geen vrede zijn en zál er ook geen echte vrede zijn. Echte vrede komt voort uit de vereniging met Christus, door de Heilige Geest gewerkt. Als vrucht van de verdienste van Christus, naar het eeuwig welbehagen van God. We zeggen dit met zoveel nadruk, om alle roem voor het vreedzaam-zijn toe te schrijven aan de Heere alleen!

 

Onze tweede gedachte is:

 

2. Hoe wordt deze vreedzaamheid zichtbaar?  

 

Ik zeg het nog eens : in de eerste plaats komt het aan op het vrede maken met God. Daar spreekt de Schrift steeds weer over en de psalmdichter zingt ervan: ‘Vergeef mij al mijn zonden, die Uwe hoogheid schonden.’ Dát is de weg om vrede te maken met God. ‘k Bekend’, o HEER’, aan U oprecht mijn zonden; ‘k verborg geen kwaad, dat in mij werd gevonden.’ En de tollenaar bad: O God, wees mij zondaar genadig! (Luk.18:13).

Dan wordt het zo’n wonder wanneer we dán in de Schrift lezen: Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve… (1Joh.1:9). En dat telkens en telkens weer. Zo staat ook in zondag 31 van onze Heidelbergse Catechismus: De dienaren des Woords hebben de sleutel gekregen van het Koninkrijk der hemelen om berouwvolle zondaren (boetvaardigen) het Koninkrijk der hemelen te ontsluiten en hun te verkondigen, dat zo dikwijls als zij de beloften van God met een waar geloof aannemen, al hun zonden om Christus' wil vergeven zijn.

Vrede met God! En dan volgt de vraag: Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal? (Hand.9:6); in diepe afhankelijkheid van de levende Zaligmaker, Die zei: zonder Mij kunt gij niets doen (Joh.15:5). De hand aan de ploeg te slaan, opdat God zal krijgen wat hem toekomt en de naaste wat hem of haar toekomt!

 

Zalig zijn de vreedzamen… De vredemakers, de vredezoekers! Ook de vredemakers met mensen. Als wij zelf de oorzaak zijn van ontstane onvrede met onze naaste, dan wil de Heere dat wij vrede zullen maken, door onze zonden te belijden, door te vragen om vergeving, door de minste te zijn, zelfs al menen we dat de ander meer schuld heeft dan wij.

De minste zijn; dat wil de Heere. En als Gods Geest in ons woont, dan gebeurt dat ook. Dan zullen er tijden zijn dat we de minste ook wíllen zijn! Daar zullen wij wel voor ingewonnen moeten worden, voor het eerst of opnieuw, maar het gebeurt gelukkig wel.

Wie nog nooit de vrede heeft nagejaagd, is geen kind van God. Hij of zij mag er misschien voor gehouden worden op grond van hele mooie verhalen, maar uit de vruchten kent men de boom. Als men met anderen in onvrede kan leven en geen oprechte pogingen doet om vrede te maken en vrede te houden, is dat het beste bewijs dat men nog niet door een waar geloof met Christus verenigd is. Het is ónmogelijk om door een waar geloof in Christus te zijn ingelijfd, wanneer u niet van tijd tot tijd vruchten zult voortbrengen: vruchten van vreedzaamheid, van de minste willen zijn, van het niet in onvrede kunnen en willen leven, niet alleen met God, maar ook niet met de naaste.

Vrede maken. Ook als de ander de schuldige is. Zeventigmaal zevenmaal vergeven en trachten te vergeten. Hoe dat mogelijk kan worden? Wel, dat kan in afhankelijkheid van de Zaligmaker en door het inleven dat God vergaf én vergeeft! Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren (Matth.6:12).

 

Zalig zijn de vreedzamen. Ze jagen de vrede na: in het gezin, in de familie. Ze doen wat in hun vermogen ligt om zoveel als mogelijk is vrede te bewaren met alle mensen. Dat geldt zeker in de kerk. Maar wat is er helaas ook veel onvrede in de gezinnen. Omdat we de minste niet willen zijn. Wat is het verschrikkelijk wanneer echtgenoten soms wekenlang niet tegen elkaar praten, en dát als leden van de christelijke kerk! Wanneer we als ouders niet meer met de kinderen praten, en andersom. Of als leden van dezelfde kerk. Soms zelfs zittend aan dezelfde tafel des Heeren!

De Heere zegt: ‘Bidt met een algemene stem om vrede voor Jeruzalem!’ Bidt niet alleen om vrede, maar werk er ook aan. ‘Om 's Heeren huis, in u gebouwd, waar onze God Zijn woning houdt, zal ik het goede voor u zoeken!’

 

Zalig zijn de vreedzamen. Het zijn mensen die altijd maar weer opwekken om vrede te sluiten.  Zalig zijn de vreedzamen. In de buurt waar we wonen! Als er ergens brandjes zijn – ik bedoel uiteraard figuurlijke brandjes – als er ergens onrust en onvrede is. Nee! Geen olie op het vuur werpen, maar water! Vrede maken! Hoe was de Heere Jezus niet alleen actief bezig om vrede met God te maken, maar ook als er onvrede was onder de discipelen, om vrede te bevorderen. Wat kon Hij dan ernstig en liefderijk bestraffen, als ze ruzie onder elkaar hadden wie de meeste was. Wat heeft Hij beschamende lessen gegeven: hoe de vrede kan worden hersteld en kan worden onderhouden, ook onder elkaar.

Zalig zijn de vreedzamen. Vrede bevorderen, in de buurt en op het werk onder collega's. Wat is er toch veel onrust en onvrede in de wereld. We horen over allerlei revoluties, op veel terreinen. Veel onvrede: door oneerlijke concurrentie; door allerlei wedijver, door het streven naar de hoogste posities en daarbij de ellebogen te gebruiken, en door andere oneerlijke methoden. Dat past een christen niet!

 

Zalig zijn de vreedzamen. We moeten vreedzaam zijn op alle terreinen van het leven, en in de wereld waarin we leven. Er leven terecht onder ons grote bezwaren tegen de motivatie en de werkwijze van allerlei vredesbewegingen. Maar we zijn er niet klaar mee door alleen maar te zeggen: ‘Dit is verkeerd en dat is verkeerd!’ en verder passief te blijven. Laten we trachten het beter en anders te doen. Als we zo goed weten hoe het hoort, welnu: sla dan de hand dan aan de ploeg, in diepe afhankelijkheid van de Heere. Al dit soort vermaningen kunt u terugvinden in de gehele Schrift.

Het gaat om vrede maken met God en vrede maken met elkander, waarop de Heere Jezus hier doelt. Hoogstwaarschijnlijk heeft de Heere bij deze Zaligspreking het oog gehad op een psalm, en wel Psalm 34, waarin uitdrukkelijk wordt geboden: Zoek de vrede en jaag hem na! En wat eruit voortkomt? Dat is onze derde gedachte: 

 

3. Wat is de vrucht van die vreedzaamheid?

 

Wel, zegt de Heere Jezus: Zij zullen Gods kinderen genaamd worden (Matth.5:9). Wie noemt ze Gods kinderen? In de eerste plaats: de Heere Zelf! Hij noemt de vreedzamen Zijn kinderen, want in hen is immers Zijn beeld weer zichtbaar. Hij erkent ze als Zijn kinderen! Hij ziet in hen, met eerbied gesproken, Zijn eigen beeld weer terug. Het beeld van God, dat ze door de zonde verloren zijn, wordt door de Geest van God in beginsel hersteld. God noemt ze Zijn kinderen. Dat is het belangrijkste! In Zijn Woord noemt Hij ze Zijn kinderen en de Heere behandelt ze ook als zodanig. Hij zorgt voor hen. Ze mogen Zijn gunst en Zijn heil ervaren. ‘God zal hen Zelf bevestigen en schragen, en op Zijn rol, waar Hij de volken schrijft, hen tellen, als in Isrel ingelijfd, en doen de naam van Sions kind’ren dragen.’

God behandelt hen als Zijn kinderen. Zojuist hebt u uit Psalm 34 gezongen: ‘Hebt gij in ‘t leven lust, in dagen waar men ’t goed’ in ziet, waarin men vrij is van verdriet, waar niets ons heil ontrust? Houdt dan uw tong in toom, dat zij nooit schand’lijk spreek’ of smaal’. Dat nooit bedrog of leugentaal op uwe lippen koom’! Betreedt het rechte spoor; veracht het kwaad; jaagt naar de vreê; God ziet de vromen en hun beê geeft Hij altoos gehoor.’

Als we worstelen met onverhoorde gebeden, moeten we maar eens nagaan of wij mogelijk gefaald hebben om als vredemakers met God en de naaste bezig te zijn! Het zou best wel eens kunnen dat dáár de oorzaak ligt. Want er is geen vrede, zolang we onze zonde niet belijden en bestrijden. Op dát vredestichten geeft God vrede in het hart en doet Zijn gunst, Zijn zegen ondervinden.

Dwaalt niet, zegt de Bijbel: God laat Zich niet bespotten; want zo wat de mens zaait, dat zal hij ook maaien (Gal.6:7). Zaait u onvrede, wees er dan van overtuigd dat u onvrede maaien zult. Maar zaait u vrede, dan zult u ook vrede maaien. God geeft er Zijn zegen over. Ze zullen Gods kinderen genaamd worden!

 

Door wie worden vreedzamen ook Gods kinderen genoemd? Door de kerk! Heeft dat dan zoveel te betekenen? Jazeker! Want aan de kerk heeft God de sleutelmacht van het Koninkrijk der hemelen gegeven. Wee ons als het Woord van God ons uitsluit. Dan zal God ons naar dat Woord oordelen, in dit en in het toekomende leven!

Sommige mensen zeggen: ‘Wat de kerk van mij denkt, interesseert me niet! Wat de kerkenraad van mij denkt, ook niet!’ Maar, gemeente, als de kerkenraad aan de hand van de Schrift een juist oordeel velt – hoewel zij geen hartenkenners zijn, ze kunnen alleen maar op de vruchten afgaan – houdt er dan rekening mee dat God naar dat oordeel van de Schrift oordelen zal! Het is een heel slecht teken als we onverschillig zijn hoe de kerk over ons denkt! Wee ons als we vanwege ons onrust stoken door de Schrift buitengesloten worden, buiten het Koninkrijk der hemelen. God zal ernaar oordelen, in dit en in het toekomende leven!

Maar wat een blijdschap is er als in de gemeente vruchten van bekering zichtbaar zijn in jonge mensen, in kinderen of in volwassenen! ‘Van Sion zal het blijde nageslacht haast zeggen: deez’ en die is daar geboren.’ Wat een droefheid echter als dat gemist wordt!

 

Ze zullen Gods kinderen genaamd worden. Wel, soms zullen het zelfs wereldse mensen zijn die zeggen: ‘Als er een God is, áls er kinderen van God zijn, dan is die man of die vrouw, dan is die jongen of dat meisje een kind van God!’ Het belangrijkste is echter – en dat is waar ik mee begonnen ben – dat de Heere ze Zélf als Zijn kinderen erkent en ze Zijn kinderen noemt. Ze zijn niet degenen die hun zaligheid bouwen op hun werken en hun hoop bouwen op hun doen en laten, want dat is en blijft maar zo gebrekkig. Nee! Het zijn degenen die hun heil van God verwachten, Die niet liegen kan, Die zo getrouw is als sterk, Die door middel van Zijn Woord en sacramenten heeft gezegd: Wie zijn weg wel aanstelt, die zal ik Gods heil doen zien (Ps. 50:23).

In kinderlijke gehoorzaamheid aan het Woord van de Heere zijn ze bezig zijn als vredestichters. Als armen van geest, als treurenden, als zachtmoedigen, als mensen die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid. Het wordt zichtbaar: als het ene waar is, is het andere ook waar. Het één komt uit het andere voort, ook het vreedzaam zijn; het komt voort uit het verenigd zijn met Christus, vanuit de inwoning van de Heilige Geest. Uit het levende geloof blijken de vruchten.

Zalig zijn ze, ook al is hun vreedzaamheid nog zo gebrekkig. Ook al mankeert er aan dat vreedzame nog zoveel. Al is en blijft er tot de laatste snik nog zoveel onvolmaaktheid in Gods kinderen, tóch is er voor hen geen verdoemenis vanwege het eeuwige verbond der genade, waaraan ze deelhebben. Uit vrije goedheid zijn ze zalig. De Heere heeft in deze zaligspreking een ankergrond aan de Zijnen gegeven, om daar het anker der hoop in te werpen. Hoe ellendig we ook in onszelf zijn, Hij is getrouw, Hij heeft het beloofd, Hij zal het ook doen. Niet dankzij ons, maar ondanks ons; om Zijns Naams wil.

 

Laten we daar met elkaar over zingen uit Psalm 103 vers 9:

 

Maar 's Heeren gunst zal, over die Hem vrezen,
In eeuwigheid altoos dezelfde wezen;
Zijn trouw rust zelfs op 't late nageslacht,
Dat zijn verbond niet trouweloos wil schenden,
Noch van Zijn wet afkerig d' oren wenden,
Maar die, naar eis van Gods verbond, betracht.

 

Gemeente, 2 Petrus 3 is u voorgelezen. In dat hoofdstuk werden we erbij bepaald dat we in het laatste der tijden leven. Trouwens, wie de realiteit van de tijd waarin wij leven onder ogen ziet, zal dat niet tegenspreken. Alle dingen die voorzegd zijn in de Bijbel en die kenmerkend zijn voor het laatste der dagen, zijn of worden vervuld in de tijd waarin wij leven. Hoewel niemand weet hoelang het nog duurt voordat de elementen brandend zullen vergaan. Alleen God weet het.

Maar dit weten we zeker: de tijd komt dat alles zal vergaan! Het staat er zo: Dewijl dan deze dingen alle vergaan, hoedanigen behoort gij te zijn in heilige wandel en godzaligheid (2Petr.3:11). Daarom, geliefden, (in vers 14 staat dat) verwachtende deze dingen, benaarstigt u, dat gij onbevlekt en onbestraffelijk van Hem bevonden moogt worden in vrede. Maar ik lees in Jesaja 27 vers 4 en 5: Grimmigheid is bij Mij niet; wie zou Mij als een doorn en distel in oorlog stellen, dat Ik tegen hem zou aanvallen en hem tegelijk verbranden zou? God vindt in gunst en niet in wraak Zijn lust! Want, zo volgt er: Of hij moest Mijn sterkte aangrijpen, hij zal vrede met Mij maken; vrede zal hij met Mij maken.

Wat een waarschuwing klinkt hier. Vrede zal Hij met mij maken, anders zullen we verbrand worden; anders zullen we vergaan! Zalig zijn de vreedzamen. De vredemakers met God in de allereerste plaats, en de vredemakers met de naaste op de tweede plaats. Maar rampzalig zijn degenen die in onvrede met God en hun naaste kunnen leven!

 

Benaarstigt u – zegt de apostel Petrus – dat gij onbevlekt en onbestraffelijk van Hem bevonden moogt worden in vrede. De Heere Zelf bidt: ‘Laat u met Mij verzoenen!’ Gemeente, wat hebben we al lang onder de bediening der verzoening mogen verkeren. Wat heeft de Heere toch duidelijk laten blijken dat Hij geen lust heeft in onze dood of verderf, maar daarin dat wij ons bekeren en leven. O, de Heere wil onze vréde. En daarom roept Hij ons tot bekering!

Als wij die hand echter afwijzen die de Heere ons in de prediking als het ware toereikt, als de Heere zegt: Geef de Heere de hand en komt tot Zijn heiligdom (2Kron.30:8), als wij weigeren ons heil te zoeken bij de enige Middelaar Gods en der mensen, dan zullen wij in onvrede sterven. We hebben het gezongen: ‘Hij doet hun naam met hen vergaan, door ‘t hoogste strafgericht.’

Dan zullen we niet omdat we niet uitverkoren waren verloren gaan, maar omdat God ons zal oordelen naar onze wérken. Dat leert ons de Bijbel! En waar zullen wij ons verbergen, als wij geen Borg voor onze schuld hebben gezocht en gevonden? De enige Middelaar sprak: Wendt u naar Mij toe, wordt behouden alle gij einden der aarde (Jes.45:22).

 

Zoekt daarom vrede; houdt vrede met God door het oprecht belijden van uw zonde, door het oprecht strijden tegen de zonde. Christus is tot wijsheid voor dwazen gegeven; tot rechtvaardigmaking van goddelozen; tot heiligmaking van onheiligen. ‘Welzalig hij die al zijn kracht en hulp alleen van U verwacht.’ Als boetelingen en als smekelingen; tot rechtvaardigmaking; tot heiligmaking; tot vredemaking.

Ze zijn zalig! Zo zegt de Heere Jezus het, en de sacramenten bevestigen dat ze zalig zijn. Het zijn de armen van geest, de treurenden, de zachtmoedigen, de hongerenden en dorstenden naar de gerechtigheid, de barmhartigen, de reinen van hart, de vreedzamen en de vervolgden om der gerechtigheid wil. Hij Die het beloofd heeft, is getrouw; Hij zal het ook doen. Niet om de volmaaktheid van Zijn kinderen, maar om Zijn volmaaktheid.

 

Gemeente, we zullen allen eenmaal God zien; we zullen dan oog in oog staan met de Heere. Hij zal dan oordelen, zonder ‘aanneming des persoons’ zoals de Schrift dat zegt. De psalmdichter zingt: ‘God slaat een gram gezicht op bozen die Hem tegenstaan.’ Op degenen die geen vrede met Hem of de naaste zoekt. ‘Hij doet hun naam met hen vergaan, door het hoogste strafgericht!’

Maar Hij ziet in gunst neer op wie naar Zijn wetten leeft. Hoewel de vreedzaamheid van Gods kinderen in dit leven nog gebrekkig is. Ze bezitten nog maar een klein beginsel van die nieuwe gehoorzaamheid. Dat is helaas vooral in onze tijd zichtbaar! Er zijn er nauwelijks twee die samen kunnen gaan. Wat erg! We klagen vaak over een donkere tijd; maar dat is geen wonder als we elkaar het leven zo zuur maken en daarmee God vertoornen. En dan klagen over donkerte?

 

De duivel is de grote onruststoker. Maar hou er maar gerust rekening mee: als wij onze tong óf onze hand óf onze voet óf wat dan ook uitlenen aan de duivel om onrust te stoken, dan kunnen wij er gerust op rekenen dat wij het loon van de duivel ook uitbetaald krijgen. En dat is onrust en donkerheid!

Nee, nu niet aan Gods genade gaan twijfelen of in de zonde blijven liggen! Dat wil de Heere niet. Hij roept ons tot bekering, opdat vrede ons deel mag zijn. Er is een eeuwig Verbond der Genade. Laten we ons daarom vernederen voor God en Hem om Zijn genade aanroepen, opdat wij zouden mogen schijnen als lichten, als vredemakers te midden van een krom en verdraaid geslacht!

Tot de heerlijkheid des Heeren en tot onze zaligheid!

 

Amen.

 

Psalm 122 vers 3:

 

Dat vreed', en aangename rust,
En milde zegen u verblij';
Dat welvaart in uw vesting zij,
In uw paleizen vreugd' en lust.
Om vriend en broed'ren spreek ik nu:
De vrede zij en blijv' in u;
Nooit moet haar nijd of twist verkloeken;
Om 's Heeren huis, in u gebouwd,
Waar onze God Zijn woning houdt,
Zal ik het goede voor u zoeken.