Ds. R. Kattenberg - Habakuk 3 : 19

Het slotakkoord van Habakuk

Van des HEEREN sterkte
Van der hinden voeten

Habakuk 3 : 19

De HEERE Heere is mijn Sterkte; en Hij zal mijn voeten maken als der hinden, en Hij zal mij doen treden op mijn hoogten. Voor den opperzangmeester op mijn Neginôth.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 71: 5 en 10
Lezen : Habakuk 1: 1-6, 2: 1-4 en 3: 17-19
Zingen : Psalm 18: 9 en 10
Zingen : Psalm 59: 9
Zingen : Psalm 75: 1

Gemeente, met 's Heeren hulp prediken wij u het Woord van onze God naar aanleiding van de tekst die u vindt in Habakuk 3 vers 19:

 

De Heere Heere is mijn Sterkte; en Hij zal mijn voeten maken als der hinden, en Hij zal mij doen treden op mijn hoogten. Voor den opperzangmeester op mijn Neginôth.

 

Deze tekstwoorden spreken ons van Habakuks slotakkoord. Hij zingt daarin van twee dingen:

1. van des HEEREN sterkte;

2. van der hinden voeten.

 

1. Van des HEEREN sterkte

Gemeente, er bestaat een treffend contrast, een treffende tegenstelling tussen het begin van Habakuks profetisch geschrift en het einde van zijn profetie.

 

In het begin komen we de man tegen overstelpt met vragen en vol met raadsels waarmee hij geen weg weet. Als we het begin van de profetie moeten karakteriseren, dan zouden we dat kunnen doen met één teken: het vraagteken. We lezen in hoofdstuk 1: Heere, hoe lang schreeuw ik, en Gij hoort niet? Hoe lang roep ik geweld tot U, en Gij verlost niet? Waarom laat Gij mij ongerechtigheid zien en aanschouwt de kwelling? Want verwoesting en geweld is tegen mij over, en er is twist en men neemt gekijf op. Daarom wordt de wet onderlaten, en het recht komt nimmermeer voort; want de goddeloze omringt den rechtvaardige; daarom komt het recht verdraaid voort.

Omgeven door al die vraagtekens heeft de man Gods luisterend de wacht gehouden, wachtend op wat de HEERE tot hem spreken zou. Hij heeft geloofd en het uitgesproken, dwars tegen alle bezwaren in: Maar de HEERE is in Zijn heiligen tempel. Zwijg voor Zijn aangezicht, gij ganse aarde! (Hab.2:20).

Gebeden heeft deze man, geworsteld aan de troon van Gods genade, geroepen, meer dan eens. HEERE, als ik Uw rede gehoord heb, heb ik gevreesd; Uw werk, o HEERE, behoud dat in het leven, in het midden der jaren, maak het bekend in het midden der jaren; in den toorn gedenk des ontfermens (Hab.3:2).

 

En aan het einde van zijn profetie?

Aan het einde is hij boven alle vragen en problemen uit gekomen. Ja, hij breekt uit in een jubel over de God van zijn heil.

 

Wat komt daarin het onderwijs en de wijsheid van de Heilige Geest openbaar. Dat is nu de opvoedkunde van God de Heilige Geest in het leven van het geloof en in het leven van de genade, ook vandaag.

Dan hoeven we echt niet te vragen of de HEERE ons nog eens zou willen verdrukken, of te bidden of de HEERE nog eens wat moeilijkheden of wat aanvechtingen wil geven in ons leven. Die komen toch wel. Ze zijn immers onlosmakelijk verbonden aan het kindschap van God en aan het geloof in de Heere Jezus Christus. Wat kan er geschud worden aan de boom van ons leven. Hoever kunnen zich de benauwdheden van ons hart uitstrekken, zoals David zegt: De benauwdheden mijns harten hebben zich wijd uitgestrekt (Ps.25:17). Je roept, maar de hemel blijft dicht. Je bedelt aan de troon van Gods genade, maar de HEERE doet alsof Hij niets hoort. Je komt met je vragen aan Zijn troon, maar de HEERE geeft geen antwoord.

Het is en blijft altijd weer een moeilijke les om te leren dat God Zijn kinderen oefent in het leven van het geloof door de verdrukkingen heen.

 

Wat is het moeilijk om te leren dat dit nu de opvoedkunde is van de Heilige Geest. Ons vlees wil er niet aan dat we groeien door minder te worden, dat we toenemen door af te nemen, dat we sterker worden door ontkracht te worden in onszelf. Het is nu juist het leven om geworpen te zijn op de gerechtigheid van de Heere Jezus Christus alleen en af te zien van onze gevoeligheden en eigenaardigheden, van alles wat wij willen aandragen voor het aangezicht van de HEERE God. God ontneemt ons dat alles, opdat de rechtvaardige uit zijn geloof zal leven. Dat valt niet mee, om het in deze weg te doorleven dat dat de afbraak betekent van jezelf.

Het gaat ook niet in de eerste plaats om ons. Het gaat om God, om de verheerlijking van Zijn Naam. Zo werkt de HEERE tot grootmaking van Zijn deugden.

Nee, het valt niet mee om door donkere tunnels te moeten, waarin alle lichten gedoofd schijnen te zijn. Dan zingen we niet zo gemakkelijk: Gij zult mij leiden door Uw raad; en daarna zult Gij mij in heerlijkheid opnemen (Ps.73:24). Het is dan veeleer de vraag van het hart: HEERE, wat is toch Uw raad? Hoe handelt U toch met Uw kinderen? Wat is het wat U met mij voorhebt in mijn leven?

 

Dat was ook Habakuks probleem. Daar zat hij als het ware tussen geklemd en daar kwam hij niet uit, verbijsterd als hij was over God, over de regering van God. En de HEERE heeft op zijn roepen geantwoord: Het wordt nog erger, nog veel erger. De goddelozen zullen het u blijvend moeilijk maken, maar dat niet alleen: Ik zal ook nog de Chaldeeën doen opstaan, een snel en een bitter volk.

Je zou zeggen: Maar dat kan toch niet? Dat is toch onbestaanbaar? Dat zal toch niet gebeuren?

 

Gemeente, het kan wel en het gebeurt ook. Want weet u, dwars door alles heen, ook dwars door heel de problematiek van het boek Habakuk heen, werkt de HEERE aan op Zijn eer, werkt Hij toe naar de verheerlijking van Zijn Naam. In die weg brengt God ons af van alles wat geen God en geen Christus is. Daar gebruikt de HEERE zelfs de goddelozen voor. Daar wil de HEERE zelfs de Chaldeeën voor doen opstaan.

Maar: daar heeft de HEERE nu in het bijzonder Zijn Zoon, Zijn Eniggeborene voor gegeven, uit eeuwige liefde, uit Zijn Vaderhart geschonken als de Held der hulp, te midden van alle benauwdheden en aanvechtingen, gegeven als het Licht der wereld dat schijnt in de duisternis. Ja, Hij gaf Zijn Eniggeboren Zoon over in de benauwdheid, in de aanvechtingen, in de duisternis. God gaf Zijn Jezus over in de diepten van de dood, in de krochten van de hel. Het behaagde den Heere Hem te verbrijzelen (Jes.53:10). In geloofsgemeenschap met die Heere Jezus Christus zingt Habakuk: ‘Ik zal mij verheugen in de God van mijn Heiland.’ Ja, de Heere Heere is mijn Sterkte.

 

Gemeente, het is zo jammer dat de veelzeggende namen waarin de HEERE Zich wil openbaren niet even krachtig zijn weergegeven in de vertaling. Als we in vers 19 lezen: De Heere Heere, dan lijkt dat een overbodige herhaling. Is het niet genoeg om te zeggen: de HEERE?

Ja, dat lijkt wat overbodig, maar in de oorspronkelijke taal worden twee heel verschillende Namen gebruikt. De eerste Naam die gebruikt wordt, is de Naam van ‘Jahweh’, de Ik zal zijn die Ik zijn zal (Ex.3:14), de Ik ben die Ik ben. In die eerste Naam zegt God: Ik verander nooit. Wat er ook gebeuren mag, Ik verander nooit. Ik houd Mijn Woord. Ik houd Mijn Woord getrouw, dwars door alle geslachten heen. Ik vervul Mijn belofte en Ik denk in eeuwigheid aan Mijn verbond. Ik, de Jahweh, Ik ben de Heere; Ik ben de God van het verbond. Alles moge veranderen, maar Ik, Ik blijf altijd Dezelfde. Wie Ik gisteren was, ben Ik ook vandaag en Die zal Ik ook morgen zijn. Die zal Ik zijn tot in eeuwigheid.

Voelt u nu een beetje aan wat deze Naam zeggen wil? In deze Naam zegt God: Mijn kind, Ik kom midden in je leven; Ik kom midden in je omstandigheden. En Ik blijf altijd bij je. Ik scheur de hemel in Mijn Naam en Ik zeg het je: Zie, hier ben Ik, de onveranderlijke God. Ik zal je niet begeven; Ik zal je niet verlaten. Ik zal je niet in de steek laten, in geen enkel opzicht. Hoe donker ook Gods weg moog' wezen, Ik zie in gunst op die Mij vrezen.

 

De Heere Jezus heeft deze bijblijvende genade van God verdiend. Ik blijf bij u. Ik verander niet. Ik handhaaf Mijn trouw in uw leven.

Dat alles heeft Jezus verdiend toen Hij eenzaam en verlaten aan het vloekhout der schande hing en het moest uitroepen: Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? (Matth.27:46). Voor Hem níet die bijblijvende genade van God, Zijn Vader. Hij hangt daar in de Godverlatenheid, zodat de Heere hier in het leven van Habakuk en van al Gods kinderen kan zeggen: Hier ben Ik, de Onveranderlijke, de God van het verbond, de Jahweh, Die u niet zal begeven en u niet zal verlaten.

 

De tweede Naam die in de oorspronkelijke taal wordt gebruikt, is ‘Adonai’. God zegt hier: Ik ben de Adonai.

En wat betekent het nu als God zegt: Ik ben de Adonai?

Wel, dan wil God zeggen: Ik ben de Oppermajesteit. Ik ben de God van hemel en aarde. Ik sta boven alle machten; Ik sta boven alle krachten. Ik spreek en het is er; Ik gebied en het wordt terstond. Alle mensen zijn bij Mij, de Adonai, minder dan een druppel aan de emmer en een stofje aan de weegschaal. Hij zegt in deze Naam: Mijn kind, voel je wel dat Ik in je kleine leven niet onderga, dat Ik daarin niet verdwijn? Nee, Ik sta daar ver boven.

God is – met eerbied gesproken – niet iemand Die zegt: Ach, Habakuk … man, wat zou Ik je graag de helpende hand willen toesteken, want Ik zie de narigheid en de ellende en de moeilijkheden wel waarin je zit.

Wat kan het in het dagelijks leven tot sterkte zijn als je een vriend hebt, als er een vriendin in je leven is die zo zijn of haar hand wil uitsteken om je te helpen, nietwaar? Maar dan moet hij of zij zeggen: ja, ik zou het wel willen, maar ik sta ook machteloos.

Dat zegt God niet. Hij zegt niet: Ik wou dat Ik je kon helpen. Nee, Hij zegt: Ik ben de Adonai. Wees ervan verzekerd dat Ik je help. Als alles je ontzinkt, als alles je ontvalt, dan wijs Ik, Adonai, je de weg naar Boven.

 

Naar Boven … Is er dan een weg naar Boven?

Gemeente, er is een weg naar Boven.

Waarom?

Er is een weg van beneden naar Boven omdat God een weg naar beneden geopenbaard heeft in de Heere Jezus Christus, omdat Christus de weg van Boven naar beneden heeft afgelegd: de weg die God in Zijn onbegrijpelijke genade heeft geopend voor verloren, schuldige mensenkinderen.

In een weg waarin zijn vlees gekruisigd is en het hem niet meezat, heeft Habakuk moeten leren om af te zien van alles. Wat is Habakuk? Niks! Wat is de Heere, de Adonai? De Oppermajesteit, de Almachtige, de bezitter van hemel en aarde.

En zo gaat de HEERE Zijn weg nog, opdat we ontkracht zullen zijn in onszelf. Want wat toen werkelijkheid was, geldt nog: ‘Eigen krachten te verachten wordt in Jezus' school geleerd.’ Hoort u wel? Wij zullen van onszelf geen afstand doen van onze eigen krachten, van ons eigen kunnen, van onze eigen prestaties, van ons eigen bezig zijn, van ons eigen bidden, van onze eigen gestalten en van onze eigen bevindingen. Hoe goed ze ook mogen zijn of bedoeld zijn, we zullen er alleen van afgebracht worden op Jezus' school.

 

Kennen wij nu ook dat onderwijs, die les van de grote Profeet en Leraar ter gerechtigheid? Als Hij de deuren van Zijn school openzet en ons door de kracht van Zijn genade in Zijn schoolbanken trekt, willen wij daar van onszelf niet aan. Het is een les die tegen ons vlees en bloed ingaat en haaks staat op ons leven. Maar wel een les die – en daar gaat het om – tot de eer van God strekt en de zaligheid van onze ziel uitwerkt. Waar je kracht je wordt ontnomen, waar al je leunsels en steunsels je ontvallen en de HEERE zegt dat die je fundament niet kunnen zijn, daar leer je afhankelijk te zijn van het werk van Jezus, afhankelijk te zijn van de kracht van de Heilige Geest.

Dan hoef ik geen naam te hebben. Dan hoef ik niet groot te worden in mezelf. Dan wíl ik dat zelfs niet. Weet u hoe Paulus dat zegt? Hij zegt: Zo zal ik dan veel liever roemen in mijn zwakheden. Hoort u dat? Ja, dat zegt hij: Zo zal ik dan veel liever roemen in mijn zwakheden. Weet u waarom? Opdat de kracht van Christus in mij wone (2Kor.12:9). Als ik zwak ben, dan ben ik machtig.

In het koninkrijk van Gods genade gaat alles precies volgens de omgekeerde orde. Wie kan in het dagelijks leven nu zeggen: als ik zwak ben, dan ben ik machtig? Als ik zwak ben, wel, dan heb ik niks in te brengen; dan lopen ze over me heen. En dat is nu juist andersom in het Koninkrijk van God. Als ik zwak ben, dan ben ik machtig, want dan ben ik afhankelijk van de kracht van de Heere Jezus Christus. Dan ben ik machtig, namelijk door God, Die mij in het midden van de benauwdheden sterkt en mij te midden van de moeilijkheden troost.

 

Zo zingen Paulus en Habakuk ten diepste hetzelfde lied. Ze zingen allebei met hun eigen woorden: ik zal mij verheugen in de God van Mijn Heiland. En als je vraagt: hoe kan dat dan, hoe is dat nu mogelijk? Dan zegt Habakuk: De Heere Heere is mijn Sterkte. Jahweh Adonai zal mij niet in de steek laten. Al verlies ik alles, al moet ik alles afstaan in deze wereld, ik houd Hem over. En wie Hem heeft, wie Hem kent door het geloof, al is het bij aanvang, die heeft in Hem genoeg. Die zal in Hem alles vinden wat nodig is tot heil en zaligheid. Die zal in Hem alles vinden, beide in leven en in sterven. Mijn God, Hij is mijn Sterkte.

Dat is de taal van het geloof. De goddeloze zegt precies het omgekeerde. Daar heeft Habakuk het ook over gehad in het eerste hoofdstuk. Habakuk zegt: De Heere Heere is mijn Sterkte. En over de Chaldeeër wordt gezegd: hij zal doortrekken, en zich schuldig maken, houdende deze zijn kracht voor zijn god (Hab.1:11).

Hoort u? Dat is precies het omgekeerde. De goddeloze zegt: Mijn kracht, mijn sterkte, dat is mijn god. Daar vertrouw ik op. Daar steun ik op. Daar laat ik alles van afhangen.

 

Ja, gemeente, dat is van nature ons aller bestaan. Daarin ligt onze vijandschap getekend. Dan hebben we de mond vol van paarden en wagens, van krachten en helden, van dit en van dat – de mond van het ongeloof.

Maar de Kerk des Heeren zegt met de psalmdichter: Dezen vermelden van wagens en die van paarden, maar wij zullen vermelden van den Naam des Heeren onzes Gods (Ps.20:8). De Heere is mijns levens Kracht, voor wien zou ik vervaard zijn? (Ps.27:1) De HEERE is de Sterkte van mijn leven. Voor wie zou ik opzij gaan?

De heere Heere is mijn Sterkte. Wat is nu úw sterkte? Is dat God of is dat uw eigen kracht? Waar leunen we op? Waar verwachten we het van?

Sterktes hebben we allemaal, ook in ons jonge leven, meisjes en jongens. Wanneer je aan de ingang van het leven staat, dan zeg je: Ik zal zus en ik zal zo. Dit heb ik me voor ogen gesteld en dat zal het worden in mijn leven.

Daar zul je een keer bedrogen mee uitkomen.

Mogen we dan geen plannen maken, geen idealen hebben in ons jonge leven?

Dat zeg ik niet. Heb ze in het licht van het Woord van de HEERE, want dat zal ons terughoudend maken, ook in ons jonge leven. Dat zal ons doen vragen: HEERE, wilt U mij bij alles toch de weg wijzen?

Leven we zo? Dan moet je jezelf overgeven, jezelf uitleveren. Zo iemand achter Mij wil komen, zegt Jezus, die verloochene zichzelven, en neme zijn kruis op en volge Mij (Matth.16:24).

Volg Mij. Achter Hem, daar wordt het gezongen: De Heere Heere is mijn Sterkte. Nu kom ik over de moeilijkheden heen. Nu worden mijn problemen ten volle opgelost, want nu ben ik afhankelijk van Hem.

 

De Heere Heere is mijn Sterkte. En dan vervolgt Habakuk niet met ‘nu zal ik dit’ of ‘nu zal ik dat’. Nee, de Heere Heere is mijn Sterkte. Hij, Híj zal wat doen. De God zijns heils, de God van Zijn Heiland, Die zal wat doen in zijn leven.

En wat zal Hij dan doen?

Wel, dat staat er: Hij zal mijn voeten maken als der hinden, en Hij zal mij doen treden op mijn hoogten.

Dat is het tweede in Habakuks slotakkoord: van der hinden voeten. Dat is weer iets heel anders en daarom zingen we eerst Psalm 59 vers 9:

 

Laat hen, o God, om spijs verlegen,

omzwerven, en op nare wegen

vernachten in de duisternis,

schoon geen van hen verzadigd is.

Maar ik zal U mijn sterkte noemen,

Uw goedheid ’s morgens vrolijk roemen,

en zingen, met een dankb’ren geest:

‘Gij zijt mijn hoog vertrek geweest.’

 

2. Van der hinden voeten

Habakuks slotakkoord. Daarin zingt hij in de eerste plaats van des HEEREN sterkte en in de tweede plaats van der hinden voeten: Hij zal mijn voeten maken als der hinden.

Wanneer in de Heilige Schrift het woordje ‘als’ gebruikt wordt, dan moeten we niet denken dat we uitsluitend te doen hebben met een vergelijking. Wanneer God in Zijn Woord dat woordje ‘als’ gebruikt, moeten we daarbij stilstaan en bepaalde vragen stellen. Ik geef een paar voorbeelden.

We kennen vanuit Psalm 103 de tekst waarin over het leven van de mens gezegd wordt: hij is als een bloem van het veld. Zo bloeit hij: als een bloem. Daar hebben wij zo onze gedachten bij, maar het is nodig dat we dan vragen: als ons leven bloeit als een bloem, hoe bloeit een bloem dan?

Als in Psalm 92 staat dat de rechtvaardige zal groeien als een palmboom, dan moet je de vraag stellen: hoe groeit een palmboom dan? Want anders begrijp je geen woord van deze tekst.

Wanneer we lezen dat op de Pinksterdag de tongen boven de hoofden van de discipelen als van vuur waren, dan moeten we vragen: Wat voor tongen waren dat? Hoe zagen die eruit?

Als de HEERE in het boek Hoséa zegt: Ik zal Israël zijn als de dauw, dan moet je vragen: Wat voor betekenis heeft de dauw? Wat heeft mij dat te zeggen?

Zo ook hier, wanneer Habakuk zegt: Hij zal mijn voeten maken als der hinden, als de voeten van de hinden. Dan moeten we nieuwsgierig worden en vragen: Wat voor voeten hebben die hinden? Wat is er zo bijzonder aan de voeten van de hinden? Wat is het bijzondere van de hinden zelf? Wat heeft mij dat te zeggen?

Want als we niet verdergaan dan: ‘dat is mooi gezegd’, dan ontgaat ons de betekenis. Habakuk zegt niet: hij zal mijn voeten maken als die van de paarden, of als die van de koeien – ik noem maar wat. Nee! Waarom nu juist als die van de hinden?

 

Wel, gemeente, drie dingen in dit verband.

Allereerst hebben de hinden een fijn gevoel voor gevaren die hen bedreigen. Alpenjagers vertellen dat het ontzettend moeilijk is om op hinden te jagen, omdat ze je onmiddellijk aan horen komen. Ze weten ook direct van welke kant het gevaar dreigt. Je zou kunnen zeggen: die beesten hebben een ingebouwde antenne, die hen voor het gevaar waarschuwt. Het minste of geringste geluid – een blad dat valt of een takje dat kraakt – en ze springen op, om te verdwijnen in het dichte bos waar geen jager komen kan.

Dat is een bijzondere gave die God gegeven heeft aan de hinden: een scherpe intuïtie voor gevaar dat dreigt. En nu zegt Habakuk: zulke voeten als die van de hinden, die erg hebben in het gevaar, die geeft de HEERE ook aan mij.

 

Het is een bijzondere gave, een bijzondere genade van de HEERE dat Habakuk dat hier zeggen mag. Want niet elk van Gods kinderen heeft die hemelse fijngevoeligheid om direct op te merken wanneer en van welke kant het gevaar dreigt in het leven.

Ik zeg: niet ieder van Gods kinderen heeft die fijngevoeligheid. Ik zal dat vanuit de Heilige Schrift duidelijk maken.

Een bekend voorbeeld vinden we in de geschiedenis van Lot; die kennen onze kinderen ook. De rechtvaardige Lot slaat zijn tenten op in de buurt van Sodom. Hij gaat niet ín Sodom wonen; nog niet, nee. Hij blijft op een afstand van de stad van verderf. Maar het opslaan van zijn tenten buiten Sodom heeft maar een voorlopig karakter; het duurt niet lang of de man woont ín Sodom. En als hij eenmaal in Sodom woont, verbroedert hij zich zo met de mensen die daar wonen dat hij zelfs een vooraanstaande plaats in deze stad krijgt. Later blijkt hij namelijk te behoren tot de mannen die in de poort zitten; dat zijn de mannen die zich bezighouden met de rechtspraak.

Bij Lot ontbreekt die antenne, die fijngevoeligheid voor plaatsen waarvan de HEERE zegt: nee, daar niet.

 

Gemeente, laten we ook ons eigen leven en ons eigen hart hier eens naast leggen. Hoe vaak proberen wij te bedenken hoever we mee kunnen gaan? We willen dit nog en dat nog, en zus nog en zo nog. Terwijl onze gedachte veel meer zou moeten zijn: hoe ver moet ik ervandaan blijven, en niet: hoe dicht kan ik erbij komen.

‘Steekt daar nu zo’n kwaad in?’ Dat is de vraag die vaak het scharnier, het draaipunt is.

Is dat nu zo erg? Je moet toch niet overal wat van zeggen. Dan mag je helemaal niks meer.

Laten we bidden om die antenne van de hinde, zodat we erop bedacht zijn waar het gevaar vandaan komt en wanneer het op ons afkomt. Het kan komen vanuit die ‘onschuldige’ (tussen aanhalingstekens) invalshoek. Is het nu zo erg dat je de Story of de Privé of de Panorama een keer leest? Is het nu zo erg dat je televisie hebt? Er zit toch een knop op?

Als u hem gebruikt, dan hebt u de injectie van het gif al gehad. Wanneer het u te grof wordt, hebt u inmiddels al het ‘nodige’ gezien.

En daarom: voeten als van de hinden.

Daar moet je niet zijn, Lot, daar in Sodom. Nabij dat Gomorra kwel je straks jouw rechtvaardige ziel.

 

Gemeente, zo wekken wij vandaag elkaar ook op. Kijk toch uit wat u doet. Meisjes en jongens, leef toch bij het Woord van de HEERE en vraag toch: O God, wijs mij de wegen die U wilt dat ik zal gaan. Maak mij daartoe genegen, opdat ik gaan mag in de weg die U wilt banen, in Uw sterkte en in Uw kracht.

Als we onszelf een beetje kennen en bezorgd zijn om onze kinderen, laten we de HEERE dan bidden om de fijngevoeligheid van de hinden, om zo van een afstand te weten waar er gevaar dreigt: waar de pijl vliegt overdag en waar het verderf op de middag verwoest en waar de pestilentie in de donkerheid wandelt, zo staat er in Psalm 91.

Habakuk spreekt het hier uit, in het geloof: De Heere (Jahweh) zal mij bewaren van alle kwaad. Mijn ziel zal Hij bewaren.

Hoe weet je dat, Habakuk?

Hij zegt: Hij zal mijn voeten maken als der hinden.

 

De tweede eigenaardigheid van de hinden is dat ze iets spotzieks hebben als ze overwinnen. Ik las in dit verband het volgende:

Enkele jongeren hadden op een jong hert gejaagd om het te vangen. Uiteraard – zou ik haast zeggen – niet met het gewenste resultaat. Het lukte niet. Het beest ontsnapte steeds weer. Het sprong van de ene rots op de andere. En af en toe, op een uitstekende klip, keek het heel ondeugend rond en dan waren zijn belagers een eind achter. Dan rekte dat beest zijn nek uit alsof het zeggen wilde: ‘Haha, jullie krijgen me toch lekker niet!’

Als de jagers er dan opnieuw achteraan gingen, stond hij een poosje later op een andere klip, keek om het hoekje alsof hij zeggen wilde: jullie zijn weer verkeerd. Wanneer er een schot gelost werd, dook hij weg en stak even later zijn kop weer op. Spotziek.

Welnu, zegt Habakuk, iets dergelijks doet de HEERE ook voor mij. Hij maakt mijn voeten als die van de hinden. Ik mag net zo triomferen, net zo overwinnen als de hinden. Ik mag zeker zijn van de overwinning. Ik kijk om het hoekje en ik zeg: De Heere Heere is mijn Sterkte. En daar ga ik. Wie wil mij achtervolgen? Wie maakt het mij benauwd? Wie wil mij de keel dichtknijpen? Ik steek mijn nek uit en ik zeg: hier ben ik, maar je krijgt me niet.

 

Het Nieuwe Testament geeft ons het voorbeeld van de apostel Paulus. Als u Romeinen 8 nog eens met deze gedachte in uw achterhoofd leest, wordt het u duidelijk. In dat hoofdstuk beschrijft Paulus de overwinning over allerhande machten. Je ziet hem als het ware staan op zo’n klip, met beneden hem zijn vervolgers, zijn belagers – de vijanden van toen en nu. Hij kijkt ze stuk voor stuk in de ogen en zegt: Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Dood, zul jij dat doen? Leven, zul jij mij scheiden? Zullen engelen – daarmee worden de boze engelen bedoeld – zullen die mij scheiden van de liefde van Christus? Hoogten? Diepten? Honger? Vervolger? Smaad?

Het staat er allemaal met een vraagteken. En Paulus zegt samenvattend, om maar niemand te vergeten: is er soms ook enig schepsel dat me zal kunnen scheiden van de liefde van God die daar is in Christus Jezus?

We zien Paulus staan. Hij zegt: Nou? Ik geef gelegenheid om te spreken. Dood, aan u is het woord.

Heeft niks te zeggen.

Vervolging, zeg het maar.

Zegt ook niets.

Verdrukking?

Zwijgt ook.

Kom maar op, zegt Paulus in heilige onbezorgdheid. En Habakuk zegt het hem na: kom maar op! Wie zal mij scheiden van de liefde van God die er is in Christus Jezus? De goddelozen? Die Chaldeeër? Die wijnstok waar niks aan hangt? Die vijgenboom die liegt? Of die stallen waar geen runderen meer in zijn? Laten ze het samen eens zeggen, of laat een van hen iets zeggen.

Maar ze zwijgen. Ze zwijgen in alle toonaarden. En ze bevestigen daarmee dat niets, niets mij zal kunnen scheiden van de liefde van God die er is in Christus Jezus, onze Heere. In dit alles, in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars, door Hem, Die ons liefgehad heeft (Rom.8:37). Hij zal mij doen treden op mijn hoogten, want Hij zal mijn voeten maken als die van de hinden.

 

Gemeente, hier ziet de kerk des Heeren God in Zijn hart. Hier zien we God in Zijn eeuwige liefde. Hier zien we God in Zijn oneindige erbarming. Hier zingt de kerk het uit, ziende op het werk van de Heere: ‘De Heer’ is zo getrouw als sterk; Hij zal Zijn werk voor mij volenden.’

Wat heeft Habakuk een krediet op de HEERE zijn God gekregen. De HEERE deed niks, hè. Habakuk riep maar en de HEERE antwoordde niet. Habakuk schreeuwde en de HEERE verloste maar niet. Ja, zo was het aan het begin van zijn profetie.

Alle kastijding, als die tegenwoordig is, schijnt geen zaak van vreugde, maar van droefheid te zijn, zegt de apostel in Hebreeën 12 vers 11; doch daarna geeft zij van zich een vreedzame vrucht der gerechtigheid dengenen, die door dezelve geoefend zijn.

Nogmaals: de HEERE oefent Zijn kinderen door de verdrukking heen, opdat Híj alleen zal overblijven. ‘Bezwijkt dan mijn vlees en mijn hart, zo is God nochtans de Rotssteen van mijn hart en mijn Deel in eeuwigheid.’ En dat alleen om de verdienste van Christus, alleen om Jezus' wil, Die Zich vrijwillig heeft overgegeven in de greep van de machten van de dood, van de verdrukking, van de vervolging, van de benauwdheid, van het zwaard. Denk maar aan het zwaard van Herodes, als Jezus nog maar net geboren is. En aan de macht van de honger: zo hongerde Hem ten laatste (Luk.4:2). Hij heeft Zich vrijwillig overgegeven in de macht van de boze engelen. ‘Wie zal ons scheiden van de liefde van God? De engelen?’ De boze engelen, bedoelt Paulus daar. Jezus is in hun greep geweest. Hij is in hun macht geweest. Op het kruis kon Hij geen kant op: vastgespijkerd aan handen en voeten.

En Habakuk is als een hinde; daar gaat hij. Dat is Jezus' verdienste, Gods genade. Habakuk, nu krijg je voeten als die van de hinden, om eropuit te kunnen gaan en om zo de overwinning in Hem te mogen ontvangen. In Hem. Alzo Hij de Zijnen, die in de wereld waren, liefgehad had, zo heeft Hij hen liefgehad tot het einde (Joh.13:1).

 

Hinden hebben dus een speciale antenne voor gevaren. En ze zijn spotziek als ze de overwinning behalen, kijken op de klip ondeugend links en rechts om zich heen.

Het derde is dat hinden bekendstaan om hun voorliefde voor stilte en eenzaamheid. Om te eten komen ze 's avonds meestal tevoorschijn uit de bossen waarin ze verblijven. Maar hun eigenlijke leven is in de schaduw, in de stilte, veraf van de drukte.

Als God onze voeten maakt als die van de hinden komen we ook in de stilte. Niet dat de HEERE dan zegt: nu moet je maar uit de wereld gaan. Niet dat we de wereld maar moeten ontvluchten. Integendeel, God geeft Zijn kind een plaats midden in de wereld. Jezus heeft gezegd: ‘Ik vraag U niet, Vader, dat U ze uit de wereld wegneemt. Maar Ik bid U dat U ze bewaart van de boze.’ Gods kinderen krijgen hun plaats midden in het volle leven, midden in deze wereld. Ze gaan niet in een klooster – geen wereldmijding van ‘raak niet en smaak niet en roer niet aan’. Dat is niet naar het Woord van de HEERE. God geeft Zijn kinderen een plaats in het drukke bestaan van deze wereld. Maar juist in de drukte van het leven, in de woestijn van deze wereld, zorgt de HEERE zo voor Zijn kinderen dat ook daar plaatsen van stilte zijn, van eenzaamheid.

Als het volk van Israël op doorreis is van Egypte naar Kanaän geeft de HEERE de plaats Elim met zijn palmbomen en waterfonteinen. Daar wordt de rust geschonken. Daar leidt de Koning in in Zijn binnenkamer.

Ook de Koning weet dat het leven roept. Hij zegt dan ook tot Zijn discipelen: Komt gijlieden in een woeste plaats hier alleen, en rust een weinig (Mark.6:31). Rust een beetje. Het kan natuurlijk niet alle dagen zo wezen, want je moet er weer op uit. Maar nu zal Ik je alles geven, zodat je opnieuw verder kunt. Rust een weinig.

Wanneer Elia het voedsel uit de hemel krijgt en die fles aan zijn hoofdeinde gezet wordt, dan staat er: en hij ging door de kracht derzelver spijze veertig dagen en veertig nachten, tot aan den berg Gods, Horeb (1Kon.19:8).

 

Merkt u het op? De HEERE geeft de stilte, de HEERE geeft de eenzaamheid te midden van het gewoel van de wereld, opdat we er weer tegen zouden kunnen. Hij wil Zijn tafel aanrichten. Hij wil de doopbediening doen plaatsvinden. Hij wil elke zondag het Woord laten verkondigen in ons leven. Opdat daardoor het geloof van Gods kinderen zal worden versterkt, maar ook de onbekeerden tot het geloof in Jezus Christus gebracht zullen worden door de Heilige Geest.

Want die den Heere verwachten, zullen de kracht vernieuwen (Jes.40:31).

 

Zo leidt de HEERE Habakuk uit de diepten van zijn raadsels en zorgen en brengt Hij hem op de hoogten van Zijn genade. Hij zal mij doen treden op mijn hoogten, met voeten als die van de hinden: bedacht op het gevaar, spotziek bij de overwinning en met een begeerte naar stilte en eenzaamheid.

Habakuk, de woelige man. Habakuk, de onrustige. Habakuk, de man met de vraagtekens. We hebben hem gevolgd op zijn weg van vallen en opstaan, zijn weg van struikelen en weer verdergaan, van smeken en bidden, van ondergaan en weer opkomen.

In onze gedachten neemt hij nu afscheid van ons. Hij staat op zijn hoogten, daar gebracht door de Heere Heere, zijn God. We zien hem als het ware daar staan. Daar is ook de opperzangmeester en Habakuk geeft zijn gebed over aan hem. Hij zegt: Laat het maar gezongen worden in de gemeente, als zij samenkomt. Laat het gezongen worden tot eer van de Heere Heere, Die mijn Sterkte is. Laat het lied weerklinken op de Neginôth. Laat het snarenspel daarbij niet ontbreken en laat het een lofzang zijn op de genade en de naam van de HEERE, mijn God.

Nee, nu geen verbijstering meer om God. Ook geen verbijstering meer over Gods regering. Nu is er verwondering: verwondering over God en over Zijn genade in Jezus Christus.

 

Habakuk – wat betekent zijn naam? Misschien ‘de zeer geliefde’, ‘de omhelsde’.

Habakuk, Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde; daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid (Jer.31:3).

Habakuk – wat betekent zijn naam? Misschien wil het zoveel zeggen als ‘palmboom’. De rechtvaardige zal groeien als een palmboom (Ps.92:13), tegen de verdrukking in, opdat de eer zij aan de Drie-enige God alleen.

Staande op zijn hoogten, in het licht van het Nieuwe Testament, zou Habakuk zelf kunnen zingen, op een verhoogde toon:

 

‘Ik reis naar de hemel;

al ‘t aardse gewemel

verhindert mij niet.

Zwijgt, zinnen en lusten!

Mijn hart kan niet rusten

zolang gij gebiedt!

 

Dreigt, waar ik moog' staren,

een heir van gevaren,

is eng ook mijn pad:

ik ken mijn Behoeder,

daar Jezus, mijn Broeder,

mijn hand heeft gevat.

 

Hoe dichter ik nader

aan ‘t huis van mijn Vader,

hoe sterker ik hijg

naar d’ eeuwige woning,

waar ‘t heil van mijn Koning

mij wacht na de krijg.

 

Voor den opperzangmeester op mijn Neginôth.

Amen.

 

Slotzang: Psalm 75 vers 1

 

U alleen, U loven wij;                                     is tot onze vreugd nabij;

ja, wij loven U, o Heer’!                                 dies vertelt men, in ons land,

Want Uw naam, zo rijk van eer,                   al de wond’ren Uwer hand.